Summary Class notes - Infectie & Immuniteit II

Course
- Infectie & Immuniteit II
-
- 2019 - 2020
- Universiteit Utrecht
- Geneeskunde
131 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Infectie & Immuniteit II

  • 1565128800 Immunologie 1

  • Noem de 3 functionele kenmerken van het immuunsysteem.
    1. onderscheiden van zelf en niet-zelf
    2. regulatie en differentiatie
    3. opbouwen van geheugen
  • Leg het begrip centrale tolerantie uit.
    Centrale tolerantie = negatieve selectie = het elimineren van ontwikkelende, autoreactieve T- en B-cellen. 
    Dit wordt getest door zelf-antigeen te presenteren. 
  • Leg het begrip perifere tolerantie uit.
    Perifere tolerantie = opruimen van autoreactieve T- en B-cellen die ontsnapt zijn aan centrale tolerantie.
  • Dubbel negatieve T-cellen ontwikkelen in het beenmerg en gaan vervolgens naar de thymus. In de thymus worden de cellen dubbel positief: naast TCR hebben ze CD4+ en CD8+. De thymus presenteert zelf-antigeen en de T-cellen die niet autoreactief zijn blijven leven (centrale tolerantie = negatieve selectie). Ze moeten echter wel eigen MHC kunnen herkennen met hun TCR (positieve selectie). Na positieve selectie worden de T-cellen enkel positief: CD4+ of CD8+.
  • Overactivatie van het immuunsysteem kan leiden tot allergieën en auto-immuniteit.

    Onderactivatie van het immuunsysteem kan leiden tot infecties en tumorvorming.
  • Noem de 3 onderdelen waaruit het INNATE immuunsysteem bestaat.
    1. Barrières = huid, slijmvliezen, mucosa, maagzuur
    2. Cellulair = macrofagen, neutrofielen, DC's, NK-cellen, eosinofielen 
    3. Humoraal = complement
  • Macrofagen, neutrofielen en DC's zijn fagocyten. Leg uit wat er gebeurt wanneer fagocyten met hun PRR een pathogeen herkennen aan antilichamen op het oppervlak.
    1. activatie van cellen

    • fagocytose
    • cytokine productie ter activatie van ADDAPTIEF immuunsysteem
    2. humorale respons (<1 sec)
    • uitscheiding cytokinen

               - IL-1, IL-6 en TNF-alfa -> koorts
               - interleukinen -> activatie van o.a. leukocyten, DC's en granulocyten
               - uittreden fibrinogeen
    • complement activatie 
    3. cellulaire respons (enkele uren)

    • fagocytose door m.n. neutrofielen
    • degranulatie mestcellen

              - histamine -> verhoogde permeabiliteit en vasodilatatie 
              - leukotriënen -> verhoogde permeabiliteit en chemotaxe
              - prostaglandinen en tromboxanen
  • Benoem de 4 stappen waaruit fagocytose bestaat.
    1. chemotaxe van fagocyten uit de bloedbaan 
    2. herkenning van geopsoniseerd pathogeen
    3. opname van pathogeen in een fagosoom
    4. killing m.b.v. oxidatieve burst (NADPH oxidase)
  • Het ADDAPTIEVE immuunsysteem bestaat uit een humoraal (antistoffen en B-cellen) en cellulair deel (T-cellen).
  • Het ADDAPTIEVE immuunsysteem wordt geactiveerd door DC's. Deze activatie is afhankelijk van wat (pathogeen), waar (weefselfactoren) en hoeveel.
  • Licht toe welke stimulatie nodig is om een TH-cel (CD4+) te activeren.
    • antigeen op MHCII - TCR
    • CD4 co-receptor
    • CD80-CD28 co-stimulatie 
  • Licht toe welke stimulatie nodig is om een CT-cel (CD8+) te activeren.
    • antigeen op MHCI
    • CD8 co-receptor


    PLUS:
    • TH-cel die IL2 uitscheidt

    OF
    • APC met antigeen op MHCI 
    • CD80-CD28 co-stimulatie 
  • Licht toe welke stimulatie nodig is om een B-cel te activeren.
    • Antigeen op BCR -> opname
    • Presentatie op MHCII - TCR van TH-cel
    • CD40-CD40L co-stimulatie met een TH-cel
  • Benoem de 3 fasen van lymfocyten activatie.
    1. specifieke herkenning
    2. klonale expansie
    3. differentiatie tot plasmacel, geheugencel of regulatoire cel
  • Licht het begrip somatische hypermutatie toe. Waar vindt dit plaats en wat houdt het in?
    • In lymfefollikel
    • Alleen de B-cel met de hoogste affiniteit blijft leven en ondergaat differentiatie en klasse switch
    • elke keer dat een B-cel somatische hypermutatie doorloopt wordt de immuunreactie beter
  • Waar zitten de meeste plasmacellen?
    In het beenmerg.
  • Antistoffen bestaan uit een constant Fc en een variabel Fab gedeelte. Noem voor alle typen antistoffen van GAMED:
    • De manier waarop ze voor kunnen komen: monomeer, dimeer etc. 
    • De T1/2
    IgG = monomeer, 23d, 
    IgA = dimeer, 7d
    IgM = monomeer of tentameer, 7d
    IgE = monomeer, 2d
    IgD = monomeer, 2d 
  • IgG kan over de placenta
    IgG komt het meeste voor in het serum
    IgA kan via transcytose door epitheel en kan dus via moedermelk en speeksel worden overgedragen.
    IgM tentameer verandert van 2D naar 3D bij antigeenbinding en activeert complement.
    IgM speelt een rol bij neutralisatie van virussen
    IgE heeft een lage serumconcentratie
    IgE is van belang als opsonisatie voor eosinofielen
    IgD speelt een rol bij periodieke koorts
  • Variatie in de combinatie van lichte en zware ketens, insertie, hypermutatie, gensegmenten en herrangschikking vergroten de diversiteit van het Fab deel van antistoffen.
  • De thymus en het beenmerg zijn primaire lymfoïde organen. In de thymus vindt centrale tolerantie van T-cellen plaats. In het beenmerg vindt centrale tolerantie van B-cellen plaats, maar ook de productie van T- en B-cellen en granulocyten.

    De milt en lymfeknopen zijn secundaire lymfoïde organen. De milt verwerkt oude T- en B-cellen. De lymfeknopen spelen een rol in de activatie van T- en B-cellen via de presentatie van antigenen door DC's.
  • De TCR ondergaat geen somatische hypermutatie of klasse switch. Diversiteit ontstaat door herrangschikking, recombinatie en insertie.
  • Licht het begrip kruispresentatie van antigenen toe.
    MHC I presenteert intracellulair antigeen
    MHC II presenteert extracellulair antigeen

    Echter, als extracellulair antigeen uit het endosoom lekt in het cytoplasma, kan het ook gepresenteerd worden op MHCI. 
  • Wat is het nut van het snel afgeven van INF-alfa en INF-bèta door een virus geïnfecteerde cel? Noem 2 redenen.
    1. Aantrekken NK-cellen die cellen met een veranderde mate MHCI gaan killen
    2. Afremmen van virusreplicatie en zo bescherming van buurcellen tegen het virus
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.