Summary Class notes - Medische biologie

Course
- Medische biologie
- Janneke de Bruin
- 2016 - 2017
- Hogeschool Leiden (Hogeschool Leiden, Leiden)
- Opleiding tot Verpleegkundige
203 Flashcards & Notes
8 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Medische biologie

  • 1479855600 Obesitas en voedingsproblemen

  • Leerdoel.
    De fysiologische processen die horen bij het ontstaan of in stand houden van obesitas beschrijven.
    Calorie (cal) = hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur van 1 gram water 1°C te verhogen.
    Kilocalorie (kcal) = hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur van 1 kilo water 1 °C te verhogen.
    In 1 gram vet zit 9.46 kcal
    In 1 gram koolhydraten zit 4.18 kcal
    In 1 gram eiwitten zit 4.32 kcal

    Basaal metabolisme is de hoeveelheid kcal je minimaal op een dag verbruikt in geval van rust. Dus als je de hele dag in bed blijft liggen, hoeveel kcal verbrand je dan.Het basaal metabolisme is afhankelijk van:
    • leeftijd,
    • geslacht,
    • lichamelijke conditie,
    • lichaamsgewicht,
    • genetische verschillen,
    • hormoonhuishouding, etc.

    De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid calorie-inname is voor mannen 2500 kcal en voor vrouwen 2000 kcal, gemiddeld genomen. Bij mensen met obesitas wordt die grens over het algemeen flink overschreden, waardoor er teveel calorieën binnen komen die niet gebruikt worden voor de verbranding, dus dan wordt het als vet opgeslagen. Mensen met obesitas bewegen over het algemeen ook onvoldoende, dus zouden alleen al daarom minder moeten eten omdat ze dus minimaal energie verbranden.
  • Vervolg leerdoel
    De fysiologische processen die horen bij het ontstaan of in stand houden van obesitas beschrijven.
    De hypothalamus geeft hormonen af die het hongergevoel aangeven of juist afremmen.
    Ghreline: deze hormonen worden aangemaakt door maagcellen bij een lege maag
    • Aanmaak neemt af bij hoge bloedsuiker
    • Vermindert vetafbraak en stimuleert vetaanmaak
    • Laat maag samenknijpen
    Leptine: deze hormonen worden aangemaakt door vetweefsel
    • Eetlustremmend
    • Stimuleert de stofwisseling
    Wanneer je niet ‘luistert’ naar deze signalen, dus niet gaat eten bij een hongergevoel of bijvoorbeeld niet stopt met eten terwijl je eigenlijk vol genoeg zit, dan stopt de hypothalamus met de afgifte van de hormonen. Dit kan wel weer terug komen.

  • Leerdoel.

    Verklaren welke factoren de energiebalans beïnvloeden. 
    Energie opname ↑

    Hongergevoel                                                   Psychosociale factoren
    • leptine resistentie                                  - aangeleerd eetgedrag
    • genetische factoren                              - eten bij stress
    • oestrogenen                                           - overdadig aanbod
    • vezelarme voeding                                - zelfbeeld, persoonlijkheid
    • depressie
    •  stoppen met roken
    • bepaalde medicatie

  • Energie verbruik ↓
    Basaalmetabolisme                                         Lichamelijke inspanning
    • genetische factoren                               - beweegarme omgeving
    • leptine resistentie                                   - overgewicht & obesitas
    • afvallen, ondervoeding                          - slecht voorbeeld omgeving
    • spierweefsel ↓                                        - zittend gedrag
    • vetweefsel ↑
    • schildklierwerking ↓
    • medicatie
  • Wat is procentueel de verdeling van energieverbruik, kijkende naar het basaalmetabolisme, voeding (verteren) en fysieke activiteit?
    Basaalmetabolisme 60 - 75%
    Voeding (verteren) 15 - 30%
    Fysieke activiteit 10%
  • Leerdoel.
    De prognose en complicaties bij obesitas uitleggen
    In Nederland is 42% van de mannen en 37% van de vrouwen te zwaar.

    Overgewicht ontstaat door over-consumeren van calorierijk voedsel. Ook genen, stress, ontregelde stofwisseling en te weinig lichaamsbeweging kunnen meespelen.

    Met de Body Mass Index (BMI) kan je berekenen of je een bij jouw lengte passend gezond gewicht hebt. De formule voor het berekenen van je BMI is gewicht (kg) / (lengte (m) ^2)
    Naast het lichaamsgewicht is de buikomvang meten ook erg belangrijk. De meeste vetten gaan rondom je buik zitten, dus met de buikomvang binnen de aanbevolen marge zitten is zeer aangeraden.

    Mensen met (morbide) obesitas lopen grote kans op andere ernstige, chronische aandoeningen.
    Denk hierbij aan DM2, cardiovasculaire aandoeningen, chronische gewrichtsklachten, kanker, galstenen, slaapapneu, verminderde vruchtbaarheid en erectiële disfunctie.

    De levensverwachting van mensen met obesitas is verminderd met 6 – 7 jaar. Kinderen met obesitas hebben een verhoogd risico om jong te overlijden.
  • Wat is de range van BMI bij normaal gewicht, overgewicht en obesitas?
    Normaal gewicht: 18,5 - 24,9
    Overgewicht: 25 - 29,9
    Obesitas: 30 - 39,9
    Morbide orbesitas: >40
  • Leerdoel.
    Het begrip gewicht gerelateerd gezondheidsrisico uitleggen
    Naast het overgewicht kunnen mensen met obesitas ook verschillende andere chronische ziekten oplopen. Het ligt aan de hoogte van de BMI en of men wel of niet verhoogd risico heeft op HVZ, DM2 óf dat er naast obesitas al sprake is van een chronische aandoening.
    Bovenstaand tabel laat zien wat de verschillende niveaus zijn van gewicht gerelateerd gezondheidsrisico. Hoe hoger de BMI en hoe hoger het risico op of het aanwezig zijn van andere chronische ziekten, hoe groter de kans op overlijden is.
  • Leerdoel.
    De relatie tussen obesitas en cardio metabole risico’s beschrijven
    Cardio metabool risico. = risico op aantal chronische ziektes. 
    - Hart- en vaatziekten,
    - Diabetes Mellitus type 2,
    - Nierziekten.


    Er zijn verschillende risicofactoren waarbij je een vergrote kans hebt op een van de chronische ziekten, zoals:
    • Roken; veroorzaakt 21% van de coronaire hartziekten, 14% beroerte, 10% hartfalen,
    • Hypertensie; systolische druk >140 mmHg of diastolische druk >90 mmHg. Risico op beroerte, coronaire hartziekten, hartfalen en chronische nierschade,
    • Dyslipidemie (LDL/HDL) Vetstofwisselingsziekte,
    • Verhoogd glucose; onder de 6,1 mmol/l = geen diabetes, tussen de 6,1 en 6,9 mmol/l = voorfase van diabetes, boven de 6,9 mmol/l = Diabetes
      Mensen met DM2 hebben verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
    • Overgewicht; productie cytokines en hormonen. Disfunctie alvleesklier en dekweefsel. Verstoring ontstekingsprocessen, bloedstolling en bloeddruk.
    • Onvoldoende lichaamsbeweging; 50-plussers +1 – 4 jaar bij voldoende beweging door verlaging bloeddruk, verlaging cholesterol, bloedsuiker regulatie

    Mensen met obesitas hebben vaak ook last van andere risicofactoren voor cardio metabole aandoeningen. Zo hebben ze vaak hypertensie, verhoogde glucose, weinig lichaamsbeweging.
    Dat alles bij elkaar zorgt ervoor dat mensen met obesitas een zeer grote kans hebben op het krijgen van hart- en vaatziekten, DM2 en nierziekten.
  • Wat zijn LDL en HDL?
    LDL en HDL heeft te maken met het cholesterol. 
    - De slechte variant is LDL; deze zorgt er voor dat vetten naar bloedvaten gaat (perifere gedeelten) en dit kan uiteindelijk leiden tot het dichtslibben van vaten.
    - De goede variant is HDL; deze zorgt dat de vetten uit de vaten naar de lever gebracht worden om omgezet te worden.

    Door middel van eten kan het LDL/HDL gehalte beïnvloed worden.
    - Onverzadigde vetten zorgen ervoor dat de goede cholesterol stijgt (HDL).
    - Verzadigde vetten zorgen ervoor dat de slechte cholesterol stijgt (LDL).
  • Leerdoel.
    Uitleggen hoe tekorten of overschotten aan bepaalde voedingsstoffen tot ziekte kunnen leiden
    Bij obesitas is er sprake van teveel inname van calorierijk voedsel, waardoor teveel brandstof in het lichaam zit voor de energie die verbruikt wordt.
    Maar er is ook sprake van ondervoeding; het lichaam komt namelijk essentiële voedingsstoffen tekort.

    Vitamine B1: wordt opgedaan uit melk, vlees en brood.
    Tekort aan vitamine B1:
    - Beriberi (aantasting hart- en vaatstelsel, neurologische symptomen)
    - M. Korsakov; geheugenverlies
    Teveel aan vitamine B1: lage bloeddruk.

    Vitamine C: wordt gehaald uit citrusvruchten.
    Tekort aan vitamine C: scheurbuik
    Teveel aan vitamine C: nierstenen.

    Vitamine D: wordt opgedaan uit zonlicht en is belangrijk voor de botgroei doordat vitamine D noodzakelijk is voor de opname van calcium en fosfor door de dunne darm.
    Tekort aan vitamine D: de beenderen worden zwakker en buigzamer.
    Teveel aan vitamine D: calciumafzettingen in weefsels.
  • Wat schiet in je hoofd bij vitamine B??
    Zit in melk,  brood en vlees.

    Tekort vitamine B1 = Berberi (aantasting hart vaatstelsel)
    M. Korsakov geheugenverlies


    Teveel aan vitamine B1: lage bloeddruk
  • Wat is er met vitamine C???
    Komt uit citrusvruchten!
    Teveel aan vitamine C = scheurbuik
    Tekort aan vitamine C = nierstenen.
  • Vitamine D!
    Komt uit het zonlicht, en is belangrijk voor botgroei doordat vitamine D is noodzakelijk voor de opname van calcium, en fosfor door de dunne darm
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de hoofdcriteria voor de diagnose AIDS?
Altijd sprake van seropositiviteit in combinatie met andere infectieverschijnselen. Bijvoorbeeld:
  • Seropositiviteit en opportunistische infecties; o.a. vogel TBC, candida oesophagitis; gegeneraliseerde herpesinfectie. 
  • Seropositiviteit en tumoren; kaposisarcoom; Non-Hodgkin lymfoom. 
  • Seropositiviteit en aids-dementie; geheugenproblemen en desoriëntatie. 
Welke 3 eigenschappen heeft het HIV virus?
  1. Het is een RNA virus met een veranderlijke wand. Door die variatie is het nog niet gelukt om een vaccin te ontwikkelen.
  2. HIV maakt een reverse transcriptase DNA uit RNA. De virale DNA kopieën worden opgeslagen in de menselijke celkernen, waardoor de infectie steeds terug kan komen, zoals bij Herpes. 
  3. HIV schakelt de T4 helper lymfocyten uit, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de afweer. Hierdoor kunnen verschillende infecties optreden.
Waar wordt virostatica voor gebruikt en geef voorbeeld van een middel.
Virostatica is tegen virussen, een voorbeeld hiervan is een HIV remmer zoals Aciclovir of Zovirax.
Waar wordt antibiotica voor gebruikt en geef voorbeeld van een middel.
Antibiotica is tegen bacteriën, een voorbeeld hiervan is Amoxicilline of Gentamicine.
Waar wordt antimycotica voor gebruikt en geef voorbeeld van een middel.
Antimycotica is tegen schimmels, een voorbeeld hiervan is Miconazol, Daktarin.
Hoe ontstaat de naamgeving van ontstekingen?
Plaats van aanwezigheid + itis. 
Bijvoorbeeld: blindedarm ontsteking → pancreatitis. 
Hoe verkrijg je specifieke afweer op actieve en passieve wijze?
Actief: natuurlijk of injecties.
Passief: natuurlijk of kunstmatig.
Wat is het verschil tussen aspecifieke en specifieke afweer?
Aspecifieke afweer schakelt verschillende soorten micro-organismen uit & is aanwezig vanaf de geboorte. 
Specifieke afweer richt zich op uitschakeling van een soort antigeen. Deze vorm van afweer is niet natuurlijk aanwezig in het lichaam maar moet geleidelijk verworven worden op actieve dan wel passieve wijze.
Wat zijn commensalen?
Commensalen zijn micro-organismen die aanwezig zijn op de huid en in de darmen en in de slijmvliezen van geslachtsorganen. 
Deze commensalen bacteriën maken ons over het algemeen niet ziek.
Ezelsbruggetje: DRUP

Duim → Radius = Spaakbeen   Ulna → Pink = Ellepijp