Summary Class notes - Medische Basiskennis

204 Flashcards & Notes
13 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Medische Basiskennis

  • 1422745200 H 2 Cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels, algemene oriëntatie


  • Wat versta je onder de term ‘tussencelruimte’? En wat bevindt zich daar?
    Intercellulaire of tussenweefsel- (interstitiële) ruimte. De ruimte die de afzonderlijke cellen omgeeft.

    In de ruimte bevindt zich vloeibaar tussencelvocht en vaak ook vaste tussencelstof (zoals collageenvezels en kalkzouten in botweefsel).
  • Welke stoffen zijn voor elke menselijke cel van levensbelang? En welke producten moet een menselijke cel kwijt kunnen raken?
    Energiestoffen, H2O (water), Bouwstoffen en O2 (zuurstof).

    CO2 (koolzuurgas), overtollige warmte en vele andere afvalstoffen.
  • Welke twee stofwisselingsprocessen vinden plaats in het lichaam? Waarin verschillen ze?
    Bouwstofwisseling en energiestofwisseling.

    Bij de opbouw van lichaamsweefsel is water nodig, terwijl bij de energieproductie juist water vrijkomt. 

    De bouwstofwisseling vindt plaatst tbv opbouw groei en celvermeerdering.
    De energiestofwisseling is essentieel voor de uitvoering van allerhande celactiviteiten zoals voortbeweging en actief transport van stoffen.
  • Op welke manieren kan een cel geïnformeerd worden over de actuele behoeften van het lichaam?
    Middels het uitwisselen van signalen tussen de diverse cellen. Deze signalen kunnen van chemische (hormonen en andere boodschapperstoffen) of elektrochemische (zenuwsignalen) aard zijn.
  • Noem de orgaanstelsels die zorgen voor uitscheiding van afvalstoffen en CO2.
    Urinewegstelsel, spijsverteringsstelsel en ademhalingsstelsel.
  • Noem de orgaanstelsels die zorgen voor vervoer van voedingsstoffen.
    Circulatiestelsel (bloed en lymfe).
  • Noem de orgaanstelsels die zorgen voor opname van benodigde stoffen uit de buitenwereld.
    Spijsverteringsstelsel en ademhalingsstelsel.
  • Noem de orgaanstelsels die zorgen voor regulatie van de lichaamsfuncties.
    Zenuw- en hormoonstelsel.
  • Noem alle orgaanstelsels en noem daarbij de functies die elk ervan heeft (11 stelsels)
    1  Circulatiestelsel: aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen vanuit de opname organen naar de cellen en afvoer van afvalstoffen en koolzuur vanuit de cellen naar de uitscheidingsorganen.
    2 Spijsverteringsstelsel: opname van voedingsstoffen in het bloed en uitscheiding van afvalstoffen via de gal.
    Ademhalingsstelsel: opname van zuurstof in het bloed en uitscheiding van koolzuur uit het bloed.
    4 Urinewegstelsel: stabiel houden van de samenstelling en druk van de lichaamsvloeistoffen door uitscheiding van overtollig water en diverse daarin opgeloste stoffen.
    5 Huid: bescherming van de cellen, weefsels en organen, temperatuurregulatie en zorg voor verschillende vormen van contact met de buitenwereld.
    6 Houdings- en bewegingsapparaat: zorg voor zowel stevigheid, beweeglijkheid als expressie door middel van een samenwerkend verband van botten, kraakbeen, gewrichten, pezen, banden en spieren.
    Zintuigen: continue aanvoer van informatie over de stand van zaken binnen en buiten het lichaam.
    8 Zenuwstelsel: snelle en nauwkeurige aanvoer van zintuiginformatie naar het centraal zenuwstelsel, verwerking van deze informatie en omvorming ervan tot een passende reactie.
    Hormoonstelsel: afgifte aan het bloed van tientallen verschillende boodschapperstoffen om het functioneren van bepaalde weefsels traag en enigszins grof bij te sturen.
    10 Afweerstelsel: bescherming van het lichaam tegen mogelijke ziekteverwekkers.
    11 Voortplantingsstelsel: het voortbestaan van onze soort mogelijk maken voorbij de individuele dood en het mogelijk maken van seksuele intimiteit.
  • Uit welke ‘onderdelen’ is een cel globaal opgebouwd?
    Celwand (waaronder celmembraan), cytoplasma en organellen (waaronder de celkern)
  • Geef een globaal overzicht van de belangrijkste celfuncties (8) en geef aan welke delen van de cel daarin betrokken zijn
    1   Bescherming, stoffen opnemen en uitscheiden en handhaven elektrische lading; celwand.

    2   Ontvangen van prikkels middels receptoren in de celwand.

    3   Voedsel- en afvalverwerking door de lysosomen: vernietigen, verteren en
    verwerken van stoffen die de cel opneemt en vormt.
    4   Opslagplaats van het DNA, regulatiecentrum en plaats van aflezen van de genen in de celkern.

    5   Productie van eiwitten voor gebruik binnen de cel door vrij in het celplasma liggende ribosomen.

    6   Productie van eiwitten voor gebruik in de celwand en buiten de cel door ribosomen die op het endoplasmatisch reticulum liggen.

    7  Nabewerken  of verpakken van eiwitten door het Golgi-apparaat.

    8  Energieproductie door de mitochondriën.
  • Leg uit wat receptoren zijn en op welke manieren ze kunnen aanpassen.
    Receptoren zijn moleculaire ontvangststations die zich hoofdzakelijk in de celwand bevinden.

    Het aantal van een bepaald type kan toenemen (up-regulatie) of afnemen (down-regulatie) en de gevoeligheid van een bepaald receptortype kan veranderen.
  • Noem twee manieren waarop een cel een stof kan opnemen of juist uitscheiden.
    Passieve opname/uitscheiding door diffusie.
    Actieve opname/uitscheiding door hier energie in te stoppen.
  • Op welke manier is de cel afhankelijk van zijn omgeving om stoffen op te kunnen nemen en kwijt re raken?
    Door continue verversing van het tussencelvocht; weefselcirculatie.
  • Waaruit bestaat een weefsel nog meer, behalve uit een groep cellen met dezelfde bouw en functie(s)? 
    Het bestaat ook uit tussencelstof en –vloeistof.
  • Hoe heet het proces dat leidt tot de vorming van verschillende soorten cellen uit één bevruchte eicel? 
    Dit proces heet differentiatie.
  • In welke 4 hoofdrichtingen kan een cel zich differentiëren? 
    Dekweefselcel, bindweefselcel, spiercel en zenuwcel.

  • Leg kort uit hoe celdifferentiatie tot stand komt. 
    Differentiatie komt tot stand door het activeren en inactiveren van genen.
  • Wat versta je onder een stamcel? 
    Een stamcel is een onvolledig gedifferentieerde cel.
  • Geef een voorbeeld van een orgaan of structuur dat door een aantal weefsels wordt gevormd. 
    De maag; binnen- en buitenwand bestaat uit dekweefsel, met daartussen bind- en spierweefsel en is geïnnerveerd door zenuwweefsel.
  • Noem 5 of meer plekken in het lichaam waar zich epitheel bevindt. 
    Huid, mond, slokdarm, maag-darmkanaal, luchtwegen en longen, exo- en endocriene klieren, urinewegen, delen van het voortplantingsstelsel, gehoorgang en bindvlies van de ogen.
  • Waaruit bestaat de bekledende laag van de slijmvliezen? 
    Epitheelcellen; slijmvormend of trilhaarepitheel.
  • Hoe wordt het (ondoorbloede) epitheel gevoed?
    Vanuit de onderliggende, doorbloede bindweefsellaag, via de tussencelruimte.
  • Noem twee of meer plekken in het lichaam waar zich endotheel bevindt. En drie of meer plekken waar zich mesotheel bevindt. 
    Endotheel vormt de binnenste bekledende laag van alle bloed- en lymfevaten en het hart.

    Mesotheel vormt de bekledende laag van het hartzakje, het buikvliezen en het long- en borstvlies.
  • Noem één of meer verschillen tussen epitheel, endotheel en mesotheel. 
    Epitheel is niet doorbloed en staat in open verbinding met de buitenwereld (behalve de endocriene klieren).  Mesotheel en endotheel zijn wel doorbloed en staan niet in open verbinding met de buitenwereld.
  • Noem 5 of meer functies die epitheel kan vervullen. 
    Bescherming tegen uitdroging en lichaamsvreemde stoffen, transport langs het oppervlak, opname van voedingstoffen en zuurstof, uitscheiding zoals urine, kooldioxide en gal, afscheiding van diverse stoffen.
  • Wat is het grote verschil tussen endocriene en exocriene klieren?
    Endocriene klieren zijn afgesloten van de buitenwereld en geven hun klierproducten (hormonen) af aan het bloed. Exocriene klieren staan in verbinding met en geven hun klierproducten (zoals zweet, talg, speeksel en darmsappen) af aan de buitenwereld.
  • Noem van de volgende eigenlijke bindweefselsoorten één of meer plaatsen in het lichaam waar ze zich bevinden.
    collageen bindweefsel; lederhuid, fascie, pezen en banden.
    elastisch bindweefsel; in de wand van grote slagaders.
    losmazig bindweefsel; tussen lederhuid en spieren en tussen diverse organen.
    reticulair bindweefsel; in het rode beenmerg, de milt en lymfeknopen.
  • Uit welke drie componenten bestaat botweefsel? Botweefsel bestaat uit een mengeling van botcellen, collageenvezels en kalk.
    Botweefsel bestaat uit een mengeling van botcellen, collageenvezels en kalk
  • Noem drie eigenschappen van botweefsel. 
    Botweefsel is zowel taai als stijf, kan zich aanpassen aan de mate van belasting en herstelt relatief snel van beschadiging en breuk.
  • Noem van de volgende kraakbeensoorten een plaats in het lichaam waar ze zich bevinden: glasachtig, vezelig en elastisch kraakbeen
    glasachtig kraakbeen; gewrichtsoppervlakken, tussen borstbeen en ribben.


    vezelig kraakbeen; stijve botverbindingen (zoals verbinding schaambeenderen) en tussenwervelschijven.


    elastisch kraakbeen; oorschelp en strottenklepje.
  • Wat kun je zeggen van de mate van doorbloeding van kraakbeenweefsel? 
    Kraakbeenweefsel is in het geheel niet doorbloed.
  • Noem het belangrijkste kenmerk dat spierweefsel onderscheidt van andere weefsels. 
    Spierweefsel kan zich actief verkorten; er is geen ander weefsel dat hiertoe in staat is.
  • Waar vinden we skeletspierweefsel? 
    Skeletspierweefsel vinden we in alle beweging- en houdingspieren en in de willekeurige kringspieren.
  • Waar vinden we glad spierweefsel? Geef 3 voorbeelden.
    Glad spierweefsel bevindt zich in de wand van holle organen en structuren, zoals de bloedvaten, het maag/darmkanaal en de blaas.
  • Noem drie verschillen in functioneren tussen skeletspierweefsel, glad spierweefsel en hartspierweefsel. 
    Samentreksnelheid; skelet en hart snel, glad traag.

    Beïnvloedbaarheid; skelet willekeurig, glad en hart onwillekeurig.

    Vermoeibaarheid; skelet wel, glad en hart niet.
  • Wat is de algemene functie van zenuwweefsel? 
    Zenuwweefsel heeft de functie om signalen te vervoeren.
  • Op welke plaatsen in het lichaam bevindt zich zenuwweefsel? 
    Zenuwweefsel bevindt zich in het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg), met uitlopers naar de rest van het lichaam.
  • In welke vorm wordt in zenuwweefsel een signaal vervoerd? 
    Signalen worden in elektrische vorm vervoerd.
  • In welke vorm wordt een elektrisch signaal aan het eind van een zenuwvezel overgedragen? 
    Signaaloverdracht vindt plaats door chemische stoffen.
  • In welk weefsel vinden we geen (uitlopers van) zenuwweefsel?
    In kraakbeenweefsel bevinden zich geen zenuwuitlopers.
  • In welke drie delen is de romp onder te verdelen? 
    De romp is onder te verdelen in borst, buik en bekken.
  • Welke structuur vormt de grens tussen borstholte en buik?
    Tussen borst en buik bevindt zich het middenrif.
  • Noem de organen en structuren die in de borstholte liggen.
    In de borstholte liggen de longen en het mediastinum.
  • Leg uit wat bedoeld wordt met het mediastinum. 
    Het mediastinum is het gebied in de borstholte tussen de longen, waarin de volgende organen liggen: hart, aorta en bovenste holle ader, slokdarm, luchtpijp en zwezerik
  • Noem de organen en structuren die in de buik liggen. 
    In de buik liggen de maag, de twaalfvingerige darm, de dunne en de dikke darm, de lever en galblaas, de alvleesklier en de milt, de nieren, de aorta en de onderste holle ader.
  • Noem de organen of structuren die in het bekken liggen. 
    In het bekken liggen de endeldarm, de blaas en urinebuis, de baarmoeder, eierstokken en eileiders (♀) of zaadleiders en prostaat(♂).
  • Beschrijf en/of teken globaal de bouw van een hol orgaan of holle structuur. 
    Een hol orgaan is opgebouwd uit een laag dekweefsel (slijmvliesepitheel of endotheel), een dun laagje bindweefsel, één of meer lagen glad spierweefsel en een laag bindweefsel; eventueel nog omgeven door een laagje mesotheel.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Example questions in this summary

Noem een aantal situaties waarin het lichaam uitgeput kan raken, doordat er teveel energie wordt gebruikt of de balans verstoord raakt. 
6
Beschrijf een paar voorbeelden waarin het lichaam wijs lijkt te adviseren. 
6
Wat is het uiteindelijke fysiologische doel van de spijsvertering? 
6
Noem en beschrijf de vier stappen van de spijsvertering. En geef aan waar deze stappen voornamelijk plaatsvinden.
6
Page 1 of 51