Summary Class notes - KGP

Course
- KGP
- Catharine Evers
- 2015 - 2016
- Universiteit Utrecht
- Klinische en gezondheidspsychologie
200 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - KGP

  • 1451602800 H. 12 - De aard van emoties

  • Wat zijn de 4 componenten van emoties? En welke 2 zaken hebben nog meer invloed hierop?
    Gevoelens, lichamelijke responses, expressieve gedragingen, doelgerichtheid. Significante levenservaringen, copingmechanismen.
  • Wat zijn de twee systemen die reageren op emoties en wat zijn de grondslagen hiervan?
    Cognitie, aangeleerd door de unieke leerervaringen van een persoon. Biologisch, vanuit evolutie meegekregen.
  • Leg het kip-ei probleem (Plutchik)  van emoties uit.
    Plutchik ziet emoties als een proces, een keten van events dat samen een complex feedback systeem vormt.
  • "Wat zijn de basale en fundamentele emoties?" Leg de biologische verklaring voor het bestaan van X aantal emoties uit (3 kenmerken).
    Wetenschappers denken 2 tot 6 emoties, zijn het erover eens dan er een klein aantal basisemoties is, dat basisemoties universeel zijn, en producten van biologie en evolutie.
  • "Wat zijn de basale en fundamentele emoties?" Leg de cognitieve verklaring voor het bestaan van X aantal emoties uit.
    Hetzelfde biologische proces kan leiden tot verschillende emoties, cognitieve activiteit gaat dus vooraf aan emoties. Er zijn dus bij wijze van spreke oneindig aantal emoties.
  • Noem de twee verklaringen voor het onderscheid/model betreft fundamentaliteit van emoties (welke emoties zijn wel/niet basaal).

    1. Emotie families
    2. Basisemoties en secundaire emoties
  • Leg de theorie dat emoties families zijn uit. Geef 4 kenmerken van basisemoties.

    Elke basisemotie (blij, woede, angst, walging, verachting, verbazing, verdriet) is een overkoepelende term voor een familie emoties. Elke subemotie deelt kenmerken met de basisemotie. Er zijn weinig emoties gefundeerd in biologie/evolutie, en een aantal zijn ontstaan vanuit basisemoties door leren, socialisatie en cultuur. 
    De 7 kenmerken van basisemoties:
    1. Eigen gezichtsuitdrukking
    2. Eigen fysiologisch patroon
    3. Automatische niet-aangeleerde opvatting
    4. Eigen antecedenten oorzaak
    5. Aanwezig in andere organismen
    6. Snelle onset
    7. Eigen cognitie
  • Waarom worden jaloezie, schaamte, schuld, interesse, liefde, haat, etc. niet als basis emoties gezien volgens de emotie familie theorie? Noem 3 redenen.

    1. Terug te leiden tot primaire emoties
    2. Meer te beschrijven als stemmingen
    3. Meer te beschrijven als attitudes
    4. Meer te beschrijven als persoonlijkheidstrekken
    5. Meer te beschrijven als psychopathologie
    6. Mix van basisemoties
  • Leg de theorie dat er primaire en secundaire emoties zijn uit. Geef 3 kenmerken van primaire emoties.

    Primaire emoties zijn:
    1. Vanaf de geboorte/kindertijd aanwezig
    2. vereisen minimale cognitieve verwerking
    3. verkregen door evolutionaire processen
    4. unieke gevoelsconditie
    5. unieke expressie
    6. unieke functie
    7. vormt unieke motivator, belangrijk voor welzijn
    Dit leidt tot de 6 primaire emoties
    1. interesse
    2. geluk
    3. verdriet
    4. woede
    5. walging
    6. angst
    Kinderen hebben enkel primaire emoties, geen secundaire. Volwassen enkel secundaire, omdat ze gevormd worden door levenservaring. 
  • Noem de sociale functies van emoties

    1. onze gevoelens naar anderen communiceren
    2. beinvloeden hoe anderen met ons omgaan
    3. sociale interactie beheren
    4. relaties onderhouden

  • Leg deze 5 emotie-regulatie tactieken uit:
    1. Situatie selectie
    2. Situatie modificatie
    3. Aandacht verleggen
    4. Herwaardering
    5. Onderdrukken

    1. Situatie selectie
    Emotionele situaties opzoeken of vermijden.
    2. Situatie modificatie
    Proberen de situatie te veranderen. 
    3. Aandacht verleggen
    Aandacht ergens anders op focussen
    4. Herwaardering
    De betekenis, ervaring van de situatie veranderen.
    5. Onderdrukken
    Emoties verminderen.

  • Noem de 5 emotie-regulatie tactieken.

    1. Situatie selectie
    2. Situatie modificatie
    3. Aandacht verleggen
    4. Herwaardering
    5. Onderdrukken
  • Wat is het verschil tussen een emotie en een stemming (3 kenmerken per begrip)?
    Een emotie treedt meer op de voorgrond, beinvloeden gedrag, zijn kort aanwezig. Stemmingen zijn vaak onbewust aanwezig en beinvloeden meer gedachten en cognities, kunnen uren of dagen duren.
  • Leg James Russels model van stemming uit.
    Positieve affect en negatieve affect, pleasure en displeasure (arousal).
  • Hoe verschilt emotie van affect?
    Affect is meer op de achtergrond aanwezig en beinvloedt vooral de informatieverwerking.
  • 1451689200 H. 13 - Biologische en cognitieve processen bij emotionele situaties

  • Noem de drie biologische en drie cognitieve aspecten van emoties.
    Biologisch
    1. autonomie zenuwstelsel activeren
    2. subcorticale heresencircuits stimuleren
    3. gezichts feedback geven

    Cognitief
    1. taxatie/opvatting 
    2. Kennis
    3. attributies
  • Leg de James-Lange theorie van emoties uit en vertel welke kritiek men op deze theorie heeft.
    Volgens James Lange volgt het ervaren van emoties op de lichamelijke reactie.  Het lichaam reageert onderscheidend op verschillende emotionele ervaringen en het lichaam reageert niet op niet-emotionele ervaringen.
    De lichamelijke reactie die James noemt zouden de fight-flight response zijn, welke niet verschilt per emotie. Ook zou emotionele ervaring vooraf gaan aan reactie.
  • Leg de Facial feedback hypothese uit
    Het subjectieve aspect van emoties zou stammen uit gevoelens die opgewekt worden door de bewegingen van gezichtsspieren, veranderingen in gezichtstemperatuur en veranderingen in klieractiviteit in de gezichtshuid. 
    --> Lachen maakt blij
    --> Gezichtsuitdrukking heeft wel invloed op de intensiteit van ervaren emoties maar veroorzaakt deze niet. 
  • Wat zijn appraisals? Welke 4 centrale overtuigingen hebben appraisal wetenschappers?
    Een cognitief proces dat bepaalt hoeveel waarde iemand hecht aan een gebeurtenis. Beïnvloedt elk aspect van emotionele gebeurtenis. Wanneer appraisals veranderen, veranderen gevoelens ook. 
    4 centrale overtuigingen:
    1. Zonder voorafgaand cognitieve appraisal van de gebeurtenis treden emoties niet op.
    2. De appraisal, niet gebeurtenis zelf, veroorzaakt de emotie
    3. Emotie is een proces
    4. Als de appraisal verandert, verandert de emotie, ook als de situatie hetzelfde blijft. 

    Situatie (life event) --> appraisal (good of slecht) --> emotie (positief of negatief) --> actie (approach of withdrawal) 
  • Leg complexe appraisals, primaire appraisals en secundaire appraisals uit.
    Complexe appraisals 
    Situatie --> Appraissal (voordeling, schadelijk, bedreigend) --> emotie

    Primaire appraisals 
    Factoren in de directe omgeving, gezondheid, zelfvertrouwen, een doel, respect, etc.

    secundaire appraisals 
    Copingvaardigheden
  • Waarom zijn appraisal theorieën niet 100% in staat emoties te voorspellen?
    1. andere processen dan appraisal dragen bij aan emotie
    2. appraisals maken emoties intenser (ipv veroorzaken)
    3. patronen van appraisal van veel emoties overlappen elkaar
    4. Verschillen tussenmensen in de ontwikkeling van emoties
  • Wat zijn attributies?
    Na een gebeurtenis stellen we onszelf de vraag "waarom is dit gebeurt?" Het antwoord is de attributie van de gebeurtenis.
  • Emoties zijn intrinsiek aan interpersoonlijke relaties. Binden ons samen en drijven ons uit elkaar. Waarom? 3 processen.
    1. Mimicry (nabootsen)
    2. Feedback
    3. Contagion (aanstekelijkheid)
  • Noem 2 manieren van emoties delen, met uitleg en voordelen.
    1. Cognitief delen
    Herwaardering emo gebeurtenis, betekenisgeving, stimuleert het cognitieve proces van emotionele heling en herstel. 

    2. Sociaal-affectief delen
    Luisteren, begrip en empathie tonen, steunen. Biedt enkel tijdelijke verlichting. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe motiveert ik anderen tot het uitvoeren van oninteressante activiteiten? Noem 1 slechte en 2 goede manieren
Slecht --> Geven van een beloning
Goed --> Verklarende rationale 
Goed --> Interesse verhogende strategieen 
Wat is het verschil tussen internalisering en integratie?
Internalisering --> Proces waarin individu een extern voorgeschreven regel, gedraging of waarde internaliseert. 
Integratie --> het verder transformeren van de geinternaliseerde regel, gedraging of waarde in het zelfbeeld van de persoon tot het echt voortkomt uit het zelf. 
Noem 4 types extrinsieke motivatie en leg deze uit
1. externe regelgeving
Volledig afhankelijk van de aan- of afwezigheid van extrinsieke motivators. Vertonen enkel bepaald gedrag om beloningen te verdienen, straffers te ontlopen en opdrachten te vervullen. Vertonen vaak slechte uitvoer en slechte uitkomst. 

2. introjectieve/interne regelgeving
Gemotiveerd door schuld, 'ik zou moeten...' Persoon voelt druk vanuit omgeving om het gedrag te vertonen. 
3. geïdentificeerde regelgeving
geïnternaliseerde en autonome extrinsieke motivatie, persoon accepteert vrijwillig dat het gedrag van belang is of nuttig is. door het internaliseren wordt het gedrag zelfbepaald en vrijwillig uitgevoerd.
4. geintegreerde regelgeving
Proces waarbij persoon de geïdentificeerde waarden en gedragingen in zichzelf integreert. Ontwikkelingsproces. 
Leg de cognitieve evaluatie theorie uit. Noem ook de 3 beweringen waar deze theorie op staaft
Alle gebeurtenissen hebben een controlerend aspect en een informatief aspect. Mensen hebben autonomie en competentie nodig alszijnde psychologische behoeftes. Het controlerende aspect heeft invloed op de behoefte aan autonomie, terwijl het informatieve aspect invloed heeft op de behoefte aan competentie. Deze theorie staaft op 3 beweringen:
1. autonomie
Wanneer geprobeerd wordt het gedrag van iemand anders te controleren/beïnvloeden, schaadt dit de autonomie en intrinsieke motivatie omdat de intrinsieke motivatie vervangen wordt door extrinsieke motivatie. Wanneer dit niet het doel is, zullen de autonomie en intrinsieke motivatie intact blijven, omdat men het gevoel heeft zelf te kunnen beslissen (ervaren locus van causaliteit). 

2. competentie
Gebeurtenissen die bedoeld zijn de ander te informeren en daarmee de ervaren competentie vergroten, houden de intrinsieke motivatie intact, waar gebeurtenissen die de ervaren competentie schaden deze ondermijnen. 

3. volledig theoretisch statement
In hoeverre een gebeurtenis meer controlerend is, of juist meer informatief, bepaalt zijn effect op intrinsieke en extrinsieke motivatie.
--> Men kan vooraf altijd voorspellen wat het effect van iets zal zijn op de motivatie van de ander. 

Om intrinsieke motivatie op te laten bloeien moeten zowel het gevoel van competentie als gevoel van autonomie hoog zijn, en om deze beiden hoog te laten zijn, moet het aangeboden externe event op een niet controlerende en informatieve manier worden aangeboden. 
Wat zijn de twee doelen van extrinsieke motivatie?
1.Het gedrag van de ander controleren/beïnvloeden om gewenst gedrag te doen toenemen en ongewenst gedrag te doen afnemen
2.Feedback leveren over de competentie van de ander bij een taak
Noem 4 manieren van preventie van negatief gedrag die wel werken
1. InternalisatieIpv aversieve motivatie toepassen, samenwerken om tot goed gedrag te komen.
2. Differentiele bekrachtiging
Eerst een gewenste gedraging en een alternatieve gewenste gedrag bedenken, vervolgens het negatieve gedrag negeren maar het gewenste gedrag belonen. Dit werkt omdat het negatieve gedrag uiteindelijk wordt vervangen door het positieve gedrag, maar zonder de negatieve effecten van straf. 

3. Scaffolding
Coaching, sturing. Effectief wanneer iemand ongewenst gedrag vertoont omdat hij/zij niet beter weet, door gebrek aan kennis of vaardigheden.
4. Leren door observatie
Al voor dat het negatieve gedrag plaatsvindt voordoen hoe het wel moet. Vooral effectief wanneer de leraar, instructeur, ouder, etc. al voorziet welk gedrag er mogelijk gaat plaatsvinden    
Waarom werkt straf niet?
het negatieve gedrag wordt vaak niet minder en straf brengt veel negatieve neveneffecten met zich mee (negatieve emoties, verslechtering van de relatie tussen de straffer en de gestrafte, verkeerde voorbeeld geven van hoe om te gaan met negatief gedrag).
Noem twee soorten straffen
1. weerzinwekkend/gevreesd
2. response cost, iets fijns wegnemen
Wat is het verschil tussen een negatieve bekrachtiger en een afstraffer?
Het verschil tussen een afstraffer en een negatieve bekrachtiger, is dat straf de consequentie is op al uitgevoerd gedrag, en een stimulus een negatieve bekrachtiger is wanneer men vooraf besluit de straf te ontlopen door het ongewenste gedrag niet uit te voeren.
Noem 3 soorten consequenties en leg deze uit
1. Positieve bekrachtiger
Omgevingsstimulus die de kans op gewenst gedrag in de toekomst doet toenemen.
Reward/beloning --> Aanbod/actie van iemand aan iemand anders als dank/beloning voor verleende service/prestatie.
Alle positieve bekrachtigers zijn beloningen, maar niet alle beloningen zijn positieve bekrachtigers. Beloningen werken wanneer ze onverwacht komen, wanneer ze routine matig voorkomen verliezen ze hun kracht omdat dopamine afgifte dan niet meer getriggerd wordt.   

2. Negatieve bekrachtigers
Omgevingsstimulus die, wanneer deze wordt weggehaald, positief gedrag oplevert. Bijv. een vervelend geluid in de auto dat uitgaat wanneer men de gordel vastmaakt. Men leert dat een negatieve bekrachtiger uitblijft wanneer het positieve gedrag direct wordt uitgevoerd à aanpassing. 

 

3. Afstraffers
Omgevingsstimulus die ervoor zorgt dat de mogelijkheid op ongewenst gedrag in de toekomst afneemt. Je kunt ervoor kiezen het ongewenste gedrag alsnog uit te voeren, wetende dat je de consequenties moet dragen, of ervoor kiezen dit gedrag niet uit te voeren, wetende dat je de consequenties dan ontloopt.