Summary Class notes - Klinische Psychologie 3

Course
- Klinische Psychologie 3
- N.G.
- 2017 - 2018
- Open Universiteit
- Psychologie
243 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Klinische Psychologie 3

  • 1504303200 Oefenvragen

  • Uit welke 4 fasen bestaat het behandelproces in de klinische psychologie?

     Intake en psychodiagnostiek
     Indicatiestelling en behandelplan
     Uitvoering van de behandeling
     Evaluatie
  • Waaruit bestaat een beroepscode?
    Een beroepscode bevat regels waaraan professionals zich bij de uitoefening van hun praktijk behoren
    te houden.
  • Waarom worden in de beroepspraktijk de begrippen 'beroepscode' en 'beroepsethiek' door
    elkaar gebruikt ? 
    Omdat de regels handelingen specificeren die men als goed of fout kwalificeert.
  • Voor welke 2 belangrijke zaken moet men oog hebben bij de toetsing van iemands gedrag aan een wet of aan een beroepscode?

     Het geldende juridische kader / beroepscode.
    Er is voldoende informatie nodig over wettelijke bepalingen en de specifieke beroepscode
    waaraan deze psycholoog zich heeft te houden.
     Helderheid over feiten
    Men kan niet zondermeer afgaan op informatie van een van de betrokkenen. De feiten
    kunnen er anders uitzien zodra er ook informatie van anderen beschikbaar komt.
  • Tussen welke 2 onderdelen wordt er in de code van de American Psychological Association
    (APA) een scherp onderscheid gemaakt?

     Algemene principes
    Worden gepresenteerd als 'na te streven doelen om psychologen naar de hoogste idealen van
    de psychologie te leiden'.
     Ethische standaards
    Specificeren 'af te dwingen gedragsregels'.
  • Waarom is het onderscheid tussen algemene principes en ethische standaards belangrijk?
    Dit onderscheid is belangrijk, want het is vaak lastig om vast te stellen of iemand zich echt inzette voor het verwezenlijken van idealen, terwijl het veel gemakkelijker is om te bepalen of men zich aan meer concrete gedragsregels hield. De algemene regels uit de APA-code geven wel richting aan iemands activiteiten, maar meestal is pas op lange termijn te zien in hoeverre doelstellingen ook echt worden gerealiseerd. Ethische standaards, daarentegen, zijn bruikbaar om overtredingen direct vast te stellen.
  • Welke 5 algemene principes worden in de APA-code onderscheiden?
     Bevordering van welzijn en voorkoming van schade
     Trouw en verantwoordelijkheid
     Integriteit
     Rechtvaardigheid
     Respect voor de rechten en de waardigheid van mensen
  • Hoe is de beroepscode van de Canadian Psychological Association opgebouwd? Welke vier principes zijn het uitgangspunt?
    De Canadese code gaat uit van een viertal principes. Bij elk van deze principes staat uitvoerig
    beschreven welke waarden worden benadrukt, maar direct daarna wordt het desbetreffende
    principe gespecificeerd in een groot aantal ethische standaards (variërend van 31 tot 50) die op hun beurt ook weer in groepjes geordend zijn.


    Van deze 4 principes gaat de beroepscode van de Canadian Psychological Association uit: 
     Respect voor de waardigheid van personen
     Verantwoorde zorg
     Integriteit in relaties
     Verantwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving
  • Welke 4 principes vormen de basis van de beroepsethiek van het Nederlands Instituut van
    Psychologen?
     Verantwoordelijkheid
    Psychologen onderkennen hun professionele en wetenschappelijke verantwoordelijkheid ten
    opzichte van de betrokkenen, hun omgeving en de maatschappij. Psychologen zijn
    verantwoordelijk voor hun beroepsmatig handelen. Voor zover dat in hun vermogen ligt
    zorgen zij ervoor dat hun diensten en de resultaten van hun handelen niet worden misbruikt.
     Integriteit
    Psychologen streven naar integriteit in de wetenschapsbeoefening, het onderwijs en de toepassing van de psychologie. In hun handelen betonen psychologen eerlijkheid,
    gelijkwaardige behandeling en openheid tegenover betrokkenen. Zij scheppen tegenover alle
    betrokkenen duidelijkheid over de rollen die zij vervullen en handelen in overeenstemming
    daarmee.
     Respect
    Psychologen tonen respect voor de fundamentele rechten en waardigheid van betrokkenen.
    Zij respecteren het recht van betrokkenen op privacy en vertrouwelijkheid. Zij respecteren en
    bevorderen diens zelfbeschikking en autonomie, voor zover dat te verenigen is met de andere
    professionele verplichtingen van de psychologen en met de wet.
     Deskundigheid
    Psychologen streven naar het verwerven en handhaven van een hoog niveau van
    deskundigheid in hun beroepsuitoefening. Zij nemen de grenzen van hun deskundigheid in
    acht en de beperkingen van hun ervaring. Zij bieden alleen diensten aan waarvoor zij door
    opleiding, training en ervaring zijn gekwalificeerd. Datzelfde geldt ook voor de methoden en
    technieken die zij gebruiken.
  • Psycholoog X werkt in een groot ziekenhuis. De Raad van Bestuur vindt dat de dossiers van patiënten moeten worden opgeborgen in een centraal ziekenhuisdossier, want het medisch personeel behoort vrijelijk toegang te krijgen tot alle dossiers. Psycholoog X werkt mee aan deze regeling, maar wordt later aangeklaagd door een patiënt die meent dat op deze manier de vertrouwelijkheid is geschonden. In zijn verweer merkt psycholoog X op dat het moeilijk voor hem is om zich te verzetten tegen beslissingen van de Raad van Bestuur.

    Welke twee basisprincipes zijn hier in het gedrang/ aan de orde?
    Verantwoordelijkheid en respect  
    • Artikel 30 Vrijheid om te kunnen handelen conform de beroepscode
  • Casus 1 Centrale opslag van dossiersPsycholoog X werkt in een groot ziekenhuis. De Raad van Bestuur vindt dat de dossiers van patiënten moeten worden opgeborgen in een centraal ziekenhuisdossier, want het medisch personeel behoort vrijelijk toegang te krijgen tot alle dossiers. Psycholoog X werkt mee aan deze regeling, maar wordt later aangeklaagd door een patiënt die meent dat op deze manier de vertrouwelijkheid is geschonden. In zijn verweer merkt psycholoog X op dat het moeilijk voor hem is om zich te verzetten tegen beslissingen van de Raad van Bestuur.

    Kan de klacht gegrond worden verklaard? Ja , waarom? Nee, waarom niet?  
    De klacht kan gegrond verklaard worden. Psycholoog X had moeten weigeren om medewerking te verlenen aan centrale opslag van dossiers. Het verweer van de psycholoog is niet houdbaar in het licht van artikel 30, waarvan de eerste zin als volgt luidt: "Psychologen zijn volledig verantwoordelijk voor hun beroepsmatig handelen, ongeacht hun verplichtingen jegens eventuele leidinggevenden". Volgens dit artikel moet psycholoog X zelf ervoor zorgen dat hij zich tijdens zijn werk aan de beroepscode kan houden.Psycholoog X zou in het ziekenhuis duidelijk moeten maken dat zijn werk niet zomaar gelijk is aan medisch handelen. Psychologen vormen een andere beroepsgroep dan artsen en niet iedereen (waaronder medisch personeel van een andere beroepsgroep) kan zomaar toegang krijgen tot de dossiers die door psychologen worden aangelegd. Hiermee wordt namelijk de vertrouwelijkheid geschonden. Zodra iemand een afzonderlijke behandeling krijgt van een psycholoog, behoort de psycholoog het dossier goed af te schermen. Een psycholoog is verplicht tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens en dient er zorg voor te dragen dat deze gegevens niet ter kennis komen van derden, tenzij hiervoor door de cliënt toestemming is gegeven (artikel 71-73).
  •  De Europese federatie van beroepsverenigingen van psychologen EFPA is ondanks het streven naar Europese eenheid qua variatie tussen landen nog vrij groot. Waarom is het niet vreemd dat er variatie bestaat tussen beroepscodes van psychologen in verschillende landen?
    -  regels lopen parallel aan bepalingen uit de lokale wetgeving
    -  lokale incidenten zorgen ervoor dat bepalingen opgenomen worden en dat kan verschil opleveren (per land).
  • - Wat bevatten de de basisprincipes van het NIP? 

    - Waarom zijn de stelsels van regels in de Nederlandse en Belgische beroepsregels geënt en zijn de thema’s van beide landen goed vergelijkbaar?
    - Zij bevatten zowel doelstellingen als concrete gebodsbepalingen. 

    - Beide stelsels van regels zijn geënt op een algemene structuur voor een beroepsethiek,gepresenteerd door de Europese federatie van beroepsverenigingen van psychologen EFPA/ ze zijn met elkaar vergelijkbaar.
  • Wat is/doet het WGBO? Welke vier rechten voor de patiënt zijn hierin opgenomen?

    De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Deze wet specificeert in de gezondheidszorg een aantal rechten en plichten in de relatie tussen zorgverleners en patiënten? De vier rechten van de patient zijn:

    - Het recht op informatie.
    - Patiënten moeten toestemming geven bij het aangaan van een behandeling.
    - Het recht om hun eigen dossier in te zien.
    - Patiënten kunnen een afschrift (kopie) krijgen van wat er in dat dossier staat.
  • Mag een psycholoog volgens de beroepsethiek van het Nederlands Instituut van Psychologen
    professionele uitspraken over personen doen in het openbaar, zonder dat zij daar
    toestemming voor hebben gegeven?
    Het wordt psychologen niet verboden om, zonder toestemming van de betrokkenen, in het openbaar uitspraken te doen over mensen die in de media een rol spelen, maar ze zijn wel verantwoordelijk voor eventuele schade die dergelijke uitspraken opleveren.

  • Wat is een preambule?
    En voor welke 2 doelen is de ethische code bedoeld volgens de Amerikaanse preambule?
    Een paragraaf aan het begin van de beroepscodes voor psychologen die bestaat uit een inleidende tekst die enkele uitgangspunten verwoordt. Deze uitgangspunten zijn nog ruimer dan de algemene principes uit de code. Het gaat vaak om een ‘mission statement’ van een omvangrijke beroepsgroep.  De Nederlandse preambule gaat vooral over procedurele kwesties, de noodzaak om afwegingen te maken en de bereidheid om eigen keuzen te verantwoorden.

    Twee doelen:
     Om een verzameling van gemeenschappelijke principes en standaards te bieden waarop
    psychologen hun wetenschappelijke en beroepsmatige arbeid kunnen baseren.
     Deze is gericht op het welzijn en de bescherming van personen en groepen waarmeepsychologen tijdens hun werk te maken krijgen.
  • Bij de Nederlandse preambule specificeert de eerste zin wel belangen die met zo'n code worden gediend, maar er worden hier nog geen verplichtingen van psychologen aangeduid. Inhoudelijk geformuleerde uitgangspunten ontbreken bij de Nederlandse preambule.

    Welke 3 problemen worden in de Nederlandse preambule geconstateerd?
    De volgende drie problemen:

     Er is vaak sprake van ongelijke relaties, wat kan leiden tot afhankelijkheid van betrokkenen.
     Relaties met anderen kunnen in de loop der tijd veranderen, waardoor soms weer andere
    regels uit de beroepscode van toepassing zullen zijn.
     Psychologen vervullen soms diverse rollen tegelijk waardoor verwarring ontstaat.
  • Bij een ethisch dilemma gaat het om een afweging van welke ethische principes daarbij het zwaarste wegen. Wanneer psychologen daarbij moeilijkheden ondervinden, is het zinvol om vakgenoten en de beroepsvereniging in te schakelen. Welke rol speelt de beroepscode in het geval van een ethisch dilemma?
    De beroepscode dient dan als hulpmiddel om die afweging te expliciteren en om een keuze te verantwoorden.
  • Voor de behandeling van klachten heeft het NIP een commissie ingesteld: het College van Toezicht (CvT). Dit college bestaat uit psychologen en juristen. Het CvT werkt met kamers, oftewel subcommissies.
    - Wat is de kracht van de NIP-code?
    - Welke klachten worden door het College van Toezicht behandeld?

    De NIP-code heeft een bindende kracht voor alle leden van deze vereniging. De vereniging meent bovendien dat psychologen die hierbij niet zijn aangesloten zich eveneens moeten gedragen op een manier die bij de code past. Het College van Toezicht neemt alleen klachten in behandeling tegen psychologen die aan het NIP zijn verbonden. Anonieme klachten worden niet behandeld.
  • Welke 4 soorten teksten komen op tafel te liggen bij de behandeling van een klacht?
     Klaagschrift
    Klagers moeten hun grieven schriftelijk inbrengen, voorzien van argumenten.
     Verweer
    Schriftelijke reactie van de psycholoog waar de klacht betrekking op heeft.
     Repliek
    Schriftelijke reactie van de klager op het verweer.
     Dupliek
    Schriftelijke reactie van de psycholoog op de repliek van de klager.
  • Wat wordt bedoeld met het feit dat een klacht door het College van Toezicht ‘ambtshalve mag
    worden aangevuld’?
    Dit wil zeggen dat in de uitspraak ook zaken naar voren mogen komen die de klager zelf misschien niet eens herkende als een overtreding van de beroepscode. Wel moet de aangeklaagde psycholoog duidelijk de kans hebben gekregen om ten aanzien van die zaken verweer te voeren. Vooral de mondelinge behandeling biedt hiertoe goede gelegenheid.
  • Uit welke 5 maatregelen kan het College van Toezicht kiezen wanneer een klacht gegrond is
    verklaard?
    Uit:
     Geen/voorwaardelijke maatregel (bij zeer geringe overtredingen).
     Waarschuwing.
     Berisping

     Schorsing (voor maximaal twee jaar) uit het lidmaatschap/register van het NIP.
     Ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging/register.
  • Waartoe dient het College van Beroep van het NIP?
    Het College van Beroep behandelt uitspraken van het College van Toezicht waartegen de klager of de verweerder in beroep zijn gegaan. In hoger beroep kunnen de uitspraken van het College van Toezicht worden bevestigd, verworpen of op andere wijze herzien. Soms legt het College van Beroep een andere maatregel op. Soms bevestigt men de beslissing van het College van Toezicht, maar wordt de onderbouwing hiervan inhoudelijk veranderd. Het NIP staat buiten procedures waarbij de burgerlijke rechter een schadevergoeding eist van de psycholoog  vanwege een uitspraak van het College van Toezicht of College van Beroep . Rechters maken hun eigen afwegingen.
  • BIG-registers/ Wet BIG (de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) zijn bedoeld om kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen. Degenen die in een BIG-register vermeld staan, vallen onder wettelijk tuchtrecht. Waar kan men terecht met klachten over BIG-geregistreerden?
    Klachten over het werk van BIG-geregistreerden kunnen worden ingediend bij regionale
    tuchtcolleges, samengesteld uit twee juristen en drie geregistreerde beroepsgenoten. Tegen
    uitspraken van die regionale colleges kan men in. beroep gaan bij het Centraal Tuchtcollege. Dan worden zaken behandeld door drie juristen en twee representanten van het eigen beroep.
  • Welke 6 maatregelen kan het Tuchtcollege nemen bij een gegrond verklaarde klacht over een BIG-geregistreerde-psycholoog?
    - Waarschuwing.
     Berisping.
     Geldboete.
     Schorsing van de registratie.
     Gedeeltelijke ontzegging om het beroep uit te oefenen.
     Doorhaling van de registratie.
  • Aan de hand van welke 2 tuchtnormen oordelen de tuchtcolleges die onder de Wet BIG
    functioneren?

     Handelen of nalaten van handelen in strijd met de zorg die de geregistreerde zorgverlener als goed beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en de naasten
    van de patiënt.
     Enig ander handelen of nalaten daarvan in strijd met het belang van een goede uitoefening
    van de individuele gezondheidszorg.
  • Uit de GGZ cijfers over 2011 is gebleken dat in totaal 43,5 procent van de Nederlandse bevolking ooit in het leven een psychische stoornis heeft  gehad. Stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenstoornissen komen allemaal ongeveer even vaak voor. Eén op de vijf volwassenen in Nederland krijgt ooit in het leven last van een
    stemmingsstoornis, een angststoornis of een middelenstoornis.

    -  Welke stoornis binnen de angststoornissen kent volgens de GGZ cijfers over 2011 de grootste lifetime-prevalentie?
    De sociale fobie
  • - Wat is uit de GGZ cijfers over 2011 gebleken voor wat betreft de prevalentie van psychische
    stoornissen bij vrouwen versus mannen?
    - Vrouwen zijn vaker dan mannen gediagnosticeerd met een stemmings- of angststoornis. De
    depressieve stoornis, specifieke fobie en de sociale fobie komen relatief het vaakst voor bij vrouwen. Verder zijn vrouwen vaker gediagnosticeerd met dysthymie en een paniekstoornis dan mannen.
    - Mannen krijgen juist vaker de diagnose middelenstoornis toegewezen en hebben een grotere kans om deze stoornis voor het eerst te krijgen. Alle middelenstoornissen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. 
    - De bipolaire stoornis komt bij mannen en vrouwen op jaarbasis ongeveer even vaak voor.
  • Wat is uit de GGZ cijfers over 2011 gebleken voor wat betreft de internationale vergelijking van jaarprevalenties van het totaal aantal psychische stoornissen?
    De Verenigde Staten zijn koploper als het gaat om het percentage mensen dat op jaarbasis een psychische stoornis had (26,2%). In Italië en Spanje is dit percentage een stuk lager (< 10%). In Nederland is het aantal volwassenen met een psychische stoornis op jaarbasis bijna de helft van het aantal in de Verenigde Staten (13,4%). Angststoornissen komen het meeste voor, behalve in Oekraïne waar stemmingsstoornissen het meeste voorkomen. In Duitsland is het verschil in voorkomen tussen stemmingsstoornissen en angststoornissen het grootst. Angststoornissen komen daar meer dan twee keer zo veel voor dan stemmingsstoornissen. Opvallend is verder dat een middelenstoornis in Oekraïne relatief vaak voorkomt. Bij het vergelijken van cijfers op internationaal niveau moeten we in het achterhoofd houden dat culturele verschillen een rol kunnen spelen in de wijze waarop mensen hun psychische klachten presenteren en hun openheid om hierover te spreken (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012).
  • Welke combinatie van psychische stoornissen komt relatief vaak voor (cormobiditeit)?
    De combinatie stemmings- en angststoornis komt vaak voor.
    Een relatief klein percentage van de mensen met een stemmingsstoornis heeft een middelenstoornis. In totaal heeft bijna 40 procent van de mensen met een angststoornis een andere psychische stoornis. Ongeveer een derde van de volwassenen met een middelenstoornis heeft een andere psychische stoornis (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012).
  • Mag een psycholoog afwijken van de beroepscode wanneer deze daartoe verplicht wordt door zijn werkgever / leidinggevenden?
    Nee, psychologen zijn volledig verantwoordelijk voor hun beroepsmatig handelen, ongeacht hun verplichtingen jegens eventuele leidinggevenden. Voor zover van betekenis, zorgen psychologen er voor dat een ieder in hun werkomgeving op de hoogte is van de eisen die de beroepscode aan hen stelt en zij verzekeren zich van de nodige vrijheid om te kunnen handelen naar die eisen (artikel 30 beroepscode NIP).
  • Welke drie fasen kan men volgens Korrelboom en Ten Broeke onderscheiden binnen het
    cognitief-gedragstherapeutisch proces?


     De diagnostische fase
    Bestaat uit de probleeminventarisatie, het verklaren van het ontstaan en vooral voortbestaan
    van die problemen, het formuleren van hulpvraag en behandeldoelen en het opstellen van
    een behandelplan.
     De interventiefase
    Bestaat uit de uitvoering van het behandelplan, het tussentijds evalueren van de effecten
    daarvan en het zo nodig aanpassen van het behandelplan.
     De afsluitingfase
    Bestaat uit het evalueren en afronden van de behandeling, het toepassen van maatregelen
    om terugval te voorkomen en om tijdig in te grijpen (mocht terugval onverhoopt toch
    optreden), alsmede het administratief afronden van de behandeling door een formele
    afsluiting, doorverwijzing of terugverwijzing.
  • Welke fase van de CGT (diagnostisch, interventie,afsluiting) neemt doorgaans het meeste tijd in beslag?
    De interventiefase is doorgaans de meest uitgebreide fase. Overigens deze volgorde in de tijd is niet heel absoluut. Toch is de tijdsvolgorde binnen CGT altijd betrekkelijk helder: eerst diagnostiek en behandelplan, dan interventies, en tenslotte evaluatie en afsluiting" (Korelboom & Ten Broeke, 2014, p. 208).
  • Binnen het cognitief-gedragstherapeutische behandeling hebben procesniveaus betrekking op de gelaagdheid van therapie: op hetzelfde moment zijn verschillende aspecten van het therapeutisch proces aan de orde. Welke 3 niveaus kunnen worden onderscheiden binnen het cognitief-gedragstherapeutisch proces?
    De volgende drie:
    - Niveau van het aangrijpingspunt
    De vraag wat er bij de patiënt moet veranderen.
    - Niveau van de therapeutische context
    De vraag binnen welk interactioneel en praktisch kader het veranderingsproces het beste
    vorm kan krijgen.
    - Niveau van het therapeutisch systeem
    De vraag of personen of instanties uit de omgeving van de patiënt wel of niet bij de behandeling betrokken moeten worden. 
  • Waartoe dient een eerste beknopt intake gesprek bij CGT?
    In het eerste intakegesprek is algemene en globale informatie ingewonnen over aard en reikwijdte van de klachten, het ontstaan en beloop ervan, de leefsituatie van de patiënt (werk, vrije tijd, gezin) en diens levensloop. Zo'n intake dient er vooral toe om de patiënten te kunnen indiceren voor het juiste zorgprogramma en eventueel ook voor de behandelaar die het meest geschikt lijkt.
  • Waar worden algemene klachtenlijsten, zoals de SCL-90, de OQ-45, de 4DKL of de KKL, voor
    gebruikt tijdens het cognitief-gedragstherapeutisch proces?
    Bij voorkeur heeft de patiënt vooraf een of meer vragenlijsten ingevuld, waarmee de ernst van de klachten kan worden geobjectiveerd. Deze lijsten worden tijdens de behandeling geregeld opnieuw ingevuld, zodat de vorderingen (of het gebrek daaraan) kunnen worden gemeten.
  • Wat wordt verstaan onder Routine Outcome Monitoring (ROM)?

    Het meten van andere domeinen dan de algemene klachten, zoals kwaliteit van leven en eventueel ook ziekteverzuim en kosten die worden gemaakt in het kader van de gezondheid.
  • De 2 belangrijkste doelstellingen van de diagnostische fase zijn:
     Een indruk krijgen van het systeem waarbinnen de problemen van de patiënt zich afspelen
    en de mogelijke invloed daarvan op het voortbestaan van die problemen.
     Inschatten of het systeem van de patiënt behulpzaam kan zijn bij het reduceren van deproblemen.

    Wat is over het algemeen de duur van de diagnostische fase?
    De duur van deze fase kan van geval tot geval verschillen, maar in de meeste gevallen kan met één, hooguit twee zittingen worden volstaan. Bij meer ingewikkelde problemen kunnen daar nog eens enkele gesprekken bij komen. Indien de ambivalentie na vijf gesprekken nog steeds te groot is, kan men doorgaans beter besluiten om (nog) niet behandelen. Therapie heeft immers ook 'momentum' nodig. Momentum: in het begin van de behandeling wordt, gemiddeld genomen, het meeste effect bereikt. Wanneer er onvoldoende vaart zit in een behandeling, zal deze gemakkelijk verzanden.
  • Wat zijn de 6 belangrijkste doelstellingen van de diagnostische fase op het niveau van het
    therapeutische aangrijpingspunt?

     Klachten en problemen inventariseren en kwantificeren.

     Voorlopige hulpvraag/behandeldoel bepalen.
     Een beschrijvende classificatie opstellen volgens DSM-criteria.
     Een theorie ontwerpen over de factoren die de klachten en problemen in stand houden aan
    de hand van functieanalyses (FA's) en betekenisanalyses (BA's), en zo nodig een holistischetheorie (HT).
      Vaststellen van de definitieve hulpvraag van de patiënt en formuleren van zijn belangrijkste
    doelstellingen, waarbij die laatste zo objectief en concreet mogelijk moeten worden
    geformuleerd.
     Een plan ontwikkelen en vaststellen om deze doelstellingen te realiseren.
  • Wat zijn de 4 belangrijkste doelstellingen van de diagnostische fase op het niveau van het
    therapeutische context?
     De patiënt voorlichting geven over diens problematiek en de behandeling daarvan.
     Het vertrouwen versterken van de patiënt.
     Inschatten van de motivatie van de patiënt om dingen anders aan te pakken, en zo nodig
    strategieën ontwikkelen om deze motivatie (verder) te versterken.
     Een interactionele stijl kiezen die past bij de patiënt, bij het type behandeling dat gaat
    worden toegepast en bij de persoon van de therapeut.
  • De inventarisatie tijdens de diagnostische fase vindt plaats in rondes: de therapeut gaat eerst globaal na welke problemen er in de breedte spelen, om vervolgens het belangrijkste probleem of de belangrijkste problemen uitgebreider te onderzoeken en de diepte in te gaan.

    Wat zijn 3 doelstellingen waarom na het inventariseren van de voornaamste klachten en problemen stil wordt gestaan bij de vragenlijsten die de patiënt vooraf heeft ingevuld en opgestuurd?
    Doelstellingen: 
     Het is een manier om na te gaan of er geen belangrijke probleemgebieden zijn overgeslagen.
     Het is een manier om de algemene lijdensdruk en de ernst van de problemen te helpen
    inschatten
     Het is een goed middel om de tijdslimieten van de behandeling, de behandeldoelen en de
    doelgerichtheid aan de orde te stellen.
  • Wat eventueel tot moeilijkheden bij CGT kan leiden, is  ...?
     Wanneer de patiënt niet uit vrije wil komt.
    Het is in dergelijke gevallen doorgaans het vruchtbaarst wanneer de therapeut begrip toont
    voor de gedwongen positie van de patiënt.
     Wanneer iemand wordt aangemeld die zelf geen last heeft van zijn klachten, of die er in elk
    geval geen hulpvraag over heeft.
    De therapeut moet er bij dit soort verwijzingen goed op letten wiens hulpvraag hij in feite
    onderzoekt: die van de aangemelde patiënt zelf, of die van diens omgeving die de aanmelding
    in gang heeft gezet.
     Wanneer de patiënt de vraag naar waar hij last van heeft, beantwoordt met een stortvloed
    aan problemen.
    In dergelijke gevallen kan de therapeut trachten het geheel enigszins te structureren.
  • Hoe worden de concrete doelen, waarop de cognitieve gedragstherapie op gericht is, zo veel
    mogelijk geformuleerd?


    Die doelen, die definitief worden opgesteld nadat de diagnostiek is afgerond, worden zo veel
    mogelijk geformuleerd in objectieve en concrete gedragingen:
     Wat doet (en denkt) de patiënt na een geslaagde therapie niet meer wat hij nu nog wel doet
    (en denkt)
     Wat doet (en denkt) hij wel (weer) wat hij nu nog niet doet (en denkt)?
  • Wat zijn de percentages en de verschillen tussen Stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenstoornissen?
    In totaal heeft 43,5 procent van de Nederlandse bevolking ooit in het leven een psychische stoornis gehad. Op jaarbasis heeft 18 procent van de volwassenen een psychische stoornis (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012, p. 12).

    Stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenstoornissen komen allemaal ongeveer even vaak voor. Eén op de vijf volwassenen in Nederland krijgt ooit in het leven last van een stemmingsstoornis, een angststoornis of een middelenstoornis. Elk jaar krijgt vijf tot tien procent van de Nederlandse volwassenen met één van deze stoornissen te maken (Veerbeek, Knipsel & Nuijten, 2012, p.12).

    Vrouwen zijn vaker dan mannen gediagnosticeerd met een stemmings- of angststoornis. Zij hebben ook een grotere kans om deze voor het eerst te krijgen. De depressieve stoornis, specifieke fobie en de sociale fobie komen relatief het vaakst voor bij vrouwen. Verder zijn vrouwen vaker gediagnosticeerd met dysthymie en een paniekstoornis dan mannen. Mannen krijgen juist vaker de diagnose middelenstoornis toegewezen en hebben een grotere kans om deze stoornis voor het eerst te krijgen. Alle middelenstoornissen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De bipolaire stoornis komt bij mannen en vrouwen op jaarbasis ongeveer even vaak voor (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012, p. 12).
  • Psycholoog Y heeft een praktijk in de (generalistische) basis-GGZ. Hij behandelt een zesjarige jongen die last heeft van bedplassen. Na enige tijd dienen de ouders een klacht in tegen psycholoog Y, want hij paste een diagnostisch onderzoek toe waarbij hij gebruik maakte van elektro-acupunctuur. Bovendien schreef hij tijdens de behandeling antroposofische medicijnen aan hun zoon voor. Dat heeft toch niets met psychologie te maken?In zijn verweer brengt psycholoog Y naar voren dat hij niet alleen een gekwalificeerd psycholoog is (hij voldoet aan alle eisen die in Nederland worden gesteld op dit gebied), maar hij heeft ook een gedegen opleiding in het buitenland gevolgd aan een academie voor antroposofie. Van deze academie kan hij diverse certificaten tonen; kopieën hiervan stuurt hij mee in zijn verweerschrift. Om de jongen goed te kunnen behandelen, maakte hij gebruik van alle kennis en vaardigheden waarover hij beschikt.
    (Bron: Soudijn, 2007).


    Welke van de vier basisprincipes (verantwoordelijkheid, integriteit, respect, deskundigheid) is/zijn in deze casus aan de orde? Kan de klacht gegrond of ongegrond verklaard worden, waarom? 
    Integriteit, respect & deskundigheid

    De klacht kan gegrond verklaard worden. Psycholoog Y heeft kennelijk geen goed overleg gevoerd met de ouders over het behandelplan van hun minderjarig kind. Dat is in strijd met de zelfbeschikking (zie artikel 61 en artikel 63 over toestemming en informatie bij het aangaan van de professionele relatie). Daarnaast gaat psycholoog Y volgens artikel 104 in de fout door elektro-acupunctuur toe te passen en antroposofische medicijnen voor te schrijven. Het artikel luidt: "Psychologen nemen geen opdracht aan waarvan de doel-of vraagstelling niet valt binnen het domein van de psychologiebeoefening. Evenmin doen zij dat als de beschikbare methoden en technieken ontoereikend zijn voor een behoorlijke interventie of beantwoording van de vraagstelling". Aangezien Y gebruik maakte van antroposofische behandelmethoden, is hij niet bezig geweest om op een behoorlijke manier de vraagstelling te beantwoorden waartoe hij zich als psycholoog verbond.

    Psycholoog Y is door de ouders benaderd als eerstelijnspsycholoog. Vanuit die functie mag hij dan ook alleen maar methoden gebruiken die aanvaardbaar zijn volgens de psychologische vakliteratuur. Hierbij is ook artikel 106 van belang. Ook zorgt psycholoog Y voor rolverwarring (zie paragraaf over 'rolintegriteit', in het bijzonder artikel 51) door psychologie te combineren met de antroposofische aanpak.

    Een mogelijke oplossing voor psycholoog Y zou zijn om de praktijk op te splitsen in een psychologenpraktijk en antroposofische praktijk. Hij moet dit dan wel duidelijk maken aan de buitenwereld door bijvoorbeeld het naambord van de praktijk aan te passen en beide praktijken op verschillende dagen te voeren. Ook zou hij, om rolverwarring te voorkomen, bij voorkeur cliënten uit zijn ene praktijk niet mogen doorsturen naar zijn andere praktijk.
  • In een ziekenhuis is een patiënt opgenomen die een aantal zware operaties achter de rug heeft. Hij lijdt aan een levensbedreigende ziekte. Het medisch en verplegend personeel heeft grote moeite met zijn gedrag. De internist vraagt aan psycholoog Z – verbonden aan hetzelfde ziekenhuis – om een algemeen onderzoek te verrichten naar de psychische toestand van deze patiënt. Psycholoog Z voert met de patiënt twee keer twintig minuten een gesprek. De patiënt vertelt dat hij het ziekenhuis wil aanklagen wegens medische fouten. Op basis van de gesprekken schrijft psycholoog Z een rapport waarin hij hem diagnosticeert als een theatrale persoonlijkheid met gering ziekte-inzicht. Angsten zouden voor een deel terug te brengen zijn op een complottheorie die hij heeft ontwikkeld. Na lezing van dit rapport dient de patiënt een klacht in tegen psycholoog Z.(Bron: Soudijn, 2007)


    Welk(e) basisprincipe(s) (verantwoordelijkheid, integriteit, respect, deskundigheid) is/zijn in deze casus aan de orde?
    Integriteit
    Het principe integriteit houdt in: eerlijkheid, gelijkwaardige behandeling en openheid tegenover betrokkenen. Het eerder genoemde verbod op plagiaat is bijvoorbeeld een uitwerking van het principe van eerlijkheid. Respect omvat het respecteren van de rechten en waardigheid van de betrokkene, zoals het recht op privacy, vertrouwelijkheid, zelfbeschikking en autonomie. 

    Met name de volgende artikelen spelen een rol: artikel 39, artikel 41, artikel 63 en artikel 106.
  • In een ziekenhuis is een patiënt opgenomen die een aantal zware operaties achter de rug heeft. Hij lijdt aan een levensbedreigende ziekte. Het medisch en verplegend personeel heeft grote moeite met zijn gedrag. De internist vraagt aan psycholoog Z – verbonden aan hetzelfde ziekenhuis – om een algemeen onderzoek te verrichten naar de psychische toestand van deze patiënt. Psycholoog Z voert met de patiënt twee keer twintig minuten een gesprek. De patiënt vertelt dat hij het ziekenhuis wil aanklagen wegens medische fouten. Op basis van de gesprekken schrijft psycholoog Z een rapport waarin hij hem diagnosticeert als een theatrale persoonlijkheid met gering ziekte-inzicht. Angsten zouden voor een deel terug te brengen zijn op een complottheorie die hij heeft ontwikkeld. Na lezing van dit rapport dient de patiënt een klacht in tegen psycholoog Z.(Bron: Soudijn, 2007)
    Is de klacht gegrond of ongegrond? 
    De klacht kan gegrond verklaard worden.Er lijken in deze casus verschillende zaken door elkaar heen te lopen:
    • Stel dat de patiënt inderdaad overtuigd is van een complottheorie, kan de klacht dan niet worden opgevat als bevestiging van de juistheid van de diagnose? 
    • De patiënt had meegedeeld dat hij het ziekenhuis wilde aanklagen. Kan psycholoog Z (die in dienst is van dat ziekenhuis) dan wel genoeg afstand bewaren? Het is in ieder geval belangrijk dat psycholoog Z zijn verbondenheid met het ziekenhuis kan loskoppelen van de vraagstelling die hij wil beantwoorden (zie artikel 41 over onafhankelijk en objectief optreden). Hiermee hangt het gegeven samen dat de psycholoog duidelijk hoort te zijn over de vraagstelling en over zijn eigen rol (zie artikel 63 over inhoud van de informatie).
    • Is de diagnose van psycholoog Z wel correct? Kan zo'n diagnose wel gesteld worden op basis van twee korte gesprekken? Dit heeft betrekking op de deskundigheid van psycholoog Z. De vraag is of psycholoog Z zijn beroepsmatig handelen (het stellen van zo'n diagnose op basis van twee gesprekken) kan verantwoorden aan de hand van specialistische vakliteratuur (zie artikel 106). 
    • Had psycholoog Z de opdracht van de internist moeten aanvaarden? In deze casus is artikel 39 van groot belang: “Psychologen dienen een professionele relatie alleen aan te vangen of voort te zetten, als dit professioneel en ethisch verantwoord is". Je kunt je afvragen of het zinvol is om een algemeen onderzoek naar de psychische toestand van de patiënt uit te voeren. Zouden de artsen en verpleegkundigen dan beter kunnen omgaan met patiënt? Zouden zij beter kunnen handelen wanneer er een psychologisch etiket op de patiënt geplakt is? Psycholoog Z had moeten vragen waarom psychologisch onderzoek bij deze patiënt nodig was om zodoende meer zicht te krijgen op de problemen waar de verwijzer mee worstelde (misschien schortte het wel aan de sociale vaardigheden van het personeel). Aandacht voor de problematiek van de opdrachtgever is bepalend voor de vraag naar de zinvolheid van het onderzoek.
  • Wat is het verschil tussen verklarende en classificerende diagnostiek?
    Bij verklarende diagnostiek wordt er een verklarende gedragstherapeutische diagnose gesteld in de vorm van functie- en betekenisanalyses. Er wordt hierbij gezocht naar de veronderstelde samenhang tussen gedrag en gevolgen van dit gedrag en de cognitieve representaties (betekenisverlening aan bepaalde situaties of gebeurtenissen). Bij classificerende diagnostiek worden de geïnventariseerde klachten en problemen gerubriceerd en gegroepeerd volgens een bepaald classificatiesysteem, zoals de DSM-5. Deze diagnose is eerder beschrijvend en geeft geen verklaring voor de problematiek. In de praktijk wordt er geen strikt onderscheid gemaakt tussen classificerende en verklarende diagnostiek; beide vormen van diagnostiek zijn complementair aan elkaar.
  • De reden dat bij diagnostiek geclusterd wordt ahv de DSM-V is omdat dit systeem de voornaamste toegangspoort is voor een lange reeks evidence-based behandelingen.

    Wat zijn 5 mogelijke redenen om in zekere mate van het door de DSM-classificatie
    gesuggereerde evidence-based behandelprotocol af te wijken?
     
     Comorbiditeit.
     Verzet van de patiënt.
     Een eerdere mislukking met een vergelijkbaar protocol.
     Beperkte evidence van het protocol.
     Een veronderstelde afwijkende dynamiek achter de problemen.
  • De empirische status en de aangetoonde meerwaarde voor het vergroten van de behandeleffecten zijn niet erg hoog bij individu-specifieke diagnostiek (functionele diagnostiek). Wat zijn 5 redenen om geïndividualiseerde diagnostiek te handhaven naast, of zelfs in plaats van, de beschrijvende structuralistische diagnostiek/ evidance-based diagnostiek ?
     Er is niet heel veel gedegen onderzoek gedaan naar de vergelijking tussen beschrijvende en
    functionele diagnostiek, zodat 'de wedstrijd' tussen beide (ondanks een ogenschijnlijke
    achterstand van de functionele diagnostiek) nog niet voorbij is.
     Zelfs de effectiefste, op de beschrijvende DSM-diagnostiek gebaseerde, protocollen zijn nog geen garantie voor genezing van de patiënt. Ook daar blijft voorlopig dus nog ruimte bestaan voor verbetering.
     Protocollen moeten aansluiten op het individu. Daarvoor blijven de betekenisanalyses (BA's) en functieanalyses (FA's) of enige andere vorm van geïndividualiseerde diagnostiek
    noodzakelijk.
     Er zijn voor een aantal probleemgebieden nog geen bewezen effectieve behandelingen
    waarop men kan terugvallen. Daarbij komt dat de treatment utility (behandelings-nut) van de functieanalyse in een aantal onderzoeken is aangetoond.
     Het kan niet worden uitgesloten dat de relatief zwakke prestaties van geïndividualiseerde
    diagnostiek ten opzichte van gestandaardiseerde behandelingen kan samenhangen met
    gebrekkige kennis van en vaardigheid in het gebruik van die geïndividualiseerde
    diagnostische systemen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Interpersoonlijke en sociale ritmetherapie verbetert beduidend sneller het beroepsmatig functioneren dan een psycho-educatieve en ondersteunende benadering zonder nadruk op functionele capaciteiten.  Het protocol Interpersonal Social Rhythm Therapy (IP-SRT) isgeschreven voor de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis.a. Wat is een primaire contra-indicatie voor de inzet van IPT?c. Wat is de reden waarom de veronderstelde aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornisdoor therapeuten vaak gezien wordt als een (relatieve) contra-indicatie voor IPT?
a. Patiënten met psychotische symptomen mogen niet primair met IPT behandeld worden.

c.  Omdat patiënten met een cluster-B-stoornis moeite hebben met het aangaan en onderhouden van een werkrelatie.
Welke drie niveaus van interventie onderscheiden we bij de behandeling van depressie. Welke zijn belangrijk bij Interpersoonlijke Therapie?
1. het symptoomniveau, 2. het niveau van copingmechanismen en 3. het niveau van persoonlijkheidspathologie. IPT richt zich op de eerste twee niveaus. Verandering van de persoonlijkheid wordt nadrukkelijk niet nagestreefd.

Bij IPT wordt aangenomen dat het hebben van affectieve banden een conditio sine qua non (noodzakelijk voorwaarde) is voor gezond psychisch functioneren. In IPT wordt geen uitspraak gedaan over de oorzaak van een depressie. Bij het ontstaan en voortbestaan van depressies spelen naast interpersoonlijke factoren ook erfelijke, biologische en vroegkinderlijke invloeden een prominente rol. In IPT wordt de motor tot verandering gevormd door het optimaliseren van het interpersoonlijk functioneren.
Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT) bij depressie richt zich bij de behandeling niet op de erfelijke aanleg of op de traumatische ervaringen in de jeugd. IPT gaat uit van de veronderstelling dat mensen andere mensen nodig hebben om zich goed te voelen. De therapie zal zich dus richten op een interpersoonlijk thema. IPT is een vorm van psychotherapie die vooral geïndiceerd is bij patiënten met een ongecompliceerde depressie.- Wanneer is er sprake van contra-indicatie en op welke wijze wordt er dan idealiter gehandeld?
Bij ernstigere vormen van depressie, en zeker als er sprake is van psychotische symptomen, dient antidepressieve medicatie voorgeschreven te worden. Bij chronische vormen van depressie (langer dan een jaar) verdient een combinatiebehandeling van psychotherapie en medicatie de voorkeur. Bij een dysthyme stoornis dient een aangepast protocol gevolgd te worden (Markowitz, 1998). Patiënten met psychotische symptomen mogen niet primair met IPT behandeld worden. Voor de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis is een apart protocol geschreven, de Interpersonal Social Rhythm Therapy (IP-SRT). (Frank e.a., 2000; Weissman e.a., 2000). In dit protocol wordt veel aandacht besteed aan het reguleren van de biologische klok bij bipolaire patiënten. Interpersoonlijke problemen die als aanleiding voor een nieuwe episode worden gezien, worden behandeld volgens de IPT-richtlijnen.  Suïcidaliteit komt als symptoom bij de meeste patiënten met een depressie wel in enige mate voor. Indien dit in ernstige mate het geval is, bijvoorbeeld als patiënten concrete suïcideplannen hebben of recent een suïcidepoging hebben gedaan, dan is in eerste instantie een psychiatrische opname of intensieve ambulante crisisinterventie geïndiceerd. Factoren als ernst van de depressie, aanwezigheid van melancholische (vitale) kenmerken en de duur van de depressie zijn geen belangrijke redenen om IPT te ontraden. Integendeel, juist de ernst van de depressie was in één onderzoek een voorspeller van succes (Sotsky e.a., 1991). IPT is een behandeling voor depressie en niet voor depressieve symptomen die bij een verscheidenheid aan psychiatrische en somatische ziektebeelden kunnen voorkomen. Is er een depressie aanwezig, dan is het vermoeden op een persoonlijkheidsstoornis geen contra-indicatie om aan de behandeling te beginnen. Bovendien blijkt het vaak moeilijk om tijdens een depressieve episode vast te stellen of er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis naast de depressieve stoornis hebben vaak langer nodig voor herstel en meer restsymptomen die aanwezig blijven (Bearden e.a., 1996). De reden waarom de veronderstelde aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis door therapeuten vaak gezien wordt als een (relatieve) contra-indicatie is dat zeker patiënten met een cluster-Bstoornis moeite hebben met het aangaan en onderhouden van een werkrelatie. Patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis kunnen zich slecht aan de regels van de therapie houden en sluiten zichzelf daarmee vaak uit van behandeling (secundaire contra indicatie).
Een angsthiërarchie bij een fobie voor spinnen: welke stimulus roept de meeste angst op, welke iets minder en welke het minst. De intaker kan er de volgende beknopte hiërarchie uit opstellen (beginnend met de meest enge). Bv:1. grote harige, zwarte huisspinnen2. spinnen met (enge) lange poten3. 'onberekenbare' spinnen4. kruisspinnen5. kleine kruisspinnen die stil in hun web hangen- Voor een echt goede functionele analyse hebt u ook nog niet voldoende informatie.- Welke  afkortingen zijn mogelijk voor het opmaken van een functie- en betekenisanalyses?
Sd voor de discriminatieve stimulus, zijn de de uitlokkende gebeurtenis 
CER voor de ‘conditioned emotional response’ zijn de de lichamelijke gewaarwordingen en gevoelens 
COV voor ‘covert operant ‘, zijn de de cognities 
CAR voor conditioned avoidance response, zijn de vermijdingsrespons of zoals soms ook de actierespons genoemd 
C voor consequentie, waarbij bijvoorbeeld +C- betekent dat een negatieve gebeurtenis vaker optreedt.
De 4 regulerende vaardigheden relevant voor het anamnestisch interview, zijn:  Geven van informatie : patiënt voorzien van informatie die hij kan begrijpen en onthouden. Vragen om feedback: vragen om reacties van de patiënt nadat informatie is gegeven. Hardop denken: uitspreken van gedachten., meedelen van uiteindelijke conclusies, observaties, gedachten en overwegingen. Structureren: het ordenen en leiden van het gesprek.Wat zijn de doelen van elke vaardigheid?
- Geven van informatie: 
 Aan het begin van het gesprek.
 Aan het begin van een nieuwe fase van de anamnese.
 Wanneer de patiënt vragen heeft over de klachten en de behandeling.
 Aan het eind van het gesprek.

- Vragen om feedback:
 Onderzoeken of de patiënt de informatie gehoord en begrepen heeft.
 Nagaan hoe de patiënt over de informatie denkt.
 Bevorderen van de samenwerking.

- Hardop denken:
 Het bevordert de openheid en duidelijkheid van de kant van de intakers.
 Het werkt angst-reducerend.
 Het stimuleert de patiënt zelf tot hardop denken waardoor deze een actievere rol krijgt.
 Het kan informatie ontlokken waarmee de intaker zijn begrip van het probleem kan toetsen.
 Het bevordert de samenwerkingsrelatie.

- structureren:
 Vasthouden van de lijn van het gesprek.
 Ordenen van het gesprek.
 Efficiënt laten verlopen van het gesprek.
Omdat de therapeut pas na de functieanalyse begrijpt wat de betekenis en het doel is van het moeilijke gedrag van de cliënt, is empathie noodzakelijk. Het gedrag van de client is een zinvolle reactie op een betekenisvolle situatie. Hieronder vallen tevens: gedachten,gevoelens, verbale reacties, psycho-fysiologische reacties, motorische reacties en afwezigheid van gedrag (vermijding).  De leertheorie bij de betekenisanalyse BA = klassieke conditioneringDe leertheorie op de consequenties van gedrag binnen defunctieanalyse FA = operante conditionering.Wat is in theorie het onderscheid tussen FA en BA?
 De FA beschrijft de (door de patiënt gepercipieerde) associaties tussen gedrag en de
consequenties van dat gedrag.
 De BA geeft de gepercipieerde associaties weer van de patiënt tussen twee gebeurtenissen
of situaties.
Waarmee kan een patient met een lichte paniekstoornis en co-morbide depressieve stoornis het beste worden behandeld?

Conform het stepped-care algoritme voor ernstige paniekstoornis
- Wat zijn de 3 therapeutische taken en de  3 huiswerktaken in de behandelfase?
3 therapeutische taken zijn:
  Uitvoeren op verandering gerichte interventies.
 Evalueren effecten in kader behandeldoel.
 Zo nodig bijstellen behandelplan.

Huiswerktaken:
 Uitvoeren therapeutische oefeningen.
 Registraties ten behoeve van voortgang.
 Invullen vragenlijsten ten behoeve van evaluaties.
- Wat is het verschil bij: aansturen op ‘anders aankijken tegen’  tussen BA (Betekenisanalyse) en FA (Functieanalyse)?

BA:
 Wijzigen van verwachtingen wanneer het gaat om sequentiële (eventueel: causale) associaties.
 Anders waarderen: de patiënt leren situaties anders te waarderen wanneer het om referentiële associaties gaat.

FA: Interventies die op gedragsverandering neerkomen.
De holistische theorie is een theorie over de samenhang van de verschillende problemen die in de inventarisatie naar voren zijn gekomen. Vanuit de HT kan men die problemen selecteren die het meest centraal staan en waaraan men het eerste wil gaan werken. Welke 3 stappen kunnen worden onderscheiden bij om tot een holistische theorie te komen?
 Omschrijven van de probleemgebieden;
 Beschrijven van de relaties tussen de probleemgebieden;
 Toetsen van de probleemsamenhang (i.v.m. alternatieve modellen)