Summary Class notes - Ontwikkelingspsychologie 2

Course
- Ontwikkelingspsychologie 2
- ?
- 2014 - 2015
- Radboud Universiteit Nijmegen
- Pedagogische Wetenschappen
201 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Ontwikkelingspsychologie 2

  • 1422831600 Les 1 Terrein en doelstellingen

  • klassieke oudheid (rond begin jaartelling)
    verklaring voor de werking van de kosmos, astrologie, astronomie, geneeskunst
  • Wetenschappelijke revolutie (1543)
    menselijke anatomie, natuurkunde, astronomie, biologie
  • Moderne wetenschap (17de eeuw)
    experimenten en eigen observatie zijn fundament van wetenschap
  • wilhelm wund rond 1875
    richte het eerste psychologische laberatorium op, maar het schijnt dat william james havard eerder was.
  • Wilhelm wund richte rond 1875 eerste psychologische laberatorium op,, maar het schijnt dat william james van harvard al eerder was. Maar wund was wel het eerste met empirisch onderzoek.
  • Twee filosofische stellingsnamen: John Loche Engeland en Jean Jacques Rousseau
  • John locke engeland
    Empirischt, ervaringen, belonen/straffen, mensen waren passief, de mens werd geboren als een tabula rasa als een blank blad, hieruit is de angelsaksische theorievorminge.
  • Tabula Rasa
    mens word geboren als blank blad.
  • Volgens John Locke Engeland waren alle mensen gelijk aan elkaar. Hij vond dat je kinderen rationeel moest leren denken en als een rationeel wezen moest behandelen. En niet als een kind dat nog niet logisch kon denken.
  • Jean Jacques Rousseau
    Kwam uit Frankrijk, Hij was een Nativist. De natuur was goed en de maatschappij slecht. een kind is van nature goed en word door de maatschappij slecht gemaakt. Opvoeden in de natuur en het kind groeit dan op als een goed mens. hij was voor een actief mens.
  • Volgens Rousseau hadden jongens minder opvoeding nodig dan meisjes. Meisjes heel erg streng, moesten gehoorzamen aan hun man later.
  • Er werd eerst heel erg veel beschreven van acties van kinderen om zo de ontwikkeling in kaart te brengen. Zo zijn er normen ontstaan, bijv. wanneer moet een kind gaan lopen, zet het zijn eerste stapjes.
  • Later ging men proberen de beschrijvingen te verklaren. Hoe kwam het tot stand en wat zit er achter. Men moest veel meer onderzoeken gaan doen en gaan experimenteren..
  • Beschrijven
    observeren van kinderen en een ontwikkeling in kaart brengen. Zo ontstaan normen van ontwikkeling van een kind
  • Verklaren
    Bij de beschrijvingen moest ook verklaringen komen. Hoe kwam een beschrijving tot stand er wat zit er achter.
  • Hypothetische begrippen
    bezitsdrang, dominatie, nervositeit, intelligentie, 
    Zijn dingen die niet direct meetbaar zijn. 
  • Empirische begrippen
    Hartslag, lengte, iqscore
    Zijn dingen die direct meetbaar zijn. 
  • Hypotetische begrippen --> Operationaliseren. 
    intelligentie word bijvoorbeeld gemeten door middel van een IQ test.
  • Benadering, idiografisch
    Nauwkeurige observaties, vaak eigen kinderen, dakboekbeschrijvingen
  • Piaget, heeft zijn eigen kinderen bijvoorbeeld nauwkeurig geobserveerd. Voordeel ervan is dat het heel erg nauwkeurig gebeurd. Je bent er de hele dag bij en kunt ieder klein stapje volgen. Maar een nadeel is dat je niet objectief kunt zijn van je eigen kinderen. Niet alle kinderen zijn het zelfde.
  • Benadering, nomothetisch
    wetmatigheden, onderzoek bij grotere groepen, M.B.T. ontwikkeling Cross-sectioneel of longitudinaal
  • Nomotethisch nadelen: je kunt niet zeggen dat je generaliseert. 
  • Cross-sectioneel
    Kijken naar een groep kinderen van 3 jaar, 5 jaar en zo door. Dit is een snelle manier, maar je weet niet met zekerheid hoe het binnen een kind gaat.
  • Longitudinaal onderzoek
    Een kind door de jaren heen volgen. Dus ieder jaar het zelfde kind volgen.
  • Ander onderscheidt in benadering deductief en inductief. Deductieve benadering
  • deductieve benaderingen
    Gaat van algemeen naar Specifiek (van groot naar klein)
    Gaat uit van vaststaande wetten
    Twee voorwaarden:
    - Algemene wet moet geldig zijn
    - Wet moet op de juiste empirische gegevens toegepast worden.
  • Inductief
    kijkt naar specifieke gevallen en gaat naar algemeen (van klein naar groot)
    Gaat uit van specifieke waarnemingen
    Popper: Inductie: te groot risico op onterechte veralgemenisering, teveel gericht op bevestiging.Popper zegt dat je moet gaan zoeken naar de ontkrachting van hypothesen inplaats van de bevestiging. 
    kan vooral gebruikt worden voor het genereren van nieuwe hypothesen. 
  • Wereldbeeld: samenhangend geheel van opvattingen, aannames en oordelen. 
    Verschillende wereldbeelden kunnen ten grondslag liggen aan verschillende meningen.
  • Atomistisch-mechanistisch wereldbeeld
    Metafoor: machine of moter. De mens word gezien als een passieve robot. Het leerproces is continu. Je maakt geen kwalitatief grote sprongen. (toename van kennis) Er wordt gekeken naar observeerbare veranderingen. 
    Kind word door de omgeving gevormd. 
  • Theorieen die uit atomistische mechanistische wereldbeeld zijn ontstaant, zijn vijboorbeeld leertheorie
  • Holistisch organismisch
    Er is al een plan en patroon hoe een kind moet worden. Kind gaat zelf opzoek naar kennis en verwerkt deze zodat het kind zichzelf ontwikkeld.
    Actieve rijping
    Piaget.
  • Holistische organismisch gaat om kwalitatieve veranderingen. 
  • Contextualistisch
    Basismetafoor: contect
    uitbreiding van holistische organismisch
  • Andere indeling wereldbeelden. Gesloten systeem en open systeem
  • Gesloten systeem
    evenwicht, geordend, kqantitatieve, lineair voorspelbare ontwikkeling, hoofdzakelijk niet levende systemen
  • open systeem
    wanorde (verder kijken in powerpoint)
  • De ontwikkkeling van menselijk gedrag: bewust gedrag en onbewust gedrag: perceptie, cognitie, motoriek, emotie, moraliteit. 
  • -Er is niet echt een theorieen die op de ontwikkeling in gaan. 
    -De meeste theorieen van ontwikkeling gaan niet over heel het leven. Stoppen bij adolescentie.
    -geen een van de theorieen voldoet aan alle eisen van een formele wetenschappelijke theorie. 
  • structuur of functie. Computer hardware of software, verklaringen of processen.
  • structuur
    computer hardware
    structurele benadering: verklaring van gedrag d.m.v. structurele basis.
    bijvoorbeeld geheugen structuur zoals korte termijn lange termijn.
    piaget
    kohlberg
  • Functie
    Computer-software
    functionele benadering: processen
    leertheorie
    dynamische systeem theorie
  • Is het ontwikkelingsverloop continu of discontinu?
  • Continu
    geleidelijke toename, kwantitatieve veranderingen, waarneembare/meetbare groei
  • Discontinu
    Stappen en sprongen, niet geleidelijk, kwalitatieve veranderingen, fases en stadia.
  • Overgangsmechanismen:
    Theorieen waarin fasen of stadie beschreven worden.
    fases: compleze gedragspatronen
    Freud: Rijping van erogene zones
    Erikson: epigenetische ontwikkelingsmodel (iedereen is geboren om samenheid te vormen)
    Piaget: equilibratiemodel, iedereen is opzoek naar evenwicht
    Kohlberg: cognitief conflictmodel
  • Ontwikkelingsdeterminanten: Hoe komt het dat je je zo ontwikkelt?
    Aanleg of milieu.
  • Wat zijn de beweegredenen voor gedrag, de motiviatie
    Psychoanalytische theorie: interne drijfveer: libido (wil om te leven)
    of behaviourisme: externe drijfveer: beloning en straf. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

identiteitsontwikkeling bosma
groninger identiteitsontwikkelingsschaal (GIDS)

herhaalde afnames
6 gebieden van binding
sterkte van binding
mate van exploratie
Identiteitsstatussen marcia
Twee dimensies: crisis en binding

Identity achievement --> crisis doorgemaakt, binding aangegaan, je hebt een keus gemaakt wat je met de rest van je leven wil. 
foreclosure --> geen crisis doorgemaakt, binding aangegaan
identity diffusion --> wel/geen crisis, geen bindingen aangegaan
moratorium --> momenteel in een crisis, geen bindingen aangegaan.
Rijpheid, integriteitscrisis
  • Na 65 jaar
  • crisis: integriteit vs. wanhoop
  • belangrijke relaties: maatschappij, nageslacht
  • psychosociaal leergebied: geleefd hebben en accepteren dat het leven eindig is.
  • egokracht: wijsheid
  • risico: realisatie dat het te laat is dingen te veranderen.
volwassenheid. generativiteitscrisis
  • 30 tot 65 jaar
  • crisis: generativiteit, productiviteit vs. egocentrisme, stagnatie
  • belangrijke relaties: personen met wie men werkt en samenleeft
  • psychosociaal leergebied: zorgen voor de volgende generatie
  • egokracht: zorg
  • risico: overdreven zorg voor de eigen persoon
eerste volwassenheid
  • 20 tot 30 jaar
  • crisis: intimiteit, solidariteit vs. isolatie
  • belangrijke relaties: partners en groepsleven
  • psychosociaal leergebied: zichzelf verliezen en vinden in ander
  • egokracht: liefde
  • risico: isolement
adolescentie
  • 13 tot 20 jaar
  • crisis: identiteit vs. identiteitsverwarring
  • belangrijke relaties: leeftijdsgroepen en rolmodellen
  • psychosociaal leergebied: zichzelf zijn (in groep)
  • egokracht: integreren van verschillende segmenten van het zelfbeeld
  • risico: isolement en uitstoting, delinquentie
Latentiefase, schooljaren
  • 6 tot 12 jaar
  • crisis: Handvaardigheid vs minderwaardigheid
  • belangrijke relaties: buurt en school
  • psychosociaal leergebied: iets construeren
  • egokracht: Bekwaamheid
  • risico: minderwaardigheidsgevoelens.
Kinderjaren, fallische stadium, locomotor-genitale stadium
  • 3 tot 5 jaar
  • crisis: initiatief vs. schuld
  • belangrijke relaties: gezien
  • psychosociaal leergebied: Iets maken, namaken
  • wanneer je de crisis goed doorloopt: egokracht: initiatief en doelgerichtheid
  • wanneer je de crisis niet goed doorloopt: risico: identiteitsprobleem in adolescentie
Anaal - urethaal/musculair-anale stadium
  • 1 tot 3 jaar
  • crisis: autonomie vs, schaamte en twijfel
  • belangrijke relaties: Ouders
  • psychosociaal leergebied: vasthouden - loslaten
  • wanneer je de crisis goed doorloopt: egokracht: autonomie
  • wanneer je de crisis niet goed doorloopt risico: compulsief gedrag
  • heeft te maken met zindelijkheid
Oraal sensorisch stadium
  • 0 tot 1 jaar
  • crisis: vertrouwen vs. wantrouwen
  • belangrijke relaties: Moeder
  • psychosociaal leergebied: geven - nemen
  • wanneer je de crisis goed doorloopt:egokracht: hoop, vertrouwen
  • wanneer je de crisis niet goed doorloopt risico: angst, wantrouwen (latere relaties)