Summary Class notes - Onderzoekspracticum Psychologisch Experiment

Course
- Onderzoekspracticum Psychologisch Experiment
- geen
- 2014 - 2015
- Open Universiteit
- Psychologie
554 Flashcards & Notes
16 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Onderzoekspracticum Psychologisch Experiment

  • 1423609200 OPE

  • Wat is een onderzoeksstrategie?
    Geeft richting aan concrete stappen die ondernomen moeten worden op uiteindelijk te komen tot het 'produceren' van onderzoeksgegevens.
  • Wanneer is er sprake van een experiment?
    de onderzoeker moet systematische variatie kunnen aanbrengen in een onafhankelijke variabele.
  • Wat zijn 3 andere benamingen voor de onafhankelijke variabele?
    Gemanipuleerde variabele, experimentele variabele, oorzaakvariabele.
  • Experimenteren: gecontroleerde methode van waarneming waarbij de waarde van één of meer onafhankelijke variabelen worden gemanipuleerd met het oogmerk het causale of oorzakelijke effect vast te stellen op (één of meer) afhankelijke variabelen.
  • Wat zijn 2 andere benamingen voor de afhankelijke variabele?
    Gevolg- en effectvariabele. 
  • Experimenteel ontwerp: met de volgende symbolen weergegeven: O= observation - waarneming of meting v/d afhankelijke variabele, X= het ondergaan van de experimentele stimulus, T= tijdstip.
  • Replicatieprincipe: in wetenschappelijk onderzoek kun je (meestal) niet volstaan met één of enkele experimenten waarin één individu of één paar wordt betrokken, omdat de uitkomst daarvan veel te afhankelijk kan zijn van  toevallige kenmerken. 
  • Nomothetische interpretatie van de causaliteit: vinden van algemene regelmatigheden tussen kenmerken of variabelen. 
  • Om te spreken van een causaal verband tussen twee kenmerken moet er aan drie voorwaarden worden voldaan:
    1. er moet covariatie of een statisch verband zijn tussen kenmerk X en kenmerk Y 
    2. De variabele die als veroorzakende onafhankelijke variabele wordt beschouwd (kenmerk X) moet in tijd vooraf gaan aan de afhankelijke variabele (kenmerk Y)
    3. aangetoond moet worden dat tussen kenmerk X en kenmerk Y geen sprake is van een schijnbaar causaal verband. (door bijv derde onbekende variabele Z).
  • Randomiseren is een essentiële voorwaarde om te spreke van een zuiver experiment.
  • Naast randomiseren kunnen matchen en homogeniseren er ook voor zorgen dat de externe factoren onder controle worden gehouden.
  • Matchen/gelijk maken: hier wordt geprobeerd de experimentele en de controle groep gelijk te maken op een aantal bekende kenmerken waarvan men denkt dat ze in belangrijke mate van invloed zijn op de afhankelijke variabele. 
  • Matchen kan op 2 manieren, precisiecontrole en frequentieverdelingscontrole. Leg deze twee begrippen uit. 
    Precisiecontrole: hier probeert men voor elke proefpersoon in een experimentele groep een proefpersoon te vinden voor de controle groep die gelijk is (paarsgewijs/individueel matchen), deze worden op toevalsbasis aan controle of experimentele groep toegewezen.

     
    Frequentieverdelingscontrole: (ookwel globale controle) hierbij wordt gestreefd dat de frequentie v/e aantal belangrijke kenmerken in de groepen gelijk is. er zitten dan net zo veel mannen als vrouwen, hoog- als laagopgeleiden, etc. Grovere wijze van matchen dan precisiecontrole.
  • Wat is homogeniseren?
    Zo homogeen mogelijk op de externe variabele (bijv. leeftijd; alleen maar jongeren). Bij homogeniseren beperkt men zich tot de externe kenmerken waarvan bekend/vermoeden is dat ze invloed hebben op de afhankelijke variabele. 
  • Wanneer bij een experiment de groepen in verschillende condities even groot zijn en de toewijzing van proefpersonen plaatsvindt op toevalsbasis, dan is er sprake van een volledig gerandomiseerd ontwerp.
  • Wat is een gerandomiseerd blokontwerp 
    Personen voorafgaand aan het experiment ingedeeld in homogene categorieën (bv. man/vrouw). Als groepen worden gevormd op basis sekse en leeftijd ontstaan er 8 groepen, dit zijn blokken. Onderzoeker gaat bij vorming van dergelijke blokken uit van variabelen die hij onder controle wil houden. 
    Er is sprake van een gerandomiseerd blokontwerp wanneer ten eerste aan elk blok in beginsel evenveel proefpersonen worden toegewezen, en ten tweede elk blok evenveel eenheden worden toegewezen aan de groepen, dit gebeurt op toeval. Dit is een vorm tussen precisiecontrole en frequentieverdelingscontrole in. 
  • Wat is een veldexperiment en wat is een veldonderzoek en wat zijn de overeenkomsten? 
    Veldexperiment: de onderzoeker kiest geschikte locatie voor zijn experiment met de bedoeling bepaald gedrag uit te lokken, induceert een experimentele stimulus en wil zo veel mogelijk controle houden over de onderzoekssituatie. 

    Veldonderzoek: onderzoeker betreed 'blanco'de gekozen locatie, participeert in de activiteiten met bedoeling bestaande alledaagse onderzoekssituatie met gebeurtenissen, personen, artefacten te beschrijven en te interpreteren. 

    Overeenkomsten: de onderzoeker bestudeert bepaalde vormen van menselijk gedrag in 'natuurlijke' omstandigheden. 
  • Leg uit wat een zuiver experiment is. 
    Naast een experimentele groep is er minstens één controle groep. Daarnaast worden de onderzoekseenheden op basis van toeval toegewezen. Een voormeting kan maar is niet verplicht. 
  • Wat is het plafondeffect?
    Er zijn te hoge scores bij een voormeting waardoor men bijna niet eer hoger kan scoren. 
  • Wat is het voordeel en wat is het nadeel van de Solomon vier groepen ontwerp?
    Voordeel is dat er in meer uitgebreide zin uitspraken gedaan kunnen worden over oorzaken van veranderingen in de afhankelijke variabele. 
    Nadeel is: kost meer geld en tijd.
  • Wat is een quasi-experiment?
    Al random toewijzing niet mogelijk is wordt een quasi-experiment genoemd, komt veel voor in praktijkonderzoek. Voordeel is dat de onderzoeker kan aansluiten bij bestaande ingrepen in natuurlijke situatie. Controle van storende factoren is lastig. 
  • Wat is een enkelvoudige tijdsreeks en wat is een meervoudige tijdsreeks?
    Een enkelvoudige tijdsreeks is in plaats van één voor- en één nameting zowel voor als na de experimentele variabele diverse metingen verricht. Dit type leent zich goed voor onderzoek bij een enkele eenheid. 

    Een meervoudige tijdsreeks gaat de voorkeur naar uit, hier is sprake van zowel een experimentele als een controle groep (bij enkelvoudige alleen experimentele). Bij meervoudige tijdsreeks storende factor onder controle te krijgen bij enkelvoudige niet. 
  • Wat is een pre-experiment?
    Als er geen of slechts één vergelijkingsbasis is (of voormeting, of controle groep), er vindt geen randomisatie plaats. in vergelijking met quasi-experiment nog minder controle op externe factoren en geringere uitspraken over causaliteit.
  • Wat is interne validiteit?
    Ook wel geldigheid of interpretatie-exclusiviteit. Als er met grote zekerheid gezegd kan worden dat de onafhankelijke stimulus in de verwachte richting invloed heeft op de afhankelijke variabele en er geen andere factoren in het spel zijn, is er sprake van een hoge interne validiteit.
  • Storende factoren bij interne validiteit:
    1. Tussentijds extern voorval: één en ander is afhankelijk van de tijd die tussen de voormeting- en nameting zit.
    2. Rijping of groei: verandering in de afhankelijke variabele door rijpingseffecten binnen de onderzoekseenheden (bv. door ouder/wijzer worden).
    3. Testeffect: als zowel voor- als nameting wordt afgenomen is het mogelijk dat men ergens bijv. positiever over denkt omdat ze tijdens een vragenlijst geïnformeerd zijn naar hun mening. of bijvoorbeeld leereffect, na herhaaldelijk testen van prestaties.
    4. Instrumentatie: verschillen in metingen (mondelinge voormeting, schriftelijke nameting).
    5. Statische regressie: uit een populatie van onderzoekseenheden juist de mensen selecteren die een zeer negatieve mening hebben over het onderwerp.
    6. selectie: experimentele groep die er anders uitziet dan de controle groep (als dit invloed heeft op afhankelijke variabele kan het het experiment verstoren).
    7. Uitval (of mortaliteit): bedreiging is dat bij een nameting minder mensen meedoen dan bij een voormeting.
    8. interactie van 1 t/m7: de factoren in combi aanwezig.

    Meer specifiek voor quasi-experimenten (praktijkgericht onderzoek):
    9.verspreiding van de ingreep: experimentele groep krijgt de ingreep, controle groep niet. experimenteel onderzoek is geen garantie dat de desbetreffende groep daadwerkelijk de ingreep wel/niet ontvangen heeft.
    10. Gelijk maken van de experimentele- en controlegroep: personen in de experimentele groep worden bevooroordeeld, in sommige gevallen controle groep gecompenseerd. (hier is dan echter geen strikte sprake meer van een controle groep).
    11. Compenserende rivaliteit: of dit optreed is afhankelijk van of het bekend is dat er een ingreep plaatsvindt en de aard daarvan is. Afhankelijk waarop dit geïnterpreteerd wordt kan er concurrentie ontstaan in de verschillende condities.
  • Wat is externe validiteit 
    Als zeker is dat de onafhankelijke variabele van invloed is op de afhankelijke variabele en geen storende externe factoren werkzaam zijn geweest, is conclusie dat experimentele variabele effect heeft op de afhankelijke variabele. De vraag is of dit kan gegeneraliseerd kan worden, als dit het geval is wordt er gesproken van populativaliditeit en ecologisch validiteit. 
  • Welke 3 storende factoren zijn er bij externe validiteit?
    12. interactie voormeting en experimentele stimulus
    13. niet-representatieve steekproeven
    14. Reactieve experimentele locatie
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat er zowel een hoge externe als hoge interne validiteit komt. 
    dit is lastig, maar deels mogelijk door het herhalen of repliceren v/h zelfde experiment.
  • Wanneer ligt een vorm van interviewen of vragenlijst voor de hand als dataverzameling?
    bij het verzamelen van gegevens over attitudes, opinies, kennis en gevoelens. 
  • Wanneer is observeren een goede manier van dataverzameling?
    Als je info wil verkrijgen over gedrag en gedragsverandering.
  • Als Z variabelen de causale relatie tussen X en Y verstoren vormen ze een serieuze bedreiging voor het experiment omdat ze een onbekende invloed uitvoeren op Y. Ze verhinderen geldige toetsing van de hypothese, hoe kun je deze Z variabelen onder controle houden?
    Door randomisatie, a-selectie of variabelen op te nemen als controlevariabelen. 
  • De T-toets, niet alleen de gemiddelden van beide groepen zijn van belang, ook de spreiding van de scores rondom het groepsgemiddelde en de grootte van de groep is nodig om een hypothese te toetsen. 
    Als maat oor spreiding van de scores wordt de variantie of de standaardafwijking gebruikt.
  • Op grond van twee gemiddelden, twee varianties en de grootte van beide groepen wordt er met een onafhankelijke t-toetst een t-waarde berekend. 
  • Een ongerichte hypothese voorspelt een verschil en wordt tweezijdig getoetst. het gemiddelde van groep 1 kan hoger of lager zijn dan groep 2. Als er wordt voorspelt dat groep 1 hoger scoort dan groep 2 is er sprake van een gerichte hypothese.  Bij een gerichte hypothese moet er gehalveerd worden.
  • De onafhankelijke t-toets heeft als assumptie vat varianties in twee groepen niet van elkaar verschillen. Indien varianties toch verschillen dient de t-toets strenger te zijn. Levene's test geeft aan of er sprake is van gelijke dan wel ongelijke varianties. Wanneer p-waarde behorende hierbij kleiner of gelijk is aan 5% (p<.05) kan worden aangenomen dat de varianties verschillend zijn. 
  • Als gemiddelden van elkaar verschillen dan heeft onafhankelijke variabele een effect op de afhankelijke (t-toets), hoe groot dat effect is kan bepaald worden met formule: teken deze op papier en kijk na of hij klopt. 
    r. 10 is een klein effect
    r. 30 een gematigd effect
    r. 50 groot effect 
  • Wat is een andere veel gebruikte maat voor het berekenen van een effectgrootte (t-toets?)
    Cohens D. Teken deze op papier en kijk na of hij klopt. 
  • Cohens 'd kan geïnterpreteerd worden als de mate van overlap in de scores in beide groepen (t-toets). een d-waarde van 0 betekent een complete overlap (groepen hebben identieke scores).
    een d waarde van .08 betekent een overlap van 50%. een d. waarde van 1.7 = 25% overlap.
  • Bij een gepaarde t-toets gaat het niet om het verschil tussen gemiddelden van twee groepen, maar om het verschil tussen gemiddelden van een paar van metingen die aan elkaar gerelateerd zijn.(man met bijbehorende vrouw, rapportcijfer taal met rapportcijfer rekenen, tijdstip 1 en tijdstip 2).
  • De grootte van het effect bij een gepaarde t-toets kan bepaald worden door het gemiddelde verschil te delen door de standaarddeviatie (het minteken kan genegeerd worden).
  • Bij een anova gaat het niet om de gemiddelde verschilscore voor de frequentie van gebruik maar om twee soorten spreiding  van scores en de verhouding hiervan. De ene is de spreiding van de verschilscores binnen een groep rondom de gemiddelde verschilscore van die groep. dit wordt de binnen-groepen variatie genoemd (within-groups-variation SSw).
    De andere spreiding is de gemiddelde verschilscore van groepen rondom de totale verschilscore, de tussen groepen variatie (between-groups variation, SSb)
  • Wat zijn vrijheidsgraden en hoe worden deze berekend?
    Dit zijn de gecorrigeerde tussen en binnen groepen variaties. Deze worden berekend door de betwee groups variatie te delen door het aantal groepen -1 (between groups variance MSb) en de gemiddelde within groups variance(MSw) wordt berekend door de within groups variation te delen door het aantal mensen minus het aantal groepen. 
  • Wat zijn de brown forsythe en de welch's f? 
    Twee alternatieve waarde voor de F-waarde voor het geval dat er geen sprake is van homogeniteit van varianties (levene's test significant) (bij een anova).
  • Als gemiddelden verschillen heeft onafhankelijke variabele effect op de afhankelijke variabele. Hoe groot dat effect is kan bepaald worden door de verhouding te bepalen tussen de variatie die verklaard kan worden tussen de verschillen tussen de groepen en de totale variatie (verschillen tussen groepen + verschillen binnen groepen).
    Het resultaat kan worden uitgedrukt in eta-kwadraat (SSb delen door SStotal). Deze is echter niet helemaal nauwkeurig omdat het niet de gecorrigeerde waarden gebruikt. daarom bij voorkeur gebruik van omega kwadraat; gebruikt naast SSb en SSt ook MSw. Wat is de formule van Omega kwadraat;schrijf op en kijk na.
  • Bij een ANOVA is keuze tussen eenzijdig of tweezijdig toetsen niet mogelijk. Als de omnibus toets laat zien dat er een verschil is tussen de groepen; moet bij een gerichte hypothese het voorspelde verschil tussen groepen getoetst worden met geplande contrasten. Bij een ongerichte hypothese met post hoc toetsen.
  • Het bepalen van contrasten is aan regels verbonden, waardoor niet alle groepen onderling met elkaar vergeleken kunnen worden. Welke regels zijn dit? 
    1. Een groep die is afgesplitst van een andere groep, mag niet nogmaals in een vergelijking voorkomen. 
    2. Er moet altijd één contrast minder zijn dan het aantal  groepen. 
    3. Elk contrast moet maximaal 2 delen van de variantie vergelijken. 
  • Als de eerste regel van contrasten geschonden wordt (groep die afgesplitst is mag niet opnieuw in vergelijking voorkomen), maar deze wordt niet gehanteerd, waar is dan geen sprake van:
    het zijn dan niet orthogonale contrasten, ze mogen wel gebruikt worden maar met enige voorzichtigheid.
  • Het toekennen van gewichten aan contrasten is aan regels verbonden, wat zijn deze regels?
    1. ze moeten positief en negatief zijn
    2. De som moet in vergelijking gelijk zijn aan 0
    3. Als een groep niet in de vergelijking opgenomen wordt moet deze de waarde 0 krijgen.
  • De grootte van het effect bij contrasten kan uitgerekend worden met?
    een vereenvoudigde versie van de cohens D: werk ze uit en check!
  • Wanneer moet welke post-hoc analyse worden uitgevoerd
    Als de p-waarde van levene's kleiner/geijk is dan .05 : Games howell
    Groter dan .05 : tukey of bonferroni
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

De ANOVA laat zien dat er een hoofdeffect is van voorlichting. De gemiddelde verschilscore op het gebruik van de sportzaal van de drie groepen is dus significant verschillend Of de hypothese wordt ondersteund, kan nog niet gezegd worden...
want daar zijn de resultaten van de contrasten voor nodig
de tabel van between subjects effect geeft welke... info
geeft de resultaten van de factoriële variantieanalyse. 
de tabel descriptive statistics geeft voor elke groep...
De tabel Descriptive Statistics geeft voor elke groep die onderscheiden kan worden door een kruising van beide onafhankelijke variabelen
1.het gemiddelde,
2.de standaarddeviatie en
3.de grootte van de groep aan.
wat ANCOVA kun je met posthocanalyses alleen variabelen uitvoeren met .... groepen
Bij een factoriële variantieanalyse kunnen post‐hocanalyses dus alleen uitgevoerd worden voor onafhankelijke variabelen met meer dan twee groepen
wat gebeurd er bij SPSS als je kiest voor een full-factorial model
 dan wordt er een model uitgevoerd waarin alle hoofdeffecten en interacties van alle variabelen getoetst worden.
verschil gerichte en ongerichte hypothese..
ongerichte hypothese
met posthocanalyses onderzoek je welke groepen nu precies van elkaar verschillen

gerichte hypothese
met contrasten onderzoek je de voorspelde verschillen tussen groepen
berekenen f-waarde en p-waarde bij ANCOVA
SSw en SSb voor de onafhankelijke variabele en de SSi voor de interactie
SSw = aantal mensen – het aantal groepen
SSb = aantal groepen – 1
SSi = vermenigvuldiging van de vrijheidsgraden van SSb van de onafhankelijke variabele
 
Op grond van elke gemiddelde between group variance (MSb) en de gemiddelde within group variance (MSw) wordt er voor elke onafhankelijke variabele een F‐waarde berekend, en op grond van de gemiddelde between group variance voor de interactie (MSi) en de gemiddelde within group variance (MSw) wordt er een F‐waarde berekend voor de interactie
 
Als de p-waarde bij de F –waarde van een onafhankelijke variabele kleiner is dan 0,5 dan is er sprake van een significant hoofdeffect voor de betreffende variabele
Als de p-waarde bij de F-waarde  van de kruising kleiner is dan o,5 dan is er sprake van een significant interactie-effect.
Welke rol speelt de f-waarde en p-waarde bij de ANOVA
In een factoriële variantieanalyse wordt onderzocht of de onafhankelijke variabelen en de interactie van de onafhankelijke variabelen invloed hebben op de afhankelijke variabele. Daarom worden voor elke onafhankelijke variabelen én voor de interactie een F‐waarde en een p‐ waarde berekend.
Deze bepalen het effect van de onafhankelijke variabelen en de interactie. In dit voorbeeld worden er dus drie F‐ waarden en drie p‐waarden berekend.
De F‐ en p‐waarden behorende bij de onafhankelijke variabelen bepalen of er sprake is van een hoofdeffect van de onafhankelijke variabelen
en de F‐ en p‐waarden behorende bij de interactie bepalen of er een interactie‐effect is.
Waaruit bestaat de totale variantie bij een factoriele ANOVA
Bij een factoriële variantieanalyse bestaat de totale variantie uit de within groups variance, de between groups variance van alle onafhankelijke variabelen en de variantie die verklaard wordt door de 3 interactie tussen de onafhankelijke variabelen, en eventueel uit de variantie die verklaard wordt door de covariaat. 
Waaruit bestaat de totale variantie bij een one-way ANOVA
eenweg‐variantieanalyse de totale variantie bestaat uit de within groups variance en de between groups variance en, als die opgenomen is, uit de variantie die verklaard wordt door de covariaat