Summary Class notes - locomotie

Course
- locomotie
- wolschrijn
- 2014 - 2015
- Utrecht Universiteit
- Diergeneeskunde
238 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - locomotie

  • 1418598000 werkcollege 1


  • Een voorwerp waarop geen nettokracht werkt, is volgens de eerste wet van Newton in rust (evenwicht), of beweegt met een constante snelheid. 
  • Wat zegt de derde wet van Newton?

    De derde wet van Newton zegt, dat wanneer één voorwerp een kracht uitoefent op een ander, de kracht uitgeoefend door het andere voorwerp op het eerste, gelijk van grootte, maar tegengesteld van teken is. 
  • Hoe bereken je het moment van een kracht?

    Een kracht die onder een willekeurige richting op een
    voorwerp aangrijpt, oefent ook een (kracht)moment uit.
    M=F*d; de grootte van de kracht, vermenigvuldigd met de
    loodrechte (kortste) afstand van de werklijn van de kracht
    tot het (zelf gekozen) punt van interesse. Deze
    lengte wordt de momentarm genoemd. In de meeste
    gevallen wordt voor het punt van interesse bij rotaties het
    betrokken gewrichtsdraaipunt gekozen.  
  • Wanneer verkeerdt het lichaam in (statisch) evenwicht?

    Een lichaam verkeert in (statisch) evenwicht wanneer de som van alle daarop werkende krachten en alle daarop werkende momenten beide gelijk zijn aan nul. 
  • Tijdens het staan op vier poten worden er op het dier vijf krachten uitgeoefend. Welke krachten zijn dit?
    de zwaartekracht en de 4tal bodemreactiekrachten

  • Naarmate dieren groter worden kost staan steeds meer
    energie. Dat komt omdat de spieren relatief zwak zijn bij grote dieren. Leg dit uit

    Als een dier bijv. twee maal zo groot is als
    een ander dier is zijn gewicht (volume) acht maal zo groot.
    Echter de kracht van zijn spieren hangt niet af van het
    volume, maar van het oppervlak van zijn spieren, en dat
    neemt maar vier maal toe. Er is dus viermaal zoveel
    spierkracht om een achtmaal zo groot gewicht te dragen
  • Grote dieren staan met rechtere hoeken in hun gewrichten (vergelijk skelet konijn en olifant), zodat de momentarmen van de uitwendige krachten kleiner zijn. 
    Paarden vervangen allerlei spieren geheel of gedeeltelijk door pees, dat gratis kracht levert. Ook kunnen paarden hun knie op slot zetten zodat deze niet meer kan buigen.
  • Bij het merendeel van de zoogdieren (insectivoren, knaagdieren en primaten) is de voortbeweging minder op snelheid gericht, en meer op bewegingen in een 3-D omgeving, een combinatie van springen, graven, klimmen en lopen. Wat voor aanpassingen hebben deze dieren om deze bewegingen uit te voeren?
    -humerus en femur meestal naat buiten gericht, de voeten staan hierdoor wijder uit elkaar voor een stabielere houding en gang. Deze situatie lijkt op die van reptielen
    -Er is een clavicula aanwezig, hierdoor kunnen veel dieren met hun voorpoten meer dan alleen lopen.
    -radius kan draaien t.o.z van de ulna, hierdoor is de bewegelijkheid van de hand groter. 
    -sommige boombewonende soorten (eekhoorn) hebben een draaiingmechanisme voor de voet in de tarsus, handig bij het naar benedenklimmen. 
    -lange en bewegelijke wervelkolom, die helpt bij de locomotie
  • Wat zijn de voordelen en nadelen van gebogen poten bij het staan en tijdens locomotie?
    • voordeel: er kan gebruik gemaakt worden van de intrinsieke pootmusculatuur (strekkers van gewrichten) om weg te lopen of springen uit stand. 
    • nadeel:De BKR oefent grote krachten op de gewrichten, hierdoor moeten de strekkers voortdurend kracht uitoefenen om het been te stabiliseren. 
  • 1420930800 hoorcollege 1

  • De somieten van het paraxiaal mesoderm vormen het bewegingsapparaat. Benoem de verschillende somieten en welke structuren deze later vormen.
    Somieten gingen uiteen vallen in sclerotoom, dermatoom en myotoom. 
    • Het sclerotoom gaat van links en rechts fuseren en vormd een wervel, die gaat het steunweefsel, chorda, vervangen en zorgt dat de neurale buis, het ruggenmerg, beschermd wordt. 
    • Het myotoom vormt spierweefsel 
    • Het dermatoom wordt het onderhuids bindweefsel

  • Myotomen vormen spieren. Deze myotomen splitsen in; epimeren en hypomeren. Epimeer vormt spieren op de wervelboog en de rug spieren, Hypomeer vormt de buik spieren.
  • axiaal betekend as
  • Bindweefsel inscripties zijn lijnen waar de spieren oorspronkelijk samen kwamen
  • Hoe heet het gelei dat in het midden van de tussenwervels zit? Wat is de functie van deze structuur?
    Deze structuur heet de nucleus pulposus. Als functie heeft het krachten verdelen over de werveles
  • Benoem de  onderdelen van de wervel.

    Processus spinosus
    Wervelboog
    Wervellichaam
    Facetgewricht craniaal
    Facetgewricht caudaal
    Processus transversus
  • De wervels zijn te verdelen in twee delen. Aan de onderzijde is het wervellichaam. Het wervellichaam gaat communiceren met zijn buurman via een tussenwervelschijf. Het tweede deel zit aan de bovenkant en gaat om de neurale buis heen, om het wervelkolom. Dit heet de wervelboog. Deze communiceren ook met elkaar m.b.v de tussenwervelschijf.
  • De hypaxiale spieren zitten ventraal van de dwarsuitsteeksels en zorgen voor het buigen van de wervelkolom. De epaxiale spieren zitten dorsaal van de dwarsuitsteekselsen zorgen voor het strekken van de rug.
  • Benoem de voornaamste hypaxiale spieren, wat zijn hun functie t.o.z van de rug?
    Dit zijn de buikspieren. Die zorgen ervoor dat de rug niet helemaal doorzakt, door de wervels in een boog te houden.
  • De dorsale spiergroepen uit het myotoom vormen de strekkers en de ventrale spiergroepen vormen de buigers.
  • Welke plexus innerveert de voorpoot en welke de achterpoot?
    De plexus brachialis innerveert de voorpoot en de plexus lumbosacralis innerveert de achterpoot
  • Ontwikkeling van de pootknop. 
    Onder invloed van verschillende factoren wordt een kern mesenchymcellen gevormd die bedekt is met ectodermale cellen (huid). Welke factoren zijn essentieel bij het vormen van deze kern? 
    FGF 10 en de somieten
  • Distaal van de pootknoop vormt een verdikking van het ectoderm, de AER of toewel de:
    apicale ectodermale richel 
  • AER is een belangrijk factor voor het:
    • De proliferatie van het onderliggende mesenchym, langs de proximo-distale as. (lengte groei)
    • De remming van de distale differentiatie gedurende de uitgroei van de ledemaat.

  • De ontwikkeling van de pootknop.
    De AER zorgt voor de proliferatie van de proximale en distale as
    De HOX genen zorgen voor differentiatie in de proximale-distale as.
    De ZPA (zone van polariserende activiteit )zorgt voor de differentiatie van de caudo-craniale as.
    De Wnt-7a uit het dorsale ectoderm is verantwoordelijk voor de differentiatie van de dorso-ventrale as.
  • Hoe is het schouderblad aan de romp bevestigd bij de hond?
    Via een synsarcosis 
  • De schouderbladen van de meeste dieren liggen langs de romp en bewegen mee. Waardoor is dit handig?
    De gemiddelde dier beweegt vanuit zijn schouderblad, hierdoor kan hij grotere passen maken. 
  • Bij de meeste dieren is het sleutelbeen niet aanwezig, bij de kat is dit rudimentair. 
  • Een paard heeft een langer been met langere onderbenen dan de meeste dieren. Dit kan zij permitteren omdat ze een lichter bovenlijf dan bijvoorbeeld een olifant.
  • Musculatuur
    De extrinsieke spieren bevestigen de schouder aan de romp. De intrinsieke spieren brengen het schouderblad naar voren. 
  • De meeste dieren hebben een verschillende adaptatie aan het voorbeen en het achterbeen. Wat is de functie van deze adaptatie?
    • Om het voorbeen zolang mogelijk te maken, om een zolang mogelijke pas te zetten. 
    • Om zoveel mogelijk kracht af te zetten met het achterbeen. 
  • Wat is de reden dat de romp bij de meeste dieren strakker is gebouwd en stevig is verbonden? 
    Dan is het lichaam stabieler, zodat er minder wrijving is. Hierdoor is er voortstuwende kracht bij afzet. 
  • Wat is het verschil tussen analoog en homoloog?
    Homoloog: structuren met dezelfde componenten die dezelfde functie hebben. 
    analoog: structuren met dezelfde functie, maar die uit andere componenten zijn opgebouwd. 
  • Ontwikkeling innervatie voorpoot
    Vanuit het ruggenmerg klusteren de zenuwen in een plexus en gaan ze naar verschillende spiergroepen. Verschillende onderdelen van het ruggenmerg groeien naar verschillende delen van de poot:
    C5 tot C7 groeien naar de craniodorsale delen van de voorpoot
    C8 tot T2 groeien naar de caudoventrale delen van de voorpoot
    L3 tot L6 groeien naar het craniale deel van de achterpoot en
    L5 tot S3 groeien naar het caudale deel van de achterpoot.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Locomotie

  • 1484434800 Anatomie

  • Wat kun je vertellen over de m.deltoideus?
    Hij wordt geïnnerveerd door de n. axillaris en hij zorgt voor flexie van het schoudergewricht en abductie van de bovenarm en schoudergewricht.
  • Wat kun je vertellen over de m. triceps brachi?
    Heeft in de hond 4 spierbuiken en hij wordt geïnnerveerd door de n.radius. Hij zorgt voor extensie van de elleboog en adductie van de schouder. Het caput longum begint onderaan van het schoudergewricht knop. De triceps bestaat uit een caput longum, caput mediale, caput laterale en caput accessorium.
  • Wat kun je vertellen over de m. trapezius?
    Deze spier ligt voor een deel op de rug en voor een deel op de hals, het is een vrij grote spier. Hij wordt geïnnerveerd door de n. accessorius. Hij zorgt ervoor dat je je schouder kan optrekken en de arm kan abduceren.
  • Wat kun je vertellen over de m. omotransversarius?
    Is een lange dunne spier die bij het paard en de hond langs de gehele nek loopt aan de onderzijde, onder de m. cleidocephalicus. Hij wordt geinnerveerd door aftakkingen van de n. accessorius.
  • Wat kun je vertellen over de m. infraspinatus?
    Hij ligt onder de m. deltoideus. Z'n grote pees loopt over het schoudergewricht naar het grote tuberkel. Hij wordt geinnerveerd door de n.subcrascapularis. Hij zorgt voor exorotatie van de poot en voor stabilisatie door de kop van de bovenarm op zn plek te houden.
  • Wat kun je vertellen over de m. latissimus dorsi?
    Het is de grote rugspier die naast de trapezius over de zijkant van het dier heen loopt, direct onder de fasica. Hij wordt geïnnerveerd door de n. thoracodorsalis. Hij zit samen met de teres major vast aan de crista minor van de humerus. Deze spier zorgt voor adductie.
  • Wat kun je vertellen over de m. pectoralis profundus?
    Het is een spier op de buik van het dier waar de linea alba doorheen loopt. Hij heeft verschillende vezelrichtingen. Hij wordt geinnerveerd de nn. caudal pectoralis. Hij kan de poot naar caudaal trekken en doet extensie van de schouder.
  • Wat kun je vertellen over de m. brachiocephalicus?
    Een andere spier die geheel langs de nek loopt. Hij ligt mediaal van de v. cephalica. Hij trekt de poot naar voren en doet extensie van de schouder. Hij wordt geïnnerveerd door de n. accessorius.
  • Wat kun je vertellen over de musculus pectoralis superficialis?
    Deze spier ligt over de pectoralis heen maar loopt van links naar rechts. Hij zorgt voor adductie van de poot en het naar voren bewegen van de poot als er geen gewicht op zit.
  • Wat kun je vertellen over de m. biceps brachi?
    Z'n aanhechtingspees ligt in de intertubulare groeve van de humerus. Aan de andere kant van de v. cephalica. Hij zorgt voor flexie van de elleboog en extensie van het schoudergewricht. Hij wordt geïnnerveerd door de n. musculocutaneous.
  • Wat kun je vertellen over de m. serratus ventralis?
    Deze spier ligt onder de lattissimus dorsi en bevestigt de scapula aan de thorax. Hij heeft een waaier vorm met een cervicaal en thoracaal gedeelte. Hij wordt geinnerveerd door de n. thoracalis.
  • Wat kun je vertellen over de m. rhomboideus?
    Het is de dikke rugspier die echt bovenaan het lijf ligt. Hij hecht aan de spinaal wervels en de eindigt bij de dorsale kant van de scapula. Ook deze stabiliseert de scapula. Hij wordt geinnerveerd door de n. cervicale en thoracale zenuwen.
  • Wat kun je vertellen over de m. supraspinatus?
    Het is een spier die craniaal op de scapula ligt, direct op het bot. Hij stabiliseert de schouder en wordt geïnnerveerd door de n.suprascapularis.
  • Wat kun je vertellen over de m. subscapularis?
    Deze spier ligt in de oksel naast de supraspinatus, de serratus ventralis is er op aangehecht. Hij hecht zelf aan op de humerus. Hij wordt geinnerveerd door de n. scapularis en axillaris. Hij zorgt voor adductie en stabilisatie van het scapulohumerale gewricht.
  • Wat kun je zeggen over de m. teres major?
    De dikke n. radius loopt eroverheen en hij ligt in het okselgebied. Hij wordt echter geinnerveerd door de n. axillaris. Hij zorgt voor flexie van de schouder.
  • Waar loopt de n. axillaris?
    In de plexus brachialis, ongeveer in het midden. Hij innerveert de teres major en minor en de deltoideus.
  • Waar loopt de n. radialis?
    Caudaal van de n. axillaris in de plexus brachialis. Distaal duikt ie de triceps in, cirkelt ie om de humerus heen en eindigt dan bij de triceps. Bij de onderpoot loopt ie craniaal naast de v. cephalica.
  • Wat kun je zeggen over de a. axillaris?
    Hij loopt naast de dikke v. axillaris, het meest caudaal in de plexus brachialis. Hij loopt verder naar distaal aan de mediale zijde van de poot. Het is dan ook de primaire bloedsupply voor de voorpoot. Hij komt uit de subclavia.
  • Wat kun je zeggen over de n. medialis en ulnaris?
    Ze lopen samen door de plexus brachialis tussen de a. en v. axillaris in. Nadat ze splitten loopt de medialis met de a. brachialis mee en loopt uiteindelijk naar distaal. De ulnaris loopt samen met de a.ulnaris
  • Op welke volgorde lopen de zenuwen in de plexus brachialis vanaf de v. axillaris?
    N. musculocutaneus en n. medianus, n. ulnaris, n. radialis, n. axillaris, suprascapularis en n. subscapularis.
  • Wat kun je zeggen over de teres major?
    Loopt aan de mediale kant van de poot, met twee dikke zenuwen erop. Hij zorgt voor flexie van de schouder en wordt geïnnerveerd door de n. axillaris.
  • Wat zijn je epicondyles?
    De twee distale koppen van de humerus. Je hebt een mediale en een laterale.
  • Wat is de processus anconeus?
    De punt van de ulna.
  • Wat kun je vertellen over de m. extensor carpi radialis?
    De spier loopt over de radius aan, aan de craniale zijde van de poot. Het is de grootste extensor spier. Hij zorgt voor extensie van de carpus en wordt geïnnerveerd door de n. radialis.
  • Wat kun je vertellen over de m. extensor digitorum communis?
    Een vrij dunne spier aan de laterale zijde van het dier. Hij doet extensie van de digits en wordt geïnnerveerd door de n. radius.
  • Wat kun je vertellen over de m. extensor digitorum lateralis?
    Deze loopt direct naast de m. extensor digitorum communis en is ook vrij dun. Deze doet extensie van de carpus en digits en wordt geïnnerveerd door de n. radialis.
  • Wat kun je vertellen over de m. extensor carpi ulnaris?
    Deze spier loopt over de ulna heen naast de m. extensor digitorum lateralis. Hij doet extensie en abductie van de carpus en wordt geïnnerveerd door de n. radialis.
  • Wat kun je vertellen over de m. flexor carpi radialis?
    Deze spier ligt aan de mediale zijde van de poot naast de pronator teres, de insertie ervan gaat door het carpaal kanaal. Hij doet flexie van de carpus en wordt geïnnerveerd door de n. medianus.
  • Wat kun je vertellen over de m. pronator teres?
    Deze ligt naast de m. extensor carpi radialis aan de mediale kant, hij doet pronatie en wordt geïnnerveerd door de n. medialis.
  • Wat kun je vertellen over de m. flexor digitorum superficialis?
    Dit is de oppervlakkige buiger, aan de rechter caudale kant van de poot. Hij doet flexie van de carpus en flexie van de teentjes II tot V. Hij wordt geïnnerveerd door de n. medianus. Hieronder ligt de diepe buiger.
  • Wat kun je zeggen over de m. flexor carpi ulnaris?
    Hij ligt links aan de caudale kant van de poot en heeft twee spierbuiken: caput ulnare en caput humerale. Hij doet flexie van de carpus en wordt geïnnerveerd door de n. ulnaris.
  • Wat is de sesamschede?
    De ruimte tussen de oppervlakkige en diepe buiger bij het paard.
  • Wat is de lacertus fibrosus?
    De lange pees van de biceps brachi. Hij speelt een rol bij het passief staan. Hij mixed met de pees van de extensor carpi radialis. Hierdoor kan de biceps ontspannen zonder dat de poot instort.
  • Wat zijn de check ligamenten?
    The superficial digital flexor muscle, continues past the carpus as a thick tendon. The accessory or superior check ligament is its tendinous radial head that joins the muscle at this point. The tendons continue distally and bifurcate by the fetlock into slips, that attach to the medial and lateral aspect of the pastern joint. There is therefore a ligamentous connection from the distal radius to the pastern that can help prevent extension of the carpal and fetlock joint without muscle contractions.
    The deep digital flexor also forms a thick tendon just proximal to the carpus. The accessory ligament or inferior check ligament, joins the tendon at the middle of the metacarpus. They then continue through the bifurcation of the superficial digital flexor tendon , through the intersesamoidean groove at the fetlock joint, over the pastern and insert on the distal phalanx. This ligamentous tissue between the metacarpal region and distal phalanx helps prevent extension of the fetlock , pastern and coffin joints.
  • Hoe onderscheid je de a. brachialis en a. mediana van elkaar?
    De a. brachialis loopt meer proximaal en de mediana loopt meer distaal.
  • Waaruit bestaat het heupbot?
    Het puntige deel is het ischium, de rest is het ilium. Het gat waar de femur in gaat heet het acetabulum, hieromheen zit het lacrum acetabulare, een ring van kraakbeen die de femur op z'n plek houdt. De tuber coxae vormen de onderkant van de vleugels. Het gedeelte waar de twee ischia fuseren heet de pubis, het gaatje daar tussen in is de symphasis pelvina. Het gat in het heupgewricht is het foramen obturatorium. Dat bot met al die gaatjes erin in het sacrum. Aan de hand van deze namen kun je berederen waar de ligamenten heen gaan.
  • Wat is het ligamentum accessorium ossis femoris?
    Een ligament wat alleen voorkomt bij het paard en het konijn. Het vormt een verbinding tussen de m. rectus abdominis en foveo capitis.
  • Wat kun je vertellen over de m. biceps femoris?
    Het is een grote spier op de achterpoot, die rechts en deels over de quadriceps heen ligt. Hij zorgt voor extensie van de hip en flexie van de knie (stifle joint). Hij wordt geïnnerveerd door de n. sciaticus.
  • Wat kun vertellen over de m. gluteus medius?
    Z'n origo is de vleugel van het ilium, z'n insertie de trochanter. Hij zorgt voor extensie en abductie van de heup, mediale rotatie van de dij. Hij wordt geïnnerveerd door de n. gluteus. Dit geldt eigenlijk ook voor de gluteus superficialis, minus de rotatie.
  • Wat kun je vertellen over de m. gracilis?
    Ligt aan de mediale kant van de achterpoot, het is een vrije grotere spier, die naast de kleinere m. adductor. Hij zorgt voor adductie van de poot en flexie van de knie. Hij wordt geïnnerveerd door de n. obturator.
  • Wat kun je vertellen over de m. adductor?
    Deze spier loopt naast de v. saphena en a. femoralis. Hij ligt gedeeltelijk onder de gracilis, naast de semimembranosus. Hij zorgt voor adductie van de poot en extensie van de heup. Hij wordt geïnnerveerd door de obturator.
  • Wat kun je vertellen over de m. pectineus?
    Deze loopt naast de adductor en het caudale gedeelte van de sartorius (niet bij het konijn). Hij zorgt voor adductie van de achterpoot en wordt geïnnerveerd door de n. obturator.
  • Wat kun je vertellen over de m. quadriceps femoris?
    Hij bestaat uit vier delen: de rectus femoris (het enige deel wat op het heupgewricht en kniegewricht inwerkt), de vastus lateralis (het grootste gedeelte), vastus medialis en de vastus intermedius. Hij kan dus flexie van de heup doen en sterke extensie van het kniegewricht. Hij wordt geïnnerveerd door de n. femoralis.
  • Wat kun je vertellen over de m. sartorius?
    Hij loopt normaal gesproken aan de craniale kant van de gluteus spieren, maar bij het konijn loopt ie mediaal als een strengetje. Z'n insertie is op de patella. Hij doet hip flexie, het craniale deel strekt de knie, het caudale deel buigt de knie. Hij wordt geïnnerveerd door de n. femoralis.
  • Wat kun je vertellen over de m. semimembranosus?
    Deze loopt meer aan de mediale zijde van de poot en is onderdeel van de hamstrings. Hij kan de knie buigen of strekken, afhankelijk van het gewicht wat erop staat. Hij wordt geïnnerveerd door de n. sciaticus.
  • Wat kun je vertellen over de m. semintendinosus?
    Deze spier loopt naast de semimembranosus maar meer craniaal. Hij zorgt voor extensie van heup en hak, en flexie van de knie. Hij wordt geïnnerveerd door de n. sciaticus.
  • Wat kun je vertellen over de m. tensor fascia latae?
    Hij zorgt voor flexie van de heup en extensie van de knie. Bij het konijn is dit een erg grote spier, bij de rest van de diersoorten valt het wel mee. Hij wordt geïnnerveerd door de n. gluteus.
  • Hoe verlopen de arteriën in de achterpoot?
    Vanuit de aorta komen de a. iliaca interna en externa te voorschijn. Vanuit de a. iliaca externa komt de a. femoralis bij de humerus. Bij de tibia wordt dit de a. poplitea. De a. saphena ontspringt uit de a.femoralis maar loopt aan de meer caudale kant van de poot.
  • Wat is de plexus lumbosacralis?
    De plexus die de achterpoot innerveert, van craniaal naar caudaal is het de n. femoralis, n. saphena en de n. sciaticus. De n. sciaticus splitst in de n. peroneus communis en n. tibialis.
  • Wat is de fabella?
    Een klein sesambeentje, wat bij honden en katten in de m. gastrocnemius zit.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waar komt osteochondrosis voor?
  1. aan het oppervlak van de lange beenderen, gewrichtskraakbeen, het articulair epyfisiaal complex (komt meeste voor)
  2. methaphysaire groeiplaat 
Wanneer sluiten de groeiplaten van paarden? Geef aan van de distale radius, distale tibia, distale metacarpus, phalanx 1, proximale humerus en proximale femur.
afhankelijk van de lokalisatie:
distale radius: 6 maanden 
distale tibia sluit na 4 maanden
distale metacarpus sluit na 3 maanden 
phalanx 1 sluit na 3 maanden
proximale humerus en femur sluiten na 24 tot 36 maanden
Dit is een bot van een schaap. Wat zien we hier? Wat zijn de mogelijke oorzaken?
Hier zien we osteopenie. De gevolgen kunnen zijn:
negatieve energiebalans
voedsel tekort
verhoogde leeftijd
niet gebruik
Welke 4 röntgen foto's moeten worden genomen om te kijken naar een elleboog aandoening.
mediolateraal in extentie
mediolateraal in flexie
craniocaudaal
craniocaudale mediale oblique
Wat betekend imbricatie?
Het korter maken van een ligament
Beschrijf hoe PTH er voor zorgt dat er absorptie van calcium uit het bot komt.
PTH werkt op de osteoblasten die gaan verkleinen en hierdoor ruimte maken voor de osteoclasten. Deze osteoclasten eten het bot op en maken calcium vrij
Benoem de verschillende fracturen. 
dwars/transversaal,
spiraalvormig,
oblique/schuin 
Waar voel je een overvulling van het tarsocruraalgewricht van de hond?
caudaal en craniaal van de collateraalbanden
Waar voel je de overvulling van de ondervoet en de calcaneus?
op mediale deel van de ondervoet, dat onbedekt is door spieren
Waar voel je de overvulling van de carpus bij de hond?
dorsaal