Summary Class notes - Natuur en Scheikunde

Course
- Natuur en Scheikunde
- Meneer Kryer
- 2018 - 2019
- Het Baarnsch Lyceum (Baarn)
239 Flashcards & Notes
0 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Natuur en Scheikunde

  • 1539900000 Boekje meten en verwerken

  • Wat is waarnemen?
    Goed letten op wat gebeurt
  • Wat kan je doen met je zintuigen?
    voelen, proeven, horen, ruiken en zien
  • Welke smaken heeft de tong?
    Zout, zoet, bitter en zuur
  • Wat zijn belangrijke veiligheidsregels?
    • Draag een witte laboratorium jas, want die is brandwerend en beschermd je kleren tegen vlekken
    • Rustig werken, dan is de kans om fouten te maken kleiner
    • Altijd de handleiding lezen voordat je begint
    • Nooit stoffen in een reageerbuis mengen door te schudden met de duim op de buis, maar door omzwenken (kwispelen)of overgieten in een andere schone reageerbuis
    • Nooit bij het ruiken je neus direct boven een bekerglas of reageerbuis houden, maar wuif met je hand de geur naar je toe.
    • Nooit chemicaliën proeven
    • Als er chemicaliën op je komt, direct afspoelen met water
    • Was je handen altijd na een proefje.
  • Wat is een zuurkast?
    Een zuurkast is een kast waarin een ventilator zit, dit soort kasten gebruiken mensen bij een experiment waarbij sommige stoffen schadelijk zijn als je ze inademt.
  • Wat is eenheid?
    Een eenheid is waar je grootheden in meet.
    Voorbeelden zijn meter, vierkante meter, jaar, hPa, liter en km/u.
  • Wat is grootheid?
    Een grootheid is iets wat je kunt meten.
    Voorbeelden zijn lengte, oppervlakte, tijd, luchtdruk, inhoud en snelheid.
  • 1 kilogram= 1000 gram en 1 ton= 1000 kilogram
  • Wat is de meetvolgorde?
    1. Nano (n) = een miljardste
    2. Micro(µ) = een miljoenste
    3. Mili   
    4. Centi
    5. Deci
    6. Deca
    7. Hecto
    8. Kilo
    9. mega(M) = miljoen
    10. Giga  (G) = 1 miljard
  • Wat moet je jezelf afvragen als je een experiment gaat beginnen?
    • Wat is het doel van het experiment?
    • Wat heb je nodig voor het experiment?
    • Welke grootheden ga ik veranderen en welke grootheden moet ik gelijk houden?
    • Wat ga je precies meten, hoe vaak en hoe?
    • Waar moet ik op letten om op een veilige manier te werken?
  • Wat moet je doen om een goed diagram te maken?
    1. Je tekent een horizontale en verticale as. Maak de assen niet te klein; de as is minimaal 10 cm.
    2. Zet de titel boven de diagram en zet langs de assen de grootheden met de eenheden die erbij horen tussen haakjes erachter.
    3. Je kijkt naar de maximale waarde die gemeten is en je maakt een indeling van de assen met handige getallen( 1, 1,5 etc.)
    4. Zet de meetresultaten in de diagram
    5. Als je dat gedaan hebt teken je door de punten een lijn die zo goed mogelijk bij de kruisjes past. Om een zo goed mogelijke passende lijn te maken et je op de volgende dingen: 1. Niet alle kruisjes hoeven geraakt te worden i.v.m meetfouten. 2. Als het duidelijk is dat het verband een kromme is, teken je een vloeiende lijn 3. Als het verband een rechte is, gebruik je een liniaal 4. Meetwaarden die duidelijk fout zijn, betrek je niet bij het tekenen van een lijn.
  • Hoe maak je een goed verslag?
    1. Titel op het blad
    2. Inhoudsopgave
    3. Een inleiding
    4. Theorie
    5. Onderzoekvraag/ doel van het experiment
    6. Hypothese ( je schrijft jouw antwoord van de onderzoeksvraag op)
    7. Voorspelling(wat zullen de resultaten zijn als jouw hypothese goed is)
    8. Materiaal(wat voor materiaal heb je gebruikt)
    9. Uitvoering(hoe ben je te werk gegaan)
    10. A: Resultaten(schrijf de grootheden en eenheden op in een tabel) B: Verwerk de uitkomsten in een grafiek of diagram
    11. Conclusie(Het antwoord op de onderzoeksvraag)
    12. Discussie(denk na over je onderzoek en de resultaten)
  • 1547161200 Boekje stoffen

  • Scheikunde wordt ook wel chemie genoemd.
  • Wat gebeurt er bij een scheikundige reactie?
    Bij een scheikundige reactie verdwijnen er stoffen en er komen dan andere stoffen voor in de plaats.
    Bijvoorbeeld: verbranden, roesten, verrotten of in je lichaam de vertering van het voedsel
  • Noem 2 redenen om een practicum te starten
    1. Je wil onderzoeken wat voor stof je hebt;
    2. Je wil kijken hoe bepaalde scheikundige reacties werken
  • Wat zijn de practicumregels en veiligheidsvoorschriften?
    • Draag een witte laboratoriumjas, want die is brandwerend en beschermt je kleren tegen vlekken;
    • Je tas altijd onder je practicumtafel leggen, want dan kan er niemand over struikelen;
    • Altijd rustig werken: bij rumoer is er een grotere kans op ongelukken;
    • Altijd de voorschriften van een proef geheel doorlezen én begrijpen voordat je begint;
    • Nooit stoffen in een reageerbuis mengen door te schudden met de duim op de buis, maar door omzwenken (kwispelen) of overgieten in een andere schone reageerbuis;
    • Nooit bij het ruiken je neus direct boven een bekerglas of reageerbuis houden, maar wuif met je hand de geur naar je toe;
    • Nooit chemicaliën proeven;
    • Altijd als er chemicaliën in je oog komen direct de oogdouche gebruiken en langdurig spoelen;
    • Altijd als er chemicaliën op je huid komen, direct afspoelen met water;
    • Was je handen goed na een practicum.
  • Wat zijn extra voorschriften bij het verwarmen?
    • Altijd bij het gebruik van een brander een (veiligheids)bril dragen. Dit is verplicht;
    • Altijd lang haar opbinden of iets dergelijks;
    • Altijd de vlam geel maken als je de brander (even) niet gebruikt;
    • Nooit de gele vlam gebruiken om iets te verwarmen. Hiervoor gebruik je een kleurloze vlam;
    • Nooit anderen van hun werk afleiden en laat anderen ook jou niet afleiden als je iets verwarmt;
    • Nooit beschadigd glaswerk verhitten;
    • Gebruik een reageerbuisknijper;
    • Houd de reageerbuis schuin;
    • Nooit de buis meer dan voor een derde met vloeistof vullen;
    • Nooit de opening van een buis op je zelf of anderen richten
    • Nooit de buis met vloeistof stilhouden in de vlam, maar 'kwispelen';
    • Altijd verwarmen op armlengte;
    • Altijd bij verbranding aan een heet voorwerp direct lange tijd afkoelen met rustig stromend water;
    • Als je kleding of haar vlam vat, dan direct onder de douche;
    • Natuurlijk loopt niemand onnodig door het practicumlokaal en ruimt iedereen naar afloop de spullen netjes op.
  • Wat is een zuurkast?
    Een zuurkast is een kast waarin een ventilator zit, die de lucht uit de kast afzuigt.

    Sommige stoffen zijn schadelijk als je ze inademt. Daarom worden experimenten met deze stoffen uitgevoerd in een 'zuurkast'.
  • Wat gebeurt er wanneer je een voorwerp in een gele vlam houdt?
    Als je een voorwerp in een gele vlam houdt, komt er roet op het voorwerp. Dit komt doordat het aardgas niet goed verbrandt. Je gebruikt de gele vlam dus nooit om voorwerpen mee te verwarmen.
  • Geef een ander woord voor gele vlam.
    Een ander woord voor gele vlam is 'pauzevlam'. Die vlam is goed zichtbaar, zodat je je niet gauw brandt.
  • Wanneer gebruik je de lichtblauwe, bijna kleurloze vlam (niet-ruisend)?
    Deze niet-ruisende vlam gebruik je om stoffen middelmatig te verwarmen, bijv. als je water aan de kook brengt. De temperatuur van deze vlam is hoger dan die van de gele vlam.
  • Noem enkele kenmerken van een ruisende vlam?
    • het heeft een duidelijke blauwe kern;
    • het aardgas krijgt veel zuurstof uit de lucht;
    • de verbranding is beter en de temperatuur van de vlam is nog hoger;
    • je kunt hier voorwerpen zeer sterk mee verhitten;
    • deze vlam gebruiken we maar zelden.
  • Met de luchttoevoer kun je drie soorten vlammen instellen:
    1) gele vlam (pauzevlam)
    2) lichtblauwe vlam (matige verwarming)
    3) ruisende vlam (zeer sterke verwarming)
  • Hoe neem je waar?
    Waarnemen doe je met je zintuigen:

    - voelen (met je hele huid -> heet of koud, warm of zacht)
    - proeven (tong -> bitter, zoet, zout, zuur)
    - ruiken (neus -> waarnemen van geuren)
    - horen (oren -> waarnemen van geluiden, maar ook horen uit welke richting geluid komt)
    - zien (ogen -> kleuren waarnemen, vorm en grootte van voorwerpen, maar ook afstand tpt een voorwerp inschatten)
  • Wat is het verschil tussen waarneming en conclusie?
    Uit je waarnemingen (zintuigen) moet je vaak conclusies trekken.
    Conclusies trekken doe je met je hersenen.
    Eerst komt de waarneming en daarna trek je de conclusie.
    Let op: waarnemingen en conclusies moeten wel betrekking hebben op het doel van de proef.
  • Wat is een molecuul?
    Een molecuul is het kleinste stukje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof heeft.
  • Wat is het molecuulmodel?
    Het molecuulmodel beschrijft hoe alle materie is opgebouwd en waarom bepaalde stoffen juist die bepaalde eigenschappen hebben.
  • Wat is het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel (oplossing)?
    Een zuivere stof is een stof die opgebouwd is uit 1 soort molecuul. 
    Voorbeelden van een zuivere stof: water, suiker, alcohol.

    Een mengsel (ook wel een 'oplossing'  genoemd) bevat verschillende soorten moleculen.
  • Stoffen kunnen in drie fasen voorkomen. Welke zijn dat?
    • vaste fase: de moleculen zitten heel dicht op elkaar, geordend en in een vast patroon. De moleculen trillen maar komen niet van hun plek;
    • vloeibare fase: de moleculen zitten verder van elkaar af dan in een vaste stof. De verdeling is willekeurig over de ruimte. De moleculen bewegen door de vloeistof heen.
    • gasvormige fase: de moleculen zitten heel ver van elkaar af. De moleculen bewegen zich willekeurig over de ruimte, ze zijn ongeordend. Moleculen bewegen zich snel en vrij door de ruimte.


    Een fase is dus de verschijningsvorm van een stof!
  • Wat zijn de 3 letters van de 3 fasen?
    1. s (vast; solid)
    2. l  (vloeibaar; liquid
    3. g (gasvormig; gaseous)
  • Wat zijn kenmerken van een vloeistof?
    1. Een vloeistof heeft vaak een horizontaal oppervlak;
    2. Een vloeistof heeft geen eigen vorm;
    3. Een vloeistof kan niet worden samengeperst;

    Voorbeelden van vloeistoffen zijn water, benzine, spiritus en azijn
  • Wat is waterdamp?
    Waterdamp is water in de gasfase.
  • Wat zijn kenmerken van een gas?
    1. Een gas heeft geen eigen vorm;
    2. Een gas verspreidt zich door de ruimte;
    3. Een gas kun je samenpersen;

    Voorbeelden van gassen zijn aardgas, chloor en zuurstof.

    Weetje: een fles cola die uit de koelkast komt, beslaat. Ook als in die ruimte geen water is gekookt. Dit betekent dat er in lucht altijd wel wat waterdamp aanwezig is: lucht is dus altijd een beetje vochtig.
  • Wat zijn kenmerken van een vaste stof?
    1. Een vaste stof heeft een eigen vorm;
    2. Een vaste stof kan niet worden samengeperst;

    Voorbeelden van vaste stoffen zijn glas, hout, steen en ijzer.
  • Wat is een fase-overgang?
    Een faseovergang is dat een stof van de ene fase naar de andere fase overgaat.
  • Wat is condenseren?
    Condenseren is de fase-overgang van de gasvormige fase naar vloeibare fase.
  • Hoe heten de kleine waterdruppeltjes die op een ruit zitten als de ruit beslaat?
    Die kleine waterdruppeltjes heten dan condens.
  • Wat is verdampen?
    Verdampen is de fase-overgang van de vloeibare fase naar de gasvormige fase.
  • Wat is smelten?
    Smelten is de fase-overgang van de vaste fase naar de vloeibare fase.
  • Wat is stollen?
    Stollen is de fase-overgang van de vloeibare fase naar vaste fase.
  • Wat is vervluchtigen?
    Vervluchtigen is de fase-overgang van vast naar gasvormig.
  • Wat is een ander woord voor vervluchtigen?
    Een ander woord voor vervluchtigen is sublimeren.
  • Wat is rijpen?
    Rijpen is de fase-overgang van gasvormig naar vast.
  • De fase van een stof (bij kamertemperatuur) is lang niet het enige kenmerk van een stof. Om een stof te herkennen heb je meerdere eigenschappen nodig of stofeigenschappen die heel specifiek zijn en vaak uitgedrukt worden met een getal (bijv. water kookt bij 100 gr Celsius)
  • Wat is het kookpunt?
    Het kookpunt is de hoogste temperatuur die een vloeistof kan hebben.
  • Als een vloeistof kookt, ontstaan er overal in de vloeistof belletjes. Deze belletjes bestaan uit damp van de vloeistof. Elke vloeistof heeft een eigen kookpunt. Zo is het kookpunt van water 100 graden Celsius en van alcohol 78 graden Celsius. Het kookpunt is een stofeigenschap
  • Wat is het smeltpunt?
    Het smeltpunt is de temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Elke stof heeft een eigen smeltpunt. Het smeltpunt is een stofeigenschap.
  • Wat is het stolpunt?
    Het stolpunt is de temperatuur waarbij een vloeistof vast wordt.

    Stollen gebeurt bij dezelfde temperatuur als smelten.
  • Waarom zul je vaak meerdere eigenschappen van een stof moeten bepalen?
    Omdat verschillende stoffen een aantal dezelfde eigenschappen kunnen hebben. Denk aan water en alcohol: allebei heldere en kleurloze vloeistoffen. Zo te zien geen verschil, dus aan deze stofeigenschap kun je alcohol en water niet herkennen. Aan brandbaarheid en geur echter wel! Dus wil je er zeker van zijn dat je een bepaalde stof hebt, moet je meerdere eigenschappen bepalen.
  •  Wat is massa?
    Massa is de hoeveelheid stof in iets.
    De eenheid van massa is de (kilo)gram.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.