Summary Class notes - Psychologie van de persoonlijkheid

Course
- Psychologie van de persoonlijkheid
- -
- 2014 - 2015
- NTI
- Toegepaste Psychologie
242 Flashcards & Notes
0 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Psychologie van de persoonlijkheid

  • 1441490400 Hoofdstuk 1 Persoonlijkheid in het leven van alledag, wetenschap en de praktijk

  • Wat is persoonlijkheid?
    Persoonlijkheid is het geheel van iemands persoonlijkheidstrekken (kenmerken en eigenschappen). De individuele bijzonderheden in lichamelijke kenmerken en de individuele regelmatigheden in gedrag en beleving.
  • Wat is een dispositie?
    Een dispositie is een persoonlijkheidskenmerk dat op middellange termijn stabiel is en dus op zijn minst enkele weken of maanden blijft voortduren. Het stelt iemand in staat in bepaalde situaties een bepaald soort gedrag te vertonen.

    Let op! Het zijn regelmatigheden in gedrag en niet het gedrag zelf, ze zijn van langere duur en niet direct waarneembaar.

    Disposities kunnen horizontaal (gelijktijdig) en verticaal (in rangorders) voortkomen.
  • Hoe schatten we iemand in volgens de psychologie van alledag?
    De alledaagse psychologie is een dispositietheorie, er wordt aangenomen dat gedrag hoofdzakelijk wordt bepaald door lang aanhoudende disposities.

    Bij het beoordelen van iemand zijn gedrag passen we een complexe, cultureel overgedragen kennisstructuur toe.
  • Wat zijn de criteria binnen de empirische wetenschappen?
    - Expliciet = begrippen moeten duidelijk gedefinieerd zijn.
    - Consistentie = uitspraken mogen elkaar niet tegenspreken.
    - Volledigheid = al het bekende kan worden verklaard.
    - Soberheid = Bevat zo min mogelijk basisbegrippen.
    - Productiviteit = theorie moet nieuwe vraagstellingen oproepen.
    - Toepasbaarheid = theorie moet praktisch bruikbaar zijn.

    - Empirische verankering = begrippen moeten direct of indirect verband houden met waarnemingsgegevens.
    - Empirische verifieerbaarheid = uitspraken moeten a.d.h.v. waarnemingsgegevens te verifiëren zijn.
  • Wat is het probleem van de alledaagse psychologie?
    - De eisen aan het waar te nemen gedrag zijn onnauwkeurig.
    - Het begrip regelmatigheid in gedrag is heel wazig.
  • Op welke drie manieren worden individuele bijzonderheden gepreciseerd?
    1) Bedoeld worden de persoonlijkheidstrekken die langdurig stabiel zijn.
    2)Er wordt gekeken tussen mensen van vergelijkbare leeftijd uit een gelijke cultuur.
    3) Pathologische kenmerken moeten worden uitgesloten.
  • Wat is beroepsdeformatie en wat kun je eraan doen?
    Men maakt zich een bepaalde visie eigen en houdt onder alle omstandigheden aan deze visie vast.

    Door gezonde scepsis t.o.v. psychologische kennis kan dit worden vermeden.
  • 1441576800 Hoofdstuk 2 Geschiedenis

  • Wat is een wetenschapsparadigma?
    Een wetenschapsparadigma is een enigszins samenhangende, door veel wetenschappers gedeelde bundeling van theoretische grondbeginselen, vraagstellingen en methoden, die gedurende de ontwikkeling van de wetenschap voor langere tijd gehandhaafd blijft.
  • Wat zijn de 6 paradigma's?
    1) Paradigma van persoonlijkheidstrekken.
    2) Informatieverwerkingsparadigma.
    3) Dynamisch- interactionistisch paradigma.
    4) Neurowetenschappelijk paradigma.
    5) Moleculair-genetisch paradigma.
    6) Evolutiepsychologisch paradigma.
  • Hoe bekijkt het paradigma van persoonlijkheidstrekken de persoonlijkheid?
    De persoonlijkheid wordt vergeleken aan de hand van een referentiepopulatie van vergelijkbare leeftijd en culturele achtergrond. Er wordt gewerkt o.b.v. gemiddelde personen om zo algemene wetmatigheden in gedrag en beleving vast te kunnen stellen omdat:
    1) Individualiteit wordt alleen duidelijk door vergelijking met vergelijkbare personen.
    2) Iemand individualiteit kun je beter benaderen als je kijkt naar meer persoonlijkheidstrekken > persoonlijkheidsprofiel.
  • Met welk schema kan het paradigma van persoonlijkheidstrekken worden bekeken? Leg dit uit.
    Het schema van Stern. William Stern legde de basis voor dit paradigma. Hij legde een verband tussen de variabelen gericht visie (een kenmerk varieert tussen verschillende personen) en de persoonsgerichte visie (meerdere kenmerken bij variëren bij één persoon).
    Je kunt dit interindividueel bekijken > samenhang tussen de rangordes van personen dus correlatieonderzoek.
    Maar ook intraindividueel > variatie binnen de personen zelf, comparatief onderzoek.
  • Wat deed Raymond Cattel?
    Hij stelde de covariatiekubus op en nam hierin de dimensie van tijd mee (Stern deed dit niet en ging daarbij aan de eis dat kenmerken langdurig stabiel moeten zijn voorbij). O.b.v. de covariatiekubus kan iemand zijn persoonlijkheid worden geoperationaliseerd als een persoonlijkheidsprofiel met veel kenmerken.
  • Wat is longitudinaalonderzoek?
    Van veel personen van hetzelfde cohort worden met lange tussenpozen persoonlijkheidsprofielen opgesteld.
  • Wat is transsituatieve consistentie?
    Overeenkomst tussen twee verschillende gebieden. Persoonlijkheidstrekken zijn transsituatief consistent als verschillen in persoonlijkheidstrekken binnen situaties gelijkenissen vertonen bij vergelijking van situaties. Een voorbeeld hiervan is iemand die zowel bij een examen als bij het zien van een slang bovengemiddeld bang is.
  • Wat is een reactiecoherentie van persoonlijkheidstrekken?
    Vergelijkbare kenmerkende reacties wijzen of reactiecoherentie. Of er ten aanzien van de betreffende trek sprake is van vergelijkbare verschillen tussen personen met verschillende reacties.
  • Hoe bekijkt het informatieverwerkingsparadigma de persoonlijkheid?
    Het informatieverwerkingsparadigma neemt aan dat menselijk gedrag en beleving berusten op informatieverwerking in het zenuwstelsel. Persoonlijkheidsdisposities berusten volgens dit paradigma op:

    1) individueel kenmerkende, langdurig stabiele parameters van informatieverwerkingsprocessen zoals snelheid, stimulusdrempel of intensiteit van een reactie, capaciteit van het kortetermijngeheugen.
    2) Individueel kenmerkende geheugeninhoud in het langdurig stabiele langetermijngeheugen.
  • Wat is het werkgeheugen?
    Het werkgeheugen is verantwoordelijk voor het tijdelijk opslaan van geheugeninhoud en voor de veranderingen daarin. Het is een belangrijke bron van intelligentieverschillen.
  • Wat is attitudeonderzoek en wat heeft het uitgewezen?
    Een attitude is een individueel kenmerkende beoordeling van objecten van waarneming of voorstelling in de dimensie positief- negatief.

    Je hebt expliciete attitudes, deze zijn waarneembaar en bewust.

    Daarnaast zijn er impliciete attitudes, ben je je niet of nauwelijks van bewust. Affectieve priming wordt gebruikt voor het aantonen van impliciete attitudes. Anthony G. Greenwald slaagde erin om m.b.v. IAT's impliciete attitudes op een betrouwbare manier vast te stellen.
  • Wat houdt het dynamisch- interactionistisch paradigma in?
    Het dynamisch- interactionistisch paradigma richt zich op de persoonlijkheidsontwikkeling door te kijken hoe sterk iemands persoonlijkheid gedurende diens leven (verwekking tot dood) veranderd en waarom.

    Dynamisch staat voor een wisselwerking gedurende een bepaald tijdsverloop, de omgeving beïnvloedt de persoonlijkheidsveranderingen en de persoonlijkheid beïnvloedt veranderingen van de omgeving.
  • Benoem 3 eenzijdige omgevingstheorieën en beschrijf hoe zij de persoonlijkheid benaderden.
    1) Sigmund Freud > psychoanalyse, nam aan dat de persoonlijkheid voornamelijk werd gevormd door ervaringen op de vroege kinderleeftijd, vooral met de moeder.

    2) Objectrelatietheorieën > zagen gefantaseerde of reële relaties met primaire referentiepersonen als de oorzaak van iemands later persoonlijkheid en relaties tot liefdespartners en de eigen kinderen.

    3) J. Bolwbey > grondlegger hechtingstheorie. Gaat ervan uit dat gehechtheid bij kinderen een lange evolutionaire geschiedenis kent die zorgt dat het kind nabij de primaire referentiepersoon blijft als er gevaar dreigt. Dit komt op het 2e levensjaar tot stand wanneer een kind leert lopen en zo de bescherming van de referentiepersoon kan kwijtraken. De ervaring vanuit de kinderleeftijd zou van belang zijn van het ontwikkelen van een intern werkmodel (veilig of onveilig).

    4) Mary D.S. Ainsworth > vreemde situatietest, een observatieprocedure voor hechtingsdiagnose bij kinderen. De test kent 3 verschillende hechtingsstijlen:
    Veilig/ angstig- ambivalent/ vermijdend.

    Voor volwassenen heb je:
    AAI > methode voor vastleggen van intern werkmodel volwassenen.
    Philip R. Shaver > Liefdesquiz

    5) Leertheorieën > probeert om verschillen in persoonlijkheid via verschillen in leerervaringen te verklaren d.m.v. klassiek conditioneren, operant conditioneren en observerend leren. Ze beschouwden lerende als slachtoffers van hun leeromstandigheden.
  • Hoe worden verschillen in persoonlijkheid in de gedragsgenetica onderzocht en wie legde de basis?
    Francis Galton legde de basis. Er wordt gekeken naar de verschillen in persoonlijkheid via overeenkomsten tussen genetisch sterker of minder sterk verwante familieleden.

    Gedragsgenetica had te lijden onder eugenetica (genetisch potentieel van heel ras verbeteren).
  • Waarop berust de persoonlijkheid van de mens?
    Op het genoom (genpatroon) en omgevingsfactoren.
  • Welke genoom- omgevingscorrelaties zijn er?
    1) Actieve genoom-omgevingscorrelatie: als mensen om genetische redenen bepaalde omgevingen opzoeken of creëren.
    2) Reactieve genoom- omgevingscorrelatie: als andere mensen op genetische beïnvloedde persoonlijkheidskenmerken reageren en daardoor een bepaalde omgeving creëren.
    3) Passieve genoom-omgevingscorrelatie: bij kinderen die met genetisch verwanten opgroeien alleen al door het feit dat hun actieve of reactieve genoom- omgevingscorrelatie genetisch worden overgedragen op het kind.

    Kinderen van intelligente ouders worden vaker geboren in een omgeving die de intelligentie prikkelt. Tijdens de ontwikkeling kunnen genetische voorwaarden dan via de weg van genetische beïnvloede persoonlijkheidstrekken direct (actieve correlatie) of indirect via de reactie van de medemens (reactieve correlatie) van invloed zijn op de omgeving.
  • Hoe probeert het neurowetenschappelijk paradigma de verschillen in persoonlijkheid vast te stellen?
    Het neurowetenschappelijk paradigma probeert de verschillen in persoonlijkheid a.d.h.v. het zenuwstelsel vast te stellen. Ze kijken ook naar de wisselwerking van het zenuwstelsel met het hormoonstelsel, bloedsomloop en immuunsysteem.

    Willhem Wundt > eerste instituut voor experimentele psychologie 1879.
  • Waarop berust de aanname dat er verschillen in temperament bestaan?
    Dit berust op de persoonlijkheidstrekken die te herleiden zijn tot de 3 A's:
    1) Affect
    2) Activering
    3) Aandacht

    Dit kan al worden gevonden bij de grondlegger Hippocrates met zijn 4 lichaamssappen.
  • Beschrijf de theorie van Hans Eysenck.
    Hans Eysenck ontdekte 2 relatief onafhankelijke dimensies, deze kwamen overeen met de dimensie van Wundt:
    1) Extraversie met de polen extravert en introvert.
    2) Neurotisme met de polen instabiel en stabiel.

    Hij verklaarde zijn theorie a.d.h.v. de activiteit van het ARAS (ascederend reticulair activerend systeem) in de hersenstam.

    Introverte personen zouden een lagere fysiologische activeringsdrempel hebben dan extraverte personen, waardoor ze al in situaties met een laag actiepotentiaal bovengemiddeld worden geactiveerd. Bij kenmerkende sterke prikkelende situaties zou bij introverte personen echter de transmarginale remming in werking treden als beschermingsmechanisme, wat in vergelijking met extraverte personen tot een lagere activering zou leiden.
  • Wat is multivariatie psychofysiologie?
    Het vastleggen van veel fysiologische parameters via ambulante monitoring om zo verschillen in temperament te kunnen verklaren.
  • Beschrijf het theorie van Gray.
    Gray nam aan dat temperamentsverschillen te wijten zijn aan 2 verschillende systemen:
    1) BIS = Behavioral Inhibition System
    2) BAS = Behavioral Activation System
    Het verschil in sterke tussen deze gedragsactiveringssystemen zorgt voor de temperamentsverschillen.

    De sterkte van het BIS beschrijft de temperamentsdimensie geremedheid met de polen E- N+ (introvert en instabiel) en E+ N- (extravert en stabiel).

    De sterke van het BAS beschrijft de temperamentsdimensie impulsiviteit met de polen E+ N+ (extravert en instabiel) en E- N- ( introvert stabiel.
  • Wat is neuronale intelligentie?
    Deze aanname houdt in dat intelligentere mensen minder neuronen hoeven te activeren naarmate ze vertrouwder raken met een bepaalde taak en daarom ruimtelijk gedifferentieerde activering van hersengebieden met een lager energieverbruik door de hersenen zouden moeten vertonen.
  • Wat is de interactionistische opvatting?
    De biologistische opvatting neemt aan dat causaliteit altijd van neuronaal niveau naar gedragsniveau loopt. De psychologische aanname neemt aan dat bepaalde ziekten altijd een psychische oorzaak hebben.

    Afhankelijke van het fenomeen weegt soms de ene causale richting zwaarder en dan de andere of soms zijn de beide even sterk.
  • Hoe bekijkt het moleculair genetisch paradigma de persoonlijkheid?
    Het moleculair genetisch paradigma probeert een verband te leggen tussen persoonlijkheid en individueel kenmerkende allelpatronen. Ze koppelen individueel persoonlijke kenmerken aan het individueel kenmerkende allelpatroon.
  • Wat zijn gen-omgevingsinteracties?
    Situaties waarin genetische effecten afhangen van bepaalde omgevingsfactoren.
  • Wat is er aangetoond bij allel met onvoldoende MAOA-activiteit?
    Onvoldoende MAOA-activiteit kan na ondergane kindermishandeling bij mannen lijden tot de ontwikkeling van antisociale tendensen.
  • Hoe kijkt het evolutiespycholgisch paradigma naar de persoonlijkheid?
    De aanname binnen dit paradigma staat centraal dat menselijke beleving en gedrag het resultaat zijn van de evolutie en daarmee dus van een vele miljoenen jaren durend proces van genetische aanpassingen van organismen aan de op dat moment heersende factoren.
  • Welke theorie komt van Charles Darwin?
    Natuurlijke selectie. Afhankelijk van de omgeving komen allelen in relatie met andere allelen vaker of minder vaak voor, omdat hun kansen op voortplanting verschillen: er zijn verschillen in fitness. De omgeving heeft dus invloed op de reproductie van allelen: er is sprake van natuurlijke selectie.
  • Wat is intra- en interseksuele selectie?
    Intraseksuele selectie = heeft betrekking op rivaliteit van een sekse bij het vinden van seksuele partners en het afschermen van die partners tegen rivalen. Allelen die deze vaardigheden bevorderen hebben voortplantingsvoordeel.

    Interseksuele selectie = heeft betrekking op de seksuele aantrekkelijkheid voor de andere sekse. Allelen die lichamelijke kenmerken of gedragskenmerken bevorderen die de andere sekse aantrekkelijk vind hebben eveneens voortplantingsvoordeel.

    Natuurlijke selectie berust op het voortplantingssucces van allelen, dat op zijn beurt bij de mens afhangt van intra- en interseksuele selectie.
  • Wat is een ultieme verklaring?
    Een ultieme verklaring beschrijft hoe individuen zich hadden moeten gedragen bij omgevingsfactoren waarvan met aannam dat die in het evolutionaire verleden golden.
  • Wat is een proximale verklaring?
    Proximale verklaringen geven aan hoe het gedrag concreet tot stand komt. Het zijn verklaringen die berusten op het feit dat een individu zich inderdaad zo gedroeg.
  • Wat is het geëvolueerd psychologisch mechanisme?
    Een gebiedsspecifiek proximaal mechanisme dat ultiem kan worden geïnterpreteerd en waarvan wordt aangenomen dat het genetisch wordt overgeërfd. 

    Verschillen in persoonlijkheid berusten o.b.v. deze evolutiepsychologische visie vooral op 2 principes:
    1) Frequentieafhankelijke selectie
    2) Conditionele ontwikkelingsstrategieën.
  • Wat is frequentie afhankelijke selectie?
    Dat de fitness van een gen afhangt van hoe vaak het in een populatie voortkomt.
  • Wat zijn conditionele ontwikkeling strategieën?
    EPM's die afhankelijk van kenmerkende omgevingsfactoren van onze evolutionaire voorouders op verschillende manieren richting geven aan de individuele ontwikkeling.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Psychologie van de Persoonlijkheid

  • 1408485600 Hoofdstuk 3 - Persoonlijkheidsvariatie - meten van persoonlijheidstrekken

  • Wat is classificeren van personen>?
    Bij classificeren van personen worden alle personen ingedeeld o.b.v. 2 of meer kwalitatief verschillende types zoals mannelijk - vrouwelijk.
  • Wat is Cohens Kappa? Wanneer is volgens Cohens Kappa de objectiviteit voldoende en wanneer goed?
    Cohens Kappa (k) is een maatstaf voor toeval gecorrigeerde overeenstemming. Deze maatstaf helpt bepalen of de overeenstemming van de beoordelaars goed of slecht is. Bij een k van .60 is de objectiviteit voldoende. Bij een k van .80 is deze goed.
  • Wat is meten?

    Meten betekend het toekennen van getallen aan objecten, zodat relaties tussen de getallen staan voor de relaties tussen objecten.
  • Wat is een Likertschaal?

    Een Likertschaal is een antwoordschaal op intervalniveau waarbij instemming met een bepaalde uitspraak wordt uitgevraagd via een geleidelijke antwoordschaal van helemaal mee oneens tot helemaal mee een.
  • Wat is een trekscore?

    Een trekscore geeft een kwantitatieve beschrijving van de uiting van een betreffende persoonlijkheidstrek bij die persoon.
  • Wat is de variantie?

    De variantie is de gemiddelde, gekwadrateerde afwijking van de meetwaarden van hun gemiddelde waarde.
  • Wat is de standaarddeviatie?

    De SD is de standaardafwijking: de wortel van de variantie.
  • Leg uit wat er wordt bedoeld met correlatie en hoe je deze kunt aantonen?

    Correlaties beschrijven samenhang tussen lineaire variabelen. De correlatie kan lopen van -1 tot 1, bij 0 is er geen samenhang. De correlatie wordt berekend door voor iedere persoon de z-score in X met die in Y te vermenigvuldigen; het gemiddelde van deze z-scoreproducten, gemeten over alle personen, is de correlatie r.
  • Wat is betrouwbaarheid?

    Betrouwbaarheid van een meting geeft aan of de verschillen in de gemeten waarden bij herhaling onder dezelfde omstandigheden gelijk uitpakken en dus geen meetfouten hebben.
  • Wat is validiteit?
    Validiteit geeft aan of echt is gemeten wat gemeten moest worden.
  • Noem 3 vormen van testbetrouwbaarheid en beschrijf wat dit inhoudt.
    1) Test-hertestbetrouwbaarheid - dezelfde meting 2x kort na elkaar op dezelfde personen toepassen. De correlatie tussen beide meettijdstippen wordt bepaald.
    2) Paralleltestbetrouwbaarheid - wordt gebruik gemaakt van 2 parallelle meetmethoden die sterk met elkaar correleren. Eerst wordt A aangeboden dan B.
    3) Interne consistentie - worden op hetzelfde tijdstip tegelijkertijd 2 of meer parallelle metingen uitgevoerd. Hoe sterker de onderlinge correlatie van deze metingen hoe sterker de interne consistentie.
  • Wat is interne consistentie?

    Interne consistentie is de betrouwbaarheid van een gehele meting, die voortkomt uit de correlaties van parallelle deelmetingen.
  • Hoe neemt betrouwbaarheid van een test toe?

    Door testverlening (toevoeging van parallelle items).
  • Wat zijn de criteria voor de opbouw van persoonlijkheidsvragenlijsten?

    1) Afzonderlijke items worden o.b.v. een antwoordschaal beoordeeld.
    2) Parallelle items vormen een persoonlijkheidsschaal, de antwoorden worden daarbij gemiddeld.
    3) Persoonlijkheidsvragenlijsten omvatten meerdere persoonlijkheidsschalen.
  • Noem 4 vormen van validiteit van een meetmethode voor een persoonlijkheidstrek.

    1) Schijnvaliditeit
    2) Constructvaliditeit (begripsvaliditeit)
    3) Criteriumgerichte validiteit
    4) Inhoudsvaliditeit
  • Wat is een nomologisch netwerk?
    Het construct wordt geoperationaliseerd door een netwerk van veel onderling correlerende meetmethodes.
  • 1408572000 Hoofstuk 3 - Persoonlijkheidsvariatie - Persoonlijkheidsfactoren en - dimensies/ persoonlijkheidsprofielen en -typen

  • Wat is de factoranalyse?
    Een methode waarbij vele trekvariabelen op grond van hun correlaties tot zo min mogelijk persoonlijkheidsfactoren F worden teruggebracht. Een vaak gekoppelde eis is dat dat de factoren onderling niet mogen correleren.
  • Wat is een factor?
    Een factor kan gezien worden als samenvattende, overkoepelende categorieen.
  • Waarom wordt er ook wel over dimensiereductie gesproken?
    Omdat iedere trekvariabele als dimensie van een meerdimensionale ruimte kan worden beschouwd.
  • Waarom wordt de factoranalyse binnen de lexicale benadering van de persoonlijkheidsbeschrijving gebruikt?

    Om met zo min mogelijk persoonlijkheidstrekken een zo breed mogelijk persoonlijkheidsspectrum te bestrijken en zo een efficient, gedimensioneerd beschrijvingssysteem voor verschillen in persoonlijkheid te creeren.
  • Wat is de Big Five en waaruit bestaat deze?
    De Big Five is ontstaan door factoranalyse. Het zijn vragenlijsten van verschillende lengte, ze beschrijven o..v. de 5 persoonlijkheidsdimensies OCEAN grote gedeelten van de persoonlijkheid efficient. De 5 basisdimensies zijn:
    1) Openness tot new experience.
    2) Conscientiousness
    3) Extraversion
    4) Agreebleness
    5) Neuroticism
  • Wat is een persoonlijkheidsprofiel?
    Een persoonlijkheidsprofiel bestaat uit trekscores van een persoon voor tal van persoonlijkheidstrekken op een uniforme schaal (bv. Likertschaal, z-scores).
  • Wat is de euclidische afstand?
    De euclidische afstand tussen 2 persoonlijkheidsprofielen is de wortel uit de som van de gekwadrateerde verschillen bij de afzonderlijke persoonlijkheidstrekken. De euclidische afstand is precies 0 als beide profielen identiek zijn. Het wordt gebruikt om te kijken hoezeer persoonlijkheidsprofielen verschillen.
  • Wat is de Q-sortmethode?

    Bij de Q-sortmethode worden vele persoonlijke trekken gesorteerd op hoe goed zij die persoon beschrijven.
  • Welke 5 typen persoonlijkheid worden o.b.v. de Big Five onderscheiden?
    1) Ondergecontroleerd
    2) Overgecontroleerd
    3) Veerkrachtig
    4) Optimistisch
    5) Gereserveerd
  • Wat is het voordeel van deze typologieen?

    Het voordeel van deze typologieen is dat een persoonsgerichte classificatie van typen gemakkelijker te begrijpen is dan een variabelengericht beschrijvingssysteem.
  • Waarvoor kunnen persoonlijkheidsprofielen worden gebruikt?

    In de praktijk kunnen persoonlijkheidsprofielen worden gebruikt om de persoonlijkheid met norm- of functieprofielen te vergelijken.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke interacties zie je binnen de persoonlijkheid?
Een continue interactie tussen de gen- activiteit en andere procesniveaus.

Genetische effecten zijn in principe te beïnvloeden door medicatie of neuronale activiteit.
Welke 4 verschillende attitudes komen er naar voren over de attitude van de moeder a.d.h.v. interviews met de moeder over tweelingen.
1) Ziekte van een van beide tweelingen.
2) Aannames van de moeder over verschillend in persoonlijkheid tussen de tweelingen.
3) Identificatie met een van de tweelingkinderen.
4) Identificatie met een van de tweelingkinderen met de ex- partners.
Waarvoor zijn interculturele trainingen?
Om bijzondere kenmerken van de cultuur te leren kennen.
Op welke manieren kenmerken:- Collectivistische culturen zich- Individualistische culturen zich
Collectivistische culturen kenmerken zich door sterke oriëntatie naar een in-group , interdependent self. Nadruk ligt op inbedding in sociale groepen.

Individualistische culturen kenmerken zich door individuele oriëntatie, independent-self. Nadruk ligt op individualiteit van ieder individu.
Welke werkgerelateerde attitudes zijn er volgens Hofstede?
1) Individualisme = onafhankelijk van sociale referentiegroepen zoals familie of bedrijf versus afhankelijkheid daarvan.

2) Machtsafstand = acceptatie van grote machtsverschillen versus egalitaire attitude.

3) Onzekerheidsvermijding = angst/ gebrek aan angst voor niet- gestructureerde situaties.

4) Masculiniteit = benadrukking van een traditionele mannelijke sekserol versus egalitaire attitude.
Wat zijn de cultureel universele intelligentiedimensies?
1) Logisch denken
2) Verbale capaciteiten
3) Ruimtelijk waarnemingsvermogen
4) Numerieke capaciteiten
5) Geheugencapaciteiten
6) Snelheid
Hoe kun je de intelligentieverschillen tussen een cultuur beter meten?
Door te kijken naar de correlatieve structuur van intelligentietests als criterium voor een vergelijking tussen culturen onderling. Er is namelijk een overkoepelende g-factor voor algemene intelligentie.
Welke wisselwerking is er tussen ras en status?
De verschillen tussen zwart en blank neemt toe naarmate de status toeneemt. Het IQ stijgt duidelijk naarmate de sociale status stijgt.  Hierdoor is de betekenis van een opgave in een IQ test ook afhankelijk van de cultuur. Cognitieve capaciteiten zijn sterk getraind onder bepaalde culturele omstandigheden. Intelligentietest zijn zo opgezet dat ze het vermogen voorspellen om op een westerse opgezette school te slagen.
Welke 3 rassen worden er onderscheiden?
1) Blanken
2) Zwarten
3) Spleetogen (mongoloïden)

Geen geschikt instrument. Wel makkelijkst herkenbare kenmerken.
Wat is een ras?
Een grote groep mensen die op grond van genetische bepaalde oppervlakkige lichamelijke kenmerken zoals huidskleur en vorm van de ogen kan worden onderscheiden van andere groepen van mensen.