Summary Class notes - Medische Biologie jaar 1

Course
- Medische Biologie jaar 1
- Annemarie Borst
- 2019 - 2020
- De Haagse Hogeschool (De Haagse Hogeschool, Den Haag)
- Opleiding tot Verpleegkundige
285 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Medische Biologie jaar 1

  • 1549062000 Week 2 - medische terminologie en basale anatomie weefsels

  • Bot; Cranium
    Voorhoofdsbeen
  • Bot; Clavicula
    Sleutelbeen
  • Bot; Scapula
    Schouderblad
  • Bot; Costae
    Ribben
  • Bot; Vertebrae
    Wervels
  • Bot; Os coxae
    Heupbeen
  • Bot; Os sacrum
    Heiligbeen
  • Bot; Femur
    Dijbeen
  • Bot; Sternum
    Borstbeen
  • Bot; Humerus
    Opperarmbeen
  • Bot; Ulna
    Ellepijp
  • Bot; Radius
    Spaakbeen
  • Bot; Patella
    Knieschijf
  • Bot; Tibia
    Scheenbeen
  • Bot; Fibula
    Kuitbeen
  • Bot; Pes
    Voet
  • Gewricht; Cartilago
    Kraakbeen = bekleding van de oppervlak van twee botten
  • Gewricht; Articulatio
    Gewricht = verbinding tussen twee botten
  • Spier; Musculus
    Spier = cellen die de eigenschap hebben te kunnen samentrekken, waardoor beweging mogelijk is
  • Spier; Tendon
    Pees = verbinding tussen spier en een bot
  • Weefsels; Epithelium
    Dekweefsel = begrenzend weefsel en heeft geen tussencelstoffen. Cellen liggen tegen elkaar aan en bevat geen bloedvaten. Het heeft een slijtfunctie en zit met een dunne laag vast aan het onderliggend weefsel
  • Weefsels; Glandula
    Korrelig vormsel
  • Weefsels; Cavum / sinus
    Een gat of ruimte
  • Weefsels; Cavitas thoracis / thorax
    Borstholte = een lichaamsholte waarin zich de longen bevinden met daartussen het mediastinum
  • Weefsels; Cavitas abdominalis / abdomen
    Buikholte = de holte van het lichaam die het grootste deel van de ingewanden bevat
  • Weefsels; Fibreus weefsel
    Bindweefsel = maakt deel uit van alle organen van het lichaam. Het heeft een steunende, dan wel verzorgende functie
  • Weefsels; Stroma
    Steun en bindweefsel
  • Weefsels; Myocard weefsel
    Hartweefsel
  • Weefsels; neuraal weefsel
    Zenuwweefsel
  • Weefsels; Nervus
    Zenuwweefsel
  • Weefsels; Diafragma
    Middenrif = scheiding tussen borst en buikholte
  • Weefsels; Derma / dermis / cutis
    Huid
  • Weefsels; Valvula / valva
    Klepje
  • 1.1
    Levende wezels verrichten de volgende basale functies:
    • reactievermogen
    • groei 
    • voortplanting
    • stofwisseling 
  • 4.1 
    Er zijn tweehonderd verschillende celtypen. Deze zijn gegroepeerd tot weefsels = een verzameling gespecialiseerde cellen en celproducten die een beperkt aantal functies verrichten. 
  • 4.6
    Spierweefsel is gespecialiseerd om zich samen te trekken. Bij contracties van de spiercellen vindt een chemische reactie plaats tussen de filamenten van myosine en actine. Er zijn drie typen spierweefsel in het lichaam
  • Het eerste type spierweefsel:
    Skeletspierweefsel
    Bevat zeer grote, veeltermige cellen. Ze zijn betrekkelijk lang en dun en worden daarom ook wel spiervezels genoemd. Ze lijken doordat de actine- myosinefilamenten in een patroon zijn gerangschikt, op een reeks banden die strekkingen worden genoemd. Skeletspiervezels zijn meestal ontspannen, tenzij ze door zenuwen tot samentrekking worden aangezet, maar kunnen ook door wil beïnvloed worden.  Ze worden ook wel: dwarsgestreepte, willekeurige spieren genoemd.
  • Het tweede type spierweefsel:
    Hartspierweefsel. 
    Bevind zich uitsluitend in het hart. Ze zijn net zoals skeletspierweefsel gestreept, maar is veel kleiner. Hartspiercellen vertakken zich en zijn uitgebreid met elkaar verbonden via de intercallaire schijven (speciale aanhechtingsplaatsen die gap functions en desmosomen bevatten). Ze hebben een zeer beperkt vermogen om zichzelf te herstellen, omdat stamcellen ontbreken en er maar enkele hartspiercellen zijn die kunnen delen is het herstel onvolledig. Hartspiercellen zijn niet afhankelijk van zenuwactiviteit, maar zogenoemde gangmakercellen zorgen voor een regelmatig ritme van samentrekking. Ze worden ook wel: gestreept, onwillekeurig spierweefsel genoemd.
  • Het derde type spierweefsel:
    Gladspierweefsel.
    Wordt aangetroffen in de wanden van bloedvaten, rond holle organen en in lagen rond de luchtwegen, bloedvaten, spijsverteringskanaal en voortplantingsorganen. Het is klein, dun en spoelvormig. Elke gladde spiercel heeft 1 celkern. en liggen door het gehele cytoplasma verspreid, zodat er geen string is. Ze kunnen zich delen, waardoor ze na verwonding gemakkelijk herstellen. Ook kunnen ze uit zichzelf samentrekken of door het zenuwstelsel tot contractie worden aangezet. Het kan meestal niet door wil worden aangezet. Het wordt ook wel niet-gestreept, onwillekeurig spierweefsel genoemd.
  • 4.7 
    Zenuwweefsel, dat ook wel neuraal weefsel wordt genoemd, is gespecialiseerd in het geleiden van elektrische impulsen van het ene gedeelte van het lichaam naar het andere. Het meeste zenuwweefsel is geconcentreerd in de hersenen en het ruggenmerg. Het bevat twee grote groepen celtypen:
  • Eerste groep van de twee groepen celtypen van zenuwweefsel:
    Zenuwcellen of neuronen. Neuronen communiceren via elektrische gebeurtenissen die invloed hebben op hun plasmamembranen. De meeste neuronen kunnen zich niet delen, dus hebben een zeer beperkt vermogen om te herstellen. Een representatief neuron bestaat uit:
    • cellichaam = bevat de celkern
    • dendrieten = uitlopers, die informatie ontvangen 
    • axon = geleiden van informatie naar andere cellen. Worden ook wel zenuwvezels genoemd. Elk axon eindigt bij een synapsknop of axonuiteinde.
  • Tweede groep van de twee groepen celtypen van zenuwweefsel:
    Andere ondersteunende cellen of neuroglia. Biedt fysieke ondersteuning voor het zenuwweefsel, handhaaft de chemische samenstelling van de neurale vloeistoffen, voert voedingstoffen naar neuronen aan en verdedigt het zenuwweefsel tegen infectie.
  • 6.9 
    Botverbindingen of articulaties bestaan op alle plaatsen waar twee beenderen tegen elkaar aan liggen. De structuur is bepalend voor het type beweging dat kan plaatsvinden. 
    Bootverbindingen kunnen worden ingedeeld aan de hand van hun bouw of functie. 
  • Botverbindingen aan de hand van bouw:
    • junctura fibrosa. Wordt door bindweefsel bij elkaar gehouden en laat weinig of geen beweging toe. 
    • kraakbeenverbinding. Wordt door bindweefsel bij elkaar gehouden en laat weinig of geen beweging toe. 
    • junctura synovialis (gerwicht). Wordt omgeven door vezelig weefsel en de uiteinden van de beenderen zijn met kraakbeen bedekt. Vrije beweging is mogelijk.
  • Botverbindingen aan de hand van functie:
    • synartrose botverbinding = onbewegelijke botverbinding
    de benige randen bevinden zich dicht bij elkaar en kunnen zelfs in elkaar grijpen. Het kan vezelig of kraakbenig zijn. 
    • amfiartrose = zeer beperkte beweging 
    De beenderen liggen meestal verder uit elkaar dan bij een synartrose. Het kan vezelig of kraakbenig zijn
    • diartrose of synoviaal = beenderen die vrij kunnen bewegen
    Bevinden zich meestal aan de uiteinden van lange beenderen. Onder normale omstandigheden komen de botoppervlakken niet met elkaar in contact, omdat ze met een speciaal gewrichtsskraakbeen zijn bedekt. Het gewricht is omgeven door een vezelig gewrichtskapsel en het oppervlak van de gewrichtsholte is aan de binnenkant met een synodaal vlies bekleed. Het gewricht wordt gesmeerd door gewrichtsvloeistof
  • 7.1
    Skeletspieren zijn organen die voornamelijk uit spierweefsel bestaan. Ze bevatten echter ook bindweefsel, zenuwen en bloedvaten. Ze hebben de volgende functie:
    1. bewegen van skeletdelen - contracties van skeletspieren trekken aan pezen, waardoor de beenderen worden verplaatst
    2. handhaven van houding en lichaamspositie - de lichaamshouding wordt door voortdurende spiercontracties gehandhaafd. Zonder deze contracties zouden we niet rechtop kunnen zitten etc. 
    3. ondersteunen van weke delen - de buikwand en de boden van bekkenholte bestaan uit lagen skeletspierweefsel. Deze spieren dragen het gewicht van de organen in de buik en bekkenholte en beschermen onze inwendige weefsels tegen beschadiging. 
    4. openen en sluiten van in- en uitgangen - de toeging tot het spijsverteringskanaal en de urinewegen is met ringen van skeletspierweefsel omgeven. 
    5. handhaven van de lichaamstemperatuur - voor spiercontracties is energie nodig, en telkens wanneer in het lichaam energie wordt gebruikt, wordt een deel van deze energie in warmte omgezet. Door deze warmte blijft de lichaamstemperatuur binnen de grenzen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is osmose?
diffusie van water door een semipermeabele membraan.
Wat is diffusie?
Dat is de nettoverplaatsing van moleculen van een plaats met een relatief hoge concentratie (veel botsingen) naar een gebied met een relatief lage concentratie (minder botsingen)
Wat is de thymus?
Een roze klier die in het mediastinum ligt, achter het borstbeen. Dit is de plaats waar T-cellen worden gevormd en tot rijping komen
Wat is de splen?
Milt.
Bevat de grootste hoeveelheid lymfoid weefsel in het lichaam. De functie van de milt lijkt op die van de lymfeknopen. Het verschil is dat de milt bloed filtreert in plaats van lymfe. De milt verwijderd afwijkende bloedcellen en onderdelen van bloedcellen uit het bloed. Ook start het orgaan de reacties van B-cellen en T-cellen op antigenen in het bloed. 
Wat doen efferentie lymfevaten?
Vervoeren de lymfe verder, in de richting van de veneuze systeem
Wat doen afferente lymfevaten?
Voeren lymfe naar een lymfeknoop vanuit de perifere weefsels.
Wat zijn lymfoide organen?
Lymfoide weefels organen zijn complexe structuren die grote aantallen lymfocyten bevatten en die met lymfevaten zijn verbonden (keelamandel, thymus, milt, mucosa en appendix)
Wat is een tonsil?
Een keelamandel.
Grote lymfefollikels in de wanden van de keelholte, bewaken de toegang tot het spijsverteringskanaal en de luchtwegen. Meestal zijn vijf amandelen aanwezig waaronder de tonsil. 
Wat zijn lymfefollikels?
Lymfefollikels zijn verzamelingen lymfoid weefsel, met een omvang van ongeveer een mm. Elke follikel bevat vaak een lichtgekleurd centraal gebied, een zogenoemd kiemcentrum, waar lymfocyten zich actief delen.
Wat zijn lymfocyten?
Dit zijn gespecialiseerde cellen die een reeks specifieke functies verrichten bij de verdediging van het lichaam. Er zijn drie soorten lymfocyten: T-cellen, B-cellen en NK-cellen