Summary Class notes - Het geneeskundig proces

Course
- Het geneeskundig proces
- David
- 2016 - 2017
- Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen locatie Nijmegen, Nijmegen)
- Physician Assistant
566 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Het geneeskundig proces

  • 1474408800 Doelstelling van dit thema

  • Thema 1 het geneeskundig proces
    - ​​​de diverse onderdelen van het geneeskundig proces en hun volgorde beschrijven
    - de diverse onderdelen van de klinische probleemanalyse benoemen
    - de onderdelen van de anamnese herkennen en de vraagverheldering en speciële anamnese toepassen en
       rapporteren
    - een algemeen overzicht geven van de anatomie van het menselijk lichaam.
  • Thema 2  rugklachten
     Na afloop van dit thema:- Kunt u een differentiële diagnose bij rugklachten opstellen
    - Kent u het beleid bij de patiënt met rugklachten
    - Kunt u bij patiënten met rugklachten een adequate anamnese afnemen en rapporteren
    - Kunt u het lichamelijk onderzoek bij patiënten met rugklachten uitvoeren en rapporteren
    - Kunt u de diverse onderdelen van de klinische probleemanalyse benoemen en integreren in het medisch
       proces (afgestemd op rugklachten)
    - Kent u de anatomische termen en de relatieve posities ten opzichte van elkaar voor de verschillende:
    • lichaamsonderdelen
    • lichaamsgebieden
    • lichaamsvlakken
      ​en kunt u deze toepassen in de praktijk
    - Kent u de principes van het toedienen van parenterale medicatie
    - Kunt u zelfstandig met de juiste hulpmiddelen op een fantoom de volgende handelingen uitvoeren:
    • een subcutane en intramusculaire injectie toedienen
    • een venapunctie verrichten
    • een perifeer infuus inbrengen
    ​- Kent u de anatomie van de rug
    - Kent u de diverse gewrichten en hun bewegingsmogelijkheden
    - Kent u de belangrijkste ethische en juridische aspecten van de arts-patiënt relatie
  • Thema 3  Buikpijn en diarree
     Na afloop van dit thema:
    - Kunt u  een differentiële diagnose bij defecatieproblemen en buikpijn opstellen
    - Kent u het beleid bij de patiënt met een gestoord defecatiepatroon en buikpijn
    - Kunt u bij patiënten met een gestoord defecatiepatroon en buikpijn een adequate anamnese afnemen en
      rapporteren
    - Kunt u de vragen bij de speciële- en volledige tractusanamnese stellen en de gegevens die hierbij
      verzameld worden rapporteren
    - Kunt u de diverse onderdelen van de klinische probleemanalyse benoemen en integreren in het
      geneeskundig proces (afgestemd op buikpijn en diarree)
    - Kunt u een globaal overzicht van de verschillende buikorganen, hun functies en samenhang geven, en kent
      de belangrijkste spijsverteringsprocessen
    - Kent u de opbouw van een onderzoeksartikel
    - Kent u de verschillende soorten onderzoeksdesigns
    - Kunt u het belang van wetenschappelijke kennis voor de beroepspraktijk uitleggen
  • 1474754400 ZSO 1.1

    1. Op welke niveaus kunnen anatomie en fysiologie van het menselijk lichaam bestudeerd worden?
    2. Welke orgaansystemen onderscheidt men in het menselijk lichaam? Wat zijn de belangrijkste componenten binnen deze verschillende orgaansystemen?
    3. Beschrijf het concept homeostase en geef de relevantie ervan aan voor organismen.
    4. Beschrijf wat positieve en negatieve feedback is en hoe deze mechanismen invloed hebben op de homeostase.
    5. Bestudeer de anatomische termen voor de verschillende lichaamsonderdelen, lichaamsgebieden en relatieve posities ten opzichte van elkaar, zodat u ze vlot in de praktijk kunt toepassen
  • Opdracht
    Beantwoord onderstaande vragen:
    1. Op welke niveaus kunnen anatomie en fysiologie van het menselijk lichaam bestudeerd worden?
    2. Welke orgaansystemen onderscheidt men in het menselijk lichaam? Wat zijn de belangrijkste componenten binnen deze verschillende orgaansystemen?
    3. Beschrijf het concept homeostase en geef de relevantie ervan aan voor organismen.
    4. Beschrijf wat positieve en negatieve feedback is en hoe deze mechanismen invloed hebben op de homeostase.
    5. Bestudeer de anatomische termen voor de verschillende lichaamsonderdelen, lichaamsgebieden en relatieve posities ten opzichte van elkaar, zodat u ze vlot in de praktijk kunt toepassen
  • Op welke niveaus kunnen anatomie en fysiologie van het menselijk lichaam bestudeerd worden?
    Chemical level, cellularlevel, tissuelevel, organ level, orgaansysteem level, organisme
  • 1. Niveaus van anatomie: macroscopic (gross) + microscopic
    Macroscopic:
    • surface anatomy: study of general form and superficial markings
    • regional: focuses on anatomical organization of specific areas of the body (region) head, neck or trunk etc.
    • systemic: study of the structure of organ systems (skeletal, muscular, cardiovascular system)
    • clinical: includes a numer of subspecialities important in clinical practice (pathological anatomy, radiographic, surgical anatomy)
    • development: describes the change in form that takes place between conception and adulthood
    Microscopic
    • cytology: study of the internal structure of individual cells
    • histology: examination of tissues > groups of specialised cells and cell products that work together to perform specific funtions
  • Welke orgaansystemen onderscheidt men in het menselijk lichaam?
    integumentary
    Skeletal
    Nervous
    Endocrien
    Cadriovasculair
    Lympfatisch
    Ademhalingstelsel
    Degestive
    Urinary
    Voortplaning man
    Voortplaning vrouw
  • Niveas van physiology: cell, organ, systemic, pathological
    • cell: study of the functions of the cells. Includes both chemical process wihtin cells and chemical interactions among cells.
    • organ; study of the function of specific organs (ie heart function)
    • systemic: all aspects of the functioning of specific organ system ie cardiovascular, respiratory
    • pathological: study of the effects of diseases on organ functions or system functions
  • Wat zijn de belangrijkste componenten binnen deze verschillende orgaansystemen?
    integumentary MA: skin, hair, sweat glands, nail   F; bescherming tegen mogelijke gevaren, temperatuur regeling, sensorische informatie
    Skeletal MA: Botten, Kraakbeen, bijbehorende ligamenten, beenmerg  F: stevigheid en bescherming, calcium en mineralen opslag, vorming bloedcellen
    Muscular MA: skeletspieren en bijbehorende pezen F; beweging, bescherming, warmte vorming voor lichaamstemperatuur
    zenuwstelsel MA; brain, spinalcord, perpheral nerves, sense organs F; Direct respons bij stimuli, coordineren en of meehelpen bij activiteiten andere orgaan systemen, voorziet in en interpreteert sensorische informatie of external conditions
    Endocrine MA: Hypofyse, schildklier, alvleesklier, bijnieren, gonade en overige endocriene weefsel in andere systemen F; Stuurt lange termijn veranderingen aan in andere oraan systemen, veranders metabolische activiteit en energie van het lichaam, beheert vele structurele en functionele veranderingen tijden ontwikkeling (prematuur tot adelocent enz)
    Cardiovasculair MA: Hart, Blood en bloedvaten F; transport bloedcellen water en opgeloste stoffen zoals nitrients, waste product, oxygen, carbon dioxide,  Transporteert warmte en assisteert bij regulatie lichaams temperatuur
    Lymfatisch MA; milt, thymus, lymf. vaten, lumf.klieren, amandelen f; bescherming tegen infectie en ziekte, breng lichaamstsappen terug de bloedstroom in
    Ademhalingst. MA. Neusgaten, sinussen, larynx, trachea, bronchi, lungen, alveoli f; transport lucht naar alveoli, levert zuurstof aan bloedstroom , extraheren carbon dioxide (koolstof dioxide), produceren geluid voor communicatie
    Digestivest. MA. Tanden, tong, keelholte, slokdarm, maag, dunnedarm, dikke darm, lever, galblaas, alvleesklier f, Verwerken en opnemen voedsel, opnemen en opslaan water, absorberen nutriens (voedingstoffen), opslaan energie reserve
    Urinaryst. MA  nieren, urineleiders, blaas, urinebuis f. excretie afvalstoffen uit bloed, controle water balans door regulatie urine, regulatie ionen concentraties en PH
    Mannelijk geslachts MA . zaadballen, bijballen, ductus deferentia, zaadblaasjes, prostaat, penis, scrotum f;. produceren sperma en hormonen, sexual intercourse
    vrouwelijk geslachts, MA. eistokken, eileiders, baarmoeder, bagine, schaamlippen, clitoris, borstklieren f; produceren vrouwelijke sex cellen (oocytes/eicel)., ondersteunen ontwikkeling embryo, lactose productie, sexaul intercourse
  • 2. Orgaansystemen:
    - Integumentary (integumentum): skin, hair, sweat glands, nails
    - Skeletal: bones, cartilages (kraakbeen), associated ligaments, bonemarrow
    - Muscular: skeletal muscles and associated tendons
    - Nervous: brain, spinal cord, peripheral nerves, sense organs
    - Endocrine: pituitary gland (hypofyse), thyroid gland (schildklier), pancreas, adrenal glands (bijnier), gonads (geslachtsklieren), endocrine tissues in other systems
    - Cardiovascular: heart, blood, bloodvessels
    - Lymphatic: spleen (milt), thymus, lymphatic vessels, lymph nodes, tonsils
    - Respiratory: nasal cavities, sinuses, larynx, trachea, bronchi, lungs, alveoli
    - Digestive: teeth, tongue, pharynx (keelholte), esophagus, stomach, small + large intestine, liver, galbladder, pancreas
    - Urinary: kidneys, ureters (urineleiders), urinary bladder, urethra (urinebuis)
    - Male reproductive: testes, epidiymides (bijballen), ductus deferentia (zaadleider), seminal vesicles (zaadblaasjes), prostate gland, penis, scrotum
    - Female reproductive: ovaries, uterinetubes (eileiders), uterus, vagina, labie (schaamlippen), clitoris, mammary glands (borstklieren)
  • Beschrijf wat positieve en negatieve feedback is en hoe deze mechanismen invloed hebben op de homeostase.
    negatief = primaire systeem van homeostase -> wil zeggen een tegen aanval <- denk aan warmte regulatie

    Positief <- secundair systeem -> wil zeggen een stimulans die het proces versterkt <- denk aan reactie bij bloedverlies via huid
  • 2. Niveaus van organisatie:
    - chemical level: atoms
    - cellular level: cells
    - tissue level: tissue (weefsel)
    - organ level: organs
    - organ system level: bijv digestive system
    - orgasm level: human
  • Bestudeer de anatomische termen voor de verschillende lichaamsonderdelen, lichaamsgebieden en relatieve posities ten opzichte van elkaar, zodat u ze vlot in de praktijk kunt toepassen
    BLAUW   RUQ (r upper quad.  | LUQ
                    RLQ (lower) |LLQ
    Rood   R. hypogondriac reg | epigastric reg | L hypogondriac reg 
                R. lumbar reg | Umbilical (navel) reg | L lumbar reg  
                R. Inguinal (lies) reg | Hypogastric reg | L Inguinal reg
  • Homeostasis: the existence of a stable internal environment
    Homeostatic regulation: the adjustment of physiological systems to preserve homeostasis
  • Beschrijf het concept van homeostase en de relevantie hiervan voor een organisme

    Homeostasis (homeo = unchanging + statis = standing)

    instaat zijn van het menselijk lichaam om aanpassing in het fysiologisch systeem toe te passen om homeastase te behouden

    Homeostase regulering
    - autoregulatie - het proces waarbij een cel, weefsel, orgaan of orgaansysteem zich aanpast als gevolg op omringende (milieu) verandering. Bv. vermindering van hoeveelheid zuurstof <-- zuurstof neemt af -> chemisch stofje komt vrij om bloedvaten te verwijden -> verwijding zorgt voor hogere doorstroming bloed door de vaten -> meer zuurstof  naar de gewenste regio
    - Extrinsieke regulatie - proces tgv zenuwstelsel of endocrine system. Deze organen detecteren een verandering en sturen een signaal (zenuwst. elecktrisch signaal, endocrien chemisch signaal) om de activiteiten van een anders systeem(en) te controleren of aan te passen. bv. bij sporten het zenuwst. geeft signalen dat hartslag omhoog moet. Tevens zorgt zenuwst. ervoor dat er minder bloedtoevoer komt naar minder actieve organen bv degestive tract. waardoor zuustof beschikbaar is waar deze het meeste nodig is.

    HOM. REG  is altijd aan het werk om de interne omgeving binnen de limieten te houden

    Verschil functie elektrisch signaal en chemisch signaal
    Zenuwstelsel - elektrisch, direct, kort-termijn en erg specifiek bv bij branden vingers
    Endocrien - chemisch signaal, Hormonen in bloedsomloop, niet altijd direct effect, effect kan dagen tot weken aanhouden. bv langer termijn samenstelling en volume van bloed

    Drie onderdelen van homeostatic regulatie mechanisme

    1. Receptor - een sensor die sensitief is voor bepaalde stimulans dan wel verandering in het interne milieu
    2. Control-center - ontvangt en verwerkt informatie aangeleverd door de receptor. En verstuurd opdrachten .
    3 . Effector - cel of orgaan dat reageert op de opdrachten vanuit het control-center en wiens activiteit de waargenomen stimulans ( opgevangen door receptor) versterkt dan wel tegenwerkt
  • 3. Homeostatische regulatie, 2 algemene mechanisme:
    - Autoregulatie: proces dat optreedt wanneer een cel, weefsel, orgaan of orgaansysteem aanpast als reactie op verandering in omgeving
    - Extrinsieke regulatie: proces als gevolg van activiteiten van het zenuwstelsel of endocriene systeem. Bijv bij sport.
    Fysiologische systemen kunnen alleen normaal functioneren onder zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden. Homeostatische regulatie voorkomt potentiele verstorende veranderingen in de interne omgeving van het lichaam. Anders ziekte of zelfs dood.
  • 4. Negatieve feedback : zorgt op lange termijn controle op het lichaam's interne voorwaarden, door de effecten van stimuli tegen te gaan.
    Positieve feedback: versterkt of verhoogt de effecten van stimuli.
    > beide feedback zorgen ervoor om homeostase te bereiken of te behouden.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

parenterale toediening
toediening door middel van injectie (buiten de darm om), omvat de subcutane, intramusculaire, intraveneuze en intrathecale toedieningswijzen
Voorkeursplaatsen perifeer infuus
Voor thuisbehandeling wordt een perifeer infuus in de meeste gevallen op de onderarm boven het polsgewricht ingebracht. Hiermee blijft de mogelijkheid bestaan om bij een eventuele flebitis meer proximaal nog een infuus in te brengen. Bij de prikplaats moet wel rekening worden gehouden met de mobiliteit. Mocht het inbrengen van een infuus in de arm niet (meer) mogelijk zijn dan kan een ander (centraal) infuussysteem worden overwogen. Bij een niet mobiele patiënt kan ook een infuus in de voet tot de mogelijkheden behoren.
aandachtspunten perifeer infuus

Aandachtspunten
– Het klaarmaken van de infuuszak/medicatiecassette en/of pomp is in een apart protocol beschreven.
– Verwijder ringen, armbanden en horloge aan de arm waarin de canule wordt ingebracht.
– Verwijder overmatige haargroei met een schone schaar of tondeuse.
– Breng de canule in op de plaats die zo min mogelijk belemmeringen voor de cliënt geeft.
– Stuw het bloed met hulp van een stuwband, de polsslag moet voelbaar blijven.
– Gebruik een infuuscanule met veiligheidsmechanisme.
– In dit protocol wordt gebruikt gemaakt van een kunststof infuuscanule met opvoernaald.
– Gebruik bij een nieuwe poging een nieuwe infuuscanule. Geef de arm minimaal 2 minuten rust, voordat
eventueel opnieuw gestuwd wordt.
– Raak de aansluitpunten van de materialen niet aan met niet steriele handschoenen of niet steriele
materialen.
– Raak de aanprikplaats na desinfecteren van de huid alleen aan met gedesinfecteerde
(handschoen)vingertoppen. 
werkwijze perifeer infuus (1)

Werkwijze
Draag zorg voor dubbele controle van de infuusvloeistof en de toedieningssnelheid.
1 Pas handhygiëne toe.
2 Maak een schoon werkveld en zet daarop de benodigdheden binnen handbereik.
a Leg gaasjes klaar.
b Hang een stuk pleister van 5 cm klaar, binnen handbereik.
3 Controleer de infuusvloeistof en gegevens cliënt.
- naam en geboortedatum cliënt
- vervaldatum
- substantie
- toedieningswijze
4 Vergelijk de infuusvloeistof met de toedienlijst.
- soort
- toedieningstijd
- inloopsnelheid
5 Controleer de werking van de pomp aan de hand van de gebruiksinstructie.
6 Controleer of infuusslang ontlucht is.
7 Overgiet de gaasjes met alcohol.
8 Leg het uiteinde van de infuusslang op een alcoholgaasje, of hang het aan de infuusstandaard (raak het
aansluitpunt niet aan).
9 Open de verpakking van de infuuscanule.
10 Vraag de cliënt op de rug op bed te gaan liggen of te gaan zitten.
11 Bepaal, zo mogelijk samen met de cliënt, de voorkeursplaats voor inbrengen.
12 Leg de onderlegger onder de arm van de cliënt.
13 Verwijder zo nodig overmatige haargroei met een schone schaar of tondeuse.
14 Breng de stuwband aan ongeveer een handbreedte boven de aan te prikken plaats.
15 Vraag de cliënt de arm te strekken en een vuist te maken.
16 Overgiet een gaasje met alcohol.
17 Palpeer het aan te prikken bloedvat.
18 Desinfecteer de huid met het (chloorhexidine) alcoholgaasje en laat drogen.
19 Trek de handschoenen aan.
20 Breng de infuuscanule in.
a Neem de canule in de hand waarmee u gaat aanprikken.
b Plaats de duim van uw andere hand ongeveer 5 cm onder de aanprikplaats en trek de huid strak.
c Steek de canule, onder een hoek van 15°-30° ten opzichte van de huid, een paar mm in de vene, zodat
de punt van de naald helemaal in de vene ligt. Dit is het geval wanneer de naald zich ongeveer 1 cm
onder de huid bevindt. Er moet nu bloed verschijnen in het reservoir van de canule.
d Trek de opvoernaald iets terug (het puntje van de naald zit nog door de huid) en draai deze eenkwartslag.
e Houd de opvoernaald vast en schuif met de andere hand de canule volledig op in het bloedvat.
21 Maak de stuwband los.
22 Druk het bloedvat achter de ingebrachte canule af.
23 Verwijder de opvoernaald en gooi deze in de naaldenbeker.
24 Koppel de infuusslang aan de ingebrachte infuuscanule.
25 Open de rolregelklem en controleer of de infuusvloeistof goed inloopt.
26 Trek de handschoenen uit.
27 Fixeer de infuuscanule met de infuuspleister.
28 Fixeer de infuusslang met een stuk pleister, ca. 10 cm vanaf de insteekplaats van het infuus.
29 Stel de toedieningssnelheid in (volgens gebruiksinstructie van de pomp).
30 Ruim de overige materialen op.
31 Pas handhygiëne toe.
32 Noteer tijdstip, soort, concentratie, hoeveelheid, toedieningssnelheid en bevindingen. 
werkwijze venapunctie (1)

Werkwijze
Observeer de arm op goed bruikbare aders om aan te prikken. Leg een stuwband ongeveereen handbreedte boven de aan te prikken plaats aan. Stuw niet te hard, de polsslag moetvoelbaar blijven. De aders worden zo voelbaar en de ligging en het verloop worden zichtbaar.
Betast met de toppen van je vingers de aders. Een gevulde ader voelt elastisch aan en is zovan andere lichaamsstructuren te onderscheiden.
Neem de vleugelnaald of de naaldhouder in de prikkende hand. Desinfecteer de punctieplaatswanneer de cliënt een verminderde weerstand heeft.Trek de huid met de vingers van deandere hand over de punctieplaats strak en steek de naald in hoek van 15-30 graden(afhankelijk van de dikte van de arm van de cliënt) door de huid. Prik in de richting van hetverloop van de vene. Breng de eerste buis in de houder van het vacuümsysteem en maak destuwband los als de buis volloopt.


Neem de volgende maatregelen om de doorbloeding te laten toenemen en de venen meervoelbaar en zichtbaar te maken wanneer het met een stuwband niet lukt:
„ de cliënt verschillende keren na elkaar een vuist laten maken;
„ de arm goed masseren van de pols tot aan de elleboog;
„ verschillende (mogelijke) punctieplaatsen bekloppen;
„ de arm verwarmen met een warme doek.


Aandachtspunten venapunctie
„Stuw niet te lang, het kan een onaangenaam gevoel geven. Geef de arm minimaal 2 minuten rust, voordat eventueel opnieuw gestuwd wordt Raak de prikplaats na desinfecteren van de huid alleen aan met gedesinfecteerde handschoen)vingertoppen.
Wanneer bloed afgenomen wordt met een gesloten systeem en de cliënt zelf de
punctieplaats afdrukt, hoeven er geen handschoenen worden gedragen

„ Druk bij cliënten met stollingsstoornissen of bij cliënten die antistolling krijgen, de
punctieplaats ten minste 5 minuten af, nadat de naald is verwijderd. Leg zo nodig eendrukverband aan.

Problemen en oplossingen
De vene kan collaberen (dichtslaan) doordat de opening van de naald tegen de wand van devene ligt, draai de naald voorzichtig zodat de opening vrij komt.
„De punt van de naald ligt niet volledig in de vene, breng de naald iets verder in.
„De naald is te diep ingebracht en heeft de vene geperforeerd, trek de naald voorzichtig terugtot net onder de huid en probeer de vene opnieuw aan te prikken. Maak de stuwband directlos als snel een zwelling ontstaat doordat bloed uit de geperforeerde vene stroomt.
De naald zit naast de vene, voel met de vrije hand hoe de naald ten opzichte van de veneligt; de ligging van de naald kan eventueel gecorrigeerd worden. Beweeg de naald in iedergeval niet van links naar rechts en omgekeerd als de naald in de cliënt zit, je snijdt dan in hetonderhuidse bindweefsel.
„Er is te veel stuwing: verminder de stuwing door het losser maken van de stuwband;„ Het vacuüm is uit de buis: neem een andere buis. 
Neem geen bloed af in de arm waar:
Venapunctie Neem geen bloed af in de arm: „
aan de kant waar een borstamputatie is gedaan, vanwege infectierisico; „
waar een infuus is ingebracht; „
met een arterioveneuze shunt (nierdialysepatiënten);
 vlakbij een geïnfecteerde plek;
„ in ledematen waarin trombose is geconstateerd.

Houd bij de keuze van het bloedvat rekening met de voorkeur en de ervaring van de cliënt. Maak een zorgvuldige afweging voor een tweede keer prikken wanneer het de eerste keer niet lukt. Overleg zo nodig met een collega. Doe niet meer dan twee poginge
indicatie perifeer infuus
toedienen van vocht
toedienen voeding
toedienen vanbloed
toedienen van medicatie
openhouden van een ader
voorkeursplaatsen venapunctie
Voorkeursplaats voor het aanprikken van een vene is de onderarm. Meest gekozen en minst pijnlijke plek is de elleboogplooi. Ook de venen op de onderarm en op de handrug kunnen aangeprikt worden. 
indicatie venapunctie
met een holle naald bloed afnemen voor lab onderzoek
Benoem redenen voor parenterale toedining
Parenteraal is de toedieningsvorm van geneesmiddelen of voeding anders dan via het maag-darmstelsel (enteraal).
Parenterale toedieningsvormen zijn bijvoorbeeld:
  • injectie
  • infuus
  • transdermaal (fentanylpleister)



nauwkeurig te doseren en het kan plaatselijk ingespoten worden. Nadeel is dat niet iedereen met een injectiespuit kan omgaan. Het moet eerst aangeleerd worden maar bij beperkte mensen kan dit soms onmogelijk zijn. Een ander nadeel is dat een eenmaal ingespoten geneesmiddel moeilijk uit het lichaam te verwijderen is.