Summary Class notes - Plantkunde 1

Course
- Plantkunde 1
- P. De Frenne
- 2020 - 2021
- Universiteit Gent
- Bio-ingenieur
417 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Plantkunde 1

  • 1606345200 Hoofdstuk 1. Inleiding

  • Wat zijn de takken van plantkunde?

    • Morfologie: leer m.b.t. vorm van planten
    • Anatomie: leer m.b.t. inwendige bouw
    • Systematiek: leer m.b.t. ordenen in hiërarchische groepen
    • Nomenclatuur: naamgeving

    • fysiologie 
    • ecologie 
  • Waaruit bestaat het zes-rijkensysteem?
    - planteae
    - animalia 
    - fungi 
    - protista
    - eubacteria 
    - archaebacteria
  • Wat is de meest recente klasifficatie?
    Onderverdeeld in 3 domeinen:
    - bacteria
    - archeae 
    - eukarya
  • Wat is het onderscheid tussen planten en andere organismen?

    1. Assimilatie
    2. Groei
    3. Celbouw
    4. Ontwikkeling
    5. Vermenigvuldiging
    6. Adaptatievermogen
  • Assimilatie (=opbouw van chemische stoffen)
    • Fotosynthese 
    • omzetten van zeer eenvoudige anorganische verbindingen naar suikers, eiwitten, vetten etc. 
    • zijn autotroof in tegenstelling tot dieren fungi (heterotroof)
  • Uitzondering: heterotrofe planten
    Vb. Klein wankruid en bremraap
  • Groei
    • Open groeisysteem, ook in volwassen toestand
    • Meristemen blijven actief en vormen nieuwe plantendelen
    • Meestal onbepaald
  • Celbouw

    • Vacuole (groei, turgor, stockage, recyclage, etc…)
    Plastiden (fotosynthese, stockage, etc…)
    Celwand (cellulose, groei)
  • Ontwikkeling: levenscyclus

    • Geordende overgangen
    • Gestuurd door externe milieuomstandigheden (temperatuur, droogte,
    daglengte, etc.)
    • Synchronisatie met seizoenen
  • Vermenigvuldiging

    • Geslachtelijk
    • Ongeslachtelijk
  • Aanpassingsvermogen (adaptievermogen)
    • Sessiel: (meestal) vast in het substraat dus kunnen zich niet verplaatsen 
    • bladtemperatuur:
    - zomer : hitte
    - winter: vorst
  • Wat is een synapomorfie?
    gemeenschappelijk kenmerk van alle leden van taxon geërfd van laatste gemeenschappelijke voorouder
  • Op basis waarvan wordt een fylogenie opgesteld?
    • Op basis van homologe kenmerken met zelfde oorsprong: afstamming van gemeenschappelijke voorouder
    • Primitieve (lang geleden verschenen) en afgeleide (recent tot stand gekomen) kenmerken
    • Anatomische (ontwikkelingsbiologie), morfologische (uiterlijk) en fysiologische (bv. chemische structuur afweerstoffen) kenmerken
    • Aminozuursequenties in eiwitten (bv. cytochroom C)
    • Nucleotidensequenties in DNA(kern+chloroplast) en RNA (mitochondriaal+ribosomaal) (bv. adenine, thymine/uracil, guanine en cytosine)
  • Volgorde van de systematiek
    1. Rijk (plantea)
    2. fylum(afdeling)
    3. klasse
    4. orde
    5. familie
    6. genus
    7. soort
    - auteur
    - nederlandse naam
  • Wat is een soort?
    • Een soort kan zich reproduceren 
    • kan gedefinieerd worden op basis van voldoende gelijkenissen in de DNA-sequentie 
    • kunnen onderverdeeld worden op basis van morfologische kenmerken, hun gedrag en niche.
  • Hoe ontstaan soorten?

    1. Ruimtelijke scheiding -> mutaties (toeval, bv. kleiner blad) -> selectiedruk -> aanpassing aan de omgeving-> verschillende genotypes gaan domineren --> evolutie in verschillende richtingen -> geen interactie meer ->nieuwe soort
    2. Abnormale kruising van bestaande soorten
  • Hoeveel soorten bloemplanten (Angiospermen) zijn er?

    304,000 aanvaarde soortennamen
    • 430,000 synoniemen
    • 216,000 onopgeloste sp. (proportie 41 % van de opgeloste soortnamen is aanvaard = 100,000 sp. [geschat subtotaal 400,000 sp])

    • Nog niet ontdekte soorten: ca. 15 % (op basis van verleden en # botanisten)->geschat totaal aantal bloemplanten 450,000 sp.
  • Hoeveel families bloemplanten zijn er?
    Ca. 400 ->gemiddeld 1000 sp. per familie
  • Wat zijn de meest soortentrijke families bij de dicotylen?
    • Astaraceae 
    • fabaceae
  • Wat zijn de meest soortenrijke families bij de monocotylen?
    • Orchidaceae
    • poaceae
    • cyperaceae 
  • Van de in totaal 550 Gt C die levende organismen op aarde in hun biomassa hebben vastliggen, bevindt zich 450 Gt (82%) C in planten
  • Waar groeien planten?
    • het hoogste aantal soorten bloemplanten per oppervlakte-eenheid komt voor in de tropen en het laagste aantal dichter bij de tropen. 
    • er zijn meer altijdgroene(evergreen) loofbomen dichter bij de tropen
    • er zijn meer coniferen op de noorderlijke breedtegraden 
  • waarom zijn er meer planten in de tropen? (latitudinale gradient)
    • Mid-domein effect: random verdeling van een vast aantal soorten over aarde met harde grenzen 
    • hoger beschikbare hoeveelheid energie, water en landoppervlakte: snellere evolutie, mutaties en levenscycli 
    • stabiliteit: snellere speciatie (soortvorming) en lagere extinctie 
    • biotische interacties: predatie, competitie, parasitisme, symbiose 
    • regel van rapoport: de grootte van het verspreidngsgebied van soorten is rechtevenredig met de (gemiddelde) breedtegraad waarop ze voorkomen.  
  • Regel van rapoport: de grootte van het versprteidingsgebied van tropische plantensoorten is gemiddeld kleiner dan die van planten die nabij de polen voorkomen
  • Drie meest geteelde plantensoorten voor consumptie
    1. Tarwe (triticum aestivum)
    2. mais (zea mays)
    3. rijst (oryza sativa)
  • Nomenclatuur: naamgeving van planten

    • Familienamen eindigen op –aceae
    • Tautoniemen zijn verboden
    • Binaire namen (genus + soort)
    • Cursief
    • Auteursnaam verplicht (praktijk)
    • Oudste synoniem = geldig
  • Landplanten (embryophyta) worden onderverdeeld in:
    - mosachtigen 
    - de zaadloze vasculaire planten 
    - de zaadplanten
  • De belangrijke afdelingen zijn:
    - afdeling bryophyta 
    - afdeling  monilophytya 
    - afdeling coniferophyta 
    - afdeling anthophyta
  • Kenmerken van de lanplanten:

    • Terrestrisch (voornamelijk)
    • Cuticula
    • Diplobiontische levenscyclus (diploïd én haploïd)
    • Antheridia (M) en archegonia (V)
    • Extreem resistent polymeer in pollenwand (sporopollenine)
  • Afdeling bryophyta (echte mossen)

    • Geen echte bladeren en geen echte wortels
    • Geen vaatbundels
    • Sporen (geen zaden)
    • Geen bloemen
    • Water nodig voor verplaatsing gameten
  • Afdeling monilophyta(o.a. Varens en paardenstaarten)

    • Echte bladeren en wortels
    • Sporen (geen zaden)
    • Geen bloemen
  • Afdeling Coniferophyta (zaadplanten, gymnospermen)
     Zaden tussen schubben van een kegel (zaadknoppen niet ingesloten)
  • Kenmerken afdeling anthophyta:
    - zaden in een vruchtbeginsel 
    - endosperm 
    - dubbele bevruchting
  • Afdeling anthophyta wordt onderverdeeld in:

    • Basale bloemplanten
    • Eudicotylen
    • Monocotylen
  • Basale bloemplanten
    - bloemen spiraalgewijs geranschikt 
    - vb.: magnoliaceae, piperaceae, nymphaeaceae, aristolochiaceae
  • Eudicotylen (tweezaadlobbigen)
    - kiemplant met meestal 2 zaadlobben
    - hoofdwortel met zijwortels
    - bladeren zijn meestal veer- of handnervig
    - vaatbundels zijn ringvormig gerangschikt
    - bloemen: 2-, 4- of 5-tallig
    - secundaire groei met vasculaire cambium
    - vb. Fagaceae, ranunculaceae, rosaceae, violaceae, lamiaceae
  • Monocotylen(eenzaadlobbigen)
    - kiemplant met meestal 1 zaadlob
    - bladeren zijn parallelnervig 
    - vaatbundels zijn verspreid 
    - 3-tallige bloemen 
    - geen secundaire groei(zeldzaam)
    - cortex en merg niet duidelijk afgescheiden 
    - vb. grassen, orchideeën, lelie, krokus
  • Bio-diversiteit

    • = de variabiliteit onder levende organismen van allerlei afkomst,
    waaronder de terrestrische, mariene en andere aquatische
    ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken
    • Dit omvat de diversiteit binnen soorten (genetische diversiteit binnen
    en tussen populaties), tussen soorten en van ecosystemen
  • - 24% van alle plantensoorten zijn bedreigd 
    - 133 soorten zijn uigestorven in de afgelopenb 100 jaar
  • Waardoor staat de bio-diversiteit onder druk?

    • Habitatfragmentatie
    • Overexploitatie (degradatie)
    • Invasieve soorten
    • Vervuiling (N, P, etc.)
    • Klimaatverandering
  • Planten leveren:

    • Energie. Hout, biomassa, steenkool, biodiesel, bioethanol, etc.
    • Voedsel. Er zijn 450,000 plantensoorten -> ~3000 worden gegeten->
    3 leveren meer dan helft van calorieën (Zea mays, Oyrza sativa,
    Triticum aestivum)
    • Grondstoffen. Katoen, hout, bamboe, vlas, etc.
    • Geneesmiddelen. Aspirine, Aloe, Tanacetum, Taxus, etc.
    • Sierplanten. Lelie, krokus, tulp, roos, etc.
    • Globale C en N cyclus. : case study
  • Ecosysteemdiensten worden onderverdeeld in:
    1. Ondersteunende diensten 
    2. Regulierende diensten 
    3. Bevoorradende diensten 
    4. Culturele diensten
  • Ondersteunende diensten:
    - nutrientkringopen 
    - bodemvorming 
    - primaire productie
  • Regulerende diensten
    - klimaatregulatie 
    - pestregulatie 
    - overstromingsregulatie 
    - waterzuivering
  • Bevoorradende diensten:
    - voedsel 
    - drinkwater 
    - hout+vezels 
    - brandstof
  • Culturele diensten:
    -esthetiek 
    - bezinning
    - educatie 
    - recreatie
  • De relatie tussen de bio-diversiteit en ecosysteemdiensten zijn sterk afhakelijk van:
    1. Het ecosysteem 
    2. schaal niveau 
    3. taxonomische groepen 
    4. de ecosysteemdiensten die beschouwd worden 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Kiemplant

• Indeling o.b.v. plaats cotyledonen
  • Epigeïsch (bovengronds)
  • Hypogeïsch (ondergronds)
Schijnvruchten

• Aardbei: bloembodem van één bloem
• Els: verhoute schutbladeren
• Ananas: as van de bloemkolf en schutbladeren
• Vijg: bloembodem
• Framboos/braam: verzamelsteenvrucht (afzonderlijke
steenvruchten op één bloembodem)
Echte vlezige vruchten

• Pericarp is vlezig
Bes (bv. tomaat, komkommer, appelsien, papaya, kiwi, banaan)
  • Zaden vrij

Steenvrucht (bv. perzik, mango, pruim, kers, druif, koffie)
  • Endocarp zeer hard
  • Enkelvoudig (met één “steen”) of samengesteld (meerdere “stenen”)

Pitvrucht (bv. appel, peer)
  • Bloembodem en carpellen zijn vergroeid
Echte droge vruchten
  • Niet opensporingend 
  • wel openspringend 
  • doosvrucht 
Wel openspringend

• Splitvrucht: meerhokkige vruchtbeginsels die uiteenvallen in hokjes die zich niet openen
• Kluisvrucht: idem, maar elk hokje springt afzonderlijk open
Niet openspringend

Graanvrucht: vruchtwand (dun) en zaadhuid vergroeid   -> zemelen
Dopvrucht: vruchtwand en zaadhuid niet vergroeid
Nootje (gevleugeld of met napje): ontstaan uit meerdere carpellen met meerdere zaadknoppen -> 1 ontwikkelt zich
Cypsela: onderstandig vruchtbeginsel + andere bloemdelen (bv. pappus Asteraceae)
Vrucht

• Uit vruchtbeginsel (ovarium) na bevruchting zaadknoppen (ovules)
• Parthenocarpie:
  • Ontwikkeling van vruchten zonder bevruchting (natuurlijk of artificieel)
  • Normaalgezien zaadloos
  • Bv. banaan, komkommer, …

• Echte vrucht: bestaat enkel uit delen van ovarium
• Schijnvrucht: ook andere bloemdelen
• Vruchtwand = pericarp
  • Bestaat uit exocarp, mesocarp en endocarp
Relatie zaad en omgeving

Vorm, massa, structuur, fysiologie en kieming verandert o.i.v. temperatuur, licht, neerslag, nutriënten, …
Dormantie en kieming

• Kiemrust (dormantie): tijdelijke stilstand van de kieming
  • Endogeen: inwendig kenmerk verhindert kieming embryo
  • Exogeen: chemische, mechanische of fysische barrière voor embryo

• Opbouw zaadbank
  • Transiënt < 1 jr
  • Korte-termijn persistent 1 < X < 5 jr
  • Lange-termijn persistent > 5 jr
Zaadverspreiding
• Dispersie
  • Barochorie
  • Balistochorie
  • Anemochorie
  • Hydrochorie
  • Epizoöchorie
  • Endozoöchorie
  • Myrmecochorie