Summary Class notes - inleiding data-analyse

Course
- inleiding data-analyse
- ntb
- 2016 - 2017
- Open Universiteit
- Onderwijswetenschappen
308 Flashcards & Notes
37 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - inleiding data-analyse

  • 1530482400 Woordenlijst

  • Afhankelijke t-toets
    De afhankelijke t-toets is een andere naam voor de gepaarde t-toets
  • Afhankelijke variabele
    De afhankelijke variabele in een onderzoek is een variabele waarvan de onderzoeker verwacht dat deze (deels) wordt bepaald door een onafhankelijke variabele. In experimenteel onderzoek is dit effect causaal; in observationeel onderzoek kan over causaliteit niets worden gezegd: het is dan mogelijk dat de afhankelijke variabele de onafhankelijke variabele veroorzaakt. De termen ‘onafhankelijke variabele’ en ‘afhankelijke variabele’ hebben dus betrekking op de verwachtingen van de onderzoekers, niet noodzakelijk op de opzet van de studie of de conclusies die getrokken kunnen worden.
    Bij observationeel onderzoek, waarbij dus geen variabele wordt gemanipuleerd, is het onderscheid tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen vrij arbitrair; alle variabelen hebben dan immers vaak dezelfde rol in het design van de studie.
  • Alpha (significantieniveau)
    In de nulhypothese-significantietoetsing is alpha of het significantieniveau de kritieke p-waarde. Dit betekent dat als de kans op een gegeven uitkomst onder aanname dat de nulhypothese klopt (de p-waarde) lager is dan deze alpha. de nulhypothese wordt verworpen. De conventie is om een alpha van .05 (oftewel 5%) te hanteren, maar de onderzoekers kiezen deze zelf voordat ze de studie uitvoeren, en zijn vrij om een andere waarde te kiezen als ze dit kunnen onderbouwen.
  • Analyse
    In de statistiek is een analyse de naam voor een set van een of meer bewerkingen die op een of meer datareeks(en) wordt of worden uitgevoerd met als doel uitspraken over die datareeks(en) te faciliteren. Voorbeelden zijn beschrijvingsmaten 
    (centrummaten, spreidingsmaten en verdelingsmaten), die het mogelijk maken datareeksen efficiënt samen te vatten, en effectgrootten, die de sterkte van het verband tussen twee (of meer) variabelen samenvatten.
  • Analysescript
    Een bestand, meestal in platte tekst, dat een reeks commando's voor statistische analyses bevat en combinatie met commentaren om deze toe te lichten. Voorbeelden zijn R-scripts voor R en Syntax voor SPSS.
  • Anker
    Schaaluiteinde: bij een zevenpuntsschaal waarbij de antwoordopties “Zeer onprettig”, “Onprettig”, “Een beetje onprettig”, “Neutraal”, “Een beetje prettig”, “Prettig” en “Zeer prettig” zijn, zijn de ankers “Zeer onprettig” en “Zeer prettig”.
  • Anova (Variantie-analyse)
    Een analysetechniek om het verband tussen een categorische variabele met meer dan twee mogelijke meetwaarden en een intervalvariabele te analyseren. Bij variantie-analyse wordt de effectgrootte omega^2 berekend en wordt de F-verdeling gebruikt om de corresponderende p-waarde te berekenen. 
  • Antwoordoptie
    Mogelijk antwoord bij een vraag in een vragenlijst, zoals “Een beetje prettig”, “Man”, of “Nooit”. Een antwoordoptie correspondeert met een mogelijke meetwaarde van de variabele die correspondeert met die vraag, en representeert dus een mogelijke waarde die het resulterende datapunt aan kan nemen.
  • Aselecte steekproef, aselect
    Een steekproef  waarbij elk lid van de populatie evenveel kans maakt om geselecteerd te worden. Als een steekproef aselect is, is het mogelijk om te generaliseren van de steekproef naar de populatie.
  • Artikelen
    Een artikel is een rapportage over een wetenschappelijk onderzoek, dat wordt gepubliceerd in een wetenschappelijke journal. Artikelen hebben meestal de vier secties inleiding (de onderbouwing van de onderzoeksvragen en/of hypothesen), methode (de informatie die nodig is om de studie te repliceren), resultaten (een beschrijving van de uitkomsten van de studie), en discussie (de interpretatie van de uitkomsten).
  • Attritie (uitval)
    Attritie is uitval van onderzoekseenheden (meestal deelnemers) tussen de verschillende meetmomenten in een longitudinale studie.
  • Barchart (staafdiagram)
    Een staafdiagram is een grafiek waarbij het aantal datapunten met elke meetwaarde in een datareeks wordt verbeeld door een staaf
  • Bereik (range)
    Het verschil tussen het maximum en minimum van een datareeks. De range kan worden gezien als spreidingsmaat (hoewel hij nooit in zijn eentje als spreidingsmaat moet worden gebruikt, omdat eventuele outliers grote invloed hebben op de range). De geobserveerde range is niet altijd hetzelfde als de theoretische haalbare range; dat een vraag beantwoord kan worden op een zevenpuntsschaal van 1-7 betekent niet dat iemand ook daadwerkelijk 1 of 7 antwoordt. De geobserveerde range kan dus kleiner zijn dan de range van het meetinstrument. 
  • Beschrijvingsmaten
    Getallen die kenmerken van een datareeks en dus van een variabele beschrijven: de centrummaten, spreidingsmaten, en verdelingsmaten.
  • Betrouwbaardheid
    De mate waarin een operationalisatie bij herhaling dezelfde uitkomsten geeft. Betrouwbaarheid is het omgekeerde van toeval, steekproeffout, en meetfout: als een meetinstrument bijvoorbeeld elke keer een andere uitkomst geeft terwijl datgene dat wordt gemeten stabiel blijft, is het een erg onbetrouwbaar meetinstrument. Samen met validiteit bepaalt betrouwbaarheid de kwaliteit van een operationalisatie.
  • Betrouwbaarheidsinterval
    Een interval om een schatter heen dat in een gegeven percentage van de steekproeven de betreffende populatiewaarde bevat. Voor een 95% betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde geldt bijvoorbeeld dat dat interval bij 95% van de steekproeven het populatiegemiddelde bevat. Het is belangrijk dit niet te interpreteren als een interval waarbij de kans, dat het populatiegemiddelde er in ligt, 95% is! Natuurlijk is dat wel waar over oneindig veel steekproeven; maar bij één willekeurige steekproef ligt het populatiegemiddelde of wél, of níét in het interval. De ‘betrouwbaarheid’ van het betrouwbaarheidsinterval drukt vertrouwen uit in het principe van het betrouwbaarheidsinterval over oneindig herhalingen, en zegt dus niets over de betrouwbaarheid van één enkel interval. Tegelijkertijd zijn betrouwbaarheidsintervallen natuurlijk uitermate bruikbaar: ze geven een duidelijke indicatie de inschatting van een mogelijke schatter en bovendien hoe accuraat die schatting is. De breedte van een betrouwbaarheidsinterval hangt van twee dingen af. Ten eerste van de ‘betrouwbaarheid’: een 99% betrouwbaarheidsinterval is breder dan een 95% betrouwbaarheidsinterval. Een puntschatting heeft een betrouwbaarheid van 0%. Ten tweede van de standaardfout, die weer afhankelijk is van de nauwkeurigheid van de meting en van de steekproefgrootte.
  • Bevestiging (confirmatie)
    Confirmatie is het bevestigen van een hypothese. In de wetenschap kan iets nooit worden bewezen, maar er kan wel sterke evidentie worden gevonden dat een bepaalde hypothese klopt. Het omgekeerde is falsificatie.
  • Bias
    Een verstoring, vertekening, van een variabele of een proces. Doordat mensen lijden aan allerlei biases zijn ze niet goed in introspectie. Biases komen ook voor in onderzoek; als een variabele gebiased is, is de validiteit aangetast. Stel bijvoorbeeld dat deelnemers in de experimentele conditie wordt verteld dat zij een nieuwe behandeling krijgen, terwijl deelnemers in de controleconditie wordt verteld dat zij de controleconditie zijn; die informatie kan tot verwachtingen leiden die de onderzoeksresultaten verstoren en dus bias introduceren. Confounders leiden ook tot bias in een studie.
  • Bimodale verdeling (tweetoppig)
    Een verdeling met twee toppen (twee 'modussen')
  • Binaire variabele (dichotome variabele)
    Een dichotome variabele of operationalisatie kan slechts twee mogelijke meetwaarden aannemen. Deze kan daardoor zowel als nominale, ordinale, of interval-variabele worden gezien, en kan dus als categorisch of continu worden opgevat. Omdat er maar twee mogelijke waarden zijn, maakt het voor statistische analyses immers niet uit hoe deze twee waarden ten opzichte van elkaar worden geordend. Bovendien is er maar één interval tussen de twee waarden: alle intervallen tussen opeenvolgende meetwaarden zijn dus altijd even groot (want dat is er maar eentje). Hoewel dichotome variabelen dus erg veelzijdig zijn, hebben ze ook het minste power.
  • Bivariate analyse
    Een analyse waarbij het verband tussen twee variabelen wordt geanalyseerd, zoals de correlatie, Cohen’s d en de t-toets, en eenweg-variantieanalyse.
  • Bivariate correlatie
    De correlatie tussen twee variabelenRegressieanalyse kan worden opgevat als een multivariate-correlatieanalyse, omdat er meer dan twee variabelen bij zijn betrokken. Als er in een regressieanalyse maar één voorspeller is, en dat geldt altijd binnen de cursus Onderzoekspracticum inleiding data-analyse, dan is de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt van die voorspeller altijd gelijk aan de bivariate correlatiecoëfficiënt.
  • Blinderen, blindering
    Blinderen is het afschermen van elementen van een studie voor deelnemers, onderzoekers (proefleiders) of beiden (dubbel blinderen)
  • Boxplot
    Een grafiek waarin het minimum, het eerste kwartiel, de mediaan, het derde kwartiel en het maximum van een datareeks worden geplot. Bovendien worden mogelijke outliers apart aangegeven met stipjes. (dit betekent natuurlijk ook dat de waarden die als minimum en maximum worden geplot, eigenlijk het minimum en maximum zijn zonder die mogelijke outliers).
  • Categorische variabele (meetniveau)
    Een variabele op het nominale of ordinale meetniveau
  • Causaliteit
    Causaliteit oftewel oorzakelijkheid is de wet van oorzaak en gevolg. In wetenschappelijk onderzoek is men meestal niet alleen geïnteresseerd in de samenhang tussen twee variabelen, maar is het juist interessant om uit te vinden of de ene variabele de andere veroorzaakt. Als de ene variabele de ander veroorzaakt heet dat een causaal verband. Samenhang tussen twee variabelen (een substantiële 
    correlatie bijvoorbeeld) impliceert niet dat er ook een causaal verband is: alleen samenhang tussen twee variabelen waarvan er een is gemanipuleerd kan informatie geven over causaliteit, en dus over de vraag of een variabele een andere beïnvloedt. Met andere woorden: zonder experimenteel design kunnen geen uitspraken gedaan worden over causaliteit
  • Centreren
    Centreren is een transformatie waarbij van elk datapunt in een datareeks een centrummaat (meestal het gemiddelde, heel soms de mediaan) wordt afgetrokken. Het gemiddelde van de resulterende datareeks is dan gelijk aan 0. Centreren is de eerste stap bij standaardisatie van een variabele
  • Centrummaat
    Getallen die een indicatie geven van de centrale tendentie van een datareeks (en dus variabele), oftewel, waar de meeste datapunten in de datareeks zich bevinden. In deze cursus worden het gemiddelde, de mediaan, en de modus besproken.
  • Centrale limietstelling
    Het fenomeen dat de steekproevenverdeling van gemiddelden altijd  normaal is verdeeld, tenzij de steekproef uitzonderlijk klein is. Met uitzonderlijk klein worden steekproefomvangen bedoeld van dermate weinig onderzoekseenheden (meestal deelnemers) dat de studie underpowered is, en dergelijke studies worden vaak niet goedgekeurd tijdens ethische toetsing.
  • cETO
    commissie Etische Toetsing Onderzoek
  • Cohen's d
    Een effectgrootte die wordt gebruikt om het verschil tussen twee gemiddelden uit te drukken op een manier die onafhankelijk is van de schaal waarop de afhankelijke variabele is gemeten. Cohen’s d is gedefinieerd als het verschil tussen twee gemiddelden gedeeld door de standaarddeviatie. De tentatieve kwalitatieve labels worden gebruikt om Cohen’s d waarden te duiden:
    oTriviaal: tussen -.2 en .2
    oKlein / zwak: tussen -.2 en -.5 of tussen .2 en .5
    oMiddelgroot / middelsterk: tussen -.5 en -.8 of tussen .5 en .8
    oGroot / sterk: tussen -.8 en -1.3 of tussen .8 en 1.3
    oZeer groot / zeer sterk: kleiner dan -1.3 of groter dan 1.3
  • Cohen's d-verdeling
    De verdeling van Cohen’s d, het gestandaardiseerde verschil tussen twee gemiddelden. De Cohen’s d) die wordt berekend in een steekproef is per definitie afkomstig uit deze verdeling. Deze steekproevenverdeling kan worden gebruikt om de kans op een gegeven d te berekenen onder aanname dat de nulhypothese klopt (de p-waarde). Deze verdeling ziet er als volgt uit:

    Figuur: De verdeling van Cohen’s d voor n = 100 als er in de populatie geen verband is (d=0, grijs), als er een zwak verband is (d=0.2, rood), als er een middelsterk verband is (d=0.5, oranje), en als er een sterk verband is (d=0.8, groen).
  • commisie Ethische Toetsing Onderzoek
    Een commissie binnen de OU die onderzoek ethisch toetst
  • Confounder
    Een confounder is een verstorende variabele. Als een onderzoeker een uitspraak wil doen over een verband tussen twee variabelen, vooral over een causaal verband, moeten alle confounders zijn uitgeschakeld. Dit kan alleen door middel van een experiment. Als een experimenteel design niet mogelijk is, kan een onderzoeker proberen in kaart te brengen wat mogelijke confounders zijn en die meten, zodat ervoor gecorrigeerd kan worden in de analyses. Echter, het is niet mogelijk uit te sluiten dat er nog onbekende confounders resteren. Uitspraken over causaliteit vereisen daarom altijd een experimenteel design.
  • Conditie
    De waarde van een variabele in een manipulatie. Als bijvoorbeeld “blootstelling aan geweld in de media” wordt gemanipuleerd zoals in het klassieke experiment van Bandura met de Bobo-doll, kan die variabele twee waarden hebben: “geen blootstelling” en “wel blootstelling”. Elk van deze waarden correspondeert vervolgens met een conditie in de manipulatie die de operationalisatie van die variabele is.
  • Construct
    Een construct is een psychologische variabele zoals die is gedefinieerd in een theorie.
  • Contentvalidatie (inhoudsvaliditeit)
    Vroeger dacht men dat er verschillende typen validiteit bestonden. Contentvaliditeit was een van die typen en had betrekking op de mate waarin de inhoud van een operationalisatie overeenkwam met de inhoud van het te meten of te manipuleren construct. Inmiddels wordt validiteit als een unitair construct gezien: het idee dat er verschillende typen zouden bestaan is in 1999 achterhaald in de Standards for Educational and Psychological Testing van de American Educational Research Association, de American Psychological Association, en de National Council on Measurement in Education. In plaats daarvan wordt gesteld dat contentvaliditeit eerder is te beschouwen als een perspectief op validiteit, of een raam waardoor naar de validiteit van een operationalisatie gekeken kan worden.
  • Continu meetniveau/variabele
    Een variabele op het interval of ratio meetniveau
  • Controleconditie
    In een experiment is een controleconditie een conditie waarin er geen manipulatie plaatsvindt. De inhoud van de controleconditie wordt daarom zo vastgesteld dat deze is gematcht met de experimentele condities, in alle aspecten behalve de te manipuleren onafhankelijke variabele(n).
  • Correlatieanalyse
    De analysetechniek waarmee de correlatiecoëfficiënt wordt berekend.
  • Correlatie, correlatiecoëfficiënt
    Een maat voor samenhang tussen twee continue variabelen. Als over correlatie in het algemeen wordt gesproken, wordt meestal Pearson’s correlatie bedoeld, gesymboliseerd door r, en berekend door de covariantie van twee variabelen te delen door het product van hun standaarddeviaties. Omdat de standaarddeviaties afhankelijk zijn van de schaal waarop een variabele is gemeten, betekent dit dat de covariantie wordt gecorrigeerd voor de schaal waarop beide variabelen zijn gemeten. De correlatie loopt daarom altijd van -1 (een volledig negatief verband) via 0 (volledige onafhankelijkheid) naar 1 (een volledig positief verband). Het kwadraat van de correlatie geeft weer hoeveel procent van elkaars variantie de twee variabelen delen. Een correlatie van .4 correspondeert dus met een middelsterk effect, waarbij de variabelen 16% van elkaars variantie verklaren (.4^2=.16). De variantie van elke variabele is dan ongeveer zes keer zo groot als de covariantie (de gedeelde variantie). De correlatie is ook een effectmaat, met de volgende tentatieve kwalitatieve labels:
    oTriviaal: tussen -.1 en .1
    oKlein / zwak: tussen -.1 en -.3 of tussen .1 en .3
    oMiddelgroot / middelsterk: tussen -.3 en -.5 of tussen .3 en .5
    oGroot / sterk: tussen -.5 en -.7 of tussen .5 en .7
    oZeer groot / zeer sterk: kleiner dan -.7 of groter dan .7
  • Correlatiematrix
    Een tabel met in de rijen en kolommen variabelen, en in de cellen dan de correlatie tussen die twee variabelen. Correlatiematrices zijn vaak symmetrisch, met dezelfde variabelen in de rijen en de kolommen
  • Correlationeel onderzoek/design/opzet (observationeel)
    Onderzoek waarbij alle operationalisaties meetinstrumenten zijn. Hier wordt dus geen variabele gemanipuleerd, er kunnen dus geen conclusies getrokken worden over causaliteit. Observationele designs worden ook correlationele designs genoemd, maar omdat correlaties voor alle type designs kunnen worden berekend, is dit een misleidende term die in deze cursus verder niet wordt gebruikt.
  • Covariantie
    Covariantie is dat deel van de variantie dat een variabele deelt met een andere variabele. De covariantie kan worden gestandaardiseerd door deze te delen door het product van de standaarddeviaties van beide variabelen. Hiermee wordt gecorrigeerd voor de meetschalen van beide variabelen, waardoor de resulterende gestandaardiseerde covariantie te vergelijken is tussen studies. Dit heet de correlatie.
  • Covariaat
    Covariaat kan twee betekenissen hebben. Binnen deze cursus wordt vooral de betekenis gebruikt van onafhankelijke variabele in de context van regressieanalyse (de afhankelijke variabele wordt dan vaak het criterium genoemd). Een covariaat kan ook een variabele zijn die wordt meegenomen in een meerweg (multivariate) variantieanalyse om te corrigeren voor een variabele op intervalniveau
  • Criterium
    Binnen de context van regressieanalyse wordt criterium wel gebruikt om de afhankelijke variabelen aan te duiden. De onafhankelijke variabelen worden dan vaak covariaten genoemd
  • Cross-sectioneel onderzoek/design/opzet
    In een cross-sectionele studie is er maar één meetmoment; alle data wordt dus min of meer gelijktijdig verzameld, dus in dezelfde sessie, zonder dat er noemenswaardig veel tijd verstrijkt tussen de metingen.
  • Curvilineair
    Als twee variabelen een curvilineair verband vertonen, is de toe- of afname in de ene variabele wel systematisch, maar niet evenredig afhankelijk van de toe- of afname in de andere variabele. Als twee variabelen wel samenhangen, maar geen lineair verband vertonen, is er vaak sprake van een curvilineair verband. Exponentiële verbanden zijn bijvoorbeeld curvilineair.
  • Data
    Een verzameling van een of meer datapunten, meestal getallen, die zijn verzameld bij een of meer onderzoekseenheden, meestal deelnemers
  • Datafile/bestand
    een elektronisch bestand waar meerdere datapunten in zijn opgeslagen, meestal zodanig geordend dat elke kolom correspondeert met een variabele en elke rij met een onderzoekseenheid (meestal een deelnemer). Spreadsheets, zoals in LibreOffice Calc of Microsoft Excel, zijn vaak vergelijkbaar met datafiles: grote tabellen met getallen en letters.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Inleiding data analyse

  • 1546729200 1.1 inleiding en ethiek

  • Waarom wordt wetenschap beoefend?
    Wetenschap is een methode om te leren over de realiteit. Hoewel mensen van nature de realiteit om zich heen al in kaart brengen, geldt dat mensen slachtoffer zijn van dermate veel verstoringen in ons geheugen en onze informatieverwerking dat onze ideeën over de realiteit niet zomaar te vertrouwen zijn. Daarom zijn systematische methoden van informatieverzameling en -verwerking nodig om de realiteit in kaart te brengen, en de wetenschap biedt die.
    Leren over de realiteit is vooral wenselijk omdat we deze naar onze hand kunnen zetten als we haar begrijpen. Wetenschappelijk onderzoek levert directe toepassingen waarop beleid gebaseerd wordt. Daarnaastlevert de wetenschappelijke methode bruikbare adviezen voor het dagelijks leven.
  • Wat is de empirische onderzoek cyclus?
    Empirisch onderzoek is onderzoek waarbij data worden verzameld:in de praktijk is bijna al het onderzoek als empirisch onderzoek te beschouwen.
  • Uit welke fasen bestaan de empirische onderzoek cyclus?
    1.Onderzoeksvraag formuleren
    2.Studie ontwerpen
    3.Data verzamelen
    4.Data analyseren
    5.Rapporteren
    Noot: Het is een iteratief proces. In de praktijk lopen de fasen fasen een beetje door elkaar heen.
  • Wat is de achtergrond en rol van ethiek bij wetenschappelijk onderzoek bij mensen?
    Deelnemers steken tijd en moeite in deelname, maar kunnen bovendien schade ondervinden door deelname aan een studie. Het is belangrijk dat geen onderzoek uit te voeren als waarbij de investering en risico’s niet in verhouding staan tot de mogelijke opbrengsten.
    Wetenschappelijk onderzoek wordt meestal uitgevoerd met publieksgeld. Hierdoor moet onderzoek gedaan worden wat de kosten waard is, repliceerbaar is en dat alle stappen transparant en herleidbaar zijn.
  • Beschrijf hoe ethische toetsing in Nederland en bij de OU in zijn werk gaat?
    In Nederland zijn de principes van de Declaratie van Helsinki geïmplementeerd in de Wet Medisch Onderzoek (WMO). Dit heeft betrekking op: Medisch-wetenschappelijk onderzoek waarvan deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan handelingen of het opleggen aan personen van een bepaalde gedragswijze.
    Deze wet bepaalt dat onderzoek onder de wMO niet uitgevoerd mag worden als de Medische Ethische Toetsings Commissie (METC) het onderzoek niet eerst heeft getoetst en goedgekeurd.
    Bij de OU wordt deze gedragscode toegepast door de commissie Ethische Toetsing Onderzoek (cETO). Al het mensgebonden onderzoek wordt bij de OU getoetst door de cETO
  • Wat is het belang, de rol en de aard van een Informed Consent?
    Het Informed Consent is een overeenkomst tussen de onderzoekers en de deelnemers aan een studie. Het is een garantie dat deelnemers volledig vrijwillig meedoen en niets doen dat ze niet willen. Daarnaast verplicht het de onderzoeker tot het volledig anonimiseren van de data. Dit is belangrijk omdat data bij wetenschappelijk onderwijs openbaar gemaakt moeten worden.
  • Welke vier onderdelen bevat de Informed Consent?
    De deelnemers geven aan dat ze:
    ·De gelegenheid hebben gehad om de achtergrondinformatie te lezen.
    ·De gelegenheid hebben gehad om vragen te stellen.
    ·De gelegenheid hebben gehad om over hun deelname na te denken.
    Begrijpen dat ze op elk moment met het onderzoek kunnen stoppen zonder consequenties en zonder opgave van reden.
  • Beschrijf wat Full disclosure is en waarom is het belangrijk?
    Full disclosure is dat er volledige openheid wordt gegeven over het onderzoeksproces. (Dit is nu ook mogelijk door het internet)
  • Beschrijf wat Datamangement is en waarom is het belangrijk?
    Datamangement is het plan waarin onderzoekers uitleggen hoe ze met de ingezamelde data omgaan en hoe zij dit opslaan. Dit is belangrijk omdat de meeste van de producten die opgeslagen zijn belangrijk zijn om de gegenereerde data goed te kunnen begrijpen.
  • Welke 5 punten bevat een datamanagement plan?
    Een datamanagement plan bevat:
    ·Hoe de data tijdens onderzoek worden opgeslagen.
    ·Hoe data worden geanonimiseerd
    ·Wie toegang houden tot de niet-geanonimiseerde data
    ·Hoe data na afloop van het project langdurig worden opgeslagen.
    ·Het beschrijft hoe er met metadata wordt omgegaan.
  • Hoe worden uitkomsten van onderzoek verspreid onder wetenschappers?
    Wetenschappers communiceren in vorm van artikelen, die naar een journal worden gestuurd en dan worden beoordeeld door andere wetenschappers, zogenaamde peer reviewsers, voordat ze worden geaccepteerd en gepubliceerd.
    Tegenwoordig zijn er meer en meer journals open accces. Steeds meer journals eissen dat wetenschappers data en metadata meesturen.
    Artikelen zijn Engelstalig, omdat dit de taal van de wetenschap is.
  • 1546815600 1.2 validiteit en betrouwbaarheid

  • Wat is betrouwbaarheid binnen wetenschap?
    Betrouwbaarheid is gedefinieerd als de stabiliteit van een meetinstrument over herhaalde metingen.
    Een belangrijk aspect van deze definitie van betrouwbaarheid is dat die gebaseerd is op de aanname dat datgene dat wordt gemeten stabiel is.
  • Wat is een meetfout?
    Een meetfout is het complement van betrouwbaarheid. Meetfouten worden veroorzaakt door: humeur, stress, weer, emoties enz..
    De invloed van externe, niet beïnvloedbare factoren, op de meting.
  • Hoe wordt een meetfout ook wel genoemd? Engels en nl
    Measurement error en ruis
  • Hoe verhouden de meetfout zicht tot betrouwbaarheid?
    Naarmate er minder meetfout is, is een meting betrouwbaarder en vice versa.
  • Wat is validiteit?
    De mate waarin een meetinstrument meet wat het moet weten.
    Validiteit heeft betrekking op de vraag of de representatie van een stukje realiteit binnen een onderzoek wel overeenkomt met het stukje realiteit in de echte wereld.
  • Waar moet een meetinstrument aan voldoen om valide te zijn?
    Het meetinstrument moet de verschillen die in het echt bestaat reproduceren in de data die in een onderzoek worden verzameld.
  • Hoe verhoudt validiteit zich tot betrouwbaarheid?
    De vereiste gevoeligheid voor variaties kan haaks lijken te staan op de behoefte betrouwbaar te zijn”: immers, hoe gevoeliger, hoe eerder ook niet-ter-zake-doende verschillen worden opgepikt, waardoor het meetinstrument minder betrouwbaar wordt.
  • Hoe wordt validiteit tegenwoordig gezien?
    Validiteit wordt tegenwoordig als een unitair construct gezien. Er zijn geen verschillende soorten validiteit te onderscheiden. Een meetinstrument heeft een bepaalde validiteit.
  • Welke perspectieven (benaderingen) 4 op validiteit zijn er?
    1.Gezichtsvaliditeit / face validity
    2.Criterium validiteit / criteria validity
    3.Externe validiteit
    4.      Contentvaliditeit / inhoudsvaliditeit
  • Wat is gezichtsvaliditeit / face validity?
    De indruk van de validiteit na bestudering van het meetinstrument. Praktische benadering, vereist geen nader onderzoek, de onderzoeker hoeft het meetinstrument alleen nauwkeurig te bekijken
  • Wat is criterium validiteit/ criteria validity?
    De mate waarin de uitkomsten van een meetinstrument samenhangen met een ander meetinstrument waarvan bekend is dat het wel valide is. (intelligentietest in overeenkomst met schoolcijfers)
  • Wat is externe validiteit?
    De mate waarin de uitkomsten ook gelden ‘in de echte wereld’.
    Wetenschappelijk onderzoek vindt vaak plaats in kunstmatige omstandigheden, zoals een laboratorium. Patronen die in die omstandigheden worden gevonden, bestaan misschien niet buiten die context.
  • Wat is content validiteit / inhoudsvaliditeit?
    De mate waarin het instrument de concepten afdekt die het volgens de betreffende theorie zou moeten afdekken. (een meetinstrument voor extraversie moet in kaart brengen hoe mensen omgaat met sociale situaties)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Zuivere schatter
Een zuivere schatter is een schatter waarvan de verwachtingswaarde gelijk is aan de waarde van de betreffende maat in de populatie. Als een valide meetinstrument wordt gebruikt, is het steekproefgemiddelde bijvoorbeeld een zuivere schatter voor het populatiegemiddelde.
z-verdeling
Standaardnormale verdeling
z-score
z-score: Een datapunt uitgedrukt in het aantal standaarddeviaties dat dat datapunt van het gemiddelde af ligt. Als een deelnemer bijvoorbeeld een score van 8 heeft op extraversie, en de gemiddelde extraversie is 5, en de standaarddeviatie is 2, dan is de z-score van die deelnemer:

z= (8−5)/2 = 3/2=1.5

Als een variabele wordt gestandaardiseerd, betekent dat dat elke score wordt omgezet naar de corresponderende z-score.
y-as
De verticale as in een plot
y
De letter waarmee in formules meestal de afhankelijke variabele wordt aangeduid
x-as
De horizontale as in een plot
x
De letter waarmee in formules meestal de onafhankelijk variabele wordt aangeduid
Wet Medisch Onderzoek (WMO)
De wet die bepaalt onder welke voorwaarden medisch wetenschappelijk onderzoek mag worden uitgevoerd. Een van deze voorwaarden in ethische toetsing door een METC, en of die nodig is, wordt bij de Open Universiteit bepaald door de cETO.
Vrijheidsgraden
Het aantal vrijheidsgraden van een datareeks is het aantal datapunten    -1 (n−1). Vrijheidsgraden drukken uit hoeveel van de datapunten ‘vrij’ kunnen veranderen zonder het gemiddelde van de datareeks te veranderen. De datareeks 1, 2, 3, en 4 heeft 3 vrijheidsgraden, omdat als er drie datapunten worden veranderd, daardoor het vierde datapunt noodzakelijkerwijs vast ligt, omdat het gemiddelde anders zou veranderen. Het gemiddelde van deze datareeks is:

/x=(1+2+3+4)/4 =2.5

Stel dat we de eerste drie getallen veranderen. We zetten ze bijvoorbeeld alle drie op 0. De datareeks wordt dan 0, 0, 0, ? - want dat laatste datapunt moeten we nog kiezen. Als we nu een ander datapunt kiezen dan 4∗(2.5+0+0+0)=10, verandert ons gemiddelde, en verandert onze hele datareeks dus in essentie. De individuele datapunten in een datareeks zijn meestal immers niet van belang: die variëren sowieso door steekproeffout en meetfout. De vrijheidsgraden geven aan hoeveel van deze datapunten we ook echt vrij kunnen veranderen zonder de essentie van de datareeks aan te tasten.
Voorspeller
De term ‘voorspeller’ wordt vaak gebruikt als synoniem voor een onafhankelijke variabele, vooral in de context van regressieanalyse. Voorspeller wordt soms echter ook iets breder gebruikt, namelijk voor een variabele waaruit een andere variabele voorspeld kan worden. Een afhankelijke variabele kan dus ook een voorspeller zijn van een onafhankelijke variabele, en in een studie waarin de onafhankelijke variabele niet is gemanipuleerd is er geen implicatie dat een voorspeller ook een causaal effect heeft op de afhankelijke variabele.