Summary Class notes - klinische psychologie

Course
- klinische psychologie
- Jeffery S. Nevid et al.
- 2014 - 2015
- NTI
- Toegepaste Psychologie
282 Flashcards & Notes
7 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Be the first one to add content
Discover the Study Smart Package

Summary - Class notes - Klinische psychologie

  • 1499551200 H1 Het anamnestisch interview

  • Wat zijn de belangrijkste doelen bij het afnemen van het anamnestisch interview?
    Komen tot een diagnose en een behandelplan
  • Welke 3 typen vaardigheden zijn te onderscheiden voor het afnemen van een anamestisch interview?
    1) de feitelijke anamnesevragen
    2) gespreksvaardigheden
    3) cognitieve vaardigheden
  • Leer pagina 24 uit t hoofd: tabel 1.1. Inhoudelijke agendapunten anamnese
  • De inhoudelijke agenda die de intaker dient te hanteren tijdens  een anamnestisch interview kan het best worden ingedeeld in vier fasen:
    1) de probleemverheldering en de speciele anamnese
    2) de psychiatrische anamnese in engere zin
    3) de biografische anamnese
    4) de sociale anamese, ofwel het huidige functioneren
  • Wat wordt er onder fase 1( probleemverheldering en speciele anamese ) van het anamestisch interview uitgevraagd?
    - Probleemverheldering
    - Exploratie van ( mogelijke ) andere klachten of problemen
    - Aanleiding om hulp te zoeken en hulpvraag
    - Uitdiepen van hoofdklacht(en)
    - Ontstaansfactoren
    - Verloop
    - Invloed op dagelijks leven
    - Behandeling en zelfhulp
  • Wat wordt er in de 2e fase ( psychiatrische anamese in engere zin ) uitgevraagd en / of geobserveerd?
    - Verschijning en psychomotoriek
    - Orientatie
    - Aandacht en geheugen
    - Waarneming
    - Spraak en denken
    - Stemming en affect
  • Wat komt er in fase 3, de biografische anamnese aan bod?
    Levensgeschiedenis van de patient, in verschillende perioden.
    de vroege jeugd 0 -4 jaar, kindertijd 4 -12, de adolescentie 12 -18 en volwassenheid, 18 - nu.
    De intaker vormt zich een beeld van de seksuele, lichamelijke, psychische, sociale en intellectuele ontwikkeling van de patient gedurende verschillende periodes.
  • Wat wordt er in de vierde fase ( huidig functioneren ) van het anamestisch interview uitgevraagd?
    Functioneren van patient in sociale relaties, maatschappelijke situatie, vrijetijdsbesteding. 
    De intaker stelt vragen over deze gebieden en gaat ook na hoe tevreden de patient is met zijn huidige functioneren.
  • Wat zegt de intaker bij de afsluiting van het anamestisch interview?
    deelt inzichten
    - vat samen
    - de diagnose
    - mogelijke oorzaken
    - hulpvraag
    - info over de prognose van de klacht
    - verschillende behandelmogelijken
     ( voor voorbeeld zie blz 30)
  • Lang en van der Molen delen gespreksvaardigheden in twee categorieen in: luistervaardigheden ( helpen client verhaal te vertellen ) en regulerende vaardigheden ( sturen van gesprek ).

    Welke zes luistervaardigheden kunnen we onderscheiden?  

    Welke regulerende vaardigheden?
    aandachtgevens gedrag, vragen stellen, concretriseren, parafraseren van de inhoud, reflecteren van gevoel, samenvatten.

    Reflecterende vaardigheden:
    - Geven van informatie
    - vragen om feedback
    - hardop denken
    - structureren
  • Op welke momenten is informatie geven geindiceerd?
    - aan het begin van een gesprek ( voorstellen, geeft doel en werkwijze aan, noemt de tijd die er voor het gesprek is, verwijst naar informatie die hij al voor de patient heeft en legt uit waarom hij een cassetterecorder of zoiets gebruikt )
    - aan het begin van een nieuwe fase van de anamnese ( de intaker kondigt de fase aan, legt het doel en de werkwijze ervan uit );
    - wanneer de patient vragen heeft over de klachten en de behandeling
    - aan het eind van het gesprek ( de intaker sluit het gesprek af, geeft informatie over de verdere voortgang, noemt wat de afspraken zijn ).
  • Lees over cognitieve vaardigheden vanaf blz 35
  • Wat zijn de belangrijkste te onderscheiden diagnostische gebieden in de DSM?
    - Angstklachten
    - Stemmingsstoornissen
    - Somatoforme stoornissen
    - Gedragsproblemen
    - Verslavingsproblemen
    - Psychotische stoornissen
    - Cognitieve stoornissen
  • Lees vanaf blz 39 " Het anamestisch interview bij kinderen" . en maak eventueel flashcards
  • 1499637600 H2 Psychoanalytische behandelingen

  • Zet bondig en met een aantal steekwoorden de theorie van Freud neer.
    Ontwikkeling seksuele driften: orale fase, analae fase, fallisch-oedipale fase.
    Vroegkinderlijke periode seks, agressie en narcisme
    Driften zijn de boodschappers met mandaat van de biologie in de psyche

    De wensen en verlangen zijn in Freuds 2e spoor terug te vinden. Dit spoor begon met het over de droom.
    Wensen en verlangens die doorgaans niet acceptabel zijn voor andere delen van de persoon, vormen de grondslag van de droom en daarmee ook van de symptomen.

    Neurosenleer is bij Freud sterk tot ontwikkeling gekomen; hij beschreef angst en dwangsymptomen
    Vooral obsessief-compulsieve stoornis beschreef hij veelvuldig.

    Verschil tussen de klassieke psychoanalytische theorieen en diens beschrijvingen van stoornissen en de huidige DSM is dat de discriptieve beschrijvingen zoals die in de DSM overheersen, in de psychoanalytische theorie worden gezien als oppervlakkig en die oppervlakte is niet interessant. De dieperliggende onbewuste wensen worden met een symptoom niet of verhuld gecommuniceerd. De psychoanalyse is noodzakelijk om deze bewust te maken.
  • Wat staat centraal in de psychoanalytische behandeling?
    De dynamiek tussen wens, impuls, verdringing en afweer
  • Binnen de psychoanalyse kunnen we 6 verschillendemetapsychologische gezichtspunten onderscheiden:
    - het topische: vloeiend onderscheid tussen onbewust, voorbewust en bewust
    - het genetische: ontwikkelingsgeschiedenis ( blz 51 & 52 )
    - het economische: kwantiteit van libido en agressie
    - het dynamische: krachtenspel impuls en afweer, de wijze waarop iwmand met angsten en psychische conflicten omgaat en de afweermechanismen die iemand gebruikt.
    - het adaptieve: typische aanpassing van een subject aan zijn of haar sociale omgeving. 
    - het structurele gezichtspunt: de persoonlijkheid wordt gezien als samengesteld uit de drie door Freud beschreven instanties: id, ego en superego. De structurele organisatie wordt gezien als tussenschakel tussen etiologische ( psychologische / biologische ) momenten enerzijds en gedragsmanifestaties anderzijds. Vanuit deze matrix ontwikkelen zich ook symptomen. In deze theorie staan drie typen structurele organisaties centraaal: borderline-, neurotische- en psychotische persoonlijkheidsorganisatie.
  • Binnen de structurele diagnostiek overheersen 3 structurele karakteritieken die tezamen neurotische,- de borderline- en de psychotische organisatie differentieren. Deze karakteristieken zijn de volgende:
    1) Identiteitsintegratie versus identiteitsdiffusie ( en de daaraan gerelateerde algehele kwaliteit objectrelaties )
    2) ontwikkelde versus primitieve afweermechanismen
    3) aanwezigheid versus afwezigheid van realiteitstoetsing
  • Welke criteria zijn belangrijk bij een openleggende therapie?
    De patient moet in staat zijn tot introspectie
    De lijdensdruk moet niet te klein en niet te groot zijn
  • Welke belangrijkste behandelingen komen er in het boek aan bod?
    - Klassieke psychoanalytische behandeling: hoogfrequente bankanalyse;

    - Psychoanalytische psychotherapie: gericht op bewustmaken van zoveel mogelijk onbewuste gedragsmotieven en psychische conflicten. Werkwijze: vrije associatie, confronteren, interpreteren;

    - Focale psychotherapie: hier wordt gebruikt gemaakt van een kernthema, een focus;

    - Kortdurende psychodynamische psychotherapie: voor een breed spectrum aan stoornissen, Psychotherapeut is actief, emotioneel betrokken, zorgt er directief voor dat de  focus van de behandeling niet ondersneeuwt en integreert technieken die in de jaren 60 in de gestalttherapie werden gesignaleerten meer recent in de cognitieve therapieeen ontwikkelde methoden;

    - Overdrachtsgerelateerde psychotherapie voor borderlinepatienten: het gaat bij deze patienten om onderliggende verstoring van egofuncties ( in tt behandelvormen voor overige persoonlijkheidsorganisaties, zoals eerder beschreven ). Door gebruik te maken van overdrachtsreacties van de patient en tracht op deze wijze de primitieve afweermechanismen te vervangen door meer ontwikkelde en diffuse aspecten in de identiteit in ontwikkeling te laten komen en wellicht meer te laten integreren;

    - Cognitief-analytische therapie ( CAT ): integratie van delen uit de psychoanalytische theorie met inzichten en theorieen uit de cognitieve psychologie;

    Suppotive psychotherapie: steun geven heeft de overhand boven exploreren en openleggen. Deze be3handeling biedt juist veel structuur en houvast. Zelfgevoel verbeteren, vertrouwen kweken, stimuleert ontwikkelde afweer, helpt herformuleren, advisering, anticipatie;

    - Psychodynamische grtoepstherapie: verschillende technieken en tijdslimieten;

    Psychodynamische kindertherapie: hier is verhouidingsgewijs minder beinvloeding geweest door kortdurende psychodynamische benaderingen dan de volwassenen therapie, hoewel het ook niet stil heeft gestaan. Voor kinderen met ernstige stoornissen, zoals Autisme, is het Developmental, Individual-Difference, Relationship-Based-model (DIR) ontwikkelt door met name Greenspan. De interventies zijn vaak intensief en bedoeld aan te sluiten bij elk niveauvan de ontwikkeling. Ingredienten kunnen onder meer zijn: logopedie, op motoriek gerichte interventies, directieve therapeutische beinvloeding van het kind, mediatietherapie, medicatie enz.
  • Wat zegt effectenonderzoek over de psychotherapeutische behandelingen?
    Effectenonderzoek naar langdurige vormen van psychotherapie is bijna niet mogelijk. Wel kunnen diverse fasen van behandeling met elkaar worden vergeleken en met name voor mensen met een dystyme stoornis is deze vorm geschikt. De houding van de therapeut is verandert; actiever, meer betrokken etc.

    Naar de psychodynamische psychotherapieen is veel meer onderzoek gedaan; in deze therapievorm heeft video en audio opnames een opmars gemaakt. Korte dynamische psychotherapie blijkt het niet beter of slechter te doen dan andere therapievormen, mn cognitieve gedragstherapie. Dit is vaak onderzocht voor neurotische patienten, biijvoorbeeld met een depressie. 

    In diverse studies is de effectiviteit van psychodynamische psychotherapie bij patienten met een persoonlijkheidsstoornis onderzocht. In de meta-anal;yse van Leichsenring et al, werden 14 studies naar psychodynamische behandeling en 11 studies naar cognitieve therapie meegenomen. Mn bij psychodynamische therapie werd op langere termijn gemeten, een follow upmeting van anderhalf jaar na beeindiging van de behandeling. Beide therapievormen lieten significante verbeteringen zien in specifiek op de persoonlijkheidspathologie gerichte metingen. Voor patienten met een psychosomatische stoornis werden grotere effect sizes gevonden dan voor de neurotische patienten en die met een persoonlijkheidsstoornis.

    Supportive en expressieve therapie ic doen het beter bij ernstig gestoorde patienten   

    we kunnen, mede gezien door de empirische bevindingen, verwachten dan kortdurende dynamische therapieen in de toekomst een grotere rol zullen gaan spelen dan de klassieke psychoanalytische psychotherapie en de bankanalyse.
  • Leer tabel 2.1 en 2.2 uit t hoofd
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Klinische Psychologie

  • 1485903600 Notities

  • Het weten waar de persoonlijke grenzen liggen van de psycholoog en wat de beperkingen kunnen zijn valt onder het principe..?
    Deskundigheid (de persoon is competent in wat hij doet, en deze deskundigheid wordt op peil gehouden).
  • In de rationeel-emotieve therapie van Ellis ... de therapeut de irrationele opvattingen van zijn patiënt.
    Betwist (dit is een belangrijk verschil tussen RET en cognitieve therapie, bij de laatste worden irrationele opvattingen uitgedaagd aan de hand van een socratische dialoog).
  • Het meest gebruikte handboek om stoornissen mee te diagnosticeren is het Diagnostic and Statistical Handbook of .. ..
    Mental Disorders.
  • Onze lichamen reageren middels een driedelige respons op langdurige of hevige stress. De drie responsen zijn: de alarmreactie, het ..., en het uitputtingsstadium.
    Weerstandsstadium (het endocriene systeem en het sympathische zenuwstelsel blijven in staat van paraatheid, maar minder intensief dan tijdens de alarmreactie. Het lichaam probeert de schade te herstellen).
  • In het geval van autisme kunnen bepaalde behandelprogramma’s gedrag aanzienlijk verbeteren. Welke achtergrond hebben deze programma’s?
    Gedragstherapeutisch (therapeuten en ouders passen methoden van operante conditionering toe en maken daarbij systematisch gebruik van beloning en lichte straf).
  • Joan heeft last van onwillekeurige, trekkerige bewegingen van het gezicht, nek, ledematen en de romp. Ook heeft ze last van sterk wisselende stemmingen. Aan welke vorm van dementie doet dit denken?
    Huntington (dit is een erfelijke degeneratieve ziekte die zich kenmerkt door zenuwachtige, trekkerige bewegingen, paranoia en geestelijke achteruitgang).
  • Een veelbelovende aanpak om de hunkering na onthouding van cocaïne te onderdrukken is?
    Gebruik van antidepressiva.
  • Wat medicatie betreft zijn bij kinderen en adolescenten met bipolaire stoornis goede resultaten behaald met?
    Lithium (dit is overigens al vele jaren de meest belangrijk medische behandelvorm van bipolaire stoornis bij volwassenen).
  • Karen geeft desgevraagd aan dat ze niemand vertrouwt: iedereen is er toch op uit om haar pijn te doen. Op haar werk controleert ze vaak of haar broodtrommel nog wel in haar tas zit, en of haar baas haar wel even serieus neemt als haar collega’s. Ze wil wel graag sociale relaties aangaan, maar ze vindt dit erg moeilijk. Karin heeft waarschijnlijk last van:

    Paranoïde persoonlijkheidsstoornis (het belangrijkste onderscheid is hier dat Karen wel interesse heeft voor sociale relaties, maar deze moeilijk kan volhouden in verband met haar paranoïde klachten. Deze beheersen haar leven).
  • Bij een behavioristische therapeutische aanpak wordt ervan uitgegaan dat depressief gedrag is ..
    Aangeleerd.
  • Wat zijn twee redenen, afgeleid uit de informatie  die in het boek wordt genoemd, om geen medicatie voor te schrijven?

    - het werkingsmechanisme bij het verlichten van de klachten is nog niet precies opgehelderd
    - antidepressiva zijn slechts tussen de 40 en de 60% van de gevallen effectief
    - ze kunnen zeer vervelende bijwerkingen hebben
    - veel mensen krijgen een terugval als ze stoppen met het gebruik van de medicatie
  • Stel de behandelaar zou gedragstherapeutisch met Wim (angstaanvallen in winkel) aan de slag willen. Wat zou deze dan moeten doen?
    Exposure/blootstelling (Wim zich laten blootstellen aan winkels en zijn eigen lichamelijke verschijnselen, om te ervaren dat hij geen hartaanval zal krijgen, en de lichamelijke verschijnselen bij angst horen en wel te verdragen zijn).
  • Stel de behandelaar zou  cognitief therapeutisch met Wim (angstaanvallen in winkel) aan de slag willen. Wat zou deze dan moeten doen?
    Gedachten onderzoeken op hun juistheid/uitdagen.

    (Wim denkt dat hij een hartaanval zal krijgen, het is zaak om te onderzoeken of dat klopt. Dit kan door middel van oefeningen op papier (bijvoorbeeld door bewijzen voor en tegen de gedachte te verzamelen), of in de vorm van een gedragsexperiment, waarbij Wim informatie verzamelt over het krijgen van een hartaanval in deze context)
  • De behandelaar  wilt wat zaken in kaart brengen aan de hand van klassieke conditionering en operante conditionering. Welke achtergrond heeft deze behandelaar?
    Gedragstheorie (of leertheorie).

     - Klassieke conditionering is een vorm van leren waarin men ervoor zorgt dat een respons op een stimulus ook optreedt na een andere stimulus, door beide stimuli samen aan te bieden of aan elkaar te koppelen.
    - Operante conditionering is een vorm van leren waarbij gedrag eigen wordt gemaakt en versterkt als het wordt bekrachtigd. 
  • De behandelaar wil het eens met hem hebben over de rol van het lustprincipe, die het ID aanstuurt. Welke achtergrond heeft deze behandelaar?
    De psychodynamische theorie (kent een aantal principes waar gedrag mee samenhangt).

    Het lustprincipe eist directe bevrediging van instinctieve verlangens, zonder rekening te houden met sociale normen en waarden of met de behoeften van anderen. Als het ego goed wordt ontwikkeld treedt er ook het realiteitsprincipe op: dit kijkt naar wat er praktisch haalbaar is en houdt ook rekening met de behoeften van het ID.
  • Karin voelt zich niet goed op haar werk, ze huilt, voelt zich zenuwachtig, slaapt slecht, heeft piekergedachten en durft niet meer naar haar werk. Waar heeft Karin last van?
    Aanpassingsstoornis (mogelijk  met een mix van angst en depressieve klachten). 

    De aanpassingsstoornis betreft een ongepaste reactie op een duidelijke stressor, die zich kenmerkt door belemmeringen in het functioneren of emotionele distress die groter is dan verwacht mag worden.
  • Bij stress speelt het lichaam ook een rol. Welk systeem zou hier bij betrokken zijn?
    Endocriene - en immuunsysteem.

    Beide systemen spelen een belangrijke rol. Het endocriene systeem scheidt hormonen die stress beïnvloeden direct af in het bloed. Het immuunsysteem speelt ook een belangrijke rol: psychologische stressoren kunnen de reactie van het immuunsysteem verzwakken, vooral als de stress intensief of langdurig is.
  • Welke behandelvorm is evidence based gebleken voor OCD?
    Exposure met responspreventie.
  • Welke achterliggende onderdelen die voorkomen bij elke vorm van (psychotherapeutische) behandeling kunnen ook een verklaring geven voor behandeleffect?
    Relatie therapeut en client.

    Niet-specifieke behandelfactoren: factoren die niet specifiek zijn voor een bepaalde vorm van psychotherapie, zoals aandacht en steun van de therapeut, maar die wel positieve verwachtingen oproepen over mogelijke veranderingen.
  • U let in het gesprek op uiterlijk, psychomotoriek, stemming, waarneming etc. van de cliënt. Waarom doet u dit?
    Om zich een oordeel te vormen over het cognitieve functioneren van de cliënt. 

    Gebaseerd op de aldus verzamelde gegevens wordt zich een beeld gevormd van de cliënt, en onder andere zijn/haar klachten. Deze worden vervolgens vergeleken met wat er in de DSM-5 of de ICD 10 staat met betrekking tot een bepaalde klacht. Er is echter veel commentaar op onder andere de vorm en totstandkoming van de DSM, bijvoorbeeld afkomstig van de Nederlandse psychiater Jim van Os.
  • In de beroepscode gaat het over ... van de psycholoog voor de autonomie van zijn cliënten, ook als ze andere opvattingen hebben of als ze keuzes maken die de psycholoog niet verstandig vindt.
    Respect (Dit betekent niet dat de psycholoog alles goed vindt wat een cliënt doet, maar dat hij oog heeft voor de unieke waarde van ieder mens).
  • ‘De psycholoog is bereid om een machtsvrije discussie te voeren over zijn professioneel handelen, waarin hij zijn keuzes bespreekbaar maakt’. Deze zin is een belangrijk onderdeel van het ethische principe ...
    Verantwoordelijkheid (Het belangrijkste aan dit principe is dat de psycholoog bereid is zich te verantwoorden voor zijn beroepsmatig en wetenschappelijk handelen).
  • Welke 10 cognitieve vervormingen bespreekt het boek?
    1. Alles-ofnietsdenken: zwart-wit denken, perfectionisme.
    2. Overgeneralisatie: geloof in herhaling van negatieve gebeurtenissen.
    3. Mentaal filter: selectief richten op negatieve details (negeren positieve).
    4. Uitsluiting van het positieve: prestaties relativeren/ontkennen.
    5. Overhaaste conclusies trekken: op negatieve interpretatie richten zonder bewijs.
    6. Vergroting of verkleining: van een mug een olifant maken en andersom.
    7. Emotionele rationalisatie: redeneren o.b.v. emoties.
    8. Beweringen met moeten: creëren van persoonlijke plichten.
    9. Labeling en mislabeling: verklaren gedrag door negatief etiket, emotioneel geladen.
    10. Personalisatie: aanname dat iemand verantwoordelijk is voor problemen/gedrag anderen.
  • Hoe verloopt schizofrenie in 4 fasen?
    1. Premorbide fase: niet ziek, wel markers die kwetsbaarheid aangeven.
    2. Prodromale fase: eerste verschijnselen ziekte.
    3. Acute fase (1e): manifest psychotisch, wanen, denkstoornissen.
    4. Restperiode: functioneren op niveau prodromale fase.
  • Wat houdt de Klassieke psychoanalyse therapie in?
    Inzicht krijgen in en oplossen van onbewuste psychologische conflicten, behandeling duurt lang, vaak meerdere jaren (Freud). Houding therapeut is passief/interpreterend.

    * Technieken: vrije associatie, droomanalyse, interpretatie.
  • Wat houdt de moderne psychodynamische benadering in?
    Inzicht verwerven, nadruk op egofunctie, huidige relaties en effectief gedrag, behandeling is korter dan traditionele psychoanalyse (Erikson, Stack, Sullivan). Houding therapeut directer onderzoeken afweren patiënt; meer dialoog.

    * Technieken: directe analyse afweren patiënt, overdrachtsrelaties.
  • Wat houdt gedragstherapie in?
    Rechtstreeks veranderen van problematisch gedrag met behulp van op leren gebaseerde technieken, behandeling is relatief kort; 10-20 sessies (verschillende). Houding therapeut directief, actief probleemoplossend.

    * Technieken: systematische desensitisatie, geleidelijke blootstelling, modeling, bekrachtigingstechnieken.
  • Wat houdt de humanistische, clientgerichte therapie in?
    Bereiken van zelfacceptatie en persoonlijke groei, behandeling varieert; korter dan traditionele psychoanalyse (Rogers). Houding therapeut niet-directief, cliënt neemt leiding, therapeut is empathische luisteraar.

    * Technieken: reflectie, warme, accepterende therapeutische relatie scheppen.
  • Wat houdt de rationeel-emotieve (gedrags) therapie in?
    Irrationele opvattingen vervangen door rationele alternatieven; adaptieve gedragsverandering, behandeling is relatief kort; 10-20 sessies (Ellis). Houding therapeut is direct, soms confronterend, ter discussie stellen van opvattingen.

    * Technieken: identificeren en ter discussie stellen van irrationele opvattingen, huiswerkopdrachten.
  • Wat houdt cognitieve therapie in?
    Vertekende of contraproductieve gedachten/opvattingen identificeren en corrigeren, adaptieve gedragsverandering, behandeling is kort; 1-20 sessies (Beck). Therapeut gaat samen met patiënt onderzoeken wat zijn gedachten en opvattingen zijn en test deze op logica en realiteitswaarde.

    * Technieken: identificeren en corrigeren vertekende gedachten, huiswerkopdrachten, testen gedachten op realiteitswaarde.
  • Wat houdt cognitieve gedrags therapie in?
    Contraproductief gedrag en cognities veranderen met behulp van cognitieve en gedragsmatige technieken, behandeling is kort; 10-20 sessies (verschillende). Houding therapeut direct, actief en probleemoplossend.

    * Technieken:  combinatie van cognitieve en gedragsmatige technieken.
  • Hoe kijkt het biologische perspectief tegen afwijkend gedrag aan?
    Kijken naar welke rol biologische grondslagen op afwijkend gedrag hebben (bv. welke rol hebben neurotransmitters bij afwijkend gedrag). Biologisch & medisch model.
  • Hoe kijkt het psychologische perspectief tegen afwijkend gedrag aan?
    Psychodynamische modellen: onbewuste conflicten en motieven als oorzaken van afwijkend gedrag

    Leermodellen: invloed van leerervaringen op ontwikkeling van afwijkend gedrag.

    Humanistische modellen: hindernissen op weg naar zelfbewustzijn en zelfacceptatie.

    Cognitieve modellen: verkeerd denken als oorzaak van afwijkend gedrag.
  • Hoe kijkt het sociaal-culturele perspectief tegen afwijkend gedrag aan?
    De rol die maatschappelijke fenomenen als armoede, racisme en langdurige werkloosheid spelen in het ontstaan van afwijkend gedrag, relaties tussen afwijkend gedrag en etniciteit, gender, cultuur en sociaaleconomische klasse.
  • Hoe kijkt het biopsychosociale perspectief tegen afwijkend gedrag aan?
    Interacties tussen biologische, psychologische en sociaal-culturele factoren in de ontwikkeling van afwijkend gedrag.
  • Wat houdt het diathese-stressmodel in?
    Model dat gebaseerd is op het idee dat afwijkend gedrag te maken heeft met interactie tussen kwetsbaarheid/aanleg (= diathese) en stressvolle gebeurtenissen (diathese + stress = ontwikkeling stoornis).
  • Welke 8 afweermechanismen kent het ego?
    1. Verdringing: verdrijving van angstaanjagende ideeën uit het bewustzijn.
    2. Regressie: terugkeer, tijdens stress, naar een vorm van gedrag die kenmerken is voor eerder ontwikkelingsstadium.
    3. Rationalisatie: gebruik van misleidende rechtvaardiging voor onacceptabel gedrag.
    4. Verplaatsing: verplaatsing van ideeën en impulsen over bedreigende of ongeschikte objecten naar minder bedreigende objecten.
    5. Projectie: toeschrijven van eigen onacceptabele impulsen aan anderen zodat het lijkt of het andermans impulsen zijn.
    6. Reactieformatie: gedrag dat tegengesteld is aan de werkelijke impulsen, om de werkelijke impulsen te onderdrukken.
    7. Ontkenning: weigeren om de werkelijke aard van een bedreiging onder ogen te zien.
    8. Sublimatie: ombuigen van primitieve impulsen in positieve, constructieve acties.
  • Wat betekend Dissociatieve identiteitsstoornis?
    Bestaan van twee of meer aparte persoonlijkheidstoestanden.
    - Kenmerken: alters strijden om macht, terugkerende hiaten in herinneren van gebeurtenissen (afweermechanisme).

    * Oorzaken: misbruik, bekrachtiging sociale rol identiteiten, verlichting angst door afstand te nemen (van emoties of herinneringen).


    [ ] Psychoanalytische therapie (re-integratie persoonlijkheid).
  • Wat betekend Dissociatieve amnesie?
    Betrokkene is niet in staat om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren zonder dat daar een medische oorzaak voor is. Ondervormen zijn gelokaliseerde -, selectieve -, algehele amnesie.
    - Kenmerken: herinnering vaak over traumatische/stressvolle gebeurtenis.

    * Oorzaken: traumatische ervaringen.

    [ ] lost meestal vanzelf op.
  • Wat betekend Dissociatieve fugue?
    Amnesie ''op de vlucht'', de betrokkene reist naar een nieuwe locatie en kan zich geen persoonlijke informatie herinneren, of geeft zonder dat iemand dat merkt valse informatie over zijn verleden.
    - Kenmerken: verward over identiteit, nieuwe identiteit aannemen, nieuw gezin of bedrijf starten.

    * Oorzaken: traumatische ervaringen.

    [ ] lost meestal vanzelf op.
  • Welke behavioristische technieken zijn er voor het modificeren van het eten (Abc's) om gewichtsverlies te bevorderen?
    A: De A's in de omgeving veranderen, de interne A's beheersen.
    B: Het eettempo verlagen, verander je routine van het boodschappen doen, oefen met incompatibele reacties, doorbreek de keten.
    C: Beloon jezelf voor het behalen van dieet- of caloriedoelstellingen, gebruik zelfbestraffing.
  • Een andere verandering van DSM –IV naar DSM-5: wat eerder in de DSM-IV als dysthymie werd beschreven, valt nu onder de categorie ......... en omvat de chronische depressieve stoornis en de eerdere dysthyme stoornis.
    Persisterende depressieve stoornis.
  • Bij antisociale jongeren word in instellingen waar word gewerkt met gedragstherapie ... gedrag beloond
    Prosociaal. Dit wordt bijvoorbeeld beloond met fiches die kunnen worden ingeruild voor bepaalde privileges. Antisociale gedragingen worden bestraft.
  • Bij de behandeling van boulimia kan zelf opgewekt braken het best geëlimineerd worden met?
    Blootstelling met responspreventie (Dit pakt het gedragsmatige onderdeel van deze klacht het meest direct aan. Het uitdagen van gedachten kan bijvoorbeeld toegepast worden bij irreële gedachten over het eigen lichaam, en tokens kunnen ingezet worden als bepaalde doelen behaald zijn (bijvoorbeeld bij jonge cliënten)).
  • Het identificeren van contraproductieve attitudes die emotionele problemen creëren of versterken is afkomstig uit het?
    Cognitieve perspectief (attitudes zijn meningen, ideeën die iemand erop nahoudt. De cognitieve theorie gaat ervan uit dat deze ideeën klachten veroorzaken en in stand houden, en dienen dus geïdentificeerd te worden, zodat bijstelling plaats kan vinden).
  • ... betekent dat psychologen eerlijk en open zijn, zowel in wetenschappelijk onderzoek als in andere professionele rollen, en dat ze duidelijk zijn over hun beroepsrol.
    Integriteit (Dit betekent letterlijk ‘heelheid’ en houdt het midden tussen het rigide hanteren van regels en ‘omkoopbaarheid’).
  • Een therapeut ontwikkelt een interventie waarin de rol van modeling centraal zal staan. Welke achtergrond kent dit principe?
    Cognitief (of (sociaal)-cognitief, theoretici van deze school benadrukken de rol van denken en leren door observatie of modeling).
  • Wat houdt seperatieangststoornis in?
    Excessieve angst om gescheiden te worden van diegene aan wie men gehecht is op een manier die niet bij de ontwikkelingsfase past.
  • Wat is selectief mutisme?
    Consistent niet spreken in sociale situaties waarin dat wel wordt verwacht terwijl betrokkene in andere situaties wel speekt.
  • Wat is een specifieke fobie?
    Duidelijke angst of vrees voor een specifiek object/situatie (vliegen, hoogtes, dieren, injecties, bloed).
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.