Summary Class notes - persoonlijkheidsleer

Course
- persoonlijkheidsleer
- nti
- 2014 - 2015
- NTI
- HBO Toegepaste Psychologie
259 Flashcards & Notes
4 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Be the first one to add content
Discover the Study Smart Package

Summary - Class notes - Persoonlijkheidsleer

  • 1516575600 H1 persoonlijkheidsleer

  • Dispositie
    Een persoonlijkheidskenmerk dat op middellange termijn stabiel is wk/mnd het stelt iemand in staat in bepaalde situaties bepaald gedrag te vertonen. Niet direct waarneembaar, gedrag is wel direct waarneembaar en dat veranderd Snel
  • Disposities horizontaal en verticaal
    horizontaal: bepaalde disposities gaan vaak samen, mooi en intelligent (kan vooroordeel zijn)
    Verticaalverband: subcategorien, hierarchisch, angsten en examenvrees.
  • persoonlijkheid
    persoonlijkheid: de niet pathalogische individualiteit van een mens in diens uiterlijk, gedrag en beleving in vergelijking met een referentiepopulatie bestaande uit mensen van dezelfde leeftijd en cultuur.
  • Paradigmata
    paradigmata: een bundeling van theoretische grondbeginselen, vraagstellingen en methoden die antwoorden genereren. 
    Kuhns wetenschappelijke paradigma: een enigszins samenhangende door veel wetenschappers gedeelde bundeling van theoretische grondbeginselen, vraagstellingen en methoden die gedurende de  ontwikkeling van de wetenschap langere tijd gehandhaafd blijft.
  • 6 paradigmata in de huidige empirische persoonlijkheidspsychologie
    Paradigma van de persoonlijkheidstrekken
    Informatieverwerkingsparadigma
    Dynamisch-interactionistisch paradigma
    Neurowetenschappelijk paradigma   
    Moleculair genetisch paradigma
    Evolutiepsychologisch paradigma
  • Paradigma van de persoonlijkheidstrekken
    persoonlijkheidspsychologie is complementair (aanvullend) aan de algemene psychologie, het richt zich op verschillen ipv gemiddelden. Individualiteit kan gemeten worden met vergelijkbare personen, een bepaalde trek komt dan boven of onder gemiddeld tot uiting. We kunnen iemands individualiteit beter benaderen als we kijken naar meerdere persoonlijkheidstrekken, zo krijg je een persoonlijkheidsprofiel dat uniek is.
  • Het schema van Stern kent 4 disciplines van differentiële psychologie, gebaseerd op 2 visies.
    Variabele gerichte visie: een kenmerk varieert tussen verschillende personen
    Persoonsgerichte visie: meerdere kenmerken variëren bij een persoon  
    Stern negeerde dat kenmerken langdurig stabiel moeten zijn, daarom komt er een derde kenmerk bij, tijd.
  • Covariantiekubus volgens Catell
    hiermee kan iemands persoonlijkheid geoperationaliseerd worden als een persoonlijkheidsprofiel met vele kenmerken. Bij 2 metingen vlak na elkaar verschilen de resultaten nauwelijks en zijn dus stabiel
  • De persoonlijkheid blijft stabiel, wanneer een bepaalde trek bij alle personen op een gelijke manier verandert. 
    Cohort: geboortejaar
  • Transsituatieve consistentie
    is er ten aanzien van het betreffende kenmerk (persoonlijkheidstrek) in die situatie sprake van vergelijkbare verschillen tussen personen (bovengemiddeld bang zijn voor examens en slangen). Gordon Allport verklaarde dat ook lage tc dezelfde effecten hebben in verschillende situaties, door meerdere relevante persoonlijkheidstrekken.
  • Reactie coherentie
    of er ten aanzien van de betreffende trek sprake is van vergelijkbare verschillen tussen personen bij de verschillende reacties (vaak laag)
  • Informatieverwerkingsparadigma
    Menselijk gedrag en menselijke beleving berusten op verwerking van informatie in het zenuwstelsel, berusten op grond van dit paradigma op: Individuele kenmerken kunnen zijn: snelheid, stimulusdrempel, intensiviteit van een reactie. Individueel kenmerkende geheugeninhoud in het (langdurig stabiele) langetermijngeheugen.
  • Intelligentieverschillen hangen samen met de snelheid van elementaire informatieverwerkingsprocessen en de capaciteit van het werkgeheugen. Wie intelligenter is denk sneller en kan met meerdere dingen tegelijk rekening houden.
  • Attitude
    De individueel kenmerkende beoordeling van objecten van waarneming of voorstelling in de dimensie positief/negatief. iemands houding tov een automerk
  • Tussen uitgevraagde attitudes en daadwerkelijk gedrag is er vaak maar weinig samenhang, omdat gedrag sterker beïnvloed wordt door situaties dan door attitudes.
    Impliciete attitudes
    niet of nauwelijks bewust te maken, ze moeten worden onderscheiden van de uitgevraagde expliciete attitudes en zouden onafhankelijk het gedrag kunnen beïnvloeden. Freud nam aan dat het grootste gedeelte van ons gedrag onbewust is.
  • Affectieve priming
    hier wordt onderzocht of het effectief (emotioneel) beoordelen van een vooraf gaande prikkel (prime) invloed heeft op de reactie van de volgende prikkel.
  • IAT's Impliciete - associatietests
    deze kunnen ook impliciete attitudes van afzonderlijke personen vastleggen. Deze meting is langduriger stabiel dan metingen met affectieve priming, maar minder dan expliciete uitgevraagde attitudes.
  • Dynamisch-interactionistische paradigma
    richt zich op de persoonlijkheidsontwikkeling, een wisselwerking tussen omgeving en afzonderlijke persoonlijkheidstrekken gedurende het leven.
  • Hechtingstheorie volgens Freud
    Freud nam aan dat de persoonlijkheid werd gevormd door ervaringen op vroege leeftijd (object relatietheorie)
  • Bowly's theorie: hij vermoedde dat het systeem van gehechtheid bij kinderen een lange evolutietheorie kent en zorgt dat het kind nabij de referentieouder blijft wanneer gevaar dreigt (rond het 2de jaar). twee soorten hechting
    veilige gehechtheid in normale gevallen
    onveilige gehechtheid wanneer de relatie tot de primaire referentiepersoon verstoord is.
  • De vreemde situatietest van Mary Ainsworth
    Meet de hechtingskwaliteit in het tweede levensjaar in 3 typen
    * Veilig 
    * angstig-ambivalent
    *vermijdend
  • AAI Adult Attachment Interview
    Meet de hechtingskwaliteit bij volwassenen. Dit gebeurt op basis van jeugdherinneringen en een liefdesquiz: de hechtingskwaliteit tussen liefdespartners, direct uitgevraagd.
    Er is hooguit een zwakke samenhang tussen hechtingskwaliteit op kinder en volwassen leeftijd.
  • Het moderne hechtingsonderzoek gaat uit van een dynamische wisselwerking tussen interne werkmodellen voor relaties en nieuwe ervaringen met relaties
  • Leertheorie
    probeert om verschillen in persoonlijkheid via verschillen in leerervaringen te verklaren.
    Klassiek conditioneren (simulus respons) Pavlov
    Operant conditioneren (beloning/straffen) Skinner
    Observationeel leren (nabootsen) Bandura
  • Moderne leertheorien gaan uit van een dynamische wisselwerking tussen de vaardigheid en interesse om te leren en de aangeleerde kennis en leerervaringen
  • Uit tweeling onderzoek en adoptieondezoek blijkt dat de persoonlijkheid evenveel afhangt van het genoom (genotype) als van omgevingsfactoren gedurende de ontwikkeling.
  • Genoom-omgevingscorrelaties
    Actieve genoom omgevingscorrelatie: Als mensen om genetische redenen bepaalde omgevingen opzoeken (muzikaal-concert, instrument)

    Reactief genoom omgevingscorrelatie: als andere mensen op genetisch beïnvloedde persoonlijkheidskenmerken reageren en daardoor een bepaalde omgeving creëren.  (muzikaal kind een uitvoering doen op school)

    Passieve genoom omgevingscorrelatie:  bij kinderen die met genetisch verwanten opgroeien, alleen al door het feit dat hun actieve of reactieve genoom omgeving genetisch worden overgedragen op het kind. (muzikale ouders, stimulerende omgeving)
  • Neurowetenschappelijk paradigma
    probeert verschillen in persoonlijkheid vast te stellen aan de hand van het zenuwstelsel.
    Informatieoverdracht in het zenuwstelsel:
    *Neuroanatomie (vaste structuren)
    *Neurofysiologie (functie van de structuren)

    Verschillen in de persoonlijkheid kunnen ok betrekking op biologische systemen buiten het zenuwstelsel om:
    *bloedsomloop
    *immuunsysteem
  • Neuroticisme
    snelheid van het wisselen van gemoedsbewegingen
    *Stabiel: in balans
    *Instabiel: onbestendig, impulsief en grillig
  • Het 2 dimensionale temperament concept van Eysenck
    Eysenck verklaarde de extraversie naar activiteit in de hersenstam. ARAS ascenderend reticulair activerend systeem. tegenover elkaar staan introvert en extravert, daarnaast instabiel en stabiel
    Uit zijn theorieën volgden 2 nieuwe onderzoeksrichtingen: verschillen in temperament vast te stellen via multivariate psychofysiologie en verschillen in temperament werden in verband gebracht met sterkte van het gedragsactiveringssysteem BAS en het gedragsremmingssysteem BIS (jeffrey Gray)
  • Moleculair-genetisch paradigma
    Gregor Mendel ontdekte de 1ste erfelijkheidsregels tussen de allelen (varianten) van genen, er wordt geprobeerd een verband te leggen tussen persoonlijkheid en individueel kenmerkende allelpatronen.
    Losse zelden voorkomende allelen kunnen pathologische gevolgen hebben
    *Fenylketonurie (PKU) intelligentieverlagende aandoening 12e chromosomen
    *Chorea van huntington bij volwassenen dodelijk verlopende hersengeneratie 4e chromosoom
  • IQ-QTL project (moleculair genetisch onderzoek)
    1994 Men ging ervan uit dat veel voorkomende allelen bepalend zijn voor de genetische invloed op intelligentie verschillen, dit is niet bewezen.
  • Evolutiepsychologisch paradigma
    Menselijke beleving en menselijk gedrag is het resultaat van de evolutie. Volgens Darwin zijn variaties binnen soorten het gevolg van variatie en natuurlijke selectie.
    Deze theorie is later bevestigd, er zijn verschillen in FITNESS
  • Intraseksuele selectie
    De rivaliteit van een sekse bij het vinden van seksuele partners en het afschermen van die partners tegen rivalen.
  • Interseksuele selectie
    De seksuele aantrekkelijkheid voor de andere sekse. Allelen die lichamelijke kenmerken of gedragskenmerken bevorderen die de andere sekse aantrekkelijk vindt hebben eveneens een voortplantingsvoordeel.
  • De sociobiologie probeert verklaringen te vinden voor het sociale gedrag van soorten (2)
    *Ultieme verklaringen: voor gedrag onderbouwen met voortplantingsvoordelen uit het evolutionaire verleden.
    *Proximale verklaringen: geven aan hoe het gedrag concreet tot stand komt.
  • EPM geevolutioneerd psychologisch mechanisme
    Een gebiedsspecifiek proximaal mechanisme dat ultiem kan worden geinterpreteerd en waarvan kan worden aangenomen dat het genetisch wordt overerfd.
  • Verschillen in persoonlijkheid volgens evolutiepsychologie
    *frequentie-afhankelijke selectie: dat de fitness van een gen afhangt van hoe vaak het in de populatie voorkomt.
    *Conditionele ontwikkelingsstrategieën: EMP's die afhankelijk van kenmerkende omgevingsfactoren van onze voorouder op verschillende manieren richting geven aan individuele ontwikkeling.
  • Volgens de hypothese van Draper en Harpeniding verloopt de seksuele rijping bij vrouwen via een conditionele ontwikkelingsstrategie, voorwaarde is vroege vaderlijke zorg. Rijping kan komen door geurstoffen van niet-verwante mannen binnen het gezin.
  • H3 Persoonlijkheidsvariatie
    de verschillen in persoonlijkheden op grond van 1 of meer persoonlijkheidstrekken (ingedeeld op persoonlijkheid of trekken)
  • Classificatie van personen
    Personen worden ingedeeld in types deze hebben 2 of meer uitingsvormen man/vrouw, geschikt voor de functie ja/nee. Door operationalisering (indeling van personen op basis van duidelijke regels). Types vormen een nominale schaal (personen krijgen namen toebedeeld die niet aan rangorde kunnen worden onderworpen)
    Classificaties zijn intersubjectie objectief wanneer: verschillende beoordelaars de classificatie regel onafhankelijk van elkaar op dezelfde manier toe kunnen passen.
  • Cohens Kappa
    Een maatstaf voor de voor toeval gecorrigeerde overeenstemming, deze bepaald of de overeenstemming van de beoordelaars goed of slecht is. 
    bijv. overeenstemming .80 en een toevalsovereenkomst .68. Kappa is gelijk aan (.80-.68)/(1-.68)=.12/.32=.38
    Vanaf K=.60 is de objectiviteit voldoen, vanaf .80 goed.
  • Antwoordschalen bij metingen van persoonlijkheidstrekken (4)
    *Nominale schaal: bij de classificatie van personen dienen de getalen om het verschil tussen typen te kenmerken, ze hebben verder geen betekenis.
    *Ordinale schaal: Getallen staan voor rangplaatsen, 1e plaats
    *Interval schaal: de verschillen tussen 2 uitingen hebben altijd dezelfde psychologische betekenis, bijv. de likert schaal. Likertschaal: 5puntsschaal voor instemming met bepaalde uitspraken, 1: helemaal mee eens ...
    *Ratioschaal/verhoudingsschaal: 8:4 of 2:1 kan betekenen dat iemand 2 keer zo slecht slaapt als een ander.
  • Trekvariabele
    wanneer er bij een meting van een bepaalde persoonlijkheidstrek op interval of ratioschaal veel personen betrokken zijn kunnen we de resultaten beschrijven met een trekvariabele, die elke persoon een trekscore toekent die een kwantitatieve beschrijving geeft van de uiting van de betreffende persoonlijkheidstrek bij die persoon.
    Trekvariabelen= persoonlijkheidstrekken
    Deze trekken kunne grafisch worden weergegeven, meestal in een diagram met x-as mogelijke waarden y-as frequentie.
  • Verdelingen van een trek in een curve
    een normale verdeling, deze wordt vanwege de vorm ook wel een klokcurve genoemd, er is hier sprake van toevallige spreiding of vele onafhankelijke invloeden op de variabele.
     Scheve verdeling is het gevolg van sterke gewenstheid van hoge of lage scores
  • Bij variabelen in interval of ratioschaal wordt de spreiding berekend als:
    *Variantie: gemiddelde; gekwadrateerde afwijking van meetwaarde van hun gemiddelde waarde
    *SD Standaard deviatie, de standaard afwijking: wortel van de variantie
  • Robuuste statistieken houden uitschieters onder controle
    Robuuste statistieken voor het gemiddelde is het getrimde gemiddelde, waarbij 5 % laagste en 5 % hoogste scores worden uitgesloten voor het gemiddelde wordt berekend.
  • Intervalschalen
    Kunnen in z-schalen met een gemiddelde van 0 en SD1 worden omgevormd zonder dat de psychologische interpretatie veranderd.
  • Z-transformatie
    Trekscores x op een intervalschaal kunnen altijd als z-scores worden uitgedrukt.
    z=(x-M)/DS M=gemiddelde
    Zo zijn ze uitgedrukt in een uniforme taal en kunnen bij verschillende meetmethoden direct worden vergeleken.
  • Correlatie
    Beschrijven de lineaire samenhang van variabelen.
    Is er een verband tussen leeftijd en intelligentie
    r=correlatie (tussen-1 en 1)
    -positieve correlatie: hoe intelligente, hoe hoger de leeftijd r = 1 lijn loopt /
    -negatieve correlatie: hoe intelligenter hoe lager de leeftijd r = -1 lijn loopt \
    -Nul correlatie: hebben geen verband met elkaar of lineaire samenhang r = 0 de punten lopen kriskras door de grafiek.

    Transsitatieve consistentie kan worden gekwantificeerd door de correlatie tussen situaties en de reactie coherentie door de correlatie tussen reacties.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Persoonlijkheidsleer

  • 1436565600 persoonlijkheidsleer

  • alledaagse psychologie
    is een systeem van overgeleverde opvattingen over menselijke beleving en gedrag en hun oorzaken
  • dispositie
    is een persoonlijkheidskenmerk dat op de middellange termijn stabiel is. Een dispositie stelt iemand in staat in bepaalde situaties een bepaald soort gedrag te vertonen
  • Geef de verschillen van de schalen
    Nominaal is classificatie, ordinaal is op rangorde, interval verschillen in getallen te interpeteren, ratioschalen is verhouding (bv 20 of 40, is twee maal zoveel)
  • Horizontaal verband
    opvattingen dat bepaalde disposities vaak samengaan zoals mooi en intelligent
  • Verticaal verband
    de opvatting dat bepaalde disposities subcategorieën zijn van grotere disposities examenvrees een subcategorie is van de overkoepelende trek bang of angstig zijn
  • criteria voor empirische wetenschappen
    expliciet
    consistent
    volledig
    sober
    productiviteit
    toepasbaarheid
    Empirische verankering
    Empirische verifieerbaarheid
  • Empirische verankering
    obv constructen achter waarneembaar gedrag wordt het gedrag verklaard. voor constructen geldt binnen de ervaringswetenschappen de eis dat ze via toekenningsregels zijn gekoppeld aan waarnemingsgegevens (de empirische indicatoren van een construct). Deze regels beschrijven een meetmethode voor het construct. die meetmethode wordt ook wel operationalisering van het construct genoemd.
  • circelredenering
    Het risico dat uit eenmalig gedrag te snel een persoonlijkheidstrek wordt afgeleid. waarom heeft X Y geslagen, omdat X agressief is. Een correcte onderbouwing zou zijn omdat X er vaak toe neigt, anderen te slaan. En dit moet op vele waarnemingen berusten. 
  • Empirische verifieerbaarheid
    van gedane uitspraken wordt verwacht dat deze empirische te onderbouwen dan wel te weerleggen zijn. Om ze te kunnen toetsen moet er sprake zijn van duidelijk geformuleerde uitspraken.
  • passende modificatie van de verklaring
    iedere willekeurige uitspraak wordt immuun tegen weerlegging
  • Persoonlijkheidspsychologie
    is de empirische wetenschap van de individuele bijzonderheden van de mens in diens uiterlijk, gedrag en beleving.
  • Wat wordt bedoeld met individuele bijzonderheid?
    * Persoonlijkheidstrekken die langdurig stabiel zijn
    * Dat een trek altijd van mens tot mens verschilt niet allen bij willekeurige          mensen maar bij mensen van vergelijkbare leeftijd en cultuur
    * Pathologische kenmerken moeten worden uitgesloten
  • persoonlijkheidspsychologie laten zich koppelen aan?
    ontwikkelingspsychologie en cultuurvergelijkende psychologie
  • Toepassingsgebieden ontwikkelingspsychologie
    personeelsbeleid, marketing, gezondheidszorg, advisering en voorlichting, pedagogiek, onderwijs, psychotherapie, verkeerswezen, rechterlijke macht, criminalistiek.
  • Wat is een paradigma
    Een bundeling van theoretische grondbeginselen, vraagstellingen en methoden die antwoorden genereren.
  • Wat is een wetenschapsparadigma
    is een enigzins samenhangende, door veel wetenschappers gedeelde bundeling van theoretische grondbeginsele, vraagstellingen en methoden, die gedurende de ontwikkeling van een wetenschap langere tijd gehandhaafd blijft.
  • Door welke zes  paradigmata wordt de empirische persoonlijkheidspsychologie gedomineerd
    -paradigma van de persoonlijkheidstrekken
    -Informatieverwerkingsparadigma
    -dynamisch interactionistisch paradigma
    -neuro wetenschappelijk paradigma
    -moleculair genetisch paradigma
    -evolutie psychologisch paradigma
  • Wat verstaat men onder het paradigma van de persoonlijkheidstrekken
    dat de individualiteit van een persoon wordt bepaald op basis van de waarneming van veel verschillende persoonlijkheidstrekken, Hoe die zich uiten wordt duidelijk door hun uitingswijze te vergelijken met een referentiepopulatie.
  • Schema van Stern (4 disciplines van de differentiele psychologie) 
    variatieonderzoek, correlatieonderzoek, psychografie, comparatiefonderzoek
  • variatieonderzoek
    een kenmerk bij veel individuen
  • correlatieonderzoek
    twee of meer kenmerken bij veel individuen (inter individueel)
  • psychografie
    een individualiteit mbt veel kenmerken (persoons- en of levensbeschrijving)
  • Comparatief onderzoek
    twee of meer individualiteiten mbt veel kenmerken  ( intra-individueel)
  • Sterns differentiële psychologie legde een verband tussen twee visies, welke?
    -variabelengerichte visie ( de variatie van een kenmerk binnen een referentiegroep)
    -Persoonsgerichte visie ( de variatie van vele kenmerken binnen een persoon)
  • covariantiekubus
    de dimensie van tijd (meetgelegenheden) is toegevoegd aan het schema van Stern. Op basis van de kubus kan iemands persoonlijkheid worden geoperationaliseerd als een persoonlijkheidsprofiel met veel kenmerken. Dit profiel wijkt bij twee metingen kort na elkaar nauwelijks af en is dus langdurig stabiel. Men kan hier dus de stabiliteit mee meten, de transsituatieve consistentie en de reactiecoherentie
  • Wanneer is een persoonlijkheidstrek stabiel?
    deze is stabiel wanneer de verschillen in persoonlijkheidstrekken tussen personen heel vergelijkbaar uitvallen. Dit kan ook van toepassing zijn wanneer alle personen op dezelfde manier verandert zijn. 
  • transsituatieve consistentie
    een meetgelegenheid kan bij de convariantiekubus gezien worden als een herhaling van de meting met een identieke of vergelijkbare meetmethode in verschillende situaties bijvoorbeeld bij het uitvragen van angstig of bang zij tijdens het bloed afnemen, voor een examen, bij het zien van een slang etc.  (of er ten aanzien van het betreffende kenmerk in die situatie sprake is van vergelijkbare verschillen tussen personen)..
  • wanneer is er sprake van onderzoeken naar reactiecoherentie
    Wanneer de meetgelegenheid van de convariantiekubus geïnterpreteerd wordt als herhaling van de meting mbt verschillende reacties, zoals de observatie van gerapporteerde angst, zweten, trillende stem, snelle hartslag in situaties die angst oproepen (of er ten aanzien van de betreffende trek sprake is van vergelijkbare verschillen tussen personen bij de verschillende reacties
  • Informatieverwerkingsparadigma
    dat menselijk gedrag en beleving berusten op informatieverwerking in het zenuwstelstel
  • Persoonlijkheidsdisposities berusten op grond van het informatieverwerkingsparadigma op
    -individueel kenmerkende, langdurig stabiele parameters van informatieverwerkingsprocessen zoals snelheid, stimulusdrempel of intensiteit van een reactie en capaciteit van het kortetermijngeheugen.
    -Individueel kenmerkende geheugeninhoud in het langdurig stabiele langetermijngeheugen. 
  • Met welke typen onderzoek houdt het informatieverwerkingsparadigma zich bezig?
    -attidude onderzoek,
    -intelligentie onderzoek / snelheid van denken /inspectietijd/ reactietijd/ capaciteit van het werkgeheugen
  • attitude
    is een individueel kenmerkende beoordeling van objecten van de waarneming of het voorstellingsvermogen in de dimensie positief - negatief.
  • impliciete attitude
    is niet of nauwelijks bewust te maken
  • expliciete attitude
    zijn uitvraagbaar
  • definitie affectieve priming
    Bij affectieve priming wordt onderzocht of het affectief (dwz emotioneel) beoordelen van een voorafgaande prikkel (prime) invloed heeft op de reactie op een volgende prikkel, of bijvoorbeeld een volgende prikkel sneller wordt waargenomen als hij net zo positief of negatief is als de prime
  • Dynamisch-interactionisch paradigma
    richt zich op persoonlijkheidsontwikkeling. Hoe sterk verandert iemands persoonlijkheid gedurende zijn leven vanaf de verwekking t/m de dood
  • welke factoren spelen een rol binnen het interactionisch pradigma
    - omgevingsfactoren (hechtingstheorie en leertheorie) en
    - genetische factoren (gedragsgenetica)
  • Neurowetenschappelijk paradigma
    Gebaseerd op activiteiten van het zenuwstelsel, bloedsomloop, immuunsysteem en hormoonstelstel
  • waar doet neurowetenschappelijk paradigma vooral onderzoek naar
    temperament, intelligentie en sekseverschillen
  • Moleculair-genetisch paradigma
    erfelijkheidsleer voor de varianten van allelen en genen. Men probeert een verband te leggen tussen persoonlijkheid en individueel kenmerkende allelpatronen.
  • DNA
    de celkern van iedere menselijke cel (afgezien van zaad en eicellen ) bevat de volledige genetische informatie. (2 keer 23 chromosomen)
  • QTL
    Quantitative trait loci (vaak voorkomende allelen)
  • gen-omgevingsinteracties
    de meeste persoonlijkheidstrekken zijn zowel genetisch bepaald als omgevingsgerelateerd.
  • Evolutiepsychologisch paradigma
    de aanname dat menselijke beleving en menselijk gedrag het resultaat zijn van de evolutie
  • Fitness (kansen op voortplanting)
    is geen menselijk kenmerk maar een functie van een allel en zijn omgeving. Verandert de omgeving dan kan de fitness van de allel ook veranderen
  • Het voorplantingsvoordeel
    het is niet de sterkste overleeft wat telt maar het voortbestaan aan de omgeving aangepaste.
  • Interseksuele selectie
    proces van partnerselectie, seksuele aantrekkelijkheid voor de andere sekse
  • Intraseksuele selectie
    rivaliteit tussen leden van dezelfde sekse (concurrentie) bij het vinden van een partner en het afschermen van de partners tegen rivalen
  • welk type onderzoek past bij het meten van persoonlijkheidstrekken
    Longitudinaal onderzoek
  • Ultieme verklaringen voor gedrag
    berusten op afwegingen ten aanzien van selectiedruk en hoe men zich had moeten gedragen, onderbouwen gedrag met voortplantingsvoordelen uit evolutionair verleden 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Persoonlijkheidsleer

  • 1435269600 Introductie

  • Om ph te beschrijven maakt men gebruik van trek-beschrijvende adjectieven. Wat zijn dat?
    Bijvoeglijke naamwoorden die naar verschillende persoonlijkheidsaspecten van de mens verwijzen. (bedachtzijn, humoristisch, ambitieus etc)
  • Definitie persoonlijkheid:
    Psychologische trekken en mechanismen, binnen het individu, georganiseerd en relatief stabiel, welke invloed hebben op de interactie en aanpassingen aan de omgeving 
  • wat beinvloeden persoonlijkheidstrekken?
    hoe mensen denken, handelen en voelen.
  • In welk opzicht interacteren personen met hun omgeving? 
    - waarnemen van de omgeving: ieder persoon neemt omgeving verschillend waar. 
    - Selecteren van de oimgeving: mensen kiezen zelf hun vrienden en hobbys en ieder is daar dus verschillend in
    - Oproepen: reacties die mensen onbewust bij anderen oproepen. een lang iemand kan als bedreigend overkomen oid
    - Manipuleren: bewust beinvloeden van anderen. zelf erg netjes, dan je man ook spullen laten opruimen
  • Welke drie niveaus van ph onderzoek zijn er?
    1 Menselijke natuur: typische trekken van de mens welke dus bijna iedereen heeft.
    2 Verschillen in ind en groepen: overeenkomsten en verschillen
    3. Ind uniciteit: persoonlijke kenmerken welke je onderscheiden van anderen
  • Wat is nomothetisch onderzoek?
    Hierbij wordt er gekeken naar statistische vergelijkingen van individuen of groepen dmv steekproeven
  • Wat is ideografisch onderzoek?
    Hierbij richt het onderzoek zich op één persoon, dmv case studies en biografieen
  • Welke 6 kennisdomeinen van persoonlijkheid zijn er?
    - Dispositionele domein
    - Biologische domein
    - Intrapsychische domein
    - Cognitief experimentele domein
    - Sociaal culturele domein 
    - Aanpassingsdomein
  • Wat is een kennisdomein?
    Dit is een gespecialiseerd gebied in de wetenschap waarin psychologen zich hebben gefocust op het leren van enkele specifieke aspecten van de menselijke natuur. De persoonlijkheidsleer bestaat dus uit 6 specifieke domeinen. Alle domeinen samen omvatten dus de gehele persoonlijkheid, elk domein los bevat dus maar aantal aspecten van gehele persoon
  • Wat is het dispositionele domein?
    Hierbij is het centrale doel om de meest belangrijke manieren waarop ind van elkaar verschillen te meten en in kaart te brengen. Dus wat is de specifieke herkomst van deze verschillen en hoe ontwikkelt dat zich en blijft het behouden
  • Biologisch domein?
    mensen zijn verzameling van biologische systemen. deze verschaffen bouwstenen voor gedrag, gedachten en emoties. Binnen de biologische domeinen zijn er drie soorten onderzoek: genetische, fysiologische en evolutie
  • Intrapsychische domein
    mentale onbewuste persoonlijkheidsprocessen (freud)
  • Cognitief experimentele domein
    cogn en subjectieve ervaringen zoals bewuste gedachten, gevoelens, opvattingen over zelf en anderen. Ook IQ en doelen 
  • sociaal culturele domein
    Niet alleen in hoofd maar ph wordt door cultuur en sociale omgeving beinvloedt 
  • aanpassingsdomein?
    Ph speelt sleutelrol in de aanpassing aan gebeurtenissen in het dagelijks leven. Slechte aanpassing kan zorgen voor stoornis of ziekte
  • Aan welke eisen moet een goede ph theorie voldoen?
    - Het moet een richtlijn zijn voor andere onderzoekers
    - Het ordent onderzochte feiten
    - Het doet voorspellingen
  • Wat is verschil tussen beliefs en theorieen?
    Beliefs zijn overtuigingen welke gebaseerd zijn op geloof en niet getest zijn. zijn dus niet betrouwbaar.
  • Door middel van welke 5 normen kan een theorie worden getest?
    - Comprehensiveness (volledigheid) --> kan het alles verklaren?
    - Heuristic value (heuristische waarde) > nieuwe belangrijke info?
    - Testability (testbaarheid) > Kan het empirisch worden getoetst?
    - Parsimony (zuinigheid) > Is de theorie zuinig met weinig assumpties of niet
    - Compatibility and integration across domains and levels (compatibiliteit en integratie in de niveaus en domeinen) > Gaat de nieuwe theorie geen principes tegen uit andere domeinen? 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Persoonlijkheidsleer

  • 1413324000 dictaat hoofdstuk 2

  • Wie is de grondlegger van het dualisme?
    Decartes
  • Wat heeft Fechner uitgevonden?
    onderzocht de relatie tussen de fysische en de perceptuele(zintuigelijke) eigenschappen tussen stimuli. Bedenker van de just noticable difference.
  • Waar deed HelmHolt onderzoek in?
    hij mat o.a. de snelheid van impulsgeleiding in het zenuwstelsel.
  • wat betekende de vergelijkende psychologie?
    dit is ontstaan door Darwins evolutietheorie, de vergelijkende psychologie onderzoekt het gedrag van verschillende soorten dieren en vergelijkt dit met elkaar.
  • wie was Donders?
    Een tilburgse oogarts die de mentale chronometrie en additieve factoren logica bedacht.
  • Wie is Wundt?
    Van het structuralisme en 1 van de eerste met een eigen labratorium voor onderzoeken. Hij vond dat de drie hoofdcomponenten van waarneming: sensatie, beelden, gevoelens zijn.  hij had als methode de analytische introspectie.
  • Wat betekend het behaviorisme?
    Watson is hier de grondlegger van en hij vond dat het mentale gedrag niet wetenschappelijk te onderzoeken is. de psychologie is de studie van het observeerbare gedrag. Was onderdeel van de logisch positivisme en introduceerde de operationele definitie
  • Wie zijn de gestaltenpsychologen?
    Zij keerden zich af van het structuralisme van Wundt omdat het geheel meer is dan de som der delen. gebruiken als argument de apparente beweging
  • 1413410400 dictaat hoofdstuk 3

  • op wat voor niveau vinden waarneming en gewaarwording plaats?
    waarneming: dit is de hogere-orde interpertatie van een waarneming
    gewaarwording:perifere verwerking door de zintuigelijke receptoren. Over het algemeen is er geen scherpe grens tussen deze 2 , alleen bij ambigue figuren.
  • wat zijn de 5 traditionele zintuigen?
    reuk,smaak, tast, horen, ,zien.. De werking van de zintuigen is sterk afhankelijk van de informatie uit de andere zintuigen.
  • wat zijn de fysische aspecten van licht?
    licht is een elektromagnetische straling met een bepaalde golflengte in het zichtbare spectrum.
  • Wat is de route vanaf het oog naar de Retina?
    Het licht gaat eerst door de cornea(hoornvlies).
    daarna gaat het licht via de pupil naar de lens.
    cilaire spieren zorgen ervoor dat de lens zo geacomodeerd word dat het licht op de retina valt
  • Waaruit bestaat de retina?
    uit 130 miljoen receptoren. waarvan 123 miljoen staafjes en 7 miljoen kegeltjes.
  • Waar zitten de meeste kegeltjes?
    in de fovea(gele vlek, dit is de meest centrale plek van de retina)
  • wat houd myopie in?
    dan is de oog te lang. Persoon is bijziend en kan voorwerpen van veraf niet waarnemen.
  • wat houd hypermetropie in? 
    oog is te vlak, persoon is verziend en kan dus geen voorwerpen van dichtbij waarnemen.
  • wat houd presbyopie in?
    lens is minder elastisch waardoor een leesbril nodig is. Dit is vaak na je 40e levensjaar
  • wat houd astigmatisme in?
    Dan is de cornea(hoornvlies) niet mooi bol waardoor het beeld op de retina wordt vervormd.
  • wat is staar?
    vertroebeling van de lens
  • wat is maculua degeneratie?
    dan is de focus zwart en vervormd.
  • wat is glaucoom?
    het perifeer zicht word minder doordat M-cellen uitvallen door druk in het oog.
  • wat kruist bij het chiamsa opticum?
    het nasale gedeelte.
  • wat is het corpus geniculatum laterale?
    dit is het eerste schakelstation. na het CGL projecteren de meeste neuronen op het primaire visuele cortex
  • Wat voor gebied is de macula?
    De fovea en de omliggende gebieden.
  • hoe werken ganglioncellen?
    comprimeren receptorcellen met een getal 130.  Dit getal is het grootst in de periferie en slechts 1 in de macula.  Ganglioncellen hebben een donut-achtig receptief veld. Wat inhoud dat er een verandering vind in de vuurfrequentie van de neuronen. Als het centrum verlicht word dan gaat de cel sneller vuren. als het surround verlicht wordt gaat de cel langzamer vuren. Functie van deze cellen is het weergeven van contrast.(contourdetector)
  • wanneer vuurt een center-ON en surround OFF cel het sterkst?
    Als de surround donker is en het centrum wordt verlicht
  • hoe worden machbanden verklaard?
    door de werking van de ganglioncellen.   De intensiteit binnen een band is gelijk maar de lichtheid varieert zodanig dat op de grens zo'n duidelijk contrast te zien is.
  • waaruit bestaat de primaire visuele cortex?
    v1 bestaat uit 6 lagen. waarvan de informatie binnenkomt op laag 4. maar de marvo(staafjes) en parvo(kegeltjes) blijven gescheiden.  bestaat uit circa 100 miljoen cellen die een fotografisch organisatie hebben (80% van de input komt uit de macula)
  • Wat hebben hubel en wiesel aangetoond en hoe?
    via single cel recordings hebben zij aangetoond dat in de primaire visuele cortex elementaire visuele kenmerken coderen(lijnen onder een bepaalde hoek in een bepaald retinaal veld)
  • Wat houd nystagmus in?
    dit is een tremoachtige beweging die nodig is om beeld te zien omdat kegeltjes anders te snel vermoeid raken
  • wat zijn sacades?
    ballastische sprongen van 20-35 ms gedurende je even blind bent. dit is vooral tijdens het scannen van de omgeving en lezen. saccades worden afgewisseld met fixaties gedurende welke informatie uit omgeving wordt opgenomen. 
  • wat is convergentie?
    het fixeren van beide ogen op een target
  • Wat bepaald de kleur van het licht?
    de golflengte van het licht.
  • wat bepaald de helderheid van het licht?
    dit wordt bepaald door de waargenomen intensiteit van het licht
  • Wat bepaald de saturatie( verzadiging) van licht?
    dit ligt aan hoe puur de kleur is
  • Wat weet je over complementaire kleuren?
    deze leveren bij menging grijs op
  • Wat is substractieve menging?
    dit komt voor wanneer we verven met elkaar mengen. blauwe verf is blauw, omdat als er wit licht op valt alleen blauw word gereflecteerd.  Als de verf nu gemengd word met geel dan word de kleur blauw minder blauw omdat er minder blauw licht gereflecteerd word. uiteindelijk zal alles geabsorbeerd worden en dan krijg je zwart
  • wat is additieve menging?
    komt voor bij het mengen van de lichten. rood en groen vormen bijvoorbeeld samen geel. kleuren tellen bij elkaar op en worden steeds lichter
  • Wat houd de trichromatische theorie in? (van Young-Helmholtz)
    alle kleuren kunnen worden verkregen door rood, groen en blauw met elkaar te mengen.
  • Wat is de basis van kleurwaarneming?
    De gecombineerde activiteit van de 3 verschillende soorten keegeltjes( kort: 437nm(violet), middel: 533 nm(gelig/groen) en groot: 564nm(geel)
  • Wat houd de opponente processentheorie in van Herring?
    er zijn zes primaire kleuren in 3 verschillende paren(zwart-wit, Geel-blauw, Rood-groen). opponenten verbieden elkaar op ganglion-niveau wat leidt tot achromatisch licht(kleurloos licht) geeft eveneens een verklaring voor kleur nabeelden en een verklaring voor rood-groen kleurenblindheid.
  • Welke 3 dimensies heeft geluid?
    luidheid: hard-zacht
    toonhoogte: hoog-laag
    timbre: undimensioneel
  • Hoe ontstaat timbre?
    dit komt omdat de meeste geluiden meerdere boventonen hebben. deze boventonen zijn de multiple van de grondtoon.  de relatieve sterkte van de boventonen bepaald de kleur van het geluid
  • hoe komt het geluid van de oor naar de hersens?
    eerst gaat het via de oorschelp naar het trommelvlies wat gaat trillen. De trillingen worden versterkt door de gehoorbeentjes in het middenoor en overgebracht naar het ovale venster.  De trillingen zetten de vloeistof in het slakkenhuis in beweging en via het basilaire membraan worden haarcellen geactiveerd die de impulsen doorsturen naar de hersenen
  • hoe wordt volgens de frequentietheorie toonhoogte gecodeerd?
    dit ligt aan de snelheid waarmee de neuronen vuren.
  • wat houd de plaatstheorie in? (Bekesey)
    verschillende frequenties activeren verschillende gebieden op de basilaire membraan. 
  • wat is tonotope organisatie?
    verschillende frequenties die worden gecodeerd doordat verschillende haarcellen maximaal vuren. 
  • hoe wordt toonhoogte gecodeerd?
    de sterkte waarmee een specafieke groep van neuronen vuurt.
  • waarom is geluid onder water minder makkelijk te localiseren?
    geluid beweegt zich sneller en met minder demping voort
  • hoe wordt intensiteit gecodeerd?
    door de snelheid waarmee een groep vuurt en het aantal andere neuronen dat meedoet. Bij grotere intensiteit gaan meer neuronen meedoen en sneller vuren
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.