Summary Class notes - Mediq

Course
- A & F MBK
- Henk J. Karssen
- 2017 - 2018
- Henk J Karssen
- A & F MBK
332 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Mediq

  • 1501711200 Weefsel

  • Wat is weefsel?
    Verzameling cellen met dezelfde bouw en een gemeenschappelijke functie, inclusief de extracellulaire stoffen rondom de cellen
  • Vier soorten weefsel?
    1. Epitheel/Dekweefsel 
    2. Steunweefsel 
    3. Spierweefsel 
    4. Zenuwweefsel
  • Wat is epitheel?
    Dekweefsel bestaand uit cellen die een aaneengesloten laag vormen, zonder tussencelstof. Aan een kant blootgesteld aan de omgeving.
    Aan de andere kant vast aan een heel dunne elastische laag: basaalmembraan.
  • Wat is de functie van epitheel?
    • Bescherming, tegen dreigende beschadiging, chemische stoffen, ziekteverwekkers, uitdroging 
    • Transport, zodat stoffen in bepaalde organen terechtkomen
    • Secretie, meestal slijm, dient als plakmiddel, glijmiddel, bescherming tegen uitdrogen en inwerken van enzymen of zuren.  Speeksel door speekselklieren en hormonen door hormoonklieren
  • Wat is eenlagig epitheel?
    Bestaat uit 1 rij epitheelcellen, een uiterst dun vliesje dat kwetsbaar is, maar ook weer snel kan worden gerepareerd
  • Welke vier soorten eenlagig epitheel zijn er?
    1. Plaat epitheel 
    2. Kubisch epitheel 
    3. Cilindrisch epitheel 
    4. Trilhaarepitheel
  • Waar bevindt zich plaatepitheel?
    De binnenbekleding van het hart, de bloed-en lymfevaten en de longblaasjes (endotheel).
    De vliezen rond longen, hart en buikorganen (mesotheel).
  • Hoe ziet kubisch epitheel eruit en waar is het te vinden?
    De cellen zijn even hoog als breed. In de nierbuizen en in de wand van klierbuizen.
  • Hoe ziet cilindrisch epitheel eruit en waar is het te vinden?
    Relatief hoog en bevatten veel organellen i.v.m. secretie.

    De binnenbekleding van de darm, galblaas en de baarmoeder. In de dunne darm een groot aantal microvilli. Uitstulpingen die voor een enorme oppervlaktevergroting zorgen.
  • Hoe ziet trilhaarepitheel eruit en waar is het te vinden?
    Bestaat uit hoge cellen bedekt met cilia (trilharen). Veel slijmcellen die continu slijm produceren. Binnenbekleding van luchtwegen en in de eileiders.
  • Wat is meerlagig epitheel?
    Enkele tot vele lagen epitheelcellen, de onderste lagen zijn kubisch of cilindrisch. De meest oppervlakkig gelegen hebben een slijtfunctie.
  • Welke drie soorten meerlagig epitheel zijn er?
    1. Verhoornend plaveiselepitheel 
    2. Niet-verhoornend plaveiselepitheel 
    3. Overgangsepitheel
  • Waar bevindt zich verhoornend plaveiselepitheel?
    Bevindt zich in de opperhuid. Ondoordringbaar voor water en biedt bescherming tegen gevaren van buitenaf.
  • Waar bevindt zich niet-verhoornend plaveiselepitheel?
    Aan te treffen in de mondholte en de vagina. Veel slijmcellen tussen de epitheelcellen (slijmvlies)
  • Waar zit overgangsepitheel?
    Bedekt de urineblaas. In gerekte toestand worden de cellen platgetrokken (elasticiteit).
  • Welke twee soorten klierepitheel zijn er?
    • Exocriene klieren 
    • Endocriene klieren
  • Wat is een kenmerk van exocriene klieren waar zijn ze te vinden?
    Hebben een afvoerbuis, geven product af aan externe milieu (externe secretie).

    • Zweetklieren, borstklieren, darmsapklieren en speekselklieren.  
  • Wat doen endocriene klieren wat geven ze af?
    Geven rechtstreeks af aan het bloed (interne secretie). Zijn altijd hormonen.
  • Wat doet steunweefsel en welke soorten zijn er?
    Geeft het lichaam steun, beschermt de organen en bepaalt hun vorm en onderlinge beweeglijkheid.
    1. Bindweefsel
    2. Kraakbotweefsel
    3. Botweefsel
    4. Vloeibaar steunweefsel
  • Welke vijf soorten bindweefsel zijn er?
    1. Strafbindweefsel waarin collagene vezels overheersen, het opvangen van trekkrachten. 
    2. Elastisch bindweefsel, dit zijn elastische vezels, in de wand van de slagaders en rondom de longen. 
    3. Losmazig bindweefsel, is vervormbaar, functie van vulweefsel bijvoorbeeld tussen de ingewanden 
    4. Vetweefsel als opslagplaats van een reservevoorraad brandstof. Schokdemper voor nieren, handpalmen en voetzolen 
    5. Reticulair bindweefsel is tTe vinden in de lymfoide organen (lymfeknopen, de milt en de thymus) en het rode beenmerg
  • Welke celtypen zijn te vinden in bindweefsel?
    • Fibroblasten zijn bindweefselcellen, onderhoud en aanmaak van matrix en eiwitvezels 
    • Macrofagen die fagocyteren bacteriën en dode weefselcellen 
    • Adipocyten zijn vetcellen voor de opslag van vetdruppels 
    • Mastocyten zijn mestcellen en spelen rol bij afweer
  • Welke eiwitvezels zijn te vinden in bindweefsel?
    • Collagene vezels, deze zijn erg sterk en bepalen vorm van het lichaam.
    • Elastische vezels zijn heel rekbaar 
    • Reticulaire vezels,  vormen in veel organen een onderling verbonden netvormig raamwerk.  
  • Wat is kenmerkend voor kraakbotweefsel en welke drie soorten kraakbotweefsel zijn er?
    Krachtig en veerkrachtig, doorschijnend en bestaat uit chondrine (kraakbeenlijm) en collagene vezels.

    1. Hyalien, zit tussen de ribben en het borstbeen 
    2. Elastisch zit in de oorschelpen en de neus 
    3. Vezelig bij bot-bot verbinding, zoals tussenwervelschijven en in de symfyse  
  • Wat is botweefsel?
    Opgebouwd uit kalkzouten (calciumfosfaat) en collagene vezels. Botweefsel bestaat uit osteonen
  • Welke twee soorten botweefsel zijn er?
    • Substantia compacta 
    Hard botweefsel. Osteonen liggen dicht tegen elkaar

    • Substantia spongiosa 
    Netwerk van botbalkjes met grote holtes ertussen. In de holten rood beenmerg, in de lange pijpbeenderen en in platte beenderen.
  • Wat is een osteon?
    Botbuis, concentrische lamellen
  • Wat zit in het haverskanaal?
    Hierin zitten bloed- en lymfevaten
  • Wat is vloeibaar steunweefsel?
    Bloed en lymfe hebben een vloeibare matrix. Functie is transport.

    De matrix van bloed heet plasma. Plasma is 90% water met daarin opgeloste zouten, bloedeiwitten, afvalstoffen, voedingsstoffen en hormonen.

    Lymfe is het waterige weefsel in de lymfevaten. Lymfe stroomt door de lymfeknopen heen waar het gecontroleerd wordt op ziekteverwekkers.
  • Hoe stroomt bloed de weefsels binnen?
    Stroomt via de capillairen de weefsels binnen. Voedingsstoffen worden door filtratie uit de capillairen geperst. 
  • Welke twee typen bloedcellen zijn er?
    Rode bloedcellen (erytrocyten) transporteren zuurstof
    Witte bloedcellen (leukocyten) houden zich bezig met de afweer van het lichaam
  • Wat zijn trombocyten?
    Dit zijn celfragmenten in het bloed. Deze bloedplaatjes hebben een belangrijke functie bij de bloedstolling.
  • Wat is kenmerkend voor spierweefsel?
    Heeft het vermogen om te contraheren a.g.v. lange prikkelbare cellen. 
  • Welke drie soorten spierweefsel zijn er?
    • Dwarsgestreept, de strepen zijn het gevolg van de actine- en myosinefilamenten. Snel vermoeid door hoge stofwisseling. Verbonden d.m.v. pezen met delen van het skelet. Aansturing door animale zenuwstelsel.

    • Glad, deze weefsels trekken langzaam samen, reageren traag en onvermoeibaar. In de wand van inwendige organen zoals maag, darmen en bloedvaten. Aansturing door vegetatieve zenuwstelsel. 

    • Hartspier, deze werkt autonoom door de aanwezigheid van een prikkelautomaat in het hart zelf. Onder invloed van het vegetatieve zenuwstelsel. 
  • Waar bevindt zich zenuwweefsel?
    Bevindt zich (98%) in het CZS: hersenen en het ruggenmerg.
    Alle zenuwen samen vormen het perifere zenuwstelsel.

    Weefsel is erg actief en behoefte aan glucose en zuurstof. Weefsel bestaat uit neuronen en neuroglia (1:1)
  • Wat is een neuron?
    Een neuron, of zenuwcel, is een speciaal soort cel die gespecialiseerd is in het ontvangen, verwerken en doorgeven van informatie.

    Een neuron is een speciaal soort cel en daarom ook heel herkenbaar aan zijn uiterlijk. Om signalen te ontvangen beschikken de meeste neuronen over dendrieten. Je zou deze dendrieten kunnen vergelijken met een soort antennes. Deze antennes zijn verbonden met een andere cel via de synaps. Alle binnenkomende signalen op de dendrieten worden bij elkaar opgeteld, en bepalen de elektrische lading van het cellichaam. Wanneer deze elektrische lading een specifieke waarde, de drempelwaarde, bereikt heeft, dan gaat het neuron vuren. Bij het vuren van een cel ontstaat er een actiepotentiaal over het axon van de cel. In simplistische vorm is het axon een dunne spriet aan het cellichaam waar een elektrisch signaal heel snel overheen kan reizen.
  • Wat zijn dendrieten?
    Dendrieten zijn de vertakkingen rondom de celkern (dendriet betekent letterlijk “boom”). Op het oppervlak van het dendriet bevinden zich synaptische receptoren. Via deze receptoren ontvangt het dendriet informatie van de axonen van andere neuronen. De dendrieten geven deze prikkels door aan de celkern, terwijl de axonen juist prikkels van de celkern af geleiden. 
  • Wat is een axon?
    Een axon is een dunne uitloper van een neuron, en een essentieel onderdeel voor het doorgeven van informatie. Het axon komt uit bij de synaps, waar communicatie met een andere cel mogelijk is door middel van overdracht van neurotransmitters. 
    De belangrijkste functie van het axon is het geleiden van een actiepotentiaal. Dit is een elektrische puls die wordt verplaatst doordat geladen ionen het axon binnenkomen en uitgaan.

    Om een actiepotentiaal snel over zo’n lange afstand te versturen werken neuronen samen metgliacellen. Deze cellen omhullen het axon met een stofje datmyelinewordt genoemd en zorgt voor isolatie. Hierdoor kan de elektrische lading in het axon niet weglekken. Om het toch mogelijk te maken dat de ionen het axon binnengaan is de myeline-schede soms onderbroken. Deze onderbrekingen worden de knopen van Ranvier genoemd. 

    Bij de knopen van Ranvier kunnen positieve ionen de cel instromen en een actiepotentiaal voortzetten. De piekspanning die hierbij verspreidt zich vervolgens door het met myeline omhulde gedeelte van het axon, tot het bij de volgende knoop aankomt. Daar begint het hele verhaal weer opnieuw. Een actiepotentiaal springt dus als het ware van de ene opening in de myeline-schede naar de volgende. Door dit systeem kan een actiepotentiaal wel een snelheid van 150 meter per seconde bereiken.
  • Wat is de schede van Schwann?
    omhulling rond de axon; bevat meestal myeline (merg) 
  • Wat is de myelineschede?
    door oligodendrocyten en schwanncellen gevormde schede rondom het axon
  • Wat zijn insnoeringen van Ranvier?
    Onderbrekingen van de myelineschede bij een axon, zorgen voor sprongsgewijze, zeer snelle impulsgeleiding
  • Wat zijn neuroglia/gliacellen?
    Gliacellen zijn cellen van het zenuwweefsel die onder andere de neuronen voeden en ervoor zorgen dat de prikkeloverdracht beter en sneller kan verlopen.
  • Welke neuroglia zijn er?
    Astrocyten Voorzien de zenuwcellen van voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af.

    Oligodendrocyten Lange uitlopers, die elk rond een axon van een zenuwcel gewikkeld zijn. Zo ontstaat de myelineschede, met zijn insnoeringen van Ranvier.

    Microgliocyten Kleinste type gliacellen in het CZS; ruimen beschadigd zenuwweefsel op en hebben een afweerfunctie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

NeurotransmittersExciterende neurotransmittersInhiberende neurotransmitters
  • Exciterende neurotransmitters
Werken stimulerend op de impulsoverdracht.
  • Inhiberende neurotransmitters
Verlagen de permeabiliteit van de postsynaptische membraan. De impuls wordt niet doorgegeven.
Impulsoverdracht: synaps

Overdrachtsplaats van impulsen, tussen zenuwcellen onderling of tussen een zenuwcel en een klier- of spiercel 
Impulsoverdracht: neurotransmitters
Chemische, hormoon-achtige boodschapperstof
Membraanpotentiaal en impulsopwekking
  • Membraanpotentiaal
Het potentiaalverschil tussen binnen- en buitenkant van de cel. Potentiaal is elektrische spanning.
  • Actiepotentiaal
Potentiaalverandering (100 mV) langs een membraan die een impuls veroorzaakt 
  • Impulsgeleiding
De verplaatsing van de actiepotentiaal over de celmembraan. Prikkelgeleiding.
  • Refractaire periode
De tijd dat de celmembraan elektrisch niet te prikkelen is.
Grijze stof
Grijze stof bestaat uit zenuwlichamen en dendrieten.
Witte stof:
Tot de witte stof behoren:
  • de zenuwen in het perifere zenuwstelsel en 
  • de banen van het CZS. 

Functioneel is het een geleidingsweg waarlangs impulsgeleiding plaatsvindt.
Neuroglia : zorgt voor ondersteuning, bescherming en onderhoud van de neuronen Gliacellen: cellen van de neuroglia: voeden, onderhouden en repareren het zenuwweefsel
  • Astrocyten
Stervormige gliacellen in het CZS die de zenuwcellen van voedingsstoffen voorzien en afvalstoffen afvoeren
  • Oligodendrocyten
Klein type gliacellen in het CZS met enkele tot tientallen uitlopers, die rond nabijgelegen axonen gewikkeld zijn; dit omhulsel bevat myeline 
  • Microgliocyten
Kleinste type gliacellen in het CZS; ruimen beschadigd zenuwweefsel op en hebben een afweerfunctie 
  • Ependymcellen
Gliacellen in de wand van de hersenventrikels en het centrale kanaal; spelen een rol bij de vorming van liquor en het handhaven van de bloed-hersenbarrière 
  • Schwanncellen
Gliacellen in het zenuwweefsel in het PZS
Axon Myelineschede Insnoeringen van Ranvier Dendrieten
  • Axon
Zenuwvezel, vervoert impulsen van het cellichaam af.
  • Myelineschede
Axonen zijn omgeven door een vetlaagje, deze is regelmatig onderbroken.
  • Insnoeringen van Ranvier
Een onderbreking in de myelineschede.
  • Dendrieten
Zenuwvezel, ontvangen impulsen van andere zenuwcellen en vervoeren die naar het eigen cellichaam toe.
Neuronen
  • Sensibele neuronen
Afferente neuronen
  • Schakelneuronen
Interneuronen, overdracht van impulsen van de ene op de andere zenuwcel.
  • Motorische neuronen
Efferente neuronen 
Perifere Zenuw Stelsel
De verbindingswegen tussen het CZS en de rest van het lichaam.

De hersenzenuwen, de ruggenmergzenuwen, de grensstreng en de zenuwen van het vegetatieve  zenuwstelsel.