Summary Class notes - leerboek psychiatrie kinderen en adolescenten

Course
- leerboek psychiatrie kinderen en adolescenten
- ..
- 2017 - 2018
- Zuyd Hogeschool (Zuyd Hogeschool locatie Sittard, Sittard)
- Social Work
318 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - leerboek psychiatrie kinderen en adolescenten

  • 1509490800 2. de ontwikkeling van het kind, de opvoeding en het gezin

  • er is sprake van ontwikkeling tussen..
    het moment waarbij de eicel met de zaadcel berucht wordt en het leven eindigt
  • ontwikkeling betreft
    onomkeerbare veranderingen die in de loop der tijd optreden met een zekere onderlinge samenhang 

    samenhangen proces, maar zo complex dat men niet aan een onderverdeling ontkomt wil men het kunnen beschrijven en begrijpen. 
  • sommige theorieën zien ontwikkeling als een overwegend kwantitatief, continu fenomeen. het kind ontwikkelt geleidelijk aan steeds meer vaardigheden, waarbij het telkens voortbouwt op dat wat eerder werd verworven. 

    bv. sociale leertheorie

    andere theorieën hebben een kwalitatieve, discontinue benadering. zij beschrijven de ontwikkeling in fasen, waarbij de overgang naar een volgende fase gepaard gaat met een opvallende verandering in de manier waarop het kind zich verhoudt met de omgeving

    bv. psychoanalyse van freud en cognitieve theorie van Piaget 
  • een kwalitatief aspect van ontwikkeling is de kritieke fase. ontwikkeling zal alleen plaatsvinden wanneer binnen een bepaalde periode de cognities daarvoor aanwezig zijn.

    vb ontwikkeling gezichtsvermogen; treed alleen op wanneer er sprake is van normale visuele indrukken
  • tuning
    verwaarlozing in de eerste levensjaren zorgt voor een gevoeligere afstemming in het stresssysteem van de hersenen. dat systeem staat op grond van erfelijkheid bij mensen verschillend afgesteld. 

    de ervaringen in de eerste levensjaren leiden tot een nauwkeuriger afstemming (fine-tuning) van het systeem, dat daarmee zijn vorm voor de rest van het leven krijgt
  • normatieve ontwikkeling
    ontwikkeling beschrijven aan mijlpalen, zoals kruipen, lopen, eerste woordjes o zindelijk worden. 

    eigenschappen die mensen met elkaar gemeen hebben en die in een min of meer vaste volgorde ontstaan
  • intelligentie
    variatie in probleemoplossend vermogen
  • kennis van de normale ontwikkeling is nodig bij het begrijpen van psychiatrische stoornissen, omdat deze nogal eens berusten leiden tot een verstoring van de normale ontwikkeling.
  • gliacellen
    steunfunctie. vormen de stof myeline, die het omhulsel van de zenuwcellen gaan vormen, de myelineschede
  • een gemyeleerde zenuwcel..
    geeft sneller signalen door en functioneert dus beter. myelinisering begint vanaf vijfde maand van de prenatale ontwikkeling in de lagere hersengebieden. bij de geboorte is de hersenschors nog niet gemyeliniseerd. dt begint na de geboorte en duurt tot het begin van de volwassenheid
  • de omgeving heeft grote invloed op de hersenontwikkeling. ondervoeding kan bij een zuigeling tot hersenbeschadiging lieden, terwijl een cognitief stimulerende omgeving leidt tot de vorming van meer axonen, dendrieten en synapsen. 

    voor een deel van de hersenontwikkeling zijn omgevingsinvloeden onontbeerlijk, denk aan gezichtsvermogen met kritieke fase, en ontwikkeling van taal en input van buitenaf
  • wanneer grote groepen neuronen tegelijk geactiveerd worden, ontstaan gedachten, gevoelens en waarnemingen. met elke zintuigelijke indruk die de hersenen bereikt, vormen zich nieuwe synapsen, terwijl er oude afsterven met het vervliegen van de herinnering. 

    wanneer nieuwe netwerken vaker worden geactiveerd, leidt dit tot een versteviging van de verbindingen; neurons that fire together, wie together. netwerken die minder vaak worden geactiveerd, sterven af. --> neuraal darwinisme; strijd van netwerken om het bestaan
  • het dynamische evenwicht tussen synapogenese en snoeien het fundamentele mechanisme dat ten grondslag ligt aan het vermogen van een organisme om gedrag te kunnen veranderen en te kunnen leren van ervaringen. 

    synaptogenese en snoei (met apoptose) doen zich het hele leven voor, maar er zijn twee perioden waarin opvallend veel apoptose plaatsvindt, namelijk de vroege jeugd en de adolescentie. 

    rijping van de hersenen --> grote sprong voorwaarts. 

    voor de snoei van het onrijpe brein in de vroege jeugd wordt een prijs betaald; sommige intuitieve vaardigheden, zoals fotografische geheugen gaan verloren. 

    de myeliisering van de schors van de frontale hersenkwab, die ongeveer 6 maanden na de geboorte begint, maakt een begin van cognitief functioneren mogelijk. zichtbaar in de sprong van kinderen tussen 5 en 8 maanden
  • rond leeftijd van 18 maanden wordt het gebied van wenicke actief, waar het begrip van taal zetelt. het motorische spraakcentrum van Broca wordt pas enkele maanden later actief, hetgeen verklaart dat peuter al heel wat begrijpen voordat zij zelf uiting aan kunnen geven.

    dit wordt wel verantwoordelijk gesteld voor de heftige driftbuien in deze periode, die afnemen wanneer kinderen beter ins staat zijn om hun bedoelingen via taal duidelijk te maken.

    rond leeftijd van 18 maanden begint ook myelinsering van de schors van de prefrontale kwabben. dit stelt kinderen in staat tot zelfherkenning, zelfbesef en daarmee tot zelfbewuste emoties.

    vanaf de leeftijd van 2 jaar tot het begin van de puberteit is de hersengroei minder snel, maar beter in staat tot cognitieve inhibitie, zodat zij hun aandacht langer kunnen volhouden en zich minder laten afleiden.

    in de loop van de jeugd tot het begin van puberteit neemt de dichtheid van de grijze stof in de prefrontale schors toe, om vervolgens in de loop van de adolescentie weer af te nemen. de afname gaat door tot in de vroege volwassenheid.

    tegenlijkertijd neemt vanaf de puberteit  de dichtheid van de witte stof toe, een proces dat duurt tot in de volwassenheid.

    deze reorganisatie in de adolescentie is enorm. door de snoei gaan niet alleen grote hoeveelheden synapsen verloren, maar veranderd ook de verhouding tussen verschillende neurotransmitters. de adolescent moet leren leven met een ander brein

    de dorsolaterale prefrontale hersenschors bereikt de volwassen dikte opvallend laat. de schors speelt een grote rol bij executieve functies, die nodig zijn voor uitvoeren van complex en doelgericht gedrag, zoals informatie vastgouden, flexibel kunnen wisselen. --> vandaar dat adolescenten en jonge volwassenen emotioneler en impulsieve zijn dan oude volwassenen
  • neurocutane syndromen gaan nogal eens samen met verstandelijke beperkingen en psychische aandoeningen --> belangrijk om bij een kinderpsychiater onderzoek doet door naar de huid van het kind te kijken. 

    genen of toxinen die interfereren met de proliferatie of migratie kunnen betale retardatie veroorzaken 

    vb. foetaal alcoholsyndroom --> doordat moeder heeft gedronken tijdens zwangerschap. 

    bij schizofrenie is veronderstelt dat verstoringen van migratie, bijvoorbeeld ontstekingsprocessen, bijdragen aan het ontstaan van onderliggende hersenafwijkingen die pas in de adolescentie of jonge volwassenheid manifest worden door excessieve snoei. 

    ook onvoldoende snoei kan voor problemen zorgen. bij kinderen met autisme is daar sprake van, zoals blijkt uit hun gemiddeld grotere hersenomvang. tegelijk verklaart de onvoldoende snoei ook de opmerkelijke geheugenvaardigheden waarover sommige beschikken, zoals fotografisch geheugen.
  • cognitie is de verzamelnaam voor processen die te maken hebben met zowel het gebruik als de verwerving aan kennis. vb. denken, problemen oplossen en herinneren.

    cognitieve ontwikkeling ; ontwikkeling van verstandelijke of intellectuele vermogens.
  • ontwikkelingsmodel van Piaget. 

    Jean Piaget; elk kind doorloopt een vaste volgorde van verschillende fasen van de cognitieve ontwikkeling. veronderstelde dat het handelen van kinderen gebaseerd is op de onderliggende cognitieve structuren, die hij de naam schema' s gaf. 

    eerste levensmaanden; sensomotorisch ; motorisch handelen
    zintuigelijke indrukken (zonder sprake van denken)
    grijpschema's
    kijkschema's
    zuigschema' s
    later in ontwikkeling; denkschema' s
    ten slotte; abstract worden. 

    intelligentie volgens Piaget; vermogen tot aanpassen.
    assimilatie; het kind past bestaande vaardigheid zonder wijzingen toe in een situatie
    accommodatie of actieve aanpassing; bestaande vaardigheid is niet voldoend en nieuw evenwicht moet gevonden worden

    gedurende de ontwikkeling wisselen assimilatie en accommodatie zich continue af. 

    essentieel is Piagets theorie; cognitieve ontplooiing resultaat van actief omgaan met de omgeving, het al handelend leren kennen daarvan. intellectuele groei is dus slecht een autonoom rijpingsproces en ook niet uitsluitend de resultante van actieve stimulatie door de omgeving, die het kind passief ondergaat, het kind dient voortdurend actief te zijn. het past continue ervaringen in schema' s en past die indien nodig aan. 
  • sensomotorische fase

    0 tot 2 jaar. het kind leert de wereld kennen door zintuigelijke waarneming en zijn motorische reacties daarop

    zuigelingen reageren in eerste instantie op grond van aangeboren reflexen, maar dir gedragsrepertoire wordt op grond van die ervaringen die het gedrag teweeg brengt steeds doelgerichter; baby gaat dingen op de grond gooien en reikt naar een in de wieg opgenagen voorwerp. 
  • preoperationele fase

    2 tot 7 jaar. het kind is in staat te handelen vanuit mentale voorstelling van de werkelijkheid. daardoor zal een kind vanaf die leeftijd van ong 2 jaar ook voorwerpen zoeken zonder het gezien heeft dat ze verstopt zijn. 

    terminologie van Piaget; objectpermanentie; iets wat je niet ziet kan er wel zijn. 

    handelen wordt begeleid met woorden in deze fase.

    toenemende interesse in verbanden; kleuters stellen waarom vragen

    denken in deze fase is nog niet logisch; kind kijkt nog vanuit eigen standpunt, kan hier nog geen afstand van nemen 

    vb, verstoppen door handen voor ogen te houden (als ik je niet zie, zie je mij ook niet)
  • concreet-operationele fase

    7 tot 12 jaar; vermogen meer logisch en minder egocentrische te denken. kind gaat ook rekening houden met meerdere aspecten. 

    conservatieprincipe; verschillende maatbekers met zelfde inhoud, laten zich in deze fasen niet meer foppen. 

    denken is nog sterk ook het concrete verbonden; gekoppeld aan dingen die tastbaar of zichtbaar zijn
  • formeel-operationele fase

    valt ongeveer samen met adolescentie, is het denken in abstracties en hypotheses.

    de jongere kan formuleren welke factoren invloed zouden kunnen hebben op een bepaald verschijnsel. het logisch redeneren vanuit een bepaalde hypothese en omgaan met het begrip waarschijnlijkheid.

    vb wat de frequentie van de slingerbeweging bepaalt--> is moeilijk intuïtief te beantwoorden. kinderen zijn nog niet in staat om de verschillende mogelijkheden te bepalen.

    in deze fase kunnen kinderen systematisch verschillende mogelijkheden bedenken en uitproberen.
  • kritiek op Piagets theorie

    bepaalde vaardigheden zouden eerder aanwezig zijn.
    is niet in iedere cultuur geldig
    grenzen zijn niet zo scherp te trekken

    toch kan deze theorie worden beschouwt als als een mijlpaal in het denken over intellectuele ontwikkeling. 
  • ontwikkelingsmodel van Vygotsky

    Piaget zag cognitieve ontwikkeling vooral als een proces waarbij het kind zelf kennis ontwikkelt in het handelend omgaan met de omgeving.

    Vygotsky voegde hieraan het belang van de sociale omgeving toe. in de omgeving bevinden zich immers mensen die al over de kennis beschikken die het kind nog moet verwerven.

    volwassenen helpen een kind de kloof te overbruggen tussen wat het zelf al kan en wat het nog moet leren.

    hierbij is essentieel dat de volwassene goed oog heeft voor waar een kind bijna toe in staat is.

    Vygotsky introduceerde hiervoor het begrip ' Zone van naaste ontwikkeling.'

    Vygotsky' s ideeën hebben vooral belang voor het onderwijs. uitgaande van Piagets theorie kun je tot de slotsom komen dat het onderwijs rekening moet houden met de cognitieve ontwikkelingsniveau van het kind door leerstof aan te bieden waar het kind aan toe is.

    Vygotsky meende dat het ontwikkelingsproces door het onderwijs kan worden beïnvloed door te stimuleren in de zone van de naast ontwikkeling en daarbij steun te bieden leert een kind en treedt cognitieve ontwikkeling op
  • het psychoanalytische model

    sigmund freud is de grondlegger van de psychoanalytische theorie. deze ziet ontwikkeling als een dynamisch proces, waarbij een kind bij de geboorte vooral aangeboren driften kent (het Es). 

    deels door de rijping, deels doordat het uitleven van driftmatige verlangens conflicten geeft met de omgeving, ontwikkelt een kind een ego, dat helpt op een sociaal aanvaardbare manier met de driften om te gaan. 

    ouderlijke normen worden steeds meer verinnerlijkt waardoor het superego (geweten) zich ontwikkelt. 

    een belangrijke aanname is dat het in een gezonde ontwikkeling de driftimpulsen en de conflicten die deze kunnen veroorzaken met de omgeving of het superego onbewust kunnen worden gemaakt dankzij het zogeheten afweermechanismen zoals verdrinken en projectie 

    wanneer afweermechanismen tekort schieten en onbewust conflicten dreigen bewust te worden, zou dit psychische problemen van allerlei aard kunnen geven.

    freud veronderstelde dat de driften van het jonge kindgekoppeld zijn aan een per ontwikkelingsfase verschillend deel van het lichaam. . 

    zuigelingenperiode;orale fase (zuigen en bijten)
    peutertijd; anale fase (vermogen ontlasting op te houden)
    fallische fase; oedipale fase (prettige gevoelens ontstaan door manipuleren geslachtsdeel)
     latentiefase; basisschool leeftijd; ontwikkeling van driftleven komt even tot rust zodat het kind zich kan richten op het leren van rekenen etc. / spelregels eigen maken
    genitalefase; tijdens puberteit heropleving van de driftimpulsen die met geslachtsorgaan zijn verbonden
  • de neopsychoanalytisch model van Erikson

    Erik Erikson stelde de ontwikkeling van relaties centraal in zijn theorie.

    Erikson ging ervan uit dat ieder ontwikkelingsstadium gepaard gaat met een voor dat stadium kenmerkend conflict dat min of meer bevredigend wordt opgelost. de uitkomst daarvan beïnvloed het verloop van de volgende stadia.

    eerste ontwikkelingsstadium; eerste levensjaar. --> kind is nog afhankelijk van zijn omgeving en alles draai in dit stadium om de ervaring dat de behoeften van het kind wordt voldaan.

    als dit in voldoende mate gebeurt, ontwikkelt zich een fundamenteel gevoel van vertrouwen in de omgeving --> basic trust.
  • het conflict is het volgende stadium: leeftijd 1 tot 3; autonomie vs schaamte en twijfel. naarmate het kind zich motorisch ontwikkelt kan het steeds meer dingen zelf doen (eten drinken). dit betekent ook dat het meer controle krijgt over eigen functioneren en dit is voor het kind uitdagend. anderzijds worden er meer eisen aan het kind gesteld. 

    in dit stadium draait het om de vraag in hoeverre het kind de ruimte krijgt om autonomie te ontwikkelen en kan omgaan met eisen, grenzen en regels. 

    autonomie is gekoppeld aan zelfvertrouwen. wanneer er te weinig ruimte is voor autonomieontwikkeling of de ouders te hoge eisen en regels stellen, ontwikkelen zich gevoelens van schaamte en onzekerheid. 

    leeftijd 3 tot 6 conflict tussen initiatief vs schuldgevoel.

    in het spel met leeftijdsgenoten nemen kinderen steeds meer initiatief.  ze vinden het aantrekkelijk zelf keuzes te maken. belangrijk is dat anderen hierin gestimuleerd en niet belemmerd worden, maar het is ook belangrijk dat de omgeving niet te hoge eisen stelt en hen steunt wanneer ze zichzelf overschatten. 

    7 tot 11jaar verwerving van schoolse vaardigheden en toename sociale vaardigheden

    conflict vlijt vs minderwaardigheid. kind ontwikkelt in meerdere of mindere mate competentie

    12 tot 18 jaar conflict identiteit vs rolverwarring. 

    kind zal zich losmaken van vertrouwdheid en emotionele afhankelijkheid van de ouders. sterk gericht op leeftijdgenoten en meningen. heeft vaak idolen. sprake van zelfreflectie en herbezinning. 

    Erikson spreekt van identiteitscrisis wanneer integratie van alle veranderingen op lichamelijk en psychosociaal gebied niet optimaal verloopt is er sprake van rolverwarring. 
  • John Bowly; bij het kind bestaat aangeboren gerichtheid op de omgeving.

    deze gerichtheid is evolutionair noodzakelijk omdat het mensenkind bij de geboorte weerloos is en voor zijn veiligheid volledig afhankelijk is van een volwassen verzorger. 

    wanneer er sprake is van angst/onlust bij het kind doet het een appel op de verzorger om beschermd te worden. het doet dat door aandacht te vragen. 

    wanneer het kind angstig wordt als er geen bekende verzorger in de buurt is --> separatieangst

    als de verzorger voldoende adequaat reageert of voldoende responsief is, ontwikkelt zich een veilige gehechtheid aan die persoon. (stress wanneer ouders weg zijn, maar worden snel op hun gemak gesteld)

    kinderen die zelden bij hun ouders terechtkunnen, ontwikkelen een onveilige gehechtheid van het vermijdende type. deze kinderen laten scheiding gemakkelijk toe en lijkt niet alsof ze de ouders hebben gemist) kind is gewend zelf de problemen op te lossen. 

  • bij kinderen waar ouders soms wel en soms niet beschikbaar zijn, ontwikkelt zich een onveilige gehechtheid van ambivalente type. deze kinderen verzetten zich heftig tegen scheiding met hun ouders, zijn daarna moeilijk te troosten en vertonen wisselende reacties;

    gedesoriënteerde gehechtheid; de gehechtheidsstijl is niet op een manier georganiseerd, maar die tegenstrijdig of ongericht gedrag vertonen, zoals toenadering zoeken met de rug naar de verzorger toe. Dit ontstaat vooral in situaties waarin de ouders een bron van angst is. bijvoorbeeld door mishandeling of psychotisch gedrag. het kind komt dan in de onmogelijke positie dat het bescherming met zoeken bij degene die dreiging veroorzaakt. 

    het belang van de gehechtheidstheorie voor kinder- en jeugdpsychiatrie is dat vroege gehechtheidsrelaties invloed hebben later in het leven. 

    mentale representatie van gehechtheidsrervaringen ; niet ervaringen op zich belangrijk zijn, maar de manier waarop iemand met een volwassen leeftijd mee omgaat.
  • de sociale leertheorie

    beschrijft hoe het kind zich geleidelijk, dus niet fasegewonden, vaardigheden en opvattingen eigen maakt door dat wat het geleerd heeft en hoe daarop door de omgeving wordt gereageerd. 

    deze theorie heeft meer dan een grondlegger, maar Bandura heeft belangrijkste rol gespeeld. 

    sociale leertheorie gaat uit van observationeel leren en bouwt voort op eerder ontwikkelde theorieën over associatief leren.
  • associatief leren
    associatief leren wil zeggen leren dat twee of meer gebeurtenissen met elkaar te maken hebben en kent twee vormen; klassieke en operatie conditionering
  • klassieke conditionering 

    Russische fysioloog Ivan Pavlov: speekselvorming bij honden

    bel wordt de conditie voor speekselvorming, de geconditioneerde stimulus. speeksel bij het alleen horen van de bel is dan een geconditioneerd respons
  • operante conditionering

    hierbij wordt bestaand gedrag beïnvloed door de consequenties ervan. Skinner. 

    als een dier een toevallige beweging maakt en onmiddellijk hierna een korreltje voer krijgt en dit vervolgens herhaalt zal worden, zal het dier dit gedrag steeds vaker late zien. het gedrag wordt bekrachtigd. 

    bij positieve bekrachtiging wordt het gedrag verstrekt. 

    wanneer dergelijke bekrachtiging wegblijft, zal het gedrag op den duur afnemen. 

    gedrag kan ook worden verstrekt door negatieve bekrachtiging. --> ophouden met het negatieve gedrag.

    een belangrijk principe van operanet conditionering is contingentie. conditionering treedt alleen op wanneer er een duidelijke relatie is tussen gedrag en bekrachtigen. = voor de persoon in kwestie moet duidelijk zijn voor welk gedrag een bepaalde bekrachtigen bedoeld is. 

    verstrijkt er teveel tijd tussen gedrag en beloning is het niet meer duidelijk en treedt er geen conditionering op
  • observationeel leren

    gedrag kan tot stand komen door het observeren van anderen. het kan zijn dat iemand leert doordat herhaling od nabootsing van het gedrag van iemand ander direct wordt bekrachtigd.

    leren door observeren kan echter ook optreden zonder dat het geobserveerde gedrag onmiddellijk geïmiteerd wordt en dus zonder dat er sprake is van bekrachtiging vanuit de omgeving.

    eerst slaan ze het op, later imiteren ze het gedrag, zonder dat er vanuit de omgeving meteen reacties komen. van belang is dat het kind ziet dat het gedrag bekrachtigd wordt.

    het proces van leren door observeren wordt modelling genoemd.

    modelling wordt bevorderd wanneer de personen die het gedrag vertonen voor het kind belangrijke personen zijn, dus personen met wie het kind een positieve relatie heeft en die voor het kind status hebben.

    jonge kinderen --> ouders
    oudere kinderen --> leeftijdgenoten/ idolen/ figuren tv en films
  • eerste levensjaar 

    heeft nog geen dag en nachtritme. afname van slaapbehoefte gaat gehele kindertijd door

  • lichamelijke ontwikkeling (eerste levensjaar)

    primitieve reflexen ;

    baby' s slapen veel
    volledig aangewezen op verzorgers (omgeving)
    zoekreflex en zuigreflex--> verdwijnt na drie maanden
    gerichtheid op mensen

    zintuigen

    al voor de geboorte spelen zintuigen een grote rol
    foetus reageert op lichtprikkels en geluid
    gehoor en zicht ontwikkelen zich in eerste maanden
    kan smaken onderscheiden
    reukzin ontwikkelt zich (na enkele dagen)

    motoriek

    belangrijke stap: ontwikkeling van hoofdbalans--> aandacht op omgeving richten
    op handen zitten en kruipen
    1 jaar - staan
    18 maanden; lopen

    cognitieve ontwikkelingen

    Komt overeen met sensomotorische fase van piaget
    waarnemen en handelen staat centraal
    pasgeboren ; uitsluitend reflexen
    na een maand; meer doelgerichte gedragingen waarneembaar
    ongeveer 5 maanden ; objectpermanentie
    7-9 maanden; besef intersubjectiviteit :eigen gebaren en geluiden door anderen begrepen kunnen worden
    tweede helft eerste levensjaar; spelenderwijs doelgericht gedrag gaan vertonen
  • sociaal-emotionele ontwikkeling (eerste levensjaar)

    verbetering van gezichtsvermogen, maakt dat de zuigeling vanaf ongeveer 2 maanden de omgeving makkelijk kan waarnemen. dit gaat gepaard met veel meer interactie met de ouder, zoals babbelgeluidjes maken en vanaf ongeveer 4 maanden de uitdrukkingen van een volwassene imiteren.

    ontstaat meer sociale interactie en kind reageert op de ader.

    rond 6 maanden activering van het in aanleg aanwezige gehechtheidssysteem.

    emoties en emotieregulatie

    een emotie is een gevoelsmatige toestand die wordt uitgelokt door een voor het individu betekenisvolle gebeurtenis en die gepaard gaat met fysiologische en gedragsmatige veranderingen. (angst, blijdschap, verdriet, boosheid..)

    eerste maanden; huilen en glimlachen
    vanaf 3 maanden; blijdschap bij bekend gezicht.
    vanaf 5 -8 maanden; angst bij zien onbekend gezicht
    7 maanden; separatieangst treedt op

    emoties vervullen levenslang een belangrijke rol; stellen individu in staat te reageren op gebeurtenissen en zijn belangrijk in de communicatie met medemensen, maar ook belangrijk emoties te kunnen reguleren ene zorgen dat uitingen ervan niet onnodig lang doorgaan en soms onderdrukt worden wanneer social verhoudingen daarom vragen.

    tweede helft eerste levensjaar; emoties reguleren--> blik afwenden van iets (vreemd gezicht)
  • Peuter

    lichamelijke ontwikkeling

    overgang tweede levensjaar wordt motorisch gemarkeerd door het beginnen te lopen 
    tussen 14 en 20 maanden; traplopen
    meeste kinderen worden zindelijk (ontlasting eerder dan urine); heeft te maken met opvoeding

    cognitieve ontwikkeling

    spraak-en taalontwikkeling komt op gang
    18 maanden; woordenschat van 20 woorden
    ontwikkeling receptieve taal loopt voor op actieve taal; kind kan over het algemeen al eenvoudige opdrachten begrijpen en uitvoeren
    kind kan in gedachte handelingen uitvoeren
    kind kan in spel voorwerp gebruiken als iets anders (blok als auto); symbolisch spel

    sociaal emotionele ontwikkeling (emoties en emotieregulatie)

    boosheid wanneer men iets in de weg legt van wat een kind wil bereiken; instrumentele agressie
    emoties die getuigen van zelfbesef, schaamte, trots en later bij schuldgevoel.
    omgeving speelt belangrijke rol, wanneer ouders hebben geholpen met woorden te leren herkennen die bij verschillende emotionele toestanden oren. 
    vermogen om gevoelstoestanden voor zichzelf te verwoorden en daarmee mentaal te kunnen vasthouden en oproepen; metaliseren 
  • peuter

    sociaal cognitieve ontwikkeling

    In deze fase ontwikkelt zich ook communicatief gebaren
    Wanneer iets niet lukt, richting verzorger kijken in de hoop dat die te hulp schiet; imperatief (het kind geeft aan dat het iets wil)
    Halverwege tweede levensjaar: vorm van wijzen ; declaratief (wijzen in het kader van joint attention) dit treedt op waneer een kind iets ziet dat het niet kent.  (het wil dan weten of het Veilig is en kijkt verzorger met een vragende blik aan); social referencing
    Joint attention staat niet alleen voor het delen van angst, maar ok voor het delen van andere ervaringen.
    Een kind kan ook opgetogen naar iets wijzen en dit willen delen met de ouder; affectieve sharing

    Aan het eind van het tweede levensjaar ontstaat zelfherkenning, zoals blijkt met de rouge-test, (stip op voorhoofd van kind, kind reikt naar voorhoofd wanneer hij zichzelf in de spiegel ziet)

    Het ontwikkelde zelfbesef is ook een nieuwe verworvenheid; peuters willen alles zelf doen

    in spraakontwikkeling ook terug te zien in; ikke zelf doen etc. ; ervaart controle en macht

    voeding, zindelijkheid en slapengaan; conflicten waarbij peuter heel driftig kan worden ; temper tantums die soms eindigen in breath holding spells aanvallen waarbij kinders stoppen met ademhalen, zodat ze zelfs bewustzijn kunnen verliezen

    deze leeftijdsfase wordt ook wel koppigheidsfase genoemd.
  • kleuter 

    lichamelijke ontwikkeling; motoriek

    coördinatie van grote motoriek wordt soepel en bewegen wordt een centraal element in de spelactiviteiten. 
    Het kind kan huppelen hinkelen. 
    Vange, gooien en trappen
    Kind leert fietsen
    Ontwikkeling in het teken van verfijning van de handmotoriek en de oog-handcoördinatie 

    cognitie

    kleuter verkeert nog in preoperationele fase
    Denken is nog concreet, niet logisch en egocentrisch
    Overgang naar formeel-operationele fase
    kleuters zijn bijzonder nieuwsgierig en stellen waarom vragen
    geheugen wordt groter
    ruimtelijke vaardigheden
    spraak en taalontwikkelingen en vermogen om te deken ontsluiten voor het kind een nieuwe wereld, een wereld met communicatie en redenen. 
    alle waarnemingen en indrukken worden opgeslagen
    ordening en samenhang zijn nog moeilijk voor kleuters, vult werkelijkheid met eigen ideeën (fantasie en werkelijkheid loopt door elkaar)
    tijdsbesef is nog gebrekkig
    denken word omgeschreven als magisch denken; niet makkelijk te volgen
    Spelen veel; constructief spel

    vanaf 5/6 jaar minder gericht op spelen en steeds meer op leren
    niet meer nieuwsgierig maar vind het leuk om opdrachten uit te voeren
    toenemende taakgerichtheid
    gaat rekeningen houden met anderen 
  • kleuter

    sociaal-emotionele ontwikkeling (emoties en emotieregulatie)

    Het magisch denken dat voorkomt uit een levendige fantasie en het niet goed kunnen scheiden van werkelijkheid en fantasie leidt bij kleuters nogal eens tot angst.(spoken achter het gordijn)--> heeft uitleg en geruststelling nodig 

    handelingen voor slapengaan in vaste volgorde
    fysieke agressie neemt af--> verbeterde emotieregulatie en toename sociale vaardigheden, agressie komt wel nog veel voor in deze fase --> meisjes; relationele agressie (uitensluiten)

    bewust van eigen geslacht: totstandkoming genderidentiteit
    toegnomen vaardigheden en grotere zelfstandigheid
    schuldgevoel ontwikkelt
    leert omgaan met frustratie; gevoelens van agressie worden niet meer geuit

    sociaalcognitieve ontwikkeling

    4/5 jaar oud: vermogen verworven om hun gedachten, opvattingen en gevoelens van hen en dat anderen anders kunnen denken
    Begrijpen dat ze beschikken over een geest (mind): beschikken dus over theory of mind
    --> in staat te beseffen dat bepaalde velangens (desires) hun opvattingen kunnen opvattingen kunnen beïnvloeden. bovendien beseffen zij dat wat iemand over iets denkt (belief) fout kan zijn, bijvoorbeeld dat iemand niet goed geïnformeerd is. 
    Veilig gehechte kinderen die empathisch bejegend zijn, zullen ook meer empathie tonen
  • basisschoolleeftijd (6-12 jaar)

    lichamelijke ontwikkeling


    motoriek;
    ontwikkeling subtielere en complexe motorische vaardigheden
    leert pingelen bij voetbal
    zwemmen
    fietsen

    cognitieve ontwikkeling;
    Piagets concreet-operationele periode
    sterke toename van kennis en van het vermogen logisch na te denken
    orderenen en verbanden leggen
    gaan verzamelingen sparen
    metaforen gebruiken
    geheugen ontplooit; geheugencapaciteit neemt toe--> aandachtscapaciteit
    denken nog sterk gebonden aan eigen ervaring en aan het concrete. denken in abstracties en hypotheses nog moeilijk.

    sociaal-emotionele ontwikkeling

    leeftijdgenoten;
    in de sociale ontwikkeling gaan leeftijdgenoten een grote rol spelen
    competitie in omgang met anderen en leren plezier te krijgen ins spel.
    houden meer rekening met wensen en gevoelens andere kinderen
    groepscontacten sterk geslachtsgebonden
    tweede helft basisschoolleeftijd ontstaan meer intense vrienschappen
  • basisschoolkind

    morele ontwikkeling;

    Kohlberg ontwikkelde een theorie over morele ontwikkeling waarin hij drie stadia onderscheidde
    - preconventionele stadium; kinderen gaan uit van principe dat iets wordt gevolgd door straf dus verkeerd en slecht is --> geweten gebaseerd op het eigen opvattingen en principes over he bevorderen van welzijn
    - waarschijnlijk cultuurgebonden

    ontwikkeling van het zelfbeeld

    omgang met leeftijdsgenoten leidt tot vergelijking van de eigen kwaliteiten en vaardigheden tot anderen. wanneer deze vergelijking nadelig uitvalt, ontwikkeld een gevoel van competentie --> leidt tot uitbreiding van het zelfbeeld

    eerst door uiterlijk, daarna ook vaardigheden en psychologische kenmerken (onzeker)
  • adolescentie

    - levensfase tussen de kindertijd en volwassenheid, omvat zowel fysiologische als psychologische en sociale veranderingen. 
    - begint met puberteit

    lichamelijke ontwikkeling;
    - fysiologische psychosociale revolutie
    -puberteit met bijbehorende kenmerken
    -lichamelijke veranderingen hebben psychologische gevolgen; kan overrompelend zijn
    -kan invloed hebben op zelfbeeld

    cognitieve ontwikkeling;
    - Piagets formeel-operationele fase
    - jongere kan zijn denken losmaken van eigen ervaringen en concrete realiteit
    -kan denken in abstracties en over hypothetische problemen, zoals morele dilemma's 
    - kan nadenken over toekomst

    sociaal-emotionele ontwikkeling;
    - veel tijd besteed aan leeftijdsgenoten
    -gericht op privacy
    - seksuele ervaringen
  • adolescentie ; zelfbeeld en identiteit

    -onder invloed van de veranderingen op verschillende gebieden verandert ook het zelfbeeld. 
    - abstracte kwalificaties staan nu op de voorgrond (gevoelig)
    - biedt mogelijkheden om te experimenteren op allerlei terreinen zonder keuzes te hoeven maken
    - erikson spreekt over moratorium; uitstel van beslissingen
    - ouders krijgen te maken met grote veranderingen
  • opvoedingsdimensies ; ondersteuning en controle

    opvoeding kan gedefineerd worden als ouderlijk gezag in de dagelijkse omgang met het kind. om de verscheidenheid van gedragingen te ordenen die ouders vertonen in de interacties met het kind, wordt het opvoedingsgedrag vaak getypeerd met behulp van 2 centrale dimensies; ondersteuning en controle

    sluiten aan bij de 2 belangrijkste functies die de ouders vervullen
    - ondersteuning; bevredigen affectieve behoeften van het kind en het creëren van een verzorgende, beschermde omgeving waarin het kind kan leren en zich als individu kan ontwikkelen.
    -controle; overdracht van kennis, waarden en normen, het bieden van structuur en ervoor zorgen dat het kind zich leert aanpassen aan de regels en omgangsnormen die gelden in de samenleving waarin het kind opgroeit.

    ouderlijke ondersteuning; liefde en zorg voor kind op fysiek en emotioneel welzijn van kind. kind voelt zich begrepen en geaccepteerd. 

    ouderlijke controle; sturen van gedrag, bestaan tegenstrijdige opvattingen. 

    soms onderscheid tussen psychologische controle en gedragscontrole.
    psychologische controle; ouders proberen kind in persoon te veranderen
    gedragscontrole; ouders proberen gedrag kind te reguleren en zodanig te beïnvloeden, zodat het kind zich kan houden aan structuur en regels
  • opvoedingsstijlen; autoritatief, autoritair, permissief en onverschillig

    autoritatief; ouders zijn warm en ondersteunend, stellen ook grenzen en controleren gedrag, erkennen individualiteit op rationele en democratische manier

    autoritair; overleggen weinig, stellen veel regels en beperkingen zonder uitleg te geven, verwachten directe gehoorzaamheid. minder warm en minder gevoelig.

    permissief; ouders zijn wel warm, accepterend en betrokken bij kind, maar stellen nauwelijks eisen. straffen niet. 

    onverschillig; weinig betrokken en geïnteresseerd, zijn niet ondersteunend en ook niet controlerend; laten lot aan kind over
  • de relatie tussen opvoeding en ontwikkeling

    in het algemeen kan worden gesteld dat kinderen zich het meest positief ontwikkelen als het opvoedingsgedrag van de ouders gekenmerkt word door veel warmte en ondersteuning en door een democratische , autoritatieve controle

    - emotionele behoeften van kind kunnen bevredigd worden, waarin een positief zelfbeeld, communicatieve en sociale vaardigheden gestimuleerd worden. 

    te weinig ouderlijke ondersteuning gaat gepaard met een negatief zelfbeeld, gebrek empathie, slechte schoolprestaties. 

    naast ondersteuning heeft kind ook sturing nodig.

    als ouders te weinig duidelijke regels stellen en die te weinig consistent controleren, kan dit leiden tot onzekerheid en zwakke controle van impulsen. 

    doordat ouders een beroep doen op zelfstandigheid en leeftijds adequate eisen stellen, leren kinderen dat ze zelf verantwoordelijkheid moeten dragen voor hun eigen handelen. 

    wanneer ouders daarentegen een autoritaire controle uitoefenen en frequent straffen vergroot de kans op probleemgedrag en geringe sociale competentie. --> kinderen vertellen weinig aan ouders, gevoelens van schuld en waardeloosheid, weinig mogelijkheden voor initiatieven

    Nederlandse ouders; klantgericht; gevoelig voor signalen van kind
  • het aandeel van het kind

    kinderen zijn geen passieve ontvangers van input van ouders, maar actieve deelnemers die hun ontwikkeling en opvoeding mede sturen

    kenmerken van het kind hanger vaak samen met omgevingskenmerken; een kind met een genetisch risico voor depressie heeft een grotere kans op een depressieve ouders die minder adequate opvoeding laat zien, wat weer een omgevingsrisico voor depressie bij het kind vormt.

    opvoeding kan dus het beste worden opgevat als een dynamisch systeem van wederzijdse beïnvloeding, waardoor zowel ouders als het kind veranderen in de loop van interactie. transactionele beïnvloeding. 

    rol van het systeem

    huwelijksproblemen kunnen problemen opleveren bij ouder-kindrelatie
    --> minder responsief en sneller geïriteerd

    opvoeding kan niet los worden gezien van andere relaties in het gezin

    defferential parental treatment; kinderen uit zelfde gezin worden toch anders opgevoed. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

associatief leren
associatief leren wil zeggen leren dat twee of meer gebeurtenissen met elkaar te maken hebben en kent twee vormen; klassieke en operatie conditionering
een gemyeleerde zenuwcel..
geeft sneller signalen door en functioneert dus beter. myelinisering begint vanaf vijfde maand van de prenatale ontwikkeling in de lagere hersengebieden. bij de geboorte is de hersenschors nog niet gemyeliniseerd. dt begint na de geboorte en duurt tot het begin van de volwassenheid
gliacellen
steunfunctie. vormen de stof myeline, die het omhulsel van de zenuwcellen gaan vormen, de myelineschede
intelligentie
variatie in probleemoplossend vermogen
normatieve ontwikkeling
ontwikkeling beschrijven aan mijlpalen, zoals kruipen, lopen, eerste woordjes o zindelijk worden. 

eigenschappen die mensen met elkaar gemeen hebben en die in een min of meer vaste volgorde ontstaan
tuning
verwaarlozing in de eerste levensjaren zorgt voor een gevoeligere afstemming in het stresssysteem van de hersenen. dat systeem staat op grond van erfelijkheid bij mensen verschillend afgesteld. 

de ervaringen in de eerste levensjaren leiden tot een nauwkeuriger afstemming (fine-tuning) van het systeem, dat daarmee zijn vorm voor de rest van het leven krijgt
ontwikkeling betreft
onomkeerbare veranderingen die in de loop der tijd optreden met een zekere onderlinge samenhang 

samenhangen proces, maar zo complex dat men niet aan een onderverdeling ontkomt wil men het kunnen beschrijven en begrijpen. 
er is sprake van ontwikkeling tussen..
het moment waarbij de eicel met de zaadcel berucht wordt en het leven eindigt
2 syndromen (symptomen moeten in vroege ontwikkeling gestart zijn max 5 jaar)
- reactieve hechtingsstoornis; deze kinderen zoeken nooit of zeer zelden troost als ze emotioneel overstuur zijn. aangeboden troost wordt genegeerd. deze kinderen vertonen minimale sociale en emotionele reacties, zijn zelden opgewekt of blij, kunnen periodes hebben van onverklaarbare angst, verdriet of prikkelbaarheid. 

- ontremd- sociaalcontactstoornis; deze kinderen zijn actief in het benaderen en interactieren met onbekende volwassenen. ze ontberen de normaal te verwachten terughoudendheid als ze kennismaken met een nieuw persoon of doen overdreven vrijpostig. lopen makkelijk weg en blijven dan ook weg. kennen geen aarzeling om met een onbekende mee te gaan.