Summary Class notes - immunologie

Course
- immunologie
- velen
- 2019 - 2020
- Ugent
- Diergeneeskunde
326 Flashcards & Notes
1 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - immunologie

  • 1569967200 antigenen+antistoffen

  • Wat zijn de hoofdfactoren die bepalen hoe goed het antigeen is?
    - specificiteit van de reactie ---> door epitopen
    - immuno(anti)geniciteit
  • Wat zijn de factoren die bepalen hoe antigeen een antigeen is?
    - moleculaire massa: hoe groter hoe beter. Minimaal 10kDa--> kan verbeterd worden door carriers
    - complexiteit: hoe complexer hoe beter. Dit kan door verschillende stoffen bij elkaar zoals bij LPS (gram- bacteriën) of door quaternaire structuren 
    - stabiliteit van het antigeen: beter wanneer de structuur niet veranderd zodat B-cel receptor erop kan binden
    - afbreekbaarheid: als er geen stukjes afgebroken kunnen worden om als epitoop te dienen, zal het ook geen goed antigeen zijn
    - vreemdheid: eigen spul wekt normaal geen reactie op: komt doordat die in de thymus zijn afgedood
  • Wat zijn de tolerantiemechanismen bij antigeniciteit?
    - te veel antigeen
    - geen optimale stimulatie van T en B lymfocyten
    - stimulatie van immuunrespons onderdrukkende lymfocyten
  • Wat zijn epitopen?
    = antigenische determinanten
    = domeinen van moleculen/micro-organismen die door het immuunsysteem herkend worden
  • Wat zijn immunodominante epitopen?
    Epitopen die veel respons opwekken
  • Waarom werken B-epitopen niet meer wanneer ze gedenatureerd zijn?
    Omdat de B-celreceptor een 3D structuur nodig heeft, dus met alles erop en eraan
  • Waarom werken T-epitopen wel wanneer ze gedenatureerd zijn?
    Omdat het een lineair klein stuk is wat de T-cel receptor nodig heeft
  • Wat zijn kruisreacties en komen ze veel voor?
    1 soort antistof kan reageren met meerdere soorten antigenen.
    Het komt veel voor
  • Hoe kun je de verschillende immunoglobulinen van elkaar onderscheiden?
    In een gel, kathode en anode erop. Albumine migreert het verst, dan alfa, dan beta, dan gamma
  • De B-cel receptor is een immunoglobuline
  • 1570572000 ontstekingsreactie+antistoffen

  • Wat is cruciaal voor het opstarten van een effectieve aangeboren respons bij een wonde?
    Een acute ontstekingsreactie
  • Waarvoor zorgt de ontstekingsreactie?
    Dat afweercellen en afweermolecules aangetrokken en geconcentreerd worden op de plaats waar de infectie of weefselbeschadiging plaatsvindt. Bloedbaan-->plek van ontsteking
  • Door welke cellen wordt de ontstekingsreactie geactiveerd?
    Sentinelcellen=macrofagen, mastcellen, dendritische cellen
  • Waar zitten de sentinelcellen?
    Voornamelijk op plaatsen waarlangs micro-organismen zich toegang proberen te verschaffen, dus net onder de huid, ademhalingsstelsel, spijsverteringsstelsel, genitaalstelsel
  • Hoe weten de sentinelcellen dat ze in actie moeten komen?
    Ze herkennen PAMPs op de pathogenen en DAMPs bij schade
  • Hoe worden DAMPs ook wel genoemd?
    Alarmines
  • Hoe herkennen de sentinelcellen de PAMPs/DAMPs?
    Ze hebben op hun celoppervlak of in endosomen (vooral voor virussen waarbij alleen het DNA/RNA herkenbaar is) receptoren zitten die een interactie kunnen aangaan met de PAMPs of DAMPs. Dit zijn de PRRs (pattern recognition receptors).
  • Wat is een belangrijke groep binnen de PRRs?
    De Toll-like receptoren (TLRs)
  • Wat zijn de DAMPs?
    Fragmenten van de extracellulaire matrix die vrijgesteld worden bij weefselschade of andere zaken die normaal niet voorkomen.
    zoals bepaalde intracellulaire eiwitten die bij lyse van cellen worden vrijgesteld zoals HMGB1 dat zorgt voor de correcte opvouwing van DNA in de nucleus. HMBG1 kan ook actief worden vrijgesteld door immuuncellen om de ontstekingsreactie te versterken
  • Waarvoor zorgt de binding van PAMPs en DAMPs aan de PRRs op de sentinelcellen?
    Signaaltransductie cascade--> transcriptiefactoren voor eiwitten-->ontstekingsreactie induceren=ontstekingsmediatoren die chemotaxisch kunnen zijn
  • Wat voor effecten kunnen ontstekingsmediatoren hebben?
    - zwelling, roodheid, warmte (maar das eigenlijk omdat ze een pad vormen voor de neutrofielen en macrofagen)
    - pijn
    - inwerken op hypothalamus-->koorts
    - vasodilatatie van bloedvaten, verhoogde vasculaire permeabiliteit, verhoogde expressie van adhesiemoleculen op de endotheelcellen--> lekkage van vloeistof uit de bloedbaan--> stollingsreactie-->fibrinolyse
  • Wat zijn de krachtigste cytokines?
    TNF-alfa
    IL-1
    IL-6
  • Welke cellen produceren TNF-alfa?
    Macrofagen
    mastcellen
    T cellen
    endotheelcellen
    B cellen
    fibroblasten     

    kan membraangebonden zijn of gesecreteerd worden
  • Wat doet TNF-alfa?
    - vroeg gemaakt
    - induceert samen met IL-1 veranderingen in de vasculaire endotheelcellen die leiden tot een verhoogde adhesie, migratie, aantrekking en activiteit van witte bloedcellen
  • Door welke cellen wordt IL-1 gemaakt?
    Geactiveerde macrofagen, 2 vormen:
    - membraangebonden alfa wat beperkt is
    - gesecreteerde beta wat veel meer is
  • Wat is het verschil tussen gesecreteerd IL-1 en membraangebonden IL-1?
    De gesecreteerde vorm moet nog geactiveerd worden door caspase-1 en daarna nog op de receptor uit moet komen. Er zijn 2 receptoren: CD121a dat de cel activeert en CD121b dat de cel niet activeert
    +receptor antagonist IL-1RA dat ook de reactie tegenwerkt
  • Door welke cellen wordt IL-6 aangemaakt?
    Macrofagen
    mastcellen
  • Hoe wordt de productie van IL-6 gestimuleerd?
    IL-1 en TNF-alfa
  • Wat doet IL-6?
    - activeren van witte bloedcellen
    - antistofproductie stimuleren
    - koortsontwikkeling
    - vorming van acute fase eiwitten
  • Wat zijn chemokines?
    Kleine eiwitten die de migratie van specifieke celpopulaties reguleren--> veroorzaken chemotaxis
  • Welke families zijn er van chemokines?
    C staat voor cysteïne
  • Wat is een belangrijk chemokine en wat doet het?
    CXCL8=IL-8--> aantrekken neutrofielen uit de bloedbaan naar plaats van infectie+ activiteit van neutrofielen stimuleren
  • Wat is de algemene structuur van een immunoglobuline?
    Er zijn 2 typen van lichte ketens: kappa en labda, de verhouding tussen deze 2 verschilt tussen de diersoorten
    In het variabele gebied heb je stukken die nog min of meer gelijk blijven=framework en stukken die heel erg verschillen=hypervariabel gebied=complementariteits-determinerende regio's=CDR=paratoop-->3 gebieden

    constant gebied: 3 normaal en is 4 bij het Fc deel van IgM en IgE

    Vl en Vh zijn het antigeenbindend gebied
    Ch1 en Cl zijn er om de Ag-bindende zijde te stabiliseren
    Ch2 is er voor binding en activatie van complement
    Ch3 heeft een gebied dat bindt aan receptoren van fagocyterende cellen
  • Waaruit bestaat het scharniergewricht?
    Het bevat een groot aantal van hydrofiele en proline residuen
  • Wat zijn de eigenschappen van IgG?
    - zware keten is gamma keten
    - hoogste concentratie in het bloed
    - klein, en kan dus gemakkelijk uit de bloedbaan
    - kan opsoniseren, agglutineren, precipiteren en neutraliseren
    - complement kan alleen als er genoeg van is
  • Wat zijn de eigenschappen van IgM?
    - zware keten is mu keten
    - na IgG hoogste concentratie in bloed
    - door zijn grootte kan hij moeilijk uit het bloed
    - pentameer
    - wordt als eerste gemaakt, maar snel overruled door IgG
    - kan opsoniseren, agglutineren, precipiteren, neutraliseren, complement activeren
    - heeft J-keten en dan daardoor wel naar de mucosae
  • Wat zijn de eigenschappen van IgA?
    - zware keten is alfa keten
    - monomeer in serum en dimeer kan in serum en in secreties
    - geen opsonine en geen complement activatie
    - wel agglutinatie en virussen neutraliseren
    - vooral gesecreteerd door cellen ter hoogte van lichaamsoppervlakten
    - door endocytose door cellen heen aan het eind is er een secretorisch component nodig
  • Wat zijn de eigenschappen van IgE?
    - zware keten is epsilon keten
    - heeft net als IgM 4 constante regio's
    - in zeer lage concentraties aanwezig, behalve bij overgevoeligheid
    - immuniteit bij parasitaire wormen
    - bindt aan FceR bij mastcellen en basofielen zodat die hun inhoud vrijstellen
    - gemakkelijk afgebroken bij hitte
  • Wat zijn de eigenschappen van IgD?
    - zware keten is delta keten
    - functie onduidelijk
  • Wat zijn isotypen van immunoglobulinen?
    Verschil tussen 2 IgG's bijvoorbeeld, maar niet zo veel dat het een nieuw type is
  • Wat zijn allotypes?
    Allelische varianten van een zware keten
    specifieke determinanten binnen een isotype die verschillen van andere individuen van dezelfde soort
  • Wat is een idiotype?
    De groep van epitopen op immunoglobulines gevorm door de variabele domeinen van de lichte en zware keten
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Immunologie

  • 1549234800 HC 1

  • Wat zijn de extracellulaire pathogenen? En wat zijn de intracellulaire pathogenen?
    virussen, bacteriën, schimmels, parasieten = extracellulair, virale replicatie = intracellulair
  • Wat is een antigen?
    Molecuul of fragment van een molecuul dat herkent wordt door een B of T cel
  • Wat is een epitoop?
    Het minimale fragment van een molecuul dat herkent wordt
  • Wat zijn de 3 afweerniveau's?
    1>barrieres, 2>innate(fagocytose, complement, interferon, koorts, inflammatie) , 3>adaptief (lymfocyten en antilichamen)
  • Wat zijn de kenmerken van het inname immuunsysteem?
    herkenning, snel op gang, in weefsel, influx van immuuncellen, MQ, neutrofielen, complement
  • Wat zijn de kenmerken van het adaptieve immuunsysteem?
    herinnering, langzaam op gang, lymfoide weefsels voor nodig, opbouwen van herinnering cellulaire en humorale respons, T en B cellen, antilichamen
  • Wat is de functie van complement?
    herkenning pathogeen, aantrekking effectorcel, pathogeen opnemen en vernietigen
  • Wat zorgt voor snelle verwijdering van pathogenen in het innate immuunsysteem?
    complement, MQ en neutrofielen (fagocytose), NK activatie
  • Welke cellen ontstaan uit een lymfoide progenitor?
    B en T lymfocyten, NK cellen
  • Welke cellen ontstaan uit een myeloide progenitor?
    neutrofielen, baso- en eusinofielen, monocyten (rode bloedcellen en bloedplaatjes)
  • Wat zijn de polymorfonucleaire lymfocyten ?
    neutrofielen, eusinofielen, basofielen
  • Waar zijn neutrofielen opgeslagen?
    beenmerg
  • Door welke cellen worden neutrofielen uiteindelijk opgeruimd?
    MQ
  • Waarvoor zorgt de herkenning van MQ?
    1>fagocytose en afbraak, 2>activatie en cytokine productie
  • Wat zijn de primaire lymfoide organen?
    Beenmerg (humorale response), Thymus (cellulaire response)
  • Wat zijn de functies van secundaire lymfoide organen?
    filter voor lymfevloeistof en cellen uit weefsels, organen waar pathogeen herkent worden door adaptieve immuunsysteem
  • Wat valt onder secundaire lymfoide organen?
    lymfeklieren, milt, GALT (peyerse platen) in darmen
  • Wat is de functie van een antilichaam?
    binding aan pathogeen, zorgen voor herkenning of afbraak
  • waarvoor zorgt de humorale response?
    B cellen produceren oplosbare antilichamen
  • Waarvoor zorgt de cellulaire response?
    CD8 T cellen doden geïnfecteerde cellen, CD4 T cellen helpen andere immuuncellen
  • 1549321200 HC 2

  • Waaruit bestaan de fysieke barrières?
    Mechanisch (huid, haar, nagels), chemisch (lage pH, mucus, enzymen), microbiologisch (normale flora van huid en darmen)
  • Wat doen APC?
    presenteren antigeen aan T cellen
  • Hoeveel procent van de leukocyten behoren tot het inname immuunsysteem?
    70%
  • Wat zijn de spelers van het innate immuunsysteem?
    complement, neutrofielen, MQ, DC, NK cellen
  • Wat zijn de functies van het innate immuunsysteem?
    -fagocytose
    -lysis infecteerde cellen
    -productie inflammatie cytokinen
    -productie chemokines om immuuncellen aan te trekken
  • Welke defense mechanismen zijn nodig bij interstitial spaces, bloed en lymfe (extracellulair)?
    Complement, MQ, neutrofiel> als reactie op virus, bacteriën, protozoa, schimmels, wormen
  • Welke defense mechanismen zijn nodig bij eipteheel oppervlakten (extracellulair)?
    antimicrobial peptiden> als reactie op neisseria gonorrhoeae, candida albicans, wormen
  • Welke defense mechanismen zijn nodig bij cytoplasma (intracellulair)?
    NK cellen> virusen, Listeria, protozoa
  • Welke defense mechanismen zijn nodig bij vesculaire infectie?
    Geactiveerde MQ> bij mycobacterien, trypanosomes, cryptococcus, neoformans
  • Welke mechanismen is crusiaal voor Neisseria Mengitidis?
    Complement
  • Wat veroorzaakt een neisseria mengitidis infectie?
    hersenvliesontsteking> 25% is drager, dodelijk in 10-15%
  • Hoe werkt het complement systeem?
    C3 splitst na activatie in C3a (trekt fagocyterende cellen aan) en C3b (bindt bacterie)
  • Wat is complement activatie?
    Binding van C3b aan bacterie
  • Wat is de functie van C3a?
    aantrekken van inflammatoire immuuncellen
  • Wat is de functie van C3b?
    -opsoniseren van pathogenen
    -betere herkenning door immuuncellen en fagocytose
    -perforatie van pathogeen
  • Beschrijf de alternatieve route van complement activatie
    1> spontane activatie (hydrolyse) van C3 in plasma
    2> Factor B bindt, zodat factor D C3 kan splitsen in C3a en C3b
    3>C3b bindt aan pathogeen
  • Wat zijn complement remmende factoren en waar bevinden ze zich?
    Factor H of DAF, op lichaamscellen
  • Beschrijf de lectine route van complement activatie
    1> MBL circuleert in plasma, herkent mannose op bacterie
    2> activatie en splitsing van C2 en C4 tot C3 convertase
    3> Splitsing van C3 in C3a en C3b
  • Beschrijf de klassieke route van complement activatie
    1> CRP of antistof bindt aan pathogeen
    2> activatie en splitsing van C2 en C4 tot C3 convertase
    3> splitsing van C3 in C3a en C3b
  • Wat zijn de overeenkomsten tussen klassieke en lectine complement activatie route?
    - C reactief protein (CRP) of antistof bindt aan pathogeen
    - CRP bindt phospholochine in LPS
    - in plasma, 1000x versterkt aanwezig tijdens acute fase van een infectie, regulatie door IL-6
  • Wat zijn de functies van het complement systeem?
    > herkenning van pathogeen
    1. aantrekken van effector cellen naar plaats van infectie (C3a)
    2. Versterken fagocytose (C3b)
    3. Vernietigen pathogeen (lysis, C3b)
  • beschrijf receptor (CR1) gemediëerde fagocytose (fagocytose van complement gefixeerde bacterie)
    >complement activatie zorgt voor depositie van C3b op celoppervlak
    >CR1 op MQ bindt C3b op bacterie
    >endocytose van bacterie door MQ
    >MQ membraan fuseert> membraan gebonden vesicle, fagosoom
    >lysosoom fuseert met fagosoom, vormt fagolysosoom  
  • beschrijf hoe een neutrofiel een bacterie dood
    > bacterie gefagocyteerd door neutrofiel
    > fagosoom fuseert met specifieke granules
    > pH fagosoom gaat omhoog, antimicrobial responses, bacterie is gedood
    >pH daalt, fusie met lysosoom> degradatie van bacterie
    > neutrofiel gaat dood door apoptose en is gefagocyteerd door MQ
  • Wat zijn de inname immune receptors op MQ en DC en wat zijn de eigenschappen?
    - C-type lectine: herkent suikerstructuur, receptor gemedieerde fagocytose, destructie pathogeen
    - Toll like receptoren: herkennen pathogenen fragmenten, signalerings receptoren, induceren van inflammatoire cytokines
  • Waar bevinden zich de TLR?
    op membraan en in endosomen
  • Wat zijn eigenschappen van Toll-like receptor liganden?
    > alleen aanwezig in het pathogeen en niet in host
    > essentieel voor het pathogeen om te overleven
    > structuur die niet verandert gedurende levenscyclus
    > aanwezig in verschillende soorten pathogenen
    > ideaal om lichaamseigen van lichaamsvreemd te onderscheiden
  • Wat is een cytokine?
    oplosbare stof welke andere cellen activeert of verandert, door te binden aan een cytokine receptor
  • Wat is het systematische effect van IL-6?
    koorts, activatie acute fase proteïne productie door hepatocyten
  • Wat zijn de locale effecten en de systematische effecten van TNF-alfa?
    - Lokaal: activeert vasculair endotheel en verhoogt permeablity, verhoogt toegang complement en cellen aan weefsel en verhoogt fluit drainage van lymfeknoop
    - Systematisch: koorts, mobilisatie van metabolieten, shock
  • Wat zijn de lokale en systematische effecten van IL-1beta?
    - lokaal: activeert vasculair endotheel, activeert lymfocyten, lokaal weefsel destructie, verhoging toegang effector cellen
    - systematisch: koorts, productie van IL-6
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Immunologie

  • 1414537200 Cellen van het immuunsysteem

  • What are the different cells of the innate and specific immune system?
    Innate:
    • Phagocytes
    • Granulocytes
    • Platelets 
    • Antigen-presenting (accesory) cells APC
    • (N)K cells, killer cells

    Specific:
    • T cells
    • B cells
  • Waar komen alle cellen van het immuunsysteem vandaan? Wat zijn de 2 verschillende voorlopers (progenitors)?
    Alle cellen komen uit stamcellen (in het beenmerg).
    • Common lymfoid progenitor:
      - Thymus -> T cells
      - Bone marrow -> B cells
    • Common myeloïd progenitor
      - Granulocytes- Megakaryocyte -> platelets (bloedplaatjes)
      - Monocytes -> macrophages
      - Dendrites
      - Natural killer cells (NK cells)
  • Waar zijn lymfocyten voor?
    They are for specific recognition via receptors.
    • Regulation: helper t cells/ regulation T cells.
    • Effector (cytoxic T) cells.
  • Explain T cell differentiation
    From the bone marrow pre-T cells migrate to the thymus. Mature T cells CD4+ (helper) or CD8+ (regulation or cytoxic) migrate to the peripheral lymph nodes or gut.
  • Waar betekent CD in CD4+ of CD8+ voor en wat doet het?
    CD=cluster of designation, recognizes cell specific differentiation molecules with the help of monoclonal antibodies.
  • How do you distinguish T cells from B cells?
    • With monoclonal antibodies
    • with cytokine production or 
    • with cytokine mRNA.  
  • What are the 4 most important T cell markers?
    • CD2: cell adhesion molecule (om te plakken)
    • CD3: T cell receptor complex TCR
    • CD4: T helper cell (MHC class II ligand)
    • CD8: Cytoxic T cell (MHC class I ligand)
  • What types of TCR are there? 
    TCR 1 and TCR 2
  • What do T cells do and what are their 7 most important products?
    They manage the immune system by the release of messenger molecules (interleukin) that recruit, activate or differentiate other cells. Most important products:
    • Interleukin 2, 3, 4, 5, 10
    • MAF: macrophage arming factor
    • MIF: macrophage migration inhibitor factor
    • CSF: colony stimulating factor
    • MG-CSF: macrophage granulocyte CSF
    • TGF: transforming growth factor
    • Gamma-interferon: zet andere cellen aan tot MHC cell productie
  • What do B cells do en wat zijn de eigenschappen van een B cel?
    They differentiate into plasma cells (productie antilichamen) in de lymfeklieren but can also present antigen.
    • Surface/membrane immunoglobulins
    • MHC class II on surface
    • CD19, CD20, CD21, CD22
    • IgM -> premature B cell
    • Fc receptor voor immunoglobuline
  • What are null cells en wat zijn de eigenschappen van een null cel?
    They look like T or B cells, but are not! NK cells are usually null cells.
  • What are the characteristics of macrophages en hoe kan je hun activiteit meten?
    There are many types, with different names. They are all derived from blood born monocytes. They are essential for the immune system!
    • They "eat" many bacteria, viruses, dead cells etc. -> Innate immune system.
    • They stick to glass
    • Fc receptor for immunoglobulins
    • Complement receptors
    • Gamma-interferon, MAF receptors
    • MHC class II molecules
    • TLRs (toll-like receptors) for conserved microbial antigens.

    Activiteit macrofagen meten door toename van O2 te meten.
  • Explain the phagocytosis cascade
    1. Chemotaxis (verplaatsing) via density gradient to antigen or debris via blood.
    2. Attachment to microbe via carbohydrates, fibronectin or antibody/complement or hydrophobic fusion with debris.
    3. Activation actin/myosin contraction elements, formation of pseudopodia
    4. Engulfment of particles in phagosome
    5. Fusion of phagosome with lysosome -> phagolysozome
  • To what do monocytes respond with chemotaxis?
    • Dead cell material
    • Microbes
    • Complement decomposition
    • Immune complexes
    • Recruitment factors from T cells
  • Explain the antigen presentation by phagocytes
    • Phagocytosis of microbe or macromolecule
    • Partial degradation
    • Presentation of those parts via MHC class II molecules to fitting TCR from T cells

    !! No phagocytosis => no antigen presentation => no specific immune response. Therefore: phagocytosis is essential for specific immunity!!
  • What is opsonisation?
    Opsonisation is the 'coating' of a microbe with either complement c3b , fibronectin, specific or natural antibodies. It facilitates phagocytosis.
  • What 3 types of granulocytes are there and what are the characteristics of granulocytes?
    • Neutrophils
    • Eosinophils
    • Basophilsmast cells


    Characteristics granulocytes
    :
    • No MHC class II -> no antigen presentation
    • No antigen specificity, but specificity via opsonisation
    • Phagocytosis/pinocytosis
    • Granula with bioreactive components
    • Endo- en exocytosis (-> tissue damage)
  • What are the characteristics of neutrophils?
    • Chemotaxis
    • Diapedesis (movement of leukocytes through walls of blood cells) into tissues -> inflammation
    • Phagocytosis but no antigen presentation
    • Intra- or extracellular degradation
    • They are killed by their own activity (pus)
  • What are the characteristics of eosinophils?
    • Extracellular release of granules
    • Extreme increase in blood and tissue during:
      - Parasitic worm infections
      - Acute hypersensitivity/allergic reactions
    • Chemotaxis for:
      - Immune complexes
      - ECFA from mast cells- IL-5 from T cell
    • Inactivation of histamine
    • Degradation of immune complexes
    • Feedback of inflammation
    • Exocytosis: "attack" on helminths for expulsion 
  • What 2 types of mast cells are there and what are their characteristics?
    2 types are:
    • All connective tissues: connective tissue mast cell (CTMC)
    • Mucosal: mucosal mast cell (MMC); T cell dependent appearance during intestinal nemotode infections.

    - No phagocytosis
    - Receptors for IgE, IgG and IgM.
  • What are platelets and what do they do?
    • Platelets are bloedplaatjes.
    • They have no nucleus, but MHC class I.
    • Receptors for Ig/complex, fibrogen and complement
    • Transport of immune complexes
    • Zijn eigenlijk hetzelfde als mast cellen, maar dan klein.
  • Wat zijn de eigenschappen en functies van dendrieten?
    Zijn de link tussen innate en specifieke immuniteit!
    Eigenschappen:
    • High expression of MHC class II molecules
    • High expression of CD4+
    • Geen fagocytose
    • Ze hebben Ig/complement receptors
    • Ze hebben TCR
    • They scavenge membrane molecules.


    Functions:
    • Antigen presentation to T and B cells (very important!)!!!
    • They maintain memory
    • Ze bepalen de immuniteitsrichting, dus th1 of th2 reactie.
  • Welke 2 typen dendrieten zijn er en wat doen ze?
    1. IDC (interdigitating cell) --> antigen presentation to T cells
    2. FDC (follicular dendritic cell) --> antigen presentation to B cells
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.