Summary Class notes - OWE III

Course
- OWE III
- Holweg
- 2017 - 2018
- Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen locatie Nijmegen, Nijmegen)
- Physician Assistant
491 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - OWE III

  • 1486508400 ZSO 1.1

  • Vragen en opdrachten
    1. Wat zijn de functies van bloed in het algemeen?
    2. Wat is de globale samenstelling van bloed? Geef per bestanddeel kort de functie aan.
    3. Wat zijn kenmerken en functies van erythrocyten, leukocyten en thrombocyten?
    4. Hoe verloopt het recyclingsproces van verouderde en beschadigde erythrocyten?
    5. Hoe en waar verloopt de vorming van nieuwe bloedcellen?
    6. Wat is volgens u de meest waarschijnlijke diagnose van een patiënt die zich bij de huisarts meldt met vermoeidheidsklachten? Kunt u globaal weergeven wat de drie meest voorkomende oorzaken zijn van moeheid in een huisartsenpraktijk?
    7. Denk na over de epidemiologie van moeheid in de huisartsenpraktijk. Hoe vaak is er een relatie met anemie?
  • Hoe en waar verloopt de vorming van nieuwe bloedcellen?
    Hematopoëse is een proces waarbij uit een multipotente, hematopoëtische stamcel in het rode beenmerg bloedcellen en bloedplaatjes gevormd worden.
    Rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes hebben een beperkte levensduur. Zij dienen daarom voortdurend vervangen te worden door nieuwe cellen. De stamcellen in het rode beenmerg zorgen hiervoor. Deze stamcellen kunnen uitrijpen (differentiëren) tot verschillende soorten bloedcellen.

    Het ontwikkelingsproces van een stamcel in het beenmerg verloopt als volgt: Onder invloed van groeifactoren gaat de cel zich delen. Na de celdeling zal één stamcel overblijven (deze zal zich na een tijd weer opnieuw delen), terwijl de andere cel zich verder zal ontwikkelen tot de voorloper van een bloedcel of bloedplaatjes.
    De verdere uitrijping van deze voorloper heet, afhankelijk van het resultaat:
    • Leukopoëse, de vorming van leukocyten of witte bloedcellen;
    • Erytropoëse, de vorming van erytrocyten of rode bloedcellen;
    • Trombopoëse, de vorming van trombocyten of bloedplaatjes.
    Naarmate het ontwikkelingsproces verder is gevorderd, is ook het eindresultaat sterker vastgelegd en zijn de differentiatie-mogelijkheden meer beperkt. In het laboratorium kunnen wetenschappers cellen soms wél terug laten keren naar een vorige fase.
  • 1. Functies bloed
    • transporteren opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en metabole afvalstoffen
    • regelen van de pH en ion samenstelling van interstitiële fluïda
    • beperking van vochtverlies bij verwondingsplaatsen
    • verdedigen tegen giftige stoffen en pathogenen
    • stabiliserende lichaamstemperatuur
  • Wat zijn de functies van bloed in het algemeen?
    Bloed zorgt hoofdzakelijk voor het transport van stoffen door het lichaam. Het speelt een belangrijke rol in:
    • het regelen van de lichaamstemperatuur;
    • het handhaven van het evenwicht van uiteenlopende essentiële mineralen en vloeistoffen (elektrolytenbalans);
    • de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen (zoals glucose, vitaminen, mineralen, vetten en eiwitten);
    • de afvoer van kooldioxide, toxinen en afvalproducten (zoals ureum);
    • het transport van chemische boodschappers (hormonen) en andere stoffen;
    • de bescherming van het lichaam tegen micro-organismen en vreemde stoffen (een functie van het immuunsysteem);
    • het handhaven van de bloedstolling.
  • 2+3. Samenstelling bloed: (zie aant H19)
    - Plasma (55%):
    • Plasma-eiwitten: transport hormonen, lipiden ea, stolling )(albumine, globulinen, fibrogenen)
    • Opgeloste stoffen: elektrolyten (NA+, K+ Ca2+, mg2+, Ci-, HCO3-, HPO4-, So42-), voedingsstoffen voor oa ATP, afvalproducten (ureum, urine zuur, ceatininne, billirubine, amonium ionen
    • Water: transport van oa moleculen, warmte (92%)
    - Cellen (45%):
    • Bloedplaatjes (trombocyten): stollingsproces -> hemostase: samenklonteren en vasthouden aan vaatwand; activeren intrinsieke route van coagulatiefase
    • Witte bloedcellen (leukocyten): nemen dode/beschadigde cellen op, bestrijden infecties (bacteriën, parasieten), maligniteit (neutrofielen, eosinofielen, basofielen, lymfocyten, monocyten)
    • Rode bloedcel (erytrocyten): transport van zuurstof van longen naar weefsels en kooldioxide uit weefsels naar longen
  • Wat is de globale samenstelling van bloed? Geef per bestanddeel kort de functie aan.
    Het bloed bestaat in feite uit 3 verschillende typen cellen. De myeloïde progenitorcel leidt tot differentiatie van:
    • rode bloedcellen of erytrocyten, die voornamelijk gevuld zijn met het eiwit hemoglobine, dat het grootste gedeelte van het transport van zuurstofgas en koolstofdioxide verzorgt
    • witte bloedcellen of leukocyten, in een groot aantal variëteiten:
      • Monocyten
      • Neutrofiele granulocyten
      • Eosinofiele granulocyten
      • Basofiele granulocyten
    • bloedplaatjes of trombocyten.
    Daarnaast leidt de lymfoïde progenitor cel tot de vorming:
    • B-cellen
    • T-cellen
    • Natural Killer-cellen
    • dendritische cellen
  • 2+3. Samenstelling bloed: (zie aant H19)
    - Plasma (55%):
    • Plasma-eiwitten: transport hormonen, lipiden ea, stolling
    • Opgeloste stoffen: elektrolyten (NA+, K), voedingsstoffen voor oa ATP, afvalproducten
    • Water: transport van oa moleculen, warmte
    - Cellen (45%):
    • Bloedplaatjes (trombocyten): stollingsproces -> hemostase: samenklonteren en vasthouden aan vaatwand; activeren intrinsieke route van coagulatiefase
    • Witte bloedcellen (leukocyten): nemen dode/beschadigde cellen op, bestrijden infecties (bacteriën, parasieten), maligniteit
    • Rode bloedcel (erytrocyten): transport van zuurstof van longen naar weefsels en kooldioxide uit weefsels naar longen
  • 4. Recyclingproces erytrocyten
    Erytrocyten worden door de macrofagen (type leukocyt) afgebroken. Macrofagen komen voor in milt, beenmerg en lever. De erytrocyt wordt door de macrofaag afgebroken tot uiteindelijk ijzer, aminozuren en bilirubine.
    Eerst wordt de rode bloedcel afgebroken tot aminozuren. Uit deze aminozuren wordt heam vrijgemaakt. Het heam wordt verder afgebroken tot ijzer en biliverdine, dit wordt verder afgebroken tot bilirubine. Het ijzer wat vrijkomt uit de afbraak van de rode bloedcel wordt door het transporteiwit transferrine naar het beenmerg getransporteerd.  Hier word amino acid en tranferrin gebruikt voor synthese nieuwe HB moleculen. Ijzen wordt opgeslagen in eiwit-ijzercomplexen Ferritin en hemosiderine.

    Bilirubine wordt via de lever afgegeven aan de galblaas. De galblaas geeft de bilirubine af aan de darm. Het grootste deel van bilirubine wordt afgegeven aan de ontlasting. Een deel van het bilirubine wordt weer opgenomen door het bloed dat door de nieren met de urine wordt uitgescheiden.
  • Wat zijn kenmerken en functies van erythrocyten, leukocyten en thrombocyten?
    Erytrocyten:
    - de meest voorkomende bloedcellen (haemocyten): 4,5 tot 5,5 miljoen per microliter
    - schijfvormige cellen, aan beide zijden in het midden een putje (delle)
    - gevormd in het rode beenmerg
    - hoofdbestanddeel is een roodgekleurd, ijzerhoudend eiwit, het hemoglobine (Hb), dat de eigenschap heeft zuurstof te kunnen binden.
    - kunnen van vorm veranderen
    - hebben geen celkern (nucleus) of celorganellen, hierdoor zijn ze niet in staat zich te delen
    - Belangrijkste functie is de zuurstoftoevoer naar lichaamsweefsels en de afvoer van koolstofdioxide


    Leukocyten:
    - een deel van het menselijke afweersysteem (Immuunsysteem)
    - hebben een celkern (nucleus)
    - kunnen zich zelfstandig voortbewegen, om op die plaats in het lichaam te komen, waar ze nodig zijn.
    - bevinden zich voor het grootste deel in het bindweefsel, waar ze hun werk uitvoeren, namelijk ziekteverwekkers of afgestorven lichaamscellen vernietigen.
    - worden in het beenmerg (medulla ossium) gemaakt, respectievelijk in de lymfeknopen (folliculus lymphaticus)

    Soorten:
    – de granulocyt (granulocytus): 60% onderverdeeld in:
    * neutrofiele: kleine vreetcellen (microfagen) genoemd, aangezien ze ziekteverwekkers respectievelijk vaste substanties in zich opnemen en met behulp van enzymen in hun cellichaam (cytoplasma) kunnen vernietigen. Bij het uitvoeren van deze taak, die fagocytose genoemd wordt, gaan ze zelf te gronde en vormen zo pus.
    * eosinofiele & basofiele granulocyten: zijn voor het grootste deel betrokken bij allergische reacties in het lichaam.
    – de lymfocyt (lymfocytus)
    – de monocyt (monocytus).

    Bloedplaatjes of trombocyten zijn de kleinste cellen (2-3 µm groot) in het bloed. Zij hebben geen celkern. Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij het voorkomen van bloedverlies (hemostase).
    - gevormd uit stamcellen in het beenmerg


    Hematopoietische stamcellen -> progenitor cellen -> promegakaryocyten -> megakaryocyten -> trombocyten (bloedplaatjes)
  • Hemoglobine (Hb): ijzerhoudend eiwit waarmee erytrocyten zuurstof kunnen binden en transporteren
  • 4. Recyclingproces erytrocyten
    Erytrocyten worden door de macrofagen (type leukocyt) afgebroken. Macrofagen komen voor in milt, beenmerg en lever. De erytrocyt wordt door de macrofaag afgebroken tot uiteindelijk ijzer, aminozuren en bilirubine. 
    Eerst wordt de rode bloedcel afgebroken tot aminozuren. Uit deze aminozuren wordt heam vrijgemaakt. Het heam wordt verder afgebroken tot ijzer en biliverdine, dit wordt verder afgebroken tot bilirubine. Het ijzer wat vrijkomt uit de afbraak van de rode bloedcel wordt door het transporteiwit transferrine naar het beenmerg getransporteerd. Bilirubine wordt via de lever afgegeven aan de galblaas. De galblaas geeft de bilirubine af aan de darm. Het grootste deel van bilirubine wordt afgegeven aan de ontlasting. Een deel van het bilirubine wordt weer opgenomen door het bloed dat door de nieren met de urine wordt uitgescheiden. 
  • 5. Vorming nieuwe erytrocyten (erytropoëse)
    vindt plaats in het rode beenmerg van de beenderen. Specifieker bevindt het rode beenmerg (myeloïde weefsel) zich in de mergholte (cavitas medullaris) van het dijbeen (femur), opperarmbeen (humerus), bekken (pelvis), ribben (costae), borstbeen (sternum), schouderbladen (scapula) en wervels (vertebra).
    Rode bloedcellen worden uit multipotente bloedcellen van het rode beenmerg gevormd. De multipotente bloedcel is een stamcel waaruit niet alleen de rode bloedcellen worden gevormd, maar ook de witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes. De totale vorming van bloed wordt hematopoëse genoemd.

    Om uit multipotente bloedcellen rode bloedcellen te vormen, zitten een aantal tussenstappen. Uit multipotente bloedcellen worden achtereenvolgens pro-erytroblast, erytroblast, normoblast, reticulocyt en tenslotte erytrocyt (rode bloedcel) gevormd. De rode bloedcel heeft geen celkern. Wanneer de zuurstofspanning van het bloed te laag is, wordt dit door de nieren waargenomen. De nieren maken dan erytropoëtine (EPO). EPO stimuleert het rode beenmerg om rode bloedcellen te vormen.


    1    Proerythroblast
    2.   Early normoblast
    3.   Intermediate normoblast
    4.   Late normoblast
    5.   Reticulocyte and6.   Matured erythrocyte.
  • Hoe verloopt het recyclingsproces van verouderde en beschadigde erythrocyten?
    Rode bloedcellen worden zowel binnen (intravasale bloedafbraak) als buiten (extravasale bloedafbraak) de bloedbaan afgebroken. Binnen de bloedbaan wordt 10-20% van de rode bloedcellen afgebroken en daarbuiten 80-90% in vooral de milt, maar ook in de lever, botten en centraal zenuwstelsel. Het vrijkomende ijzer wordt voor het grootste deel gebonden aan de eiwitten ferritine en hemosiderine voor hernieuwd gebruik. Bij de afbraak van de rode bloedcellen komt ook globuline vrij, dat als bilirubine via de lever als gal wordt uitgescheiden.
  • 5. Vorming nieuwe erytrocyten (erytropoëse)
    vindt plaats in het rode beenmerg van de beenderen. Specifieker bevindt het rode beenmerg (myeloïde weefsel) zich in de mergholte (cavitas medullaris) van het dijbeen (femur), opperarmbeen (humerus), bekken (pelvis), ribben (costae), borstbeen (sternum), schouderbladen (scapula) en wervels (vertebra).
    Rode bloedcellen worden uit multipotente bloedcellen van het rode beenmerg gevormd. De multipotente bloedcel is een stamcel waaruit niet alleen de rode bloedcellen worden gevormd, maar ook de witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes. De totale vorming van bloed wordt hematopoëse genoemd.

    Om uit multipotente bloedcellen rode bloedcellen te vormen, zitten een aantal tussenstappen. Uit multipotente bloedcellen worden achtereenvolgens pro-erytroblast, erytroblast, normoblast, reticulocyt en tenslotte erytrocyt (rode bloedcel) gevormd. De rode bloedcel heeft geen celkern. Wanneer de zuurstofspanning van het bloed te laag is, wordt dit door de nieren waargenomen. De nieren maken dan erytropoëtine (EPO). EPO stimuleert het rode beenmerg om rode bloedcellen te vormen.
  • 6. 3 meest voorkomende oorzaken moeheid





    somatisch

    • infectieziekten;

    • cardiovasculaire aandoeningen;

    • gastro-intestinale aandoeningen;

    • aandoeningen van het bewegingsapparaat;

    • hematologische aandoeningen;

    • hormonale stoornissen;

    • metabole stoornissen;

    • neuromusculaire aandoeningen;

    • tekort aan nutriënten;

    • bijwerking van geneesmiddel.
     
    zwanger, luchtweginfectie, vit D te kort, Depressie, Surmenage (overspannen) , relatie of gezinsproblemen, werkproblemen, onverklaarde vermoeidheid (sympt. diagnose)
  • Wat is volgens u de meest waarschijnlijke diagnose van een patiënt die zich bij de huisarts meldt met vermoeidheidsklachten? Kunt u globaal weergeven wat de drie meest voorkomende oorzaken zijn van moeheid in een huisartsenpraktijk?
    De meest bekende oorzaken van moeheid zijn infectieziekten , bloedarmoede , nier en leverziektes , schildklieraandoeningen , hartziektes zoals hartfalen , zenuwziektes als multipele sclerose en spierziektes, rheumatologische ziektebeelden , longziektes die al of niet met benauwdheid gepaard gaan , kanker en verder natuurlijk de zeer veel voorkomende ziektes als depressie en overspannenheid c.q. burn–out .

    Onverklaarbare vermoeidheid is onder te verdelen in 2 soorten: kort <6maanden, chronisch >6maanden.
  • 7. Epidemiologie moeheid in huisartsenpraktijk, in relatie met anemie
    lijkt geen associatie te zijn met ernstige anemie. Komt zelden voor.  Wel ijzergebrek (S) , vit D te kort (V) vit B12 te kort (S).

    in NHG wordt foliumzuur def. nog benoemd.
  • Denk na over de epidemiologie van moeheid in de huisartsenpraktijk. Hoe vaak is er een relatie met anemie?
    Alleen als bij een anemie Hb-waarden <6,5 mmol/l gevonden worden, is er een mogelijke relatie met de moeheid
  • 6. 3 meest voorkomende oorzaken moeheid
    - moeheid/ziektegevoel als symptoomdiagnose
    - andere virusziekten
    - bovensteluchtweginfectie
    - ijzergebrekanemie

    Zie ook in afbeeldingen diagram
  • 7. Epidemiologie moeheid in huisartsenpraktijk, in relatie met anemie.
    Incidentie van de klacht moeheid (contactreden A04) aan het begin van een episode in de huisartsenpraktijk, per 1.000 patiënten per jaar.
    Ernstige anemie wordt zelden in huisartsenpraktijk gediagnosticeerd
  • Epidemiologie anemie (NHG)
    De incidentie van anemie in de huisartsenpraktijk is 8,6 per 1000 patiënten per jaar. Bij de helft van deze patiënten stelt de huisarts de diagnose ijzergebreksanemie (indicentie 4,3 per 1000 patiënten per jaar). Deze diagnose wordt bij vrouwen ongeveer viermaal zo vaak gesteld als bij mannen. Het grootste verschil tussen vrouwen en mannen treedt op in de leeftijdsgroep 15-50 jaar, een levensfase waarin bij mannen zelden ijzergebreksanemie wordt vastgesteld.

    IJzergebreksanemie bij vrouwen in de reproductieve levensfase wordt meestal veroorzaakt door hevig menstrueel bloedverlies of door een verhoogde ijzerbehoefte tijdens de zwangerschap. Op oudere leeftijd is naast ijzergebrek ook vaak een chronische ziekte de oorzaak van een anemie.
    De incidentie van anemieën ten gevolge van vitamine B12- of foliumzuurdeficiëntie is in de huisartsenpraktijk ongeveer 1,8 per 1000 patiënten per jaar. Deze gebreksanemieën worden vooral aangetroffen bij ouderen, patiënten die een auto-immuunreactie vertonen tegen pariëtale cellen van de maagwand of tegen intrinsic factor (atrofische gastritis), en bij mensen met een verhoogde kans op een onevenwichtig voedingspatroon (veganisten, alcoholisten).

    Naar schatting 1% van de Nederlandse bevolking is drager van een hemoglobinopathie. De meestvoorkomende hemoglobinopathieën zijn thalassaemia minor ensickle cell trait. De homozygote vormen van deze aandoeningen, thalassaemia major respectievelijk sikkelcelziekte, komen in Nederland zelden voor. Ieder jaar worden er in Nederland 35-40 kinderen met sikkelcelziekte en 5 kinderen met thalassaemia major geboren, en worden er ongeveer 60 nieuwe diagnoses van een dergelijke hemoglobinopathie gesteld bij niet-pasgeborenen).
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Oplaaddosis
Bij een hoge weefselbinding kan de Vd een waarde hebben van 20–40 l/kg (enkele tricyclische antidepressiva, antipsychotica) tot 800 l/kg (chloroquine). Ook bij digoxine is er naar verhouding heel weinig terug te vinden in de circulatie, omdat de stof een grote affiniteit heeft voor spierweefsel. Het verdelingsvolume is praktisch van belang voor het bepalen van een oplaaddosis om snel een gewenste plasmaconcentratie te bereiken. Heeft een stof een groot verdelingsvolume of verloopt de verdeling in het lichaam traag dan moet de injectie van een oplaaddosis zeer langzaam of soms zelfs verdeeld over meerdere giften worden gegeven om een tijdelijk hoge plasmaconcentratie en daarmee intoxicatie, te vermijden. Dit is zeker van belang indien de stof tevens een smalle therapeutische breedte heeft. De oplaaddosis van digoxine bijvoorbeeld wordt gegeven in meerdere giften op één dag en van amiodaron in meerdere giften verspreid over meerdere dagen. Ook is het verdelingsvolume belangrijk voor te nemen maatregelen bij intoxicaties: heeft een stof een groot verdelingsvolume dan is het in het algemeen weinig zinvol geforceerde eliminatie middels hemodialyse toe te passen.

Ad 1: een oplaaddosis kan worden gegeven om snel een gewenste plasmaconcentratie te bereiken  

hoe hoog moet die zijn:
C0= FxD/Vd
factoren bij herhaalde toediening hoe hoog steady state zal zijn
Indien bij herhaalde toediening van een middel de dagelijks geabsorbeerde fractie van de dosis gelijk is aan de dagelijks geëlimineerde hoeveelheid, dan fluctueert de plasmaconcentratie rond een nagenoeg constante waarde (zie figuur 3). Dit plateau wordt bereikt na circa vijfmaal T½el. In het algemeen dient het klinisch effect van het geneesmiddel tijdens de plateaufase ('steady state') te worden beoordeeld. De gemiddelde plasmaconcentratie tijdens de plateaufase is evenredig met de dosering per dag (onderhoudsdosis) en de biologische beschikbaarheid, en omgekeerd evenredig met de klaring, maar is onafhankelijk van het verdelingsvolume.

Indien de eliminatie van een werkzame stof afhankelijk is van enzymen of carriers, dient men erop bedacht te zijn dat bij verzadiging van het eliminatiesysteem de plasmaconcentratie onevenredig kan stijgen bij een kleine doseringsverhoging. Een voorbeeld hiervan is fenytoïne.
Hoe beinvloed plasma-eiwit binding de verdeling en daarmee de effectiviteit van een geneesmiddel

plasma - Eiwitbinding: fractie van het geneesmiddel dat in de algemene circulatie (reversibel) is gebonden aan plasma-eiwitten; zure stoffen binden zich m.n. aan albumine, basische stoffen aan α1-zure-glycoproteïnen (meestal in %)
Functions nephron
  • Renal corpuscle: filtration of blood plasma
Renal tubule
  • Proximal convoluted tubule (PCT): reabsorption of ions, organic molecules, vitamins, water; secretion of drugs, toxins, acids
  • Nephron loop
  1. Descending limb: reabsorption of water from tubular fluid
  2. Ascending limb: reabsoption of ions; assists in creation of a concentration gradient in the medulla
  • Distal convoluted tubule (DCT): reabsorption of sodium ions and calcium ions; secretion of acids, ammonia, drugs, toxins
Collecting system
  • Collecting duct: reabsoption of water, sodium, ions; secretion or reabsoption of bicarbonate ions or hydrogen ions
  • Papillary duct: conduction of tubular fluid to minor calyx; contributes to concentration gradient of the medulla
Denk na over de epidemiologie van moeheid in de huisartsenpraktijk. Hoe vaak is er een relatie met anemie?
Alleen als bij een anemie Hb-waarden <6,5 mmol/l gevonden worden, is er een mogelijke relatie met de moeheid
Wat is volgens u de meest waarschijnlijke diagnose van een patiënt die zich bij de huisarts meldt met vermoeidheidsklachten? Kunt u globaal weergeven wat de drie meest voorkomende oorzaken zijn van moeheid in een huisartsenpraktijk?
De meest bekende oorzaken van moeheid zijn infectieziekten , bloedarmoede , nier en leverziektes , schildklieraandoeningen , hartziektes zoals hartfalen , zenuwziektes als multipele sclerose en spierziektes, rheumatologische ziektebeelden , longziektes die al of niet met benauwdheid gepaard gaan , kanker en verder natuurlijk de zeer veel voorkomende ziektes als depressie en overspannenheid c.q. burn–out .

Onverklaarbare vermoeidheid is onder te verdelen in 2 soorten: kort <6maanden, chronisch >6maanden.
Hoe verloopt het recyclingsproces van verouderde en beschadigde erythrocyten?
Rode bloedcellen worden zowel binnen (intravasale bloedafbraak) als buiten (extravasale bloedafbraak) de bloedbaan afgebroken. Binnen de bloedbaan wordt 10-20% van de rode bloedcellen afgebroken en daarbuiten 80-90% in vooral de milt, maar ook in de lever, botten en centraal zenuwstelsel. Het vrijkomende ijzer wordt voor het grootste deel gebonden aan de eiwitten ferritine en hemosiderine voor hernieuwd gebruik. Bij de afbraak van de rode bloedcellen komt ook globuline vrij, dat als bilirubine via de lever als gal wordt uitgescheiden.
Wat zijn kenmerken en functies van erythrocyten, leukocyten en thrombocyten?
Erytrocyten:
- de meest voorkomende bloedcellen (haemocyten): 4,5 tot 5,5 miljoen per microliter
- schijfvormige cellen, aan beide zijden in het midden een putje (delle)
- gevormd in het rode beenmerg
- hoofdbestanddeel is een roodgekleurd, ijzerhoudend eiwit, het hemoglobine (Hb), dat de eigenschap heeft zuurstof te kunnen binden.
- kunnen van vorm veranderen
- hebben geen celkern (nucleus) of celorganellen, hierdoor zijn ze niet in staat zich te delen
- Belangrijkste functie is de zuurstoftoevoer naar lichaamsweefsels en de afvoer van koolstofdioxide


Leukocyten:
- een deel van het menselijke afweersysteem (Immuunsysteem)
- hebben een celkern (nucleus)
- kunnen zich zelfstandig voortbewegen, om op die plaats in het lichaam te komen, waar ze nodig zijn.
- bevinden zich voor het grootste deel in het bindweefsel, waar ze hun werk uitvoeren, namelijk ziekteverwekkers of afgestorven lichaamscellen vernietigen.
- worden in het beenmerg (medulla ossium) gemaakt, respectievelijk in de lymfeknopen (folliculus lymphaticus)

Soorten:
– de granulocyt (granulocytus): 60% onderverdeeld in:
* neutrofiele: kleine vreetcellen (microfagen) genoemd, aangezien ze ziekteverwekkers respectievelijk vaste substanties in zich opnemen en met behulp van enzymen in hun cellichaam (cytoplasma) kunnen vernietigen. Bij het uitvoeren van deze taak, die fagocytose genoemd wordt, gaan ze zelf te gronde en vormen zo pus.
* eosinofiele & basofiele granulocyten: zijn voor het grootste deel betrokken bij allergische reacties in het lichaam.
– de lymfocyt (lymfocytus)
– de monocyt (monocytus).

Bloedplaatjes of trombocyten zijn de kleinste cellen (2-3 µm groot) in het bloed. Zij hebben geen celkern. Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij het voorkomen van bloedverlies (hemostase).
- gevormd uit stamcellen in het beenmerg


Hematopoietische stamcellen -> progenitor cellen -> promegakaryocyten -> megakaryocyten -> trombocyten (bloedplaatjes)
Wat is de globale samenstelling van bloed? Geef per bestanddeel kort de functie aan.
Het bloed bestaat in feite uit 3 verschillende typen cellen. De myeloïde progenitorcel leidt tot differentiatie van:
  • rode bloedcellen of erytrocyten, die voornamelijk gevuld zijn met het eiwit hemoglobine, dat het grootste gedeelte van het transport van zuurstofgas en koolstofdioxide verzorgt
  • witte bloedcellen of leukocyten, in een groot aantal variëteiten:
    • Monocyten
    • Neutrofiele granulocyten
    • Eosinofiele granulocyten
    • Basofiele granulocyten
  • bloedplaatjes of trombocyten.
Daarnaast leidt de lymfoïde progenitor cel tot de vorming:
  • B-cellen
  • T-cellen
  • Natural Killer-cellen
  • dendritische cellen
Wat zijn de functies van bloed in het algemeen?
Bloed zorgt hoofdzakelijk voor het transport van stoffen door het lichaam. Het speelt een belangrijke rol in:
  • het regelen van de lichaamstemperatuur;
  • het handhaven van het evenwicht van uiteenlopende essentiële mineralen en vloeistoffen (elektrolytenbalans);
  • de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen (zoals glucose, vitaminen, mineralen, vetten en eiwitten);
  • de afvoer van kooldioxide, toxinen en afvalproducten (zoals ureum);
  • het transport van chemische boodschappers (hormonen) en andere stoffen;
  • de bescherming van het lichaam tegen micro-organismen en vreemde stoffen (een functie van het immuunsysteem);
  • het handhaven van de bloedstolling.