Summary Class notes - Microbiële Fysiologie

Course
- Microbiële Fysiologie
- BORA
- 2017 - 2018
- Hanzehogeschool Groningen (Hanzehogeschool Groningen, Groningen)
- Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek
208 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Microbiële Fysiologie

  • 1505253600 Bacteriën

  • Wat zijn de processen van een levend wezen?
    - Groei
    - Vermenigvuldiging
    - Reactievermogen
    - Metabolisme
  • Zijn virussen levende wezens?
    Nee,
    - Geen groei
    - Alleen vermenigvuldiging via een gastheer
    - Geen reactievermogen (gebruiken die van de gastheer)
    - Geen metabolisme (gebruiken die van de gastheer)
    - Geen cytoplasmatisch membraan, celwand of ribosomen en andere celorganellen
  • Wat zijn prokaryoten?
    - Bestaan uit bacteriën en archaea (extreme bacteriën).
    - Hebben geen kern (DNA in het cytoplasma)
    - Hebben geen intern membraan gebonden structuren: geen endoplasmatisch reticulum (ER) of Golgi-systeem (celorganellen).
    - Ze zijn eencellig
    - Ze hebben een simpele structuur:
    Celwand voor het behoud van de vorm (hebben mensen en dieren niet).
    Celmembraan met cytoplasmamet DNA en ribosomen voor de omzetting van het DNA naar eiwitten.
    - Klein: 1 µm of kleiner.
  • Welke vormen bacteriën kun je tegenkomen?
    - Coccen: streptococcen (in een keten), staphylococcen (in trosjes), duplococcen
    - Staven
    - Coccobacillus
    - Spirillen
    - Spirocheten
  • Wat is de vorm van een coccobacillus?
     Een coccobacillus is meestal gram-negatief: lijkt op een coc, maar is een staaf
  • Hoe groot is een bacterie ten opzichte van een virus?
    De kleinste bacterie (Mycoplasma pneumoniae; 0,2 micrometer) is iets groter dan een virus.
    - De Mycoplasma bacterie bevat als enige geen celwand
  • Welke bacterie kan men met het blote oog zien (grootste bacterie)?
    De grootste bacterie: Thiomargarita namibiensis (750 micrometer).
    De bacterie leeft voor de kust van Namibië en kan maximaal 1 mm groot worden.
  • Wat voor voordeel heeft het om zo klein te zijn?
    - Hoe kleiner je bent, hoe een grotere verhouding oppervlak/volume.
    - Dit is efficiënt, want voedselopname via diffusie over het celmembraan wordt gemakkelijker bij een grotere verhouding.
    - Grote bacteriën lossen dit op door voedsel op te slaan in een vacuole.
  • Wat zijn eukaryoten?
    - Hebben een kern met kernmembraan waarin zich het DNA bevindt.
    - Hebben intern membraan gebonden organellen: ER en Golgi.
    - Groter dan prokaryoten: gemiddeld 10-100 micrometer in diameter.
    - Eencellig of meercellig
    - Ze hebben een meer complexe structuur:
    - Familie bestaat uit de algen, protozoa (parasieten), fungi (schimmels), dieren en planten.
    - Dierlijke cellen bevatten als enige geen celwand.
  • Wat zijn de kenmerken van de celwand bij bacteriën?
    - Zorgt voor structuur en karakteristieke vorm
    - Beschermt tegen osmotische druk: behoud van de vorm in een hypertone/hypotone oplossing.
    - Target voor veel antibiotica, maar speelt ook een rol bij de antibiotica resistentie.
    - Bestaat uit peptidoglycaan en verschilt bij gram-positieve en gram-negatieve bacteriën.
  • Wat is peptidoglycaan, waar de celwand uit bestaat?
    - Peptidoglycan is een complex polysaccharide.
    - Het bestaat uit twee elkaar afwisselende suikers, N-acetylglucosamine (NAG) en
    N-acetylmureine zuur (NAM)
    - Ketens van afwisselend NAG en NAM zitten aan elkaar bevestigd door kruisverbindingen bestaande uit 4 aminozuren (tetrapeptiden). Deze tussenverbindingen zitten alleen tussen NAM-delen.
    - Veel antibiotica voorkomen dat de tussenverbindingen kunnen worden gevormd.
  • Wat zijn de kenmerken van een gramnegatieve celwand?
    - Dunne laag peptidoglycaan
    - Bevatten naast het cytoplasmatich membraan (celmembraan) binnen de celwand, ook een buitenmembraan (2 celmembranen met daartussen de celwand).
    - Ruimte tussen celmembraan en dunne peptidoglycaan laag wordt de periplasmatische ruimte genoemd.
    - Het buitenmembraan buiten bevat een dubbele laag fosfolipiden, eiwitten en lipopolysacchariden (LPS).
    - Het Lipide A is onderdeel van de LPS en is toxisch. Dit onderdeel kan koorts, ontstekingsreacties, shock en bloed klontering veroorzaken.
    - Kleuren roze bij gram kleuring. Ethanol kan wel door dunne laag peptidoglycaan, waardoor kristalviolet wordt weggewassen. Door nakleuring met fuchsine kleurt de cel rood/roze.
  • Wat zijn de kenmerken van een grampositieve celwand?
    - Relatief dikke laag peptidoglycaan met wat polyalcohol ertussen.
    - Bevat unique polyalcohol genaamd (lipo)teichoine zuur.
    - (Lipo)teichoinezuur zorgt voor een meer rigide celwand en speelt een rol bij de celgroei.
    - Ziet er paars uit na gramkleuring (vandaar gram positief), want ethanol kan niet door de dikke celwand, waardoor het kristalviolet de cel niet uit kan (kan niet ontkleuren).
  • Hoe zitten de tetrapeptiden (tussenverbindingen van de celwand) bij een gramnegatieve celwand aan elkaar verbonden?
    - De tussenverbindingen bestaan uit twee tetrapeptiden tussen de NAM-delen van de peptidoglycaanlaag (4 aminozuren aan elkaar), welke verbonden zijn door een
    3'-4' verbinding.
    - Het 1e en 4e aminozuur van elke tetrapeptide is een alanine (1e = L-alanine, 4e = D-alanine).
    - Het 3e aminozuur is bij gram-negatieve bacteriën DAP.
  • Hoe zitten de tetrapeptiden (tussenverbindingen van de celwand) bij een grampositieve celwand aan elkaar verbonden?
    - De tussenverbindingen bestaan uit twee tetrapeptiden (4 aminozuren aan elkaar), en een interpeptidebrug tussen de NAM-delen van de peptidoglycaanlaag.
    - De interpeptidebrug bestaat uit 5 glycine aminozuren.
    - De interpeptidebrug zit aan het ene uiteinde vast aan de 3' van een tetrapeptide en aan het andere uiteinde vast aan de 4' van het andere tetrapeptide.
    - Door de interpeptidebrug wordt de peptidoglycaan laag dikker.
    - Het 1e en 4e aminozuur van elke tetrapeptide is een alanine (1e = L-alanine, 4e = D-alanine)
    - Het 3e aminozuur bij gram-positieve bacteriën is een L-lysine.
  • Zijn er ook bacteriën zonder een celwand?
    - Een paar bacterie soorten (o.a. Mycoplasma, kleinste bacterie die we kennen) hebben geen celwand.
    - Daardoor worden deze bacteriën vaak als virussen aangezien, omdat zo klein zijn en geen celwand hebben.
    - Ze hebben echter wel de andere prokaryote eigenschappen zoals de aanwezigheid van ribosomen.
  • Wat is de structuur van een celmembraan?
    - De celmembraan wordt ook wel een fosfolipide dubbellaag genoemd, en bestaat logischerwijs dus uit 2 lagen fosfolipiden (met een hydrofiele kop en hydrofobe staart).
    - Bestaat uit fosfolipiden en eiwitten.
    - Bevat integrale eiwitten (geheel door celmembraan heen) en perifere eiwitten (aan binnenkant van celmembraan, wel eraan vast).
  • Wat zijn de functies van het bacteriële celmembraan?
    - Complete energiebarrière
    - Energieopslag
    - Transporteren van stoffen van binnen naar buiten de cel en andersom
    - Eiwitten (integrale eiwitten) faciliteren vervoer van stoffen over het membraan.
    - Zorgt voor handhaving van concentratieverschil en elektrische gradiënt.
  • Via welke processen worden stoffen over de celmembraan getransporteerd?
    Via passief transport (van hoge naar lage concentratie = kost geen energie/ATP) 
    of actief transport (van lage naar hoge concentratie = kost energie/ATP)
  • Welke vormen van passief transport zijn er?
    • Diffusie
    • Gefaciliteerde diffusie
    • Osmose
  • Wat is osmose?
    De diffusie van water door een specifiek water kanaaleiwit of direct door de fosfolipide laag van hoge naar lage concentratie.
  • Wat is diffusie (gewone diffusie)?
    Transport van opgeloste stoffen direct door de fosfolipide laag van hoge naar lage concentratie.
  • Welke stoffen kunnen door middel van (gewone) diffusie over de celmembraan worden getransporteerd?
    Zuurstof, CO2 en vetoplosbare stoffen
  • Wat is gefaciliteerde diffusie?
    De diffusie van opgeloste stoffen door een eiwitkanaal van hoge naar lage concentratie (specifiek of aspecifiek):
    - Specifiek = voor één soort stof
    - Aspecifiek = voor meerdere soorten stoffen
  • Welke stoffen kunnen door middel van gefaciliteerde diffusie over de celmembraan worden getransporteerd?
    Glucose, fructose, ureum en sommige vitaminen.
  • Welke vormen van actief transport zijn er?
    - Actief transport
    - Groepstranslocatie
  • Wat is actief transport?
    - Actief transport kost energie (ATP).
    - ATP afhankelijke eiwitkanalen kunnen alle stoffen over de celmembraan in de cel brengen (ook van lage naar hoge concentratie).   
    - o.a. transport van ionen: Na+, K+, Ca2+, H+, Cl-
  • Welke drie vormen van actief transport zijn er?
    Uniport, antiport en symport
  • Wat is uniport (actief transport)?
    Uniport is het actief transporteren van 1 molecuul de cel in of uit via een ATP afhankelijk eiwitkanaal.
  • Wat is antiport (actief transport)?
    Antiport is het actief transporteren van 1 molecuul de cel in en 1 molecuul de cel uit via een ATP afhankelijk eiwitkanaal. Dit hoeven niet dezelfde soort moleculen te zijn.
  • Wat is symport (actief transport)?
    Symport is het actief transporteren van meerdere soorten moleculen de cel in of uit via een ATP afhankelijk eiwitkanaal.
  • Wat is ABC-transport?
    Specifiek actief transport, waarbij het te transporteren deeltje eerst bindt aan een periplasmic binding protein, waarna het via een eiwitkanaal dat gebonden is aan een ATP-hydrolyzerend eiwit over de celmembraan wordt getransporteerd.
  • Wat is groepstranslocatie?
    - Actief transport, hierbij wordt de te transporteren substantie chemisch aangepast.
    - Proces dat alleen in sommige bacteriesoorten plaatsvindt.
    - Bv. PEP wordt omgezet in pyruvaat, staat fosfaatgroep af door het verbreken van een energierijke verbinding (levert energie op voor actief transport). Fosfaatgroep koppelt aan glucose, waardoor G6P ontstaat.
  • Welke stoffen kunnen door middel van groepstranslocatie over de celmembraan worden getransporteerd?
    Glucose, mannose en fructose
  • Welke externe structuren bestaan er bij bacteriecellen?
    Glycocalyces, flagellen, fimbriae en pilli
  • Wat zijn glycocalyces?
    Slijmachtige plakkerige substantie dat om de buitenkant van de cel zit (kapsel/slijmlaag)
    • Bestaat of polysachariden, polypeptiden, of beide
  • Welke twee typen glycocalyces zijn er?
    - Capsule (kapsel): stevig vast aan celoppervlakFunctie = beschermen tegen immuunsysteem door fagocytose te voorkomen

    - Slijmlaag: losjes vast aan celoppervlak
    Functie = blijven plakken aan oppervlakken (vorming bio-film), tegen uitdroging en verlies van voedingsstoffen.
  • Wat zijn de kenmerken van een capsule (kapsel)?
    • Bestaat uit zich herhalende organische stoffen (veelal polysacchariden).
    • Zit stevig vast aan het cel oppervlak.
    • Kan detectie door immuunsysteem voorkomen.
    Functie is het immuunsysteem voor de gek houden.
    Het immuunsysteem kan niet door kapsel heen, waardoor geen fagocytose kan plaatsvinden.
    - Maakt bacteriën pathogener.
    bv. bij Klebsiella pneumoniae
  • Wat zijn de kenmerken van een slijmlaag?
    Losjes bevestigd aan cel oppervlak.
    Water oplosbaar.
    • Plakkerige laag zorgt ervoor dat  prokaryoten blijven plakken aan oppervlakten (bio-film). Functie is blijven plakken, tegen uitdroging en tegen verlies van voedingsstoffen.

    bv. bacteriën in mond plakken aan tanden:
    - Geen zuurstof leidt tot het vormen van een biofilm, waardoor bacteriën zuren produceren die de tanden aantasten.
    - Tandenpoetsen zorgt ervoor dat er zuurstof bijkomt, waardoor de bacteriën geen zuren produceren.
  • Wat zijn flagellen?
    • Flagellen zijn verantwoordelijk voor beweging van bacteriën (niet alle bacteriën hebben flagellen).
    • Bestaan uit filament, haak, en basaal lichaam.
    • Basaal lichaam verankerd filament en haak aan de celwand en celmembraan.

    Verschillende verankering bij gram-positieve en gram-negatieve bacteriën:
    - Grampositieve bacteriën: haak door celwand en eiwitringen door celmembraan.
    - Gramnegatieve bacteriën: haak door buitenmembraan en celwand en eiwitringen door buitenmembraan, celwand en binnenmembraan.
  • Welke verschillende verankeringen van flagellen zijn er?
    - Monotrichous: één flagel
    - Amphitrichous: een flagel aan twee kanten
    - Lophotrichous: meerdere flagellen met één pool
    - Peritrichous: flagellen over gehele oppervlak
  • Hoe kan een flagel zorgen voor beweging van de bacterie?
    Rotatie van de flagel door aansturing van H+-ionen als brandstof zorgt voor beweging van de bacterie door de omgeving.
    • De snelste bacterie kan 50 lichaamslengtes per sec (ongeveer 320 km/h omgerekend naar de mens).
    • Rotatie kan omkeerbaar zijn (achteruit en vooruit), maar het heeft geen rem.
    • Bacterie kan bewegen als respons op stimuli (taxis): flagel aan en uit zetten (runs en tumbles)
  • Wat zijn fimbriae?
    • Plakkerige, borstelachtige, uitstekende structuren (lijken op flagel, maar zijn korter).
    Het zijn kleine haartjes die heen en weer kunnen zwiepen.
    • Gebruikt door bacteriën om zich vast te hechten aan elkaar en aan omgevingsstructuren.
    Ook een belangrijke functie in biofilms (bv. tandplak)
  • Wat is een pillus?
    • Een pillus (meervoud pilli) is een speciaal type fimbria.
    • Staat ook bekend als conjugatie pili (of sexpilus).
    Functie = genen uitwisselen tussen bacteriën (DNA of plasmiden, vooral antibioticaresistentie genen)
    Langer dan fimbriae maar korter dan flagellen.
    • Bacterien hebben er 1 of 2 per cel.
  • Welke structuren kunnen zich vormen uit het cytoplasma van bacteriën?
    Endosporen en niet-membrane organellen, zoals de ribosomen en het cytoskelet
  • Wat zijn endosporen?
    - Unique structuren die geproduceerd worden door sommige bacteriesoorten.
    - Kunnen alleen gevormd worden door gram-positieve staaf bacteriën.
    - Bij een endospore wordt de bacteriecel ingekapseld in een laagje.
    - Functie = bescherming van de bacterie tegen extreme omstandigheden, zoals hitte, chemicaliën en hevige druk.
    - Een endospore kan gevormd worden wanneer er ongunstige omstandigheden dreigen te komen, zoals een tekort aan voedingsstoffen.
  • Hoe wordt een endospore gevormd?
    Het vormen van een endospore duurt ongeveer 6 uur:
    Stap 1: Eerst wordt van de bacterie het DNA gerepliceerd.
    Stap 2: Het DNA verdeeld zich over de cel. Ene kopie aan de ene kant, andere kopie aan de andere kant.
    Stap 3: Vorming van de voorspore: het cytoplasma van de bacteriecel wordt in twee delen verdeeld door insnoering van de celmembraan. Deze stap lijkt nog op een normale celdeling.  
    Stap 4: Daarna vouwt het ene deel zich echter om het andere deel heen, waardoor er een cel in een cel ontstaat. De gevormde prespore heeft een dubbele celmembraan.
    Stap 5: In de prespore blijft het DNA behouden, terwijl in het andere deel het DNA wordt afgebroken. De oude cel gaat als het ware ten gronde en de gevormde prespore blijft over. Aan de prespore wordt water onttrokken voor hittebestendigheid en tussen de beide celmembranen van de prespore vormt zich een peptidoglycaanlaag (drukbestendig) met diplocolinezuur, dat ook hitteresistentie biedt. 
    Stap 6: Buiten de dubbele celmembraan laag wordt nog een sporecoat gevormd. Deze sporecoat bestaat uit keratineachtig eiwit, waardoor resistentie tegen chemicaliën kan worden geboden. 
    Stap 7: De gevormde spore verkeert hierna in een soort rusttoestand en is zeer resistent tegen extreme condities.
    Stap 8: Onder gunstige omstandigheden kan de gevormde spore ontkiemen en weer uitgroeien tot normale bacteriecellen.
  • Welke organellen bevatten bacteriecellen?
    Bacteriën bevatten alleen niet-membrane organellen: ribosomen en cytoskelet
    Deze organellen bevinden zich in het cytoplasma van de bacteriecellen.
  • Wat zijn ribosomen en bevatten bacteriën ribosomen?
    Ribosomen zijn verantwoordelijk voor de eiwitsynthese en bestaan uit polypeptides (eiwitten) en ribosomaal RNA. Bacteriën bevatten ook ribosomen, in het cytoplasma.
  • Wat zijn de functies van het cytoskelet en bevatten bacteriën een cytoskelet?
    Het cytoskelet bestaat uit drie of vier typen eiwitvezels, welke belangrijk zijn bij verschillende processen in de cel:
    - Celdeling
    - Celvorm
    - Segregatie (scheiding) van DNA moleculen.
    - Beweging door de omgeving (door aanpassen van vorm)
    Bacteriën bevatten ook een cytoskelet, in het cytoplasma.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn voorbeelden van nematoden (rondwormen)?

Ascaris lumbricoides:

- Meest normale voorkomende worminfectie wereldwijd. 
- Eieren via water of groenten in lichaam (fecaal-oraal).
- Volwassen worm groeit in de dunne darm goed door goede omstandigheden en aanwezigheid van voedsel.
- Worm plant zich voort in dunne darm (leggen eitjes, komen in feces terecht).
- Meeste infecties zijn are asymptomatisch, soms buikpijn, misselijkheid, overgeven, en darm obstructie als er veel wormen aanwezig zijn (klont wormen in darmen).

Haakworm (Ancylostoma en Necator):
- In tropen en subtropen.
- Larven uit de grond dringen binnen via de huid.
- In het begin zichtbaar onder de huid.
- Verplaatsen zich naar hart, longen en uiteindelijk naar de dunne darm.
- Volwassen wormen voeden zich met bloed van de gastheer.
Zorgen voor anemie, ijzer en eiwit deficiënties, schade en ontstekingsreacties.
- Jeuk op plek waar larve binnendringt.


Enterobius vermicularis:
- Ook wel aarsmade genoemd (pinworm).
- Komt wereldwijd voor.
- Meest voorkomende parasitaire worm infectie in Nederland.
- Vaak bij basisschoolkinderen in zandbak.
- De mens is de enige gastheer.
- Wormen in dunne darm, vaak asymptomatisch.
- Vrouwelijke wormen leggen eitjes in de anus.
- Vaak anale jeuk, zorgt voor verspreiding in omgeving (anaal-oraal).
- Identificatie door volwassen wormen of eieren in de ontlasting.


Wuchereria bancrofti
- Komt wereldwijd voor, maar vooral infecties in de tropen.
- Infecteert het lymfesysteem.
- Verspreid door vrouwelijke muskieten (via vector).
- Jaren lang asymptomatisch.
- Uiteindelijk schade aan lymfevaten (lymfevaten dicht, leidt tot oedeem = vochtophoping) wat resulteert in elefantiasis.
Wat zijn de kenmerken van nematoden (rondwormen)
Nematoden (rondwormen):
- Lange cilindervormige wormen met puntige uiteinden, bv. regenworm
- Hebben een compleet spijsverteringssysteem.
- Hebben een beschermende buitenlaag (hoornlaag) om de huid te beschermen tegen bv. hitte.
- Parasiteren op bijna alle vertebraten: vissen, vogels, zoogdieren, etc.
- Maken gebruik van de mens als tussengastheer of eindgastheer.
- Vaak doorboring door de huid (larven) of inname via voedsel (niet goed verwarmd vlees) of vervuild water (eitjes).
Hoeveel H+ transport is er nodig voor 1 ATP?
4 H+ = 1 ATP
Hoe vindt de enzymatische reactie van substraat naar product plaats?
1. Het specifieke substraat (sleutel) bindt aan active site van enzym (slot): vorming van substraat-enzym complex (niet-covalente binding).

2. Active site van enzym verandert na binding van substraat van vorm (conformatie-verandering), waardoor er spanning komt te staan op de binding van het substraat. Substraat in energetisch instabiele vorm (transitie toestand).

3. Binding van substraat wordt verbroken, waardoor het product ontstaat: vorming enzym-product complex.

4. Product wordt vrijgegeven en ontbindt van het enzym.

Het enzym blijft onveranderd.
Wat is de werking van reversibele niet-competitieve remmers?
- Remmers die op een andere plek binden dan de active site van het enzym.
- Hierdoor ondergaat het enzym een conformatie-verandering, waardoor het substraat niet meer kan binden.
- Toevoegen van meer substraat helpt dan niet om de remming tegen te gaan.
- De binding is vaak niet zo sterk als bij irreversibele remmers.
Wat is de werking van reversibele competitieve remmers?
- Remmers die qua structuur sterk op het echte substraat lijken qua vorm, lading, hydrofobiciteit, maar net iets anders zijn (het zijn substraat analogen).
- Er ontstaat competitie doordat het normale substraat en de remmer beide binden op dezelfde plek, de active site van het enzym.
- De binding is niet erg sterk; wanneer deze verbroken wordt, doet het enzym het weer (reversibel).
Voorbeelden: methanol, antivries (ethyleenglycol) en ethanol worden door hetzelfde enzym afgebroken. Maar bij de afbraak van methanol en antivries ontstaat een giftige stof.
Sulfa drugs als antibacteriële medicijnen.
Wat is de werking van irreversibele enzymremmers?
- Remmers die sterk binden aan het enzym (soms zelfs covalent).
- Zij binden meestal aan één van de restgroepen van een aminozuur, in de active site.
- Hierdoor kan het substraat niet meer binden.
Voorbeelden: slangengif en zenuwgassen
Welke drie typen enzymremmers zijn er?
- Irreversibele remmers (onomkeerbaar)
- Reversibele competitieve remmers (omkeerbaar)
- Reversibele niet-competitieve remmers (omkeerbaar)
Wat zijn coenzymen?
Coenzymen zijn organische cofactoren:
- Dragen elektronen of chemische groepen over, bv. van het ene substraat naar het andere substraat.
- Coenzymen binden d.m.v. zwakke interacties als waterstofbruggen aan het enzym. 
- Coenzymen bestaan vaak uit vitamines.
Voorbeelden van coenzymen zijn NAD+, NADP+ en FAD (belangrijke elektroncarriers bij elektronentransport)
Welke factoren beïnvloeden de enzymactiviteit?
Veel factoren beïnvloeden de snelheid van enzymatische reacties:

Temperatuur
- De meeste enzymen functioneren het beste bij 37 °C (optimale temperatuur = lichaamstemperatuur).
- Bij een lagere temperatuur blijven ze wel stabiel, maar worden ze minder actief.
- Bij een hogere temperatuur worden enzym snel inactief (denaturatie).

pH
- De meeste enzymen functioneren het beste bij pH = 7 (pH optimum).
- Afwijking van die pH zorgt voor denaturatie van het enzym (verlies van actieve configuratie) en dus een afname van de enzymactiviteit en hiermee de reactiesnelheid.

Enzym- en substraatconcentraties
- Hoe lager de substraat- en enzymconcentratie, hoe minder enzymactiviteit en dan duurt de enzymatische reactie langer.

Remmers:
- Blokkeren de active site van een enzym, waardoor de enzymatische reactie niet meer kan plaatsvinden, maar denatureren de enzymen niet.         
- 3 type remmers: irreversibel, reversibel competitief en reversibel niet-competitief