Summary Class notes - Interculturele aspecten

209 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Interculturele aspecten

  • 1450306800 Ontwikkeling cultuur en modellen H1- H2

  • Culture
    Gedeelde overtuigingen, waarden, gedrag, symbolen en houding die een groep of individu karakteriseren
  • wat is cross-cultural human development?
    culturele verschillen en gelijkenissen in ontwikkeling en de uitkomsten hiervan uitgedrukt in gedrag van individuen en groepen
  • ethnocentrism
    De tendentie om andere culturen te beoordelen door de standaarden van de eigen cultuur te hanteren. En geloven dat gedrag, gebruiken, normen, waarden  en andere karakteristieken van de eigen groep natuurlijk, valide en correct zijn.
  • emics
    cultureel specifieke concepten (inside)
  • etics
    Universeel culturele concepten (outside)
  • ecologisch model
    Bronfbrenner "in elke setting zelfde gedrag ontwikkeling verloopt vloeiend"
  • developmental niche
    Kind als kernpunt van analyse
  • IMR
    aantal in het eerstelevensjaargestorven baby’s per 1000 levendgeborenkinderen
  • U5MR
    aantal in de eerste 5 levensjarengestorvenkinderen per 1000 levendgeborenkinderen
  • Maternal Mortality Rate 
    aantaldodemoeders per 100.000 levendgeboren baby’s
  • Gemiddeld inkomen en IMR
    Naarmate het inkomen per persoon in een land stijgt, daalt op zijn beurt het IMR in een land
  • U5MR
    Neemt de laatste jaren licht af maar niet snel genoeg
  • Drie grootste oorzaken U5MR
    1 Neonatal causes
    2 acute respiratory effects
    3 post-natal causes (diarree)   

    Malnutrition grrotste veroorzaker van U5MR probleem
  • IMR in de oudheid
    IMR =  350 / 1000
    U5MR =   450 / 1000
    U10MR =   500 / 1000
  • Historischeafname IMR in NL 
    1600:   U5MR = 400 / 1000 
    ongeveerhelftwordtvolwassen


    1900:   IMR = 250 / 1000
    1930:   IMR =   50 / 1000
    1970:  IMR =   25 / 1000
    2000:   IMR =     7 / 1000
    2010:  IMR =  9.9 / 1000
  • Redenen voor  vroege kindersterfte?
    - Gebrek aan hygiëne 

    - Geen goed alternatief voor borstvoeding (dierlijk, min, kunstvoeding diarree)

    - Ziekten: tyfus, malaria, cholera, mazelen
  • watervoorzieningen in Nederland
    ± 1300  water grachten al slecht
    ± 1600  per schip water uitVecht
        1853   per schip water uit de duinen
    ± 1900  waterleiding in huizen
  • Hygiëne zuigfles
    De zuigfles was moeilijk schoon te houden wat bijdroeg aan de kindersterfte
  • Waardoor nam het IMR in Nederland af
    Door de hygiënische maatregelen die rond 1900 werden ingevoerd
    -beter reinigen van de kinderen en de zuigflessen
    -schoner drinkwater beschikbaar
  • Waarom meer mannen dan vrouwen?
    Mannen: -zijn kostwinners
                    - blijven thuiswonen
    Vrouwen: - kosten bruidschat   
                     - en verlaten ouderlijk huis 

    dit leidt tot: - scheve sexe verdeling
                        - vrouwelijk foetussen die worden geaborteerd
                        - loosers, laag opgeleidde mannen
  • nevenefecten 1 kind politiek China

    –gedwongen sterilisatie/abortus/infanticide
    –scheve sexe-ratio (♂ werkkracht, erfrecht)
    –afstaan kinderen (♀♀) voor adoptie
    –‘kleine keizers’
  • Equivalent
    stadia theorieën: a
                                 a+b 
                                 a+b+c
  • Niet-equivalent
    Stadia theorieën: a
                                 a+b
                                 b+c
  • Voordelen van het riviermodel
    - kanalisering (constraining)
    - multilineariteit
    - equifinaliteit
    - onvoorspelbaarheid
  • Nadelen van het riviermodel
    - de constanteomgeving
    - het passieveorganisme
    - de ontbrekendewisselwerking org-omg
  • Mainstream theorieën
    - piaget
    - kohlberg
    - erikson
  • Interaction theorieën
    - Bronfbrenner
    - Super & Harkness
    - Vygotsky
  • Bronfbrenners visie
    Ecologisch model: mensen creëren de omgeving waarin zij leven en dit helpt hen in het vormen van de eigen ontwikkeling

     4 stadia: 1 Microsystem
                    2 Mesosystem
                    3 Exosystem 
                    4 Macrosystem
  • Microsysteem
    - directe omgeving van het kind (familie en school)
    - gedrag (afhankelijk, onafhankelijk, samenwerken, competitief) 
    - face to face interactions
    - peers, buurt gezondheidsvoorzieningen
  • Mesosysteem
    - twee of meer microsystemen thuis-school, familie-peers
    - helpt het gedrag in andere setting vormen
  • Exosysteem
    - bv. de plaats waar de ouders werken
    - familie (tante, oom, neven, nichten)
  • Macrosysteem
    - normen en waarden, wetten die in de cultuur van het kind gelden (goed/fout)
    - houdingen en ideologieën van de cultuur
  • Chrosysteem
    tijd en socio-historische gebeurtenissen
  • ethnotheories
    de culturele overtuigingen van een ouder over de natuur van het kind, hoe het zich ontwikkelt en de betekenis van zijn gedrag
  • developmenatal niche
    - fysieke en sociale setting van dagelijks leven
    - gebruiken wat betreft kinderopvang en opvoeding
    - psychologie van de verzorgers
  • Piaget theorie
    - infancy/0-2/sensomotorisch/objectpermanentie

    - early childhood/2-6/ preoperational/egocentric denken en symboolgebruik

    - middle childhood/6-12/concrete operational/conservation

    - adolescence/12+/formeel operationeel/abstract denken
  • assimilatie
    nieuwe informatie -> bestaand schema
  • Accommodatie
    het aanpassen van een bestaand schema om zodoende nieuwe ideeën en informatie te kunnen verantwoordden
  • Vygotsky
    - cultuur
    - taal
    - zone van naaste ontwikkeling
  • zone van naaste ontwikkeling
    het verschil tussen wat een kind zelfstandig kan en wat een kind kan bereiken met hulp of guidance van een (ouder) iemand
  • Erikson
    1 infancy                   trust-mistrust

    2 toddlerhood          autonomy-shame and doubt

    3 early childhood     initiative-guilt

    4 middle childhood industry-inferiority

    5 adolescence          identity- role confusion

    6 young adulthood  intimacy-isolation

    7 middle adulthood generativity-stagnation

    8 late adulthood       integrity-despair
  • kohlberg theorie
    I preconventioneel                - punishment en obedience
                                                    - instrumental orientation

    II Conventional                      - good-child orientation
                                                    - law en order orientation

    III postconventional               - morality of contract, individual rights,                                                                       democratische geaccepteerde wetten 
                                                     - Morality of individual principles and                                                                         conscience
  • hologeistic research
    worldwide sample
  • Developmental niche methods
    - participant observatie
    - etnografische interviews
    - dagboeken
    - gestructureerde vragenlijsten
  • wanneer spreek je van een kritische periode?
    (1)   Het aanbod in eenscherpomschrevenperiodemoetplaatsvinden
    (2)  Het effect van het (gebrekaan) aanbodonomkeerbaar is
                                                   (1) & (2) zeldenaantoonbaar



       Om  kritische periode aan te tonen, moet je de duur van de ervaring en de leeftijd waarop zij ondergaan wordt, variëren
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

VIPP-TM
• Effectiviteitsonderzoek onder groep 2e generatie Turks-Nederlandse moeders
• Maar eerst: pilot studie!  

Methode en Resultaten VIPP-TM
• Controlegroep (telefoongesprekken) en interventiegroep
• Pretest & posttest (6 maanden later)
• In interventiegroep toegenomen sensitiviteit en “nonintrusiveness” (in vrij spel en gestructureerde taak)
My Identity
Groepscursus voor van oorsprong niet-westerse meisjes van 13-18 jaar met dreigende psychische problemen.

Opzet
• 8 bijeenkomsten van 1,5 uur
• Onderwerpen: identiteit, liefde, veerkracht, positief denken, hulp zoeken
• Middelen: kennisoverdracht, rollenspelen, spellen (bijv. stellingenspel), groepsdiscussies
• Doel: voorkomen van psychische problemen
Triple-P
Voorkomen en verminderen van (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen door het bevorderen van competent ouderschap.

Wat werkt?
• Beroepskrachten die de taal van de ouder spreken
• Vertaalde materialen
• Concrete vaardigheden om opvoeding aan te kunnen
• Rollenspellen
• Uitwisseling in een groep
• Werven op plaatsen waar ouders toch al komen (OKC)

Wat kan beter?
• Eenvoudigere vragenlijsten
• Meer tijd voor interventies
• Extra thema’s, o.a. “Opvoeden in Nederland”
• Interculturele competenties
• Meer investeren in werven en behouden deelnemers
Versterking (lokale jeugdvoorzieningen
Combinatie van interculturele kennis en vakmanschap met kennis en ervaring uit de praktijk.

Opvoedingsondersteuning, jeugdzorg, jeugdbuurtwerk, sport, scouting, muziek
Culturele aspecten in de relatie tussen cliënt en clinicus
- Erkennen van eigen vooroordelen

- Bewustzijn van positie die met eigen culturele identiteit gepaard kan gaan 9bijv. privileges in SES en sociale status)

- Erkennen van culturele (normen, waarden) en taalfactoren die relatie kunnen beïnvloeden

-  Vertalen van bovenstaande in:
     • Goede cliënt-clinicus relatie
     • Tactvolle houding tav vragen over culturele factoren en ervaringen
     • Uitleg van procedures op cultuurgevoelige manier
     • Opstellen van cultureel relevant behandelplan
     • Flexibele houding
Culturele factoren gerelateerd aan psychosociale omgeving en niveau van functioneren
- stress (racisme, acculturatie, taal, machtspositie)

Protectieve factoren, zoals:
- Kennis van taal
- Convergentie met meerderheidscultuur
- sociale steun (in eigen netwerk)
Culturele verklaringen van zorgen/symptomen
- Omschrijving van probleem volgens eigen groep?
- Cultuur-specifieke attributies mbt oorzaken ?
- Wat zijn geschikte interventies volgens de eigen groep?
Culturele identiteit
o Kennis van begrippen als cultuur, etniciteit, minderheid, etc.

o Kennis van theoretische modellen mbt identiteit

o Kennis van variatie tussen groepen, bijv. mbt familiestructuren (autoriteit,
hierarchie, rolverdeling van sekses, etc.)

o Kennis van factoren die variatie binnen groepen bepalen (acculturatie, taalvaardigheid, identiteit etc.)

o Etnische identificatie van ouders en kind(eren)

o Zijn ouders trots op hun cultuur, zijn ze positief/negatief over bepaalde aspecten?

o Komen de ideeën van ouders overeen met die van andere groepsleden?

o Houding van opvoeders tav zorgverlening en interventies
Uit welke vier factoren bestaat Interculturele Competentie?
1) Culturele identiteit
2) Culturele verklaringen van zorgen/symptomen 
3) Culturele factoren gerelateerd aan psychosociale omgeving en niveau van functioneren
4) Culturele aspecten in de relatie tussen cliënt en clinicus
Interculturele competentie
Het vermogen van individuen en systemen om met respect en effectief te kunnen reageren op en interacteren met mensen van alle achtergronden.