Summary Class notes - NVO

Course
- NVO
- M. van Stoltenberg
- 2018 - 2019
- Erasmus Universiteit Rotterdam (Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam)
- Pedagogische Wetenschappen
645 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - NVO

  • 1527804000 Doelstelling 1.1: ontwikkeling kindertijd fysiek

  • Wat is natuurlijke selectie?
    het evolutionaire proces waarbij de best aangepaste individuen van verschillende soorten overleven en reproduceren (drie kernbegrippen: variatie, erfenis en selectie). De natuur creëert fittere organismen door het selectief fokken van deze soort. De erfelijke genen die zorgen voor overleving en voortplanting zullen ook meer worden doorgegeven aan de volgende generaties. Wanneer dit proces meerdere generaties doorgaat vindt evolutie plaats. 
  • Evolutionaire psychologie
    De tak van psychologie die het belang van adaptatie, reproductie en ‘survival ofthefittest’ benadrukt. Fit refereert naar de mogelijkheid om nageslacht te krijgen dat lang genoeg overleefd om zelf ook nageslacht te krijgen (reproductief succes). 
  • Wat beargumenteerde Darwin (1859)?
    Dat de individuen die overleefde beter waren aangepast dan de individuen die niet overleefden. Wanneer omgevingscondities veranderen zullen ook de karakteristieken die nodig zijn voor de natuurlijke selectie veranderen waardoor andere ‘best aangepaste’ soorten zullen overleven en zich verder zullen voortplanten. 
  • Wat beargumenteerde David Buss?
    Dat evolutie naast de bijdrage aan lichamelijke en fysieke kenmerken ook invloed heeft op hoe wij beslissingen maken, hoe agressief we zijn, onze angsten en paringspatronen.
  • Wat beschrijft Albert Bandura (1998)?
    Beschrijft een sociaal cognitieve theorie waarbij hij het belang van de invloed van evolutie op de menselijke adaptatie benadrukt. Hij verwerpt wat hij beschrijft als ‘one-sidedevolutionism’,wat sociaal gedrag alleen ziet als product van ontwikkelde biologie.
  • Wat is een alternatief voor een sociaal cognitieve theorie?
    Het alternatief is het bidirectioneel proces waarbij de omgeving en de biologische condities elkaar beïnvloeden. Oftewel evolutie heeft ons bepaalde biologische mogelijkheden gegeven maar het bepaalt niet het gedrag van een individu.
  • Vertel wat over de chromosomen? (waar zitten ze?, wat bevatten ze? Hoeveel?)
    Chromosomen en genen zitten in de nucleus (regelcentrum menselijke cel). De chromosomen dragen de genen, welke erfelijke codes hebben.
    Er zijn 46 chromosomen, 23 van de spermacel en 23 van het eitje. 
  • Wat is DNA (deoxyribonucleic acid)
    Het bindende element van chromosomen, het is een kleine molecuul. Deze molecuul slaat genetische info op en verzendt het tijdens de reproductie, het is gemaakt van blokjes (nucleotides) die bij elkaar gehouden worden door een lang geroteerde parallel. 
  • Waaruit bestaan nucleotiden?
    Een nitrogene basis, met suiker en een fosfaat groep. 
    - Adenine en thymine 
    - Cytosine en guanine
    geen andere combinatie is mogelijk bij DNA. Zij vormen een trappetje in het DNA.
  • Wat zijn genen en wat doen ze?
    Delen van DNA-molecuul van het chromosoom. Zitten in een speciaal stuk van de chromosomen, waar ze coderen voor de productie van bepaalde soorten eiwitten. Genen triggeren alleen de productie van eiwitten wanneer een bepaalde verandering in de omgeving plaatsvindt. 
  • Hoe verloopt het proces van DNA naar mRNA? En wat gebeurt en daarna?

    - Het gen, of DNA-segmant, splits zicht naar het midden zodat de paren van bases niet langer zijn toegetreden.
    - De nucleotiden verbinden zich met de blootgestelde basen om nieuwe paren te vormen
    - Het resultaat is mRNA
    - Deze gaat van de celkern naar het cellichaam, waar eiwitsynthese plaats vindt
  • Waarvoor fungeert mRNA?
    De kopie fungeert als een sjabloon voor het bouwen van eiwitmoleculen: elke reeks van drie basen codeert voor een van de vele aminozuren die samen verschillende soorten eiwitten vormen. Elk eiwit heeft een bepaalde functie --> botcellen worden bijv. harder, terwijl huidcellen elastisch worden.
  • Meiose (stappen)
    Meiose = de 23 chromosoomparen worden gehalveerd. 

    .Stappen:
    a.Je hebt het resultaat van een replicatie
    b.Crossing over tussen chromosomen (elke homologe chromosoom verplaatst zich random, de genetische info is hierdoor meer gehusseld).
    c.De mannelijke chromosoomparen scheiden zich om twee cellen te maken, elk met 23 chromosomen. De vrouwelijke worden ook verdeeld in twee cellen, maar 1 is niet functioneel en kan al dan niet 2 niet-functionele cellen produceren.

    d.De chromosomen scheiden zich weer, de makkelijke in 4 spermacellen en de vrouwelijk in 1 eitje en een vierde niet-functionele cel. 
    e.Wanneer een spermacel een eitje bevrucht dan wordt een zygote gevormd --> 23 chromosoomparen, 46 chromosomen. Deze mix-up is random. De enige eis is dat 1 van elk paar van homologe chromosomen in een nieuwe cel terecht komt.
  • Mitose (stappen)
    Mitose= de chromosomen in een cel worden gedupliceerd en deelt ze vervolgens in dochtercellen die exact hetzelfde aantal chromosomen heeft als de moedercel.
    - De cellen van de zygote, alleen nu zijn het 4 chromosomen
    - Elke chromosoom splitst zich in 2, op zichzelf te produceren en dupliceren
    - De duplicaten zwemmen van elkaar weg als de cel zich begint te delen
    - De cel is in tweeën gedeeld, elke cel heeft dezelfde set chromosomen.
  • Genotype
    de specifieke genetische make-up van een individu, is present vanaf conceptie
  • Fenotype
    de karakteristieken van een individu, kan beïnvloed worden door genen en omgeving.
  • Epigenetics
    De studie naar gen uiting
  • DNA dat zich omvormt in mRNA, welke wordt gebruikt om eiwitten te produceren, hiervan codeert 2% zich in eiwitten. De andere 98% reguleert de mate waarin eiwitcodering DNA tot expressie wordt gebracht.
  • Regulation factor
    Eén manier waarop dit regulerende DNA kan werken, is door transcriptie in mRNA te remmen totdat een stof in de omgeving deze remming uitschakelt. Genexpressie kan worden gewijzigd door een groot aantal verschillende chemicaliën uit de omgeving (buiten de cel of in de cel).
  • Homozygoot
    als de allelen van de ouders hetzelfde zijn, dan is de persoon homozygoot voor dat gen of voor die karaktertrek die geassocieerd is met dat gen. (AA of aa)
  • Heterozygoot
    Als de twee allelen verschillend zijn, dat is de persoon heterozygoot voor die speciale karakteristiek. (Aa of aA)
  • Codominantie
    Een genetisch patroon waarin heterozygote allelen de varianten uitdrukken van het kenmerk waarvoor ze gelijktijdig en met gelijke kracht coderen. (bv. Bloedtype A en bloedtype B wordt AB).
  • Dominant
    de meest krachtige van de twee allelen in een heterozygote combinatie.
  • Recessief
    de zwakke van de twee allelen in een heterozygote combinatie.
  • Incomplete dominantie
    in sommige heterozygote omstandigheden, de dominante-recessieve relatie is niet compleet. Een patroon van overerving waarin beide allelen in het fenotype tot expressie worden gebracht, resulterend in een gecombineerd kenmerk, of een tussenliggend getal tussen beide. Een voorbeeld hiervan is Sikkelcel anemie (komt voor bij afrikaanse mensen)
  • X-gebonden overerving
    Een schadelijk allel op het X-chromosoom wordt gedragen. Mannen hebben meer kans om getroffen te worden omdat hun genderchromosomen niet overeenkomen. Een bekend voorbeeld is hemofilie, een aandoening waarbij het bloed niet normaal stolt.
  • Genetische imprinting
    allelen zijn bedrukt of chemisch gemarkeerd, zodat één paar lid is geactiveerd, ongeacht de samenstelling ervan. De afdruk is vaak tijdelijk: deze kan worden gewist in de volgende generatie en mogelijk niet bij alle personen. Bijvoorbeeld: kinderen hebben een hogere kans op het ontwikkelen van diabetes als hun vader eronder lijdt.
  • Mutatie
    Een plotselinge maar permanente verandering in een segment van DNA. Een mutatie kan slechts één of twee genen beïnvloeden, of het kan vele genen omvatten, zoals bij de chromosomale stoornissen. Sommige mutaties komen spontaan voor, gewoon bij toeval. Anderen worden veroorzaakt door gevaarlijke milieumiddelen.
  • Polygeniciteit

    Interactie van veel verschillende genen. 
    Zoals bijvoorbeeld intelligentie, emotionele expressie en creativiteit. Zelfs simpele karakteristieken zoals lengte, reflecterende de interactie van verschillende genen, als ook de invloed van de omgeving. De term gen-gen-interactie wordt hierbij steeds vaker gebruikt.  
  • Pleiotropic
    genen coderen voor veel kenmerken in plaats van slechts één.
  • Wat is de reden waarom mogelijk schadelijke allellen overleven?
    - Omdat ze niet schadelijk zijn in de heterozygote, dat is wanneer iemand een normale allel heeft en een recessieve alles. Bijvoorbeeld bij PKU


    - Sommige mogelijke schadelijke allelen kunnen overleven omdat ze eigenlijk gunstig kunnen zijn in combinatie met normale allelen. Bijv. Sikkelcel anemie, een ziekte die sommige afrikaanse mensen hebben, het is veroorzaakt door een allel die sommige mensen helpt om een andere levensbedreigende stoornis te overleven: malaria.
  • Wat is PKU?
    PKU is een ziekte die veroorzaakt is door een recessieve allel die faalt bij het produceren van een enzym die nodig is bij de metabolise van het eiwit phenyfaline, wanneer het niet gelijk na geboorte behandeld wordt, dan beschadigd het zenuwstelsel en veroorzaakt het mentale retardatie. 
  • Wat is de mogelijke erfelijkheid van PKU?
    - Wanneer beide ouders het PKU gen dragen, dan is er ¼ kans dat het kind ook de stoornis ontwikkeld. 
    - Als de dominante genen worden doorgegeven aan hun nakomelingen, zal het kind normaal zijn. 
    - Als het kind één dominant en één recessief gen ontvangt, zal het een 'drager' zijn, het kind zal de stoornis niet hebben, maar het recessieve allel aan zijn eigen kinderen doorgeven.
  • Mogelijke redenen voor het ontwikkelen van Down Syndroom? (3)
    - In 95% van de gevallen is er een meiose fout in het 21e paar chromosomen, het nieuwe individu heeft 3 van deze chromosomen. Het wordt daarom ook wel trisomy 21 genoemd. 

    - Soms is een extra 21e chromosoom verkleefd aan een deel van een andere chromosoom (translocatie patroon). 


    - Een andere fout kan gebeuren tijdens de vroege stadia van mitose, sommige, maar niet alle, lichaamscellen hebben de defecte chromosomale make-up (mozaïekpatroon).
  • Wat is de consequentie van Down Syndroom?
    - Mentale retardatie
    - Geheugen en spraak problemen
    - Beperkte vocabulaire 
    - trage motorische ontwikkeling
    - Reductie van de grootte van de hersenen, voorin in bepaalde regio's van de cerebrale cortex
  • Fysieke kenmerken Down Syndroom:
    - klein, stevig gebouwd, 
    - plat gezicht, 
    - vooruitstekende tong, 
    - amandelvormige ogen 
    - ongewone vouw die over de handpalm loopt. 
    Ze worden vaak geboren met oogcataracten, gehoorverlies en hart- en darmproblemen.
  • XYY syndroom
    Extra Y chromosoom
    - Groter dan gemiddelde lengte
    - Grotere tanden
    - soms acne
    - normale tot licht verminderde intelligentie
    - mannelijke seksuele ontwikkeling 
    - vruchtbaar
  • Triple X syndroom
    - lang
    - verminderde verbale intelligentie --> speciaal onderwijs
    - normale vrouwelijke seksuele ontwikkeling en vruchtbaarheid
  • Klinefelter syndroom (XXY)
    - Lang
    - vetmassa zoals bij vrouwen
    - niet complete seksuele ontwikkeling in de puberteit --> hormoontherapie
    - onvruchtbaarheid
    - niet normale verbale intelligentie --> speciaal onderwijs
  • Turner syndroom (X0)
    - klein
    - dikke nekplooi
    - niet complete seksuele ontwikkeling in de puberteit --> hormoontherapie
    - onvruchtbaar
    - verminderde intelligentie --> speciaal onderwijs
  • Gedragsgenetica
    het studieveld dat onderzoek doet naar de rol van genen in menselijk gedrag.
  • Menselijk gedrag genetica
    de studie van de relatieve invloeden van erfelijkheid en omgeving op de evolutie van individuele verschillen in eigenschappen en capaciteiten.
  • Voorbeeld gedeelde omgeving
    armoede of rijkdom, leven in een goede of slechte wijk, ouders die werk of geen werk hebben etc.
  • Voorbeeld niet gedeelde omgeving
    factoren of gebeurtenissen die gerelateerd zijn aan het karakter van het individu van een kind. Vb. Specifieke activiteiten die bij een kind zijn leeftijd, geslacht, temperament, ziekte of fysieke en cognitieve capaciteiten past.
  • Range of reaction (reactiebereik)
    het idee dat de genetische samenstelling van de mens een scala aan mogelijke ontwikkelingsresultaten oplevert, waarin omgevingskrachten grotendeels bepalen hoe de persoon zich daadwerkelijk ontwikkelt.
  • Canalisation
    Canalisation is de genetische beperking van een fenotype tot een klein aantal ontwikkelingsuitkomsten, waardoor omgevingsinvloeden slechts een kleine rol spelen in deze uitkomsten.

    Wanneer het reactiebereik voor een eigenschap extreem smal is, wordt er gezegd dat het een sterke canalisation (kanalisatie)vertoont. 
  • Bidirectioneel model van Gottlieb
    heeft een kijk op gen-omgeving interactie waar genen een minder bepalende rol spelen in het vormgeven van ontwikkeling. 

    De individuele ontwikkeling is georganiseerd in meerdere levels:
    -Genetische activiteit
    -Neurale activiteit
    -Gedrag
    -Omgeving
    Deze levels hebben invloed op elkaar. Het is bidirectioneel.


    Het meest belangrijke bij deze manier van kijken naar gen-omgeving interactie is dat genen onderdeel zijn van een globaal systeem en dat hun activiteit beïnvloed wordt door de gebeurtenissen van andere levels in het systeem, inclusief de omgeving van het organisme.
  • Passieve gen-omgeving interactie
    de interactieve omgeving gecreëerd door ouders met specifieke genetische aanleg die de uitdrukking van deze tendensen bij hun kinderen aanmoedigen. 
    Bv. Ouders met hoge intelligentie zullen waarschijnlijk veel boeken in huis hebben, waardoor kinderen worden aangemoedigd om te lezen en leren.
  • Evocatieve gen-omgeving interactie
    de expressie van de genen beïnvloedt de omgeving door de overgeërfde tendensen van een individu om bepaalde omgevingsreacties op te roepen.
    Vb. het glimlachen van een kind kan glimlachen van anderen oproepen.
  • Actieve gen-omgeving interactie
    De genetische make-up kan mensen aanmoedigen om daadwerkelijk op zoek te gaan naar ervaringen die compatibel zijn met hun overgeërfde tendensen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Super ego
De morele aspecten van het sociale gedrag. Bevat idealen en ethische standaarden
EGO
'ik'
EGO maakt ID effectief, rekening houdend met de omgeving. Bewuste en voorbewuste
Realiteitsprincipe
Secundair proces
Is niet moreel, alleen maar pragmatisch
ID
'Het'
Alle erfelijke, primitieve en instinctieve aspecten. Zit in het onbewuste
Genotprincipe
Primair proces --> wish fulfillment
Psychodynamica
Persoonlijkheid is een set van processen die altijd in beweging zijn. Processen kunnen elkaar tegenwerken --> conflict
Persoonlijkheid is gevuld met conflicten
Catharis
Ontladen van spanning door te praten over persoonlijke problemen
Fase 6 morele ontwikkeling Kohlberg
Democratie leidt niet altijd tot ideale samenleving
Belangrijk = respecteren van basale waardigheid, rechten van alle individuen
Waarden zijn universeel
Je moet je kunnen verplaatsen in andermans perspectief
Fase 5 morele ontwikkeling Kohlberg
Denken theoretisch na over goede samenleving: rechten en waarden
Belangrijk = rechten en democratie
Wetten kan je veranderen door democratie
Fase 4 morele ontwikkeling Kohlberg
Onderhouden van sociale orde
Het kind heeft te maken met de samenleving als geheel
Nadruk ligt op wet gehoorzamen, respecteren van autoriteiten, plichten nakomen.
Sociale orde wordt zo onderhouden
Fase 3 morele ontwikkeling Kohlberg
Goede interpersoonlijke relaties
Leven volgens de verwachtingen van gemeenschap en familie
Geloven in goede manieren
Beide kanten van het verhaal bekijken
Fase 2 morele ontwikkeling Kohlberg
Individualisme en uitwisselen
niet 1 mening is de juiste mening
Iedereen een andere manier van kijken
deal sluiten kan handig zijn