Summary Class notes - Infectie & Immuniteit

Course
- Infectie & Immuniteit
- Hoepelman
- 2015 - 2016
- Universiteit Utrecht
- geneeskunde
1182 Flashcards & Notes
14 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Infectie & Immuniteit

  • 1458946800 Week 1

  • Wat is ongeveer het temperatuursverschil tussen een oormeting en een rectale meting?
    0,5 graden C lager in oormeting
  • wat is de definitie van een sepsis?
    infectie met een orgaandisfunctie, belangrijkste doodsoorzaak van een infectie. het is een SIRS met een infectie. SIRS criteria:
    • temp lager dan36 of hoger dan 38
    • aanwezigheid leuko's
    • snelle ademhaling >20/min (tachypneu)
    • snelle hartslag >90/min (tachycardie)

    verschil met Q-SOFA; ademaling meer dan 22/min, aangepast denkgedrag en een bloeddruk lager dan 100 mmHg. 
  • Op basis van welke factoren wordt de keuze voor een antibiotica gemaakt?
    - ziektebeeld
    - daarbij meest voorkomende verwekker
    - resistentie
    - toediening
    - farmacokinetiek/dynamiek
    - allergie
    - andere medicatie (drug/drug interactie)
  • Wanneer is de temperatuur in vrouwen hoger?
    Net voor de eisprong
  • wat is het verschil tussen cellulitis en erysipelas?
    beide zijn acute ontstekingen van de huid, echter:
    • erysipelas is een vrij acuut ontstane oppervlakkige ontsteking, veroorzaakt door groep A streptokokken. zie je bijna altijd bij de huisarts ipv ziekenhuis
    • cellulitis zit dieper, tot in de dermis en wordt veroorzaakt door S. aureus. zie je meer in ziekenhuis, want kan je krijgen van borstamputatie of dwarslaesie (lymfe beide)
  • Op welke drie manieren worden antibiotica geclassificeerd?
    - aangrijpingspunt
    - smal/breed spectrum
    - bactericide/bacteriostatisch
  • Wat is de reden van temperatuursverschil ochtend en middag?
    In de ochtend produceer je cortisol voor een daling melatonine --> cortisol werkt ook temperatuur verlagend.
  • wat is de ABCDE methode?
    a = ademhaling
    b = breathing (zuurstofsaturatie en ademfrequentie)
    c = circulatie
    d = disability
    e = bewustzijn
  • Welke antibiotica grijpen aan op de eiwitsynthese?
    - aminoglycosiden 
    - macroliden (LWI)
    - tetracycline (huid)
    - chlooramfenicol
  • 2 mechanismen hoe het temperatuur setpoint omhoog gaat (koorts). Leg uit.
    1. Via het immuunsysteem: infectie --> macofagen, monocyten etc gaan interleukines produceren --> circulatie --> hypothalamus endotheel wordt gestimuleerd om arachidonzuur te maken --> prostaglandine E breekt dit af --> cAMP verhoogt --> temperatuur verhoogt

    2. Via microtoxines directe stimulatie van het endotheel van de hypothalamus
  • waar valt de anatomische verdeling van een bovenste/onderste luchtweginfectie?
    alles onder de stembanden is een onderste luchtweginfectie. een binnenoorontsteking is ook een luchtweginfectie.
  • Welke antibiotica grijpen aan op de celwandsynthese?
    - beta-lactams (penicillinen, cefalosporinen, carbapenems)
    - glycopeptiden
  • Hypothalamus krijgt van 2 bronnen informatie over de temperatuur: welke:
    1. Het bloed (interne temperatuur)
    2. Neuronen (externe temperatuur)
  • wat is de meest voorkomende verwekker van pneumonie?
    luchtweginfecties worden bijna altijd veroorzaakt door virussen, maar pneumonieën door een bacterie, meestal de streptokokken.
  • Welke antibiotica grijpen aan op de DNA/RNA synthese?
    - Quinolonen (UWI)
    - Sulfonamiden/trimethoprim
    - Metronidazol
    - Rifampicide
  • De 3 koortsonderdrukkende middelen:
    1. Paracetamol
    2. NSAIDs
    3. Corticosteroiden (zoals prednison)
  • waarom is het belangrijk te weten welke bacterie een pneumonie heeft veroorzaakt?
    omdat mycoplasma pneumoniae en legionella pneumoniae beide gramnegatief zijn en dus een dunne celwand hebben en daar werkt penicilline dus niet tegen (penicilline gaat de opbouw van de celwand tegen)
  • Welk spectrum antibiotica worden meestal gebruik voor community acquired infecties?
    Smal spectruum (bijv. penicilline)
  • 5 Klinische tekens van een ontsteking:
    1. Color = warmte
    2. Rubor = roodheid
    3. Tumor = zwelling
    4. Dolor = pijn
    5. Functie laesie = functieverlies
  • wat geef je wanneer een pneumonie door een atypische verwekker wordt veroorzaakt, of door mycoplasma of legionella?
    14 dagen azotrymicine (macrolide). gaat de eiwitsynthese tegen. tegen legionella kan je 14 dagen fluorquinolonen geven. 
    pneumokokken worden bestreden met 7 dagen amoxicilline (penicilline).  
  • In welke gevallen wordt bactericide antibiotica verkozen boven bacteriostatisch?
    - Bij mensen met minder witte bloedcellen (bijvoorbeeld bij chemotherapie)
    - Als de witte bloedcellen moeilijk op die plek kunnen komen. (bijvoorbeeld bij endocarditis en meningitis)
  • Beschrijf de term 'infectie':
    Infectie = ontsteking veroorzaakt door micro-organisme
  • hoe kan de verwekker van een luchtweginfectie worden aangetoond?
    door een sneltest te doen die het polysacharidekapsel van de pneumokok kan aantonen in de urine. ook legionella, de waterbacterie, kan in de urine worden aangetoond.
  • Wat is pseudemonas en welk antibioticum wordt er voor gebruikt?
    Pseudomonas aeruginosa is een aerobegram-negatieve staafvormige bacterie die berucht is bij de wondinfectie van brandwonden. --> piperacilline (penicilline)
  • Wat is de belangrijkste doodsoorzaak van infectie?
    Sepsis
  • op welke manier is de hypothalamus betrokken bij de lichaamswarmte?
    • hypothalamus registreert via neuronen de bloedtemperatuur en integreert deze info met info van thermoreceptoren in de huid en diepere weefsels. 
    • het anterieure deel (area preoptica) regelt warmteverlies via autonome zenuwstelsel
    • het posterieure gedeelte regelt warmteproductie en behoud van warmte. deze is ook verbonden met de hersenstam. -> prostaglandine E2 zorgt voor verhoging lichaamstemperatuur
  • Welke penicilline is smalspectrum?
    (benzyl)penicilline (tegen s. pneumoniae)
  • Wat zijn de 3 QSOFA criteria (voor een sepsis)?
    1. Lage bloeddruk
    2. In de war
    2. Hoge ademfrequentie
  • wat zijn microbiele toxinen (pyrogenen)
    • het lipopolysacharide (LPS of endotoxine) van gramnegatieve bacterien bindt aan Toll-like receptoren. 
    • toxine van Stafylococcus Aureus of streptokokken kunnen functioneren als superantigenen en interacteren met MHC II
    • cytokinen (TNF of IL-6) geproduceerd door o.a. monocyten, neutrofielen, lymfocyten en macrofagen
  • Welke penicilline zijn breedspectrum?
    ampicilline, amoxicilline, augmentin
  • Verschil sepsis en septische schock in mortaliteit?
    Sepsis = 10% kans op mortaliteit
    Septische schock = 25% kans op mortaliteit
  • wat is de werking van koortsonderdrukkende middelen?
    ze remmen de aanmaak van prostaglandine E2 en remmen hiermee dus de verhoging van de lichaamstemperatuur. 

    de PGE2 synthese is afhankelijk van cyclo-oxygenase (COX), dat arachidonzuur omzet in prostaglandines E2. paracetemol en aspirine zijn hier zwakke remmers van, NSAID's sterke remmers. 
    Cortico's remmen ook cyclo-oxygenase, maar blokkeren ook de transcriptie van mRNA van cytokinen
  • Welke penicilline is anti-stafylokokken?
    flucloxacilline (huidinfectie van s. aureus)
  • 3 niveaus van afweer:
    1. Barrieres (huid, maag, etc)
    2. Innate immuunsysteem (snel effectief)
    3. Adaptieve immuunsysteem (langzaam effectief)
  • wat is het verschil tussen een ontsteking en een infectie?
    een ontsteking is een uiting van het lichaam op een reactie van buitenaf, een infectie is een ontsteking die veroorzaakt wordt door een micro-organisme.
  • Wat is het voordeel van amoxicilline t.o.v. penicilline ?
    wordt beter geresorbeerd.
  • Hoe krijg je de enorme diversiteit in antistoffen (antigeenreceptoren) op B-cellen?
    Random recombineren van verschillende antigeenreceptor DNA segmenten
  • waar kan koorts de oorzaak van zijn?
    in 50% van de gevallen is het een teken van infectie, maar 50% kan door andere oorzaken
  • Hoe werkt augmentin?
    De clavulaanzuur ring bindt aan het betalactamase geproduceerd door gramnegatieve bacteriën, Hierdoor wordt uitschakelen van de penicilline voorkomen. Het B-lactamase kan niet meer zijn werk doen.
  • De 3 fasen van adaptieve immuunsysteem:
    1. Specifieke herkenning van antigenen door B-cellen (antigeenreceptoren)
    2. Activatie + proliferatie van deze B-cellen
    3. Differentatie (memory OF effector)
  • wat is het verschil in receptoren voor kern/ schiltemperatuur?
    kerntemperatuur wordt gemeten door de hypothalamus, die van de schil door receptoren in ruggenmerg en thoracale weefsels en voornamelijk in de huid
  • Hoe veranderen de generaties van cefalosporinen?
    Het spectrum werd steeds breder (eerst alleen grampositief). Met name de derde generatie had een sterk verbeterde activiteit tegen gram negatieve bacteriën.
    De middelen worden veel in ziekenhuizen gebruikt.
  • De 5 kernmerken van het immuunsysteem:
    1. Zelf/niet-zelf herkenning
    2. Specifiek
    3. Adaptief
    4. Geheugen
    5. Systemisch
  • wat is het circadiaan ritme?
    dat de temperatuur varieert op een dag. 's morgens maximaal 35,6-37,2 door het cortisol waar je wakker mee wordt en in de middag 37,7 graden.
  • Noem de eigenschappen van fluorquinolonen
    > Remt gyrase van bacteriën
    > Breed spectrum
    > Bactericide
    > Snelle opname, weinig toxiciteit
    > Veel gebruikt bij UWI (goed doordringen in weefsel)
  • 3 fysiologische barrieres van de luchtwegen:
    1. nasopharynx (neusharen, snot etc)
    2. Mucociliary escalator (omhoog bewegen mucus door cilia)
    3. Alveolaire macrofagen
  • wat zijn de 5 kenmerken van een ontsteking?
    rubor, kalor, tumor, dolor en functiolese
  • Noem 2 eigenschappen en een voorbeeld van macroliden.
    - remt eiwitsynthese
    - gebruikt voor atypische pneumonie en chlamydia (maar 1 x gebruik)
    --> erytrhomycine
  • 3 fagocyterende cellen: waar zitten ze en hoe zien ze eruit.
    1. Neutrofiele granulocyten: veel in het bloed. Kern = polymorf
    2. Monocyten/macrofagen: in het bloed monocyt, in het weefsel macrofaag. Kern = groot en veel cytoplasma 
    3. Dendritische cellen: overal. Veel uitlopers.
  • wat is de pathogenese van koorts?
    je hebt een infectie met een microbieel toxine of een andere ontstekingsmediator, gaan een interactie aan met macrofagen, die maken cytokinen, die gaan in de circulatie, stimuleren endotheel, dan krijg je arachidonzuur, dan krijg je PGE, cAMP en daardoor krijg je een verhoging van setpoint temperatuur.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Infectie & Immuniteit

  • 1529359200 Herhalingscolleges

  • Vermenigvuldiging van de volgende pathogenen: intra of extra cellulair? en hoe verwijdert het afweersysteem ze (globaal)?
    - Bacteriën: meestal extracellulaire vermenigvuldiging: fagocytose met behulp van opsonisatie door antistoffen en complement
    - Virussen: intracellulaire vermenigvuldiging: CTL en NK
    - Schimmels: extracellulaire vermenigvuldiging, maar kunnen intracellulair ook overleven.  fagocytose en intracellulair doden
    - Parasieten: extracellulaire vermenigvuldiging. Bijvoorbeeld wormen. Opsonisatie door IgE. 
  • Het immuunsysteem begint altijd met een fysische barrière: 
    - Welke twee fysische barrières hebben wij?
    Barrieres: 
    1. Eenlagig epitheel van het maagdarmkanaal (en pH --> lage pH is bacteriedodend), etc)
    2. Meerlagig epitheel van de huid
  • Aangeboren/innate afweer: bestaat uit humoraal en cellulair
    - Wat is de humorale respons? Bij welk soort micro organisme is deze belangrijk?
    - Hoe herkennen fagocyten micro-organismen? Noem een van de bekendste en welke soort bacteriën dit patroon bezitten?
    - Wat zijn de twee gevolgen van patroonherkenning door bijvoorbeeld een macrofaga?
    - Wat is de 1e humorale respons? Wat zijn de eerste 3 cytokines die hierbij worden geproduceerd en waar zorgen deze drie voor?
    - Waar wordt complement produceert?
    - Waar zorgt IL-6 voor in de lever (aanmaak van 4 stoffen)?
    - Waar zit complement?
    - Stel een bacterie botst tegen complement: wat gebeurd er dan?
    - 3 manieren om complement te activeren?
    - Waarmee begint de complement cascade mee?
    - Noem 4 effecten van complement cascade?
    - Humoraal: niet-cellulair --> eiwitten, belangrijk bij extracellulaire micro-organismes.


    - Door middel van het herkennen van PAMP (Pathogen-associated molecular pattern) met PRR (pattern recognition receptor). De bekendste hiervan is de Toll-like receptor (PRR) die de PAMP LPS herkent. Dit is een PAMP op celwanden van gram negatieve bacteriën (zoals E. Coli). 

    Gevolgen patroonherkenning:
    1. Fagocytose door bijvoorbeeld macrofagen
    2. Cytokine productie (die systemisch werken) = belangrijk voor het opstarten van het adaptieve systeem

    De eerste humorale respons is de cytokine productie door de macrofaag die als eerst met een pathogeen in contact komt. De eerste cytokines zijn: IL-1, IL-6 en TNF-alfa. Deze drie zorgen voor koorts en voor het aanzetten van de lever tot het maken van complement en acute-fase eiwitten. TNF-a is de aandrijving van chronische ontstekingen, hier grijpen veel medicijnen op aan. 

    Complement wordt geproduceerd in de lever. 

    IL-6 zorgt in de lever voor de productie van:
    - Complement
    - Fibrinogeen (om ervoor te zorgen dat er genoeg stollingsmateriaal is)
    - Mannan-binding lectine (mannan is een suiker op de buitenkant van bacterien: dit markeert de bacterien = een opsonisator)
    - C-reactive protein (acute fase eiwit wat op zijn beurt nog meer complement aanzet)
    - SSA

    Complement = een groep inactieve plasma-eiwitten. In grote hoeveelheden aanwezig. 

    Botsen kan al leiden tot activatie wat kan leiden tot splitsing van complement in een groot product (met enzymatische activiteit) en een klein product (wat als signaalmolecuul kan worden gebruikt --> bijvoorbeeld naar het beenmerg signaleren dat er meer X cellen nodig zijn). 

    3 manieren om complement te activeren:
    1. Mannan-bindend lectine (suikerherkenning oppervlak bacterien)
    2. Door interactie met antistoffen (klassieke manier)
    3. Direct aan het oppervlakte binden en gelijk geactiveerd raken (alternatieve manier)

    Complement cascade begint met C3. 

    4 effecten van complement cascade:
    1. Lysis van cellen
    2. Versterken van ontsteking (aantrekken immuuncellen = signaalfunctie) = de kleine afsplitsingen van het complement doen dit
    3. Betere fagocytose (door opsonisatie van bacterie) (fagocyterende cellen hebben ook allemaal een complement receptor)
    4. Opruimen van Ig-complexen (deze complexen zijn gevaarlijk want kunnen bijvoorbeel glomerulonefritis veroorzaken als ze opstapelen in de nieren)
  • Cellulaire respons van de innate/aangeboren afweer:
    - Hoe worden neutrofiele granulocyten naar de plek van infectie geleid?
    - Als het endotheel eenmaal permeabel is: welke cellen gaan als eerste naar plek van ontsteking?
    - Hoe gaan de neutrofiele granulocyten naar plek van ontsteking? welke eiwitten zijn echt noodzakelijk voor de extravasatie?
    - Wat is chemotaxis?
    - Noem 3 soorten fagocyterende cellen?
    - Weefselschade --> acute ontsteking --> mestcel detecteert kapotte plasmamembranen = schade -->  mestcel laat histamine --> cox en lox worden aangezet --> lox: leukotrienes, cox: tromboxaan en prostaglandines --> vaatverwijding endotheel, permeabiliteit endotheel omhoog, en leukotrienes zijn chemotactisch = trekken cellen aan. prostaglandines en tromboxanes: koorts, pijn, stolling.

    - De humorale component die in het plasma (complement etc) zit gaat als eerste naar plek van ontsteking (eerste paar uur). Het endotheel moet nog worden voorbereid zodat de neutrofiele granulocyten kunnen uittreden

    - Door de aanmaak van specifieke receptoren voor de neutrofielen door de endotheel cellen gaan neutrofielen rollen en worden ze geactiveerd voor extravasatie (integrines zijn hiervoor echt noodzakelijk om het bloedvat uit te treden).

    - Chemotaxis: de gradient van chemokines waardoor neutrofielen worden aangetrokken en actief naar de focus van de infectie kan toe kruipen. gemaakt door bacterien zelf, complement, mestcellen, macrofagen. 

    Fagocyterende cellen:
    1. Monocyt (macrofaag in weefsel)
    2. Neutrofiele granulocyten (polymorfkernige)
    3. Dendritische cellen (poortwachter)
  • - Welke cel maakt de overstap van aangeboren systeem naar adaptieve systeem?
    - Welke cel wordt geactiveerd door de DC?
    - Dendritische cel (wat, waar en hoeveel)
    - DC activeert T-helper, welke weer de B cel activeert (deze B cel moet zelf eerder deze bacterie hebben gebonden en opgenomen, alleen dan kan die met deze T helpercel communiceren), daarna maakt deze B cel antistoffen die de periferie in kunnen om te opsoniseren en fagocytose (opsonofagocytose) kunnen induceren op de plek waar ze nodig zijn. En complement dus als het ware te gaan helpen.

  • Hoe doodt een macrofaag een gefagociteerd micro-organisme?Hoe kun je een intracellulair micro-organisme (virus) doden?
    - Macrofaag: deze heeft hulp nodig van een T helper cel die met interferron gamma (cytokine) kwijt te raken
    - Met behulp van een cytotoxische T-cel
    - videos: nature immunology, GUT, SKIN & LUNG
  • 5 kenmerken van het immuunsysteem:
    1. Zelf/niet zelf herkenning
    Verschil tussen prokaryoot en eukaryoot, species, individuen. Omdat we dit kunnen hebben we een probleem met transplantatie. 

    2. Specifiek: diverse antigeen receptoren, antistoffen, t cel receptor
    3. Adaptief: reageert op contact antigeen proliferatie & differentiatie aangestuurd door dendritische cel
    4. Geheugen: survival van lymfocyten
    5. Systemisch circulatie van lymfocyten

  • Fase 1: specifieke herkenningWat is een antigeen? Hoeveel kan het lichaam er ongeveer herkennen?
    Wat herkent een antigeen? Wat is het verschil tussen herkenning van een antigeen door BCR's (of antistoffen) & TCR's?
    Iets wat een adaptieve immuunrespons induceert. 10^9
    Herkenning wordt gedaan door een antigeen-receptor: een BCR of TCR

    Een BCR en antistof kan een natief antigeen 3D gevouwen herkennen door middel van het epitoop van dit molecuul. 

    Een TCR kan een lineair peptide herkennen (10-15 aminozuren lang) in het MHC molecuul. 
  • De opbouw van een antistof (immuunglobuline):
    - Welk fragment bindt het antigeen? Hoeveel verschillende soorten hiervan?
    - Hoe heet het onderste gedeelte? Wat is daar de functie van?
    - Chemische structuur? Uit welke ketens bestaat een antistof?
    - Hoe wordt er diveresiteit gewaarborgd in de variabele regio's antistof (zelfde principe geldt ook voor de TCR)?
    - Wat is allelische exclusie?
    - Fab (10^9 verschillende) = fragment of antigen binding
    - Fc = fragment constant. Effectorfunctie: er wordt hier bepaald wat de antistof doet (complement activeren, opsoniseren voor fagocytose, etc)
    - Chemische structuur: covalente bindingen tussen:
    2 zware ketens (die zowel Fc als Fab vormen)
    2 lichte ketens (alleen Fab)
    --> dus alleen de zware keten is verantwoordelijk voor de effectorfunctie.
    --> de uiteindes (variabele regio's) bestaan uit zware en lichte ketens. 

    - Diversiteit: toevallige combinatie van gensegmenten door de enzymen RAG-1 en RAG-2. De zware ketens hebben 3 segmenten die gecombineerd kunnen worden (V+D+J) en de lichte ketens hebben er 2 (V+J). Bij de zware ketens heb je 90 V's waar je uit kan kiezen, 30 D's en 6 J's. Ook nog extra veel diversiteit door zware en lichte ketens te combineren en door random toevoeging en weglating van nucleotides (0,1,2,3). De zware keten kan worden gemaakt van of moeders allel of vaders allel (dus 2 allelen). De lichte keten heeft naast dit ook nog een keuze uit kappa of labda en heeft dus 4 allelen.

    - Allelische exclusie is dat er per cel wordt gekozen om of de zware/lichte keten van moeders allel, of de zware/lichte keten van vaders allel te gebruiken en af te lezen. De andere wordt gesuppressed. Dit om er voor te zorgen dat elke cel wel maar 1 soort antistof/BCR/TCR maakt. 
  • Wat gebeurd er als je de enzymen RAG-1 en RAG-2 niet hebt?
    RAG-1 en RAG-2 zijn enzymen die zorgen voor de combinatie van verschillende gensegmenten in de variabele regio van een antistof, waardoor je lichaam veel verschillende antistoffen kan produceren. Daarnaast wordt ditzelfde principe met RAG-1 en RAG-2 gebruikt om TCR te maken. Je kunt dus nu geen antigenen herkennen met Tcellen en ook niet met B-cellen = geen adaptieve respons. Iemand die dit heeft --> SKID 
  • Feit: B cel diversiteit ontstaat in het beenmerg antigeen-onafhankelijk!
    Dus: er worden gewoon heeeeel veel verschillende antistoffen aangemaakt zonder eerst in aanraking te zijn geweest met een antigen.
  • Contact met antigeen induceert klonale proliferatie van bcellen. 
    Waar vind klonale proliferatie plaats? Noem de stappen?
    Klonale proliferatie vindt plaats in de lymfefollikel (in een lymfeklier, tonsillen, darmen, milt). Eerst proliferatie & somatische hypermutatie in de donkere zone --> folliculair dendritische cel (geen normale DC) het is een stromale cel waar het antigen aan zit en bcellen aan binden. als ze kunnen binden kunnen ze door naar de volgende ronde (95%) is niet goed genoeg --> lichte zone: klasse switching en differentiatie van bcellen naar plasmacellen of geheugencellen. 

    Dit hele proces van het opleiden van de beste B-cellen heet = kiemcentrumreactie (omdat het in het kiemcentrum van de lymfefollikel plaatsvindt) 
  • 5 klassen immuunglobuline:
    Welke cel is nodig voor klasseswitch?
    1. IgM
    - Tijdens primaire immuunrespons
    - Secretoire vorm = een pentameer = > 10 bindingsplaatsen. Omdat het zo veel bindingsplekken heeft kan het mulidimensionele antigenen binden (zoals virussen)
    - Veel intravasaal
    - Antigeen binding verandert conformatie. Van 2D pentameer tot een soort krab. Alleen in de krabvorm kan het complement activeren. Anders zou je continu complement activatie hebben, terwijl dit natuurlijk alleen nodig is als er een antigeen gebonden is. 


    2. IgD
    - Wordt parallel met IgM geproduceert

    3. IgG
    - monomeer
    - halfwaardetijd van 3 weken
    - het dringt goed in de weefsels door en kan door de placenta --> eerste 6-12 maanden bescherming van baby
    - opsonisatie gevold door fagocytose, complement activatie. 

    4. IgE
    - Monomeer
    - Lage concentratie in serum, hoog in bindweefsel
    - Bindt met Fc gedeelte aan mestcellen en basofielen
    - Biosensor voor allergeen
    - Degranulatie van de mestcel --> ontstekingsreactie
    - Centrale rol bij allergien zoals hooikoorts en astma en link voor eosinofielen


    5. IgA
    - Dimeer 
    - Mucosa en moedermelk
    - De grootste hoeveelheid want onze darmen zijn meterslang (meer dan IgG)
    - Voorkomt de aanhechting van pathogenen aan epitheelcellen in de darm 

    Voor klasseswitch zijn Thelpercellen nodig! (Dus twee keer tijdens de b-cel proliferatie en activatie zijn th cellen nodig)
  • Wat is de volgorde van de afweer bij een acute virusinfectie?
    1. INFa en INFbeta
    2. NK cellen 
    3. Adaptieve systeem: CTL --> cytotoxische t-lymfocyten
    4. Antistofproductie door B-cellen (staat niet in dit plaatje). Meer een rol bij een volgende infectie, want antistoffen signaleren virus extracellulair en dus voordat cellen geinfecteerd zijn. Maar bij virussen met een membraan 
  • NK cellen: 2 functies (bij virusinfectie)?
    1. Produceren van cytokines
    2. Herkennen van met virusgeinfecteerde cellen die niet meer kunnen presenteren dat er een virus in hen zit omdat het virus dit heeft gemanipuleert (niet elk virus doet dit, maar als ze dit doen, zijn NK cellen de enige cellen die dit kunnen herkennen)
  • 4 verschillende rollen van antistoffen in de anti-virale afweer?
    1. Neutralizatie bij virussen met een membraan (zoals HIV)
    2. Complement lysis 
    3. Opsonisatie waardoor het beter kan worden gefagocyteerd
    4. Binding aan de virale eiwitten in het plasmamebraan van de geinfecteerde cel waar antistoffen aan binden en daaraan kunnen dan NK cellen binden. NK cel killed op zelfde manier als een CTL dat doet
  • Hoe killen CTL's virus geinfecteerde cellen?
    Ze induceren apoptose door de volgende stappen:
    1. Granules uit de CTL fuseren op de plek waar contact plaatsvindt
    2. In de granules zitten perforines die gaten in de membraan van de geinfecteerde cel creeeren
    3. Door dat gaatje kunnen apoptose inducerende enzymen in de geinfecteerde cel komen
  • Hoe wordt 'zelf' herkend door T-cel?
    1. Herkenning eigen MHC = self restricted
    2. Negeren van eigen peptides in eigen MHC = voorkomen auto-immuniteit
  • Thymus:
    - welke embryonale oorsprong?
    - locatie?
    - hoe ouder je wordt...
    - wat voor soort antigenen brengt de thymus tot expressie en waarom?
    - met hoeveel TCR komen lymfocyten de thymus binnen en met hoeveel gaan ze weg en in between?
    - Selectie in de thymus: welke cellen gaan door en welke niet?
    - Diversitiet in de T cel receptoren
    - Heeft een BCR of een TCR een sterkere affiniteit voor een antigen?
    - Als naieve CD4 en CD8 cellen klaar zijn met de selectie noemen we het dat ze centrale tolerantie hebben en gaan ze de bloedbaan in! (fact)
    - epitheliale oorsprong
    - lage nek regio/bovenste thoracale regio
    - hoe ouder je wordt, hoe kleiner de thymus wordt/gaat vervetten
    - de thymus brengt door 1 mastergen allerlei soorten zelf-antigenen tot expressie op eigen MHC. vreemde antigenen komen niet door bloed-thymus barriere. Je wil GEEN t-cellen produceren die de zelf-antigenen herkennen, dus daarom moeten deze in de thymus getoont worden aan de t cellen en degene die de zelf-antigenen herkennen zijn NIET goed. 
    - Double negatief komen ze binnen --> double positief (CD8 en CD4) --> daarna wordt gekeken in welke ze 'beter' zijn en dan verlaten ze de thymus single positive. 
    - Selectie: van de double positive cells die geen signaal herkennen --> herkent eigen MHC niet dus gaat niet door. Cellen die te sterk reageren --> herkent eigen antigen te 'goed' en gaat ook niet door. Cellen die Self-MHC-restricted en self-tolerant zijn gaan door! 5% is dit (= centrale tolerantie).
    - Diversiteit in de TCR wordt een beetje hetzelfde gemaakt als bij de BCR, maar geen lichte en zware ketens maar een alfa en een beta keten. 
    - BCR heeft een sterkere affiniteit voor antigen, want TCR mag niet te goede affiniteit hebben want dat wordt eruit geselecteerd in de thymus. Daarom heeft TCR noodaak voor een co-receptor = CD4 of CD8.
  • Leg de definities uit:
    - MHC polymorfisme
    - MHC polygenie
    - MHC polymorfisme = veel verschillende MHC-moleculen (genen) in de populatie. Dus van vader en moeder sowieso twee verschillende gekregen
    - MHC polygenie = voor hetzelfde molecuul MHC klasse 1 bijvoorbeeld 3 verschillende soorten eiwitten die een combinatie vormen.
  • Fun fact: HLA is hetzelfde als MHC, maar dan specifiek voor humaan = mens
    :)
  • MHC/HLA
    - Hoeveel soorten HLA types heb je in klasse 1? Hoeveel in klasse 2?
    - Funfact: Lage HLA-diversiteit binnen individu: namelijk maar 6 klasse 1 maximaal en 6 klasse 2 maximaal
    - Waarom is een grote HLA diversiteit in een populatie goed?
    - Wat zijn HLA-geassocieerde ziektes?
    Klasse 1: A (850 verschillende), B (1250 verschillende), C (110 verschillende) = 3
    Klasse 2: DP, DQ, DR = 3

    Grote diversiteit HLA in populatie = samen alle pathogenen aankunnen want verschillende HLA's zien verschillende epitopen van de pathogenen met hun Tcellen.

    - Becherew
    - HIV (HLAB27, B57)

  • MHCI zit uitsluitend op... en komt op deze manier naar het celmembraan...MHCII zit uitsluitend op... en komt op deze manier naar het celmembraan...

    1: op kernhoudende cellen = continu check van het cytoplasma = wat gebeurd er in de cel. Als de cel geinfecteerd is met een virus wordt dat dus hiermee laten zien. Dus: alles wat in het cytoplasma zit --> ER --> komt op MHC eiwit --> gaat naar het oppervlak. 
    2: op antigeenpresenterende cellen --> dendtritische cellen, macrofagen en b-lymfo's = MHCII wordt beladen met antigenen die zijn opgenomen door endocytose. De MHCII moleculen liggen te wachten in het endosoom en worden daar beladen met de spullen die geendocyteerd worden.
  • 3 APC's:
    1. DC's
    2. Macrofagen
    3. B-lymfocyten
  • Fact: Naieve Thelper cellen kunnen ALLEEN door DC's geactiveerd worden. Dus niet door macrofagen of B-lymfocyten. Niet-naieve wel.
    :)
  • Welke 3 signalen zijn nodig om DC een Th te laten activeren?
    Wat doet de Th daarna om andere Ths te laten prolifereren? Wat gebeurd er als dit niet gereguleerd wordt?
    1. MHC + TCR (met stabilisatie van CD4)
    2. Costimulatoir signaal = CD28 op Th en CD80 op DC
    3. Cytokineproductie van DC

    IL-2 productie en uitscheiden. Hierdoor prolifereren Th cellen. Als dit non stop doorgaat krijg je een lymfoom. Hier heb je dus coinhibitoire signalen voor nodig die als checkpoints werken. = antitumor.
  • Zonder het costimulatoir signaal tussen DC en Th kunnen er twee dingen gebeuren?
    Wat induceer je hiermee?
    1. Apoptose/anergy = tolerantie
    2. Treg ontstaan = regulatie

    Hierdoor kan je perifere tolerantie krijgen --> dit is nodig omdat het lichaam niet overal op moet reageren. 
  • Perifere tolerantie: 4 opties om dit te induceren:
    1. Immunologische ignorance door een anatomische barriere: DC en Th komen nooit bij elkaar want er zit een barriere tussen (zoals in de hersenen en testes)

    2. Deletie: door extra binding tussen fas en fas ligand = apoptose = deletie van de cel die overreageert

    3. Inhibirende factoren = ipv costimulatoir krijg je een coinhiberend signaal

    4. Suppressie = Treg cellen die zeggen --> niet reageren en door binding de reactie tegenhouden
  • T regulatoire cellen:
    - In wat spelen zij een rol?
    - Wat scheiden zij uit?
    - Noem voorbeelden van voordelen en nadlenvan de Tregs:
    - Induceren van perifere tolerantie
    - Zij scheiden inhiberende cytokines uit waardoor cellen die te overactief willen reageren hiermee stoppen
    - Voordelen: voorkomen auto-immuunziekten, allergie
    - Nadelen: minder immuniteit = tumor inductie

    ER MOET GOEDE BALANS ZIJN
  • Subtypes Thelper cellen:
    :)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Infectie en Immuniteit

  • 1504476000 Immunologie colleges week 1

  • Noem de vijf kenmerken van ons immuunsysteem
    1. Onderscheid lichaamseigen en lichaamsvreemd 2. Specifiek 3. Adaptief 4. Geheugen 5. Systemisch
  • Noem de drie niveaus van onze afweer
    1. Fysieke barriere (huid, slijm) 2. Innate 3. Adaptief
  • Welke cellen behoren bij het aangeboren afweersysteem en welke bij het adaptieve afweersysteem?
    Aangeboren: dendrieten, macrofagen, mestcellen, NK cellen, granulocyten.
    Adaptief: b cellen en t cellen.
  • Welke eiwitten horen bij het aangeboren afweersysteem en welke bij het adaptieve afweersysteem?
    Aangeboren: complement eiwitten, interferonen, antibacteriele peptiden. 
    Adaptief: Antistoffen.
  • Leg uit waarom het afweersysteem als "adaptief" kan worden omschreven
    Alleen de benodigde antistoffen worden in grote getallen geproduceerd: de tcel activeert alleen de bcel waarvan de antistoffen nodig zijn.
  • Leg globaal de opbouw van (de verschillende bindingsplaatsen van) een antistof uit
    Variabele Fab deel kan binden aan een epitoop. Constant Fc deel kan binden aan complement eiwitten en fagocyten en verschillende effector functies uitoefenen.
  • Leg drie effectormechanismen van antistoffen uit.
    1. Opsonisatie: Fab bindt bacterie en Fc bindt fagocyt: uptake en killing bacterie.
    2. Neutralisatie: Fab bindt bacterie en dit voorkomt dat de bacterie aan cellen kan binden.
    3. Complement activatie: Fab bindt bacterie en Fc bindt complement eiwitten, wat leidt tot opsonisatie en ontstekingsreacties.
  • Noem (kort (!) de belangrijkste aspecten van antibacteriele afweer en maak hierbij onderscheid in aangeboren en innate
    Innate: fagocytose door macrofagen, neutrofielen etc. Adaptief: b-cel respons.
  • Noem kort (!) de belangrijkste aspecten van antivirale afweer en maak hierbij onderscheid in aangeboren en innate
    Innate: geinfecteerde cellen scheiden interferonen uit, die zorgen dat omliggende cellen in antivirale staat komen.
    Adaptief: Antistoffen kunnen losse virussen neutraliseren en ctc kunnen geinfecteerde cellen doden.
  • Noem kort (!) de belangrijkste aspecten van antiparasitaire afweer en maak hierbij onderscheid in aangeboren en innate
    Innate: Granulocyten worden geactiveerd en scheiden stoffen uit die epitheel zo veranderen dat parasieten niet meer kunnen binden.
  • Leg uit waarom het immuunsysteem als "systemisch" kan worden gekenmerkt
    De antistoffen die worden geproduceerd kunnen door heel het lichaam de infectie bestrijden.
  • Een acute ontsteking kan twee "paden" inslaan, welke?
    Een acute ontsteking kan leiden tot herstel óf bij een aanhoudende prikkel tot een chronische ontsteking en fibrose vorming.
  • Noem de verschillende stimuli die een acute ontsteking kunnen veroorzaken
    1. Infecties door micro organismen 2. Weefselnecrose 3. Vreemde lichamen (splinter, viezigheid) 4. Immuunreacties door overgevoeligheid of allergie.
  • Wat zijn de klinische kenmerken van een ontsteking? Welke van deze kenmerken zijn te verklaren door hyperemie?
    Warm, rood, zwellen, pijn, loss of function. Hyperemie is verhogen van de bloedstroom en veroorzaakt warme, rood, zwellen (vocht uittreden) en pijn (druk op zenuwen door meer vocht).
  • Omschrijf de volgorde van de lokale gebeurtenissen die plaatsvinden bij een ontsteking in detail.
    Weefselschade leidt tot

    Vasodilatie --> Hyperemie (meer bloed naar locatie) --> Toename vatpermeabiliteit --> Vocht lekt naar het ontstekingsgebied --> Vorming sereus exsudaat (serum en plasmaeiwitten) --> druk en pijn -->

    Endotheelactivatie --> expressie moleculen op endotheel -->Neutrofieleninflux (ontstekingsrespons) --> vorming purulent exudaat (neutrofielen, fibrinogeen, parenchymcellen) --> Verdere toename vatpermeabiliteit --> Fibrineus purulent excudaat met fibrinogeen en fibrine.

    https://www.youtube.com/watch?v=FXSuEIMrPQk
  • Welke functie hebben mestcellen bij het verloop van een acute ontsteking? Hoe worden mestcellen geactiveerd?
    Mestcellen scheiden stoffen (histamine) uit die de vasodilatie en vatpermeabiliteit veroorzaken. Hierdoor wordt hyperemie veroorzaakt en de pusvorming in gang gezet (sereus).
    Ze worden geactiveerd door het complementsysteem en thrombine.
  • Wat is de functie van macrofagen gedurende de acute ontsteking?
    Macrofagen scheiden cytokines uit die immuunellen aantrekken en herstel van het weefsel initieren.
  • Leg het begrip patroonherkenning uit en noem een voorbeeld van zo'n interactie.
    Fagocyterende cellen herkennen het oppervlak van een pathogeen aan de pathogen associated molcular patters (PAMPS) via een pathogen recognition receptor (PRR). Bijvoorbeeld LPS op gram negatieve bacterien bindt zowel CD14 als een Toll like receptor op de macrofaag, wat leidt tot signaal transductie en het uitscheiden van cytokinen (TNF en IL1) door de macrofaag.
  • Welke cytokines worden uitgescheiden door een geactiveerde macrofaag en wat zijn de gevolgen hiervan?
    TNF en IL1: Lokaal zorgt dit voor ontsteking (leukocyten) en repair (fibroblasten); Systemisch voor een systemische ontstekingseffecten zoals koorts.
  • Beschrijf de drie pathways (classic, aternative en lectine) waarmee het complementsysteem kan worden geactiveerd.
    Het complementsysteem (eiwitten) komt vrij na weefselschade en wordt actief door:

    1. Classic: Fc staart van antigen gebonden antistof bindt complementeiwit --> Cb3 op antigen --> cascade.  
    2. Alternative: Op antigen membraan vindt spontane hydrolyse van complementeiwitten Cb3 plaats --> cascade. 
    3. Lectine: Mannose binding lectin bindt suikers op het antigen, waardoor een "C1-like complex" wordt gevormd --> cascade.
  • Wat zijn de gevolgen (4) van de complement cascade en welke complementeiwitten zijn hierbij betrokken?
    1. Fagocytose: Cb3 gebonden micro-organisme bindt de fagocyt via C34 receptor (efficienter dan PAMP/PRR interactie maar minder dan antistof).
    2. Ontsteking: C3a is een chemotaxis signaal en lokt leukocyten.
    3. Membraan aanval/Lysis: C9 kan porie vormen.
    4. Activatie van mestcellen.
  • Wat zorgt er voor dat neutrofiele/polymorfkernige granuloyten worden aangetrokken naar de plaats van ontsteking (2)?
    1. Het complementeiwit C3a is een chemotaxis signaal
    2. Macrofagen en mestcellen produceren TNF en IL1, ook chemotaxis.
  • Beschrijf het proces van neutrofiel migratie richting de plek van de ontsteking
    Cytokines TNF1 en IL1 wordt uitgescheiden door macrofagen en mestcellen --> "rolling" neutrofiel via glycoprotein/selectine interacties.
    Chemokines worden uitgescheiden door mestcellen --> integrines op neutrofielen actief --> migratie.
  • Leg uit op welke drie manieren de adhesie moleculen voor endotheel/neutrofiel interactie worden gereguleerd
    1. Uitescheiden van TNF en IL1 (macrofagen en mestcellen) zorgt voor selectine expressie op endotheel .
    2. Uitscheiden van chemokines (mestcel) zorgt voor integrine expressie op neutrofiel. 
    3. Histamine (macrofagen) en thrombine zorgen dat wiebel palade bodies (granules) naar buiten worden gebracht waardoor p-selectine tot expressie komt.
  • Wat gebeurt er met de neutrofiel na het doordringen van het epitheel?
    1.Chemotaxis: naar plek ontsteking
    2. Fagocytose: neutrofielen nemen bacterie op in endosoom.
  • Op welke twee manieren kan een neutrofiel een bacterie "clearen"?
    Fagocytose via endosoom; versmelting lysosoom en afbraak door 1) proteolytische enzymen 2) ROS/NO
  • Leg uit op welke twee manieren neutrofielen zorgen voor weefselschade en pus.
    1. Lysosomale zelfmoord: de bacterie dupliceert in het fagolysosoom --> fagolysosomale rupture --> bacteriezooi en enzymen in cel --> celdood --> membraanrupture --> zooi en enzymen in weefsel --> weefselschade.
    2. Kwijlende fagocyt: Lysosoom versmelt al met fagosoom voordat fagocytose is voltooid --> lysosoomenzymen in weefsel --> schade.

    Neutrofielen en bacteriezooi --> pus
  • Welke verschillende receptoren vinden we op een neutrofiel?
    De G-receptor bindt chemokines --> integrine activatie (adhesie endotheel) en migratie.
    CD14/Toll like receptor binden microbe --> cytokine productie en ontsteking.
    Fagocyt receptor bindt microbe --> killing
  • Benoem de verschillen tussen macrofagen en neutrofielen
    Macrofaag: Goede fagocytose, leven langer, bevinden zich overal, scheiden IL1 en cytokines uit.
    Neutrofiel: Snel dood, alleen lokaal, zorgen voor pus, lumfestroom en hierdoor adaptieve respons.
  • Welk stadium van de longontsteking zien we hier?
    Hyperemie: groot bloedvat, veer ery's in alveolaire wanden, macrofagen.
  • Welk stadium van de longontsteking zien we hier?
    Exudatieve pneumonie:Alveoli zijn roze door plasma eiwit albumine, sereus exudaat, indikking (practicum).
  • Welk stadium van de longontsteking zien we hier?
    Purulente longontsteking: paarse polymorfkernige cellen zijn neutrofielen, pusvorming, weefselschade, draadvorming (fibrine).
  • Beschrijf het verloop van de aangeboren naar de adaptieve respons.
    Via het pus dat de neutrofielen hebben veroorzaakt wordt een lymfestroom op gang gebracht. Hier worden APC's (macrofaag, DC) naar de lymfeklieren gebracht, tcel activatie, bcel activatie etc. 
  • Macrofagen worden na t-cel activatie optimaal benut. Leg dit uit.
    T-cel activeert meer macrofagen én zorgt via de bcel respons voor opsonisatie door macrofagen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe wordt er gematcht bij een niertransplantatie?
Op bloedgroep en HLA (HLA-A, B, DR (5/6). De tijdsdruk is hierbij groter in verband met ischemie.
Wat is de bron van de nier transplantaat
levend of  hersendode donor
Wat is de klinische noodzaak van een niertransplantatie?
nierfalen, bloedingen
Hoe wordt een patiënt met AML behandeld na de SCT?
- profylactische medicatie
- Transfusie!
- Immunosuppressiva (kans op infectie/tumor)
Wat is het nadeel van een autotransplantatie?
Er kan zich weer een tumor ontwikkelen > bij een allogene transplantatie wordt die als lichaamsvreemd herkend.
Hoe wordt een patiënt met AML behandeld zolang er nog geen donor is?
- bestraling
- chemo
Wat is myeloperoxidase?
een enzym in primaire granuleer. Expressie hiervan is specifiek voor een myeloïde precursor.
Wat is de klinische noodzaak van transplantatie bij AML?
- bloedingen en bloedarmoede
- kans op infecties
Wat is acute myeloïde leukemie?
Een maligniteit van de myeloïde celreeks, waardoor myeloblasten zich ophopen in het beenmerg.
Is er voorbehandeling van het transplantaat nodig bij SCT?
Ja, depletie van T-cellen, anders kans op GVHD.