Summary Class notes - Psychomedische problemen

Course
- Psychomedische problemen
- nvt
- 2016 - 2017
- Universiteit Maastricht
- Geneeskunde
555 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Psychomedische problemen

  • 1477519200 Gen X Omgeving interactie

  • Wat is een belangrijkere risicofactor voor schizofrenie: trauma in de kindertijd of cannabisgebruik?
    Cannabisgebruik (RR3) 

    NB: belangrijkste risicofactor is eerstegraadsfamilielid met schizofrenie: RR10
  • Hoe kun je de invloed van genetica en omgeving op ziekterisico onderscheiden?
    Concordantiestudies bij monozygoten en bij dizygoten
  • Welke categorie stoornissen is over het algemeen < 50% erfelijk?
    De angstgerelateerde stoornissen (OCD, paniekstoornis, GAD, PTSD), m.u.v. majeure depressie
  • Wat wordt er bedoeld met epistasie?
    Een versterkte overerving doordat verschillende genen elkaar beïnvloeden. Dit is een van de verklaringen voor missing heritability.
  • 1478300400 ADHD

  • Het brein heeft drie cognitieve functies die ons primair in leven houden: 
    • Alerting (inhibitie irrelevante activiteiten) 
    • Orienting (je richten op input) 
    • Deciding (limbische en rationele gebieden koppelen om respons te genereren)


    Hoe staat elk van deze systemen in verband met de drie kernsymptomen van ADHD?  
    • Alerting: impulsiviteit, selectieve aandacht 
    • Orienting: selectieve aandacht
    • Deciding: vastgehouden aandacht (intensiteit van aandacht)
  • Koppel de drie kernsymptomen van ADHD aan hersenstructuren
    • Inattention: selectief (dACC), vastgehouden (dlPFC) 
    • Hyperactivity: prefrontale motorcortex 
    • Impulsivity: OFC 
  • Hoe werkt de n-Back test en wat kun je ermee onderzoeken in het kader van ADHD?
    Je presenteert een patiënt met opeenvolgende stimuli, met af en toe de vraag welke stimulus drie 'beurten' eerder is gepresenteerd. Hiermee controleer je de vastgehouden aandacht (dlPFC) en het probleemoplossend vermogen. 

    Een voorbeeld is een position match spel, waarbij een blokje telkens op een andere positie komt op een grid van 9 blocks.
  • Noem ten minste drie stoornissen waarbij de vastgehouden aandacht mogelijk is verstoord.
    • ADHD 
    • Schizofrenie
    • Majeure depressie
    • Manie
    • Angststoornis
    • Slaap-waakstoornis
    • Pijnstoornis
  • Wat test je met de stroop-test?
    Selectiviteit van de aandacht (dACC), doordat proefpersoon onderscheid moet maken tussen kleur van een woord en de daadwerkelijk genoteerde kleur. 

    Ook test je de intensiteit van de aandacht (dlPFC), door te kijken hoe lang de test volgehouden wordt.
  • De impulsiviteit bij ADHD is op twee manieren te onderzoeken, elk met een ander domein van impulsiviteit. Welke zijn dat?
    • Go-nogo task (onvermogen om initiatie van respons te onderdrukken)
    • Stop signal task (onvermogen om een gaande respons te remmen)
  • Noem ten minste drie stoornissen waarbij er mogelijk sprake is van overmatige impulsiviteit
    • ADHD 
    • Middelenmisbruik
    • OCD 
    • Gokken
    • Suïcidaliteit in depressie
    • Impulsiviteit bij manie
    • Schizofrenie
  • De problemen van de OFC bij ADHD kunnen zich uiten in impulsiviteit en hyperactiviteit. Via welke hersengebieden wordt elk gemedieerd?
    • Impulsiviteit: via limbische cortex
    • Hyperactiviteit: via prefrontale motorcortex
  • Het nigrostriatale systeem bestaat uit een directe en indirecte pathway. Welke faciliteert beweging, welke onderdrukt beweging?
    • Direct: faciliteert beweging (D1)
    • Indirect: onderdrukt beweging (D2) 
  • Wat wordt er bedoeld met de nucleus accumbens 'hotspot'?
    Het gebied dat liking én wanting veroorzaakt (ventromediale schil)
  • Waar of niet waar: 
    'De lange-termijn uitkomst van ADHD is onafhankelijk van medicatie en initiële symptoomreductie'
    Waar
  • Wat is de heritabiliteit van cADHD en aADHD, voor zover bekend?
    cADHD: 70-80%. 
    aADHD: onbekend
  • Er is over het algemeen geen duidelijke associatie tussen symptoomdomeinen van ADHD en genetische profielen. Welk kandidaat endofenotype is wel potentieel accuraat?
    Reaction-time (RT) variability. 

    ADHD patiënten vertonen vaak een tragere reactie bij de go-nogo task en stop-signal task, met ook hoge variabiliteit daarin.  Dit zijn domeinen van executieve functie, met name responsinhibitie. Dit domein houdt mogelijk verband met genotypes.
  • ADHD eigenschappen zijn een functie van de omgeving. Geef ten minste drie voorbeelden van variabelen die ADHD in ernst aanpassen.
    • Mate van supervisie
    • Mate van blootstelling aan nieuwe situaties 
    • Hoeveelheid externe impulsen die binnen komen (e.g. facebook) 
    • Stress 
    • Interessante activiteiten
    • Beloningen voor goed gedrag
  • Met het oog op het onderzoeken van endofenotypen bij ADHD, is het belangrijk de mate van variabiliteit van symptoomdomeinen te onderscheiden. Rangschik de volgende domeinen naar lagere variabiliteit: 
    • Reactietijd 
    • Werkgeheugen
    • Aandacht
    • Responsinhibitie, cognitieve controle
    • Functionele verstoring
    • Neuropsychologische taken 
    Reactietijd >> Responsinhibitie, cognitieve controle = functionele verstoring > werkgeheugen = aandacht > neuropsychologische taken
  • Wat is de prevalentie van ADHD bij kinderen en volwassenen?
    • Kinderen: 5-10% 
    • Volwassenen: 5% 
  • Hoe kan het dat de prevalentie van ADHD toeneemt?
    De proportie persisterende ADHD is toe aan het nemen
  • Noem ten minste twee comorbiditeiten bij ADHD, met prevalentie

    Ezelsbruggetje: Aan De Pillen Voortaan. Beginnend bij 35%, aflopend met stapjes van 5%. 
    • Angststoornis (35%)
    • Depressie (30%) 
    • Persoonlijkheidsstoornis (25%)
    • Verslaving (20%)


    Let op: behandelen van deze stoornissen voorkomt chroniciteit
  • In 2002 gebruikten 40.000 mensen ADHD-middelen in Nederland. hoeveel was dat in 2014?
    200.000
  • Noem drie factoren die ADHD van stemmingsstoornissen onderscheiden.
    • Bij ADHD zijn de symptomen van stemmingsinstabiliteit chronisch aanwezig, bij depressie episodisch
    • Bij ADHD is er geen anhedonie of verstoring van de eetlust
    • Bij ADHD nemen de stemmingsklachten af als de ADHD-symptomen afnemen
  • Noem ten minste drie factoren die ADHD van angststoornissen onderscheiden.
    • ADHD kenmerkt zich door in het algemeen hoge mentale activiteit. Angststoornis door angstige overactiviteit. 
    • ADHD is motorisch geagiteerd, angststoornis is nerveus 
    • Familiegeschiedenis 
    • ADHD vermijdt frustrerende situaties, angststoornis vermijdt fobische situaties 
    • ADHD voelt zich snel overbelast, angst voelt zich snel angstig
    • ADHD geen somatische symptomen
    • ADHD beter door stimulantia, angst slechter door stimulantia
  • Noem ten minste drie factoren die ADHD van bipolaire stoornis onderscheiden
    • Aanzet: ADHD kindertijd, bipolaire in adolescentie/jongvolwassenheid
    • ADHD is prikkelbaar, maar niet grandioos 
    • ADHD meldt dat hij niet goed kan functioneren
    • ADHD heeft chronisch lage eigenwaarde 
    • ADHD heeft meestal ziekte-inzicht 
    • ADHD slaap minder, bipolaire hoeft minder slaap 
    • ADHD is rusteloos, bipolaire is overactief
  • ADHD lijkt sterk op borderline, doordat beiden zich kenmerken door:
    • Beperking
    • Chroniciteit
    • Pervasiviteit in alle situaties
    • Affectlabiliteit
    • Impulsiviteit
    Noem twee factoren die ADHD toch van borderline onderscheiden
    • Leeftijd aanzet 
    • ADHD kenmerkt zich niet door suïcidaal gedrag 
    • ADHD kenmerkt zich door inattentie 
    • Borderline kenmerkt zich door verlatingsangst
  • Niet herkende, onbehandelde ADHD leidt tot maatschappelijke problemen. Geef de risicotoenames aan voor:
    • Eerstehulpbezoeken
    • Verslaving
    • Echtscheiding 
    • Eerstehulp: 33% vaker
    • Verslaving: 100% vaker, met eerder begin en vaker chroniciteit 
    • Echtscheiding: 300-500% vaker
  • Geef verklaringen voor de zwakke therapietrouw bij ADHD
    • Bijwerkingen
    • Zwakker werkgeheugen
    • Gebrek aan effectiviteit
    • Onaangenaame doseerschema's
    • Sociale stigma ADHD medicatie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

DSM-IV Autisme: A. Ten minste 2 beperkingen in sociale interacties, ten minste 1 beperking in communicatievaardigheden en  ten minste 1 beperking in gedrag, belangstelling en activiteiten B. Achterstand/abnormaal functioneren in ten minste 1 van de volgende: sociale interacties, communicatie en symbolisch of fantasiespel. Met begin voor het derde jaar. C. Stoornis niet eerder toe te schrijven aan stoornis van Rett of desintegratiestoornis kindertijd Geef voorbeelden van stoornissen in: sociaal, communicatie en gedrag
  • Sociaal: stoornis non-verbaal gedrag (oogcontact, mimiek, gestiek), niet slagen om relaties te vormen, niet spontaan proberen met anderen plezier te delen, afwezigheid empathie 
  • Communicatie: onderontwikkeling gesproken taal (zonder dat pt probeert dit te compenseren met bijv. gebaren), paralogismen/stereotypisch taalgebruik, geen fantasiespel of sociaal imiterend spel 
  • Gedrag/interesse: sterke preoccupatie met een onderwerp, abnormaal patroon van belangstelling, rigide vastzitten aan niet-functionele routines/rituelen, motorische maniërismen (fladderen, draaien met hand of vingers, complexe bewegingen hele lichaam)
Hoe heet het mitochondriale enzym op glutamerge neuronen dat glutamine terug omzetten in glutamaat?
Glutaminase

Herhaling: glutamaat --> EAAT (gliacel) --> glutamine synthetase --> glutamine --> reverse transport SNAT --> normal transport SNAT (in glutamaatneuron) --> opname in blaasjes door vGluT
Wat is belangrijker bij persoonlijkheidsstoornissen: de therapie of de wijze waarop die wordt uitgevoerd?
Wijze waarop die wordt uitgevoerd
Psychotherapie is de hoeksteen van milde tot ernstige persoonlijkheidsstoornissen. Met welke factor versnelt psychotherapie herstel?
Factor 8.
Persoon is zodanig perfectionistisch, dat hij veel moeite heeft casussen binnen gegeven tijd af te maken. Hij heeft al zijn vrienden verloren door de drukte. Bovendien heeft hij al 20 jaar dezelfde bureaustoel die hij niet wil weggooien. OCPS?
Nee, moet 4 van de gegeven criteria
Leidt stress-sensitisatie altijd tot klachten?
Nee, soms is een stressor vaak en hard genoeg gepresenteerd aan een circuit, maar is deze onttrokken voordat er psychopathologie kan ontstaan.
Paniekaanval: begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen waarbij ten minste 4 van de volgende symptomen plotseling ontstaan, met binnen ... minuten maximum: cardiopulmonaal (hartklppingen, ademnood etc.), autonoom (zweten, koude rillingen), gastrointestinaal, neurologisch, psychitrisch (derealisatie of depersonalisatie) Hoeveel minuten?
10
Waarom vindt recovery van een fobie makkelijker plaats dan extinctie?
GABAerge interneuronen instabiel
Is het 14-3-3 eiwit verhoogd of verlaagd in liquor bij AD?
Verhoogd (door neuronenverlies)
Aanwezigheid van welk eiwit bepaalt het moment van aanzet AD en niet de lifetime kans op AD?
ApoE4 (chromosoom 19)