Summary Class notes - Psychopathologie

Course
- Psychopathologie
- Alberdina
- 2015 - 2016
- NTI
- Toegepaste Psychologie
222 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Psychopathologie

  • 1459116000 1 introductie

  • Wat zijn de criteria van abnormaliteit?
    1) Uitzonderlijk: uitzonderlijk gedrag wordt dikwijls als afwijkend beschouwd
    2) Sociaal afwijkend: normen maatschappij
    3) Foute perceptie of interpretatie van de realiteit
    4) Aanzienlijk emotioneel lijden van een persoon
    5) Ongepast of contraproductief gedrag
    6) Gevaar: gedrag dat een gevaar oplevert voor de betrokkene zelf of voor anderen
  • bestudeer figuur 1.2 op blz 17
  • bestudeer samenvatting hfst 1 en leer de begrippen
    .
  • Wat is evidence based medicine?
    Het streven om gebruik te maken van het best beschikbare medicijn en behandeling van de patient.

    Kritiek: evidence based medicine is gebaseerd op groepen patienten en niet op individuen met hun unieke persoonlijke eigenschappen en situatie.

    De basis van bewijs is verdeeld in zes stappen, waarbij de laatste stap het hardste bewijs levert:
    1) gevalsbeschrijvingen
    2) verzameling van gevalsbeschrijvingen
    3) open, niet vergelijkend onderzoek
    4) vergelijkend onderzoek
    5) Randomised Clinical Trials ( RTC' s )patienten worden door het lot aan de ene of andere behandelcontrole toegewezen en verder behandeld
    6)  meta- analyse van RTC's, waarbij de resultaten van diverse RTC's worden gebundeld en statistisch worden bewerkt
  • 1459202400 2 hedendaagse perspectieven op oorzaken en gevolgen van psychische stoornisen

  • 1)De wetenschap die onderzoek doet naar erfelijkheid heet...
    2) wat zijn genen?
    3) Chromosomen?
    4) Waar bestaan chromosomen uit?
    5) Hoeveel genen telt een celkern?
    6) Wat is genotype?
    7) wat is fenotype?
    8) wat is een proband?
    1) genetica
    2) basale bouwstenen van erfelijkheid. Liggen verspreid over chromosomen.
    3) staafachtige structuren waarop onze genen bevestigd zijn en bevinden zich in de kern van onze lichaamscellen
    4) DNA: grote, complexe moleculen ( desoxyribonucleïnezuur ).
    5) vermoedelijk 30000.
    6) verzameling trekken die is vastgelegd in onze genetische code
    7) het geheel van onze werkelijke, zichtbare trekken. Een interactie tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden.  
    8) De eerste persoon bij wie de stoornis wordt vastgesteld.
  • Wat is het perifere zenuwstelsel?
    verbind de hersenen met de buitenwereld. twee belangrijkste onderdelen zijn het somatische zenuwstelsel en het autonome zenuwstelsel.
  • wat is het menselijk genoom?
    de gehele complete blauwdruk van de mens. De exacte chemische reeks van het menselijk DNA: het recept dat de trekken en kenmerken van een menselijk wezen bepaalt.
  • wat zijn de kernpunten van het nature en nurture debat?
    1 Genen schrijven geen gedragsmatige eigenschappen voor
    2. Genetischhe factoren scheppen een aanleg of waarschijnlijkheid, maar geen zekerheid, dat bepaald gedrag of een bepaalde stoornis zich zal ontwikkelen.
    3. Multigenetisch determinisme. ht gaat altijd om meerdere genen en nooit om 1 gen. Er is nog nooit een psychische stoornis gevonden door een defect of afwijking in één enkel gen.
    4. De interactie tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden bepaalt onze persoonlijkheid eruit ziet en hoe gevoelig we zijn voor bepaalde psychische stoornissen.
  • Welke afweermechanismen van het ego zijn er, volgens de psychodynamische therapie?
    verdringing, regressie, rationalisatie, verplaatsing, projectie, reactieformatie, ontkenning, sublimatie
  • lees de evaluatie van de psychodynaMISCHE MODELLEN
  • Noem een leertheorie
    behaviorisme /sociaal cognitieve leertheorie
  • beschrijf wat humanisme is en welke onderzoekers daar een grote bijdrage aan hebben geleverd en evalueer de humanistische modellen
  • evalueer de leermodellen
  • cognitieve modellen > Wat is de ABC benadering van Albert Ellis? En wat is RET?
  • cognitieve modellen: Welke vier basistypen van cognitieve vervormingen die bijdragen aan emotioneel lijden  onderscheidt Aaron Beck?
    1) selectieve abstractie: mensen kunnen selectieve abstractie toepassen ( zich vvolledig blindstaren op ) die delen van een ervaring die hun tekortkomingen weerspiegelen, en alle bewijzen van hun competentie negeren.
    2) Overgeneralisatie. mensen kunnen overgeneraliseren op grond van enkele geïsoleerde ervaringen.
    3) Uitvergroting. het belang van een onfortuinelijke gebeurtenis enorm overdrijven.
    4) Absoluut denken / zwart-wit denken.
  • Noem de perspectieven op afwijkend gedrag en de modellen die darbij horen. De tabel staat op blz : 49
    Biologische perspectief: biologisch model, medisch model
    Psychologische perspectief: psychodynamische modellen, leermodellen, humanistische modellen, cognitieve modellen
    Sociaal cultureel perspectief: -
    Biopsychosociaal perspectief: -
  • 1459288800 3 classificatie en boordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag

  • Uitgangspunt bij de DSM en ICD 10 is dat er sprake is van de volgende verschijnselen:
    - emotioneel lijden ( gewoonlijk depressie of angst )
    - ernstige belemmeringen in het functioneren ( problemen op werk, in het gezin of in de maatschappij in het algemeen );
    - gedrag dat kan leiden tot persoonlijk leiden, pijn, invaliditeit, zelfverminking of de dood ( krassen en snijden, zelfmoordpogingen, herhaald gebruik van schadelijke drugs )
    - de belemmering houdt langere tijd aan en past niet meer in een normale reactie binnen een bepaalde ( culturele ) context
  • bestudeer blz 58 t/m 62
  • welke beoordelingsmethoden zijn er?
    het klinisch interview
    psychologische tests
    zelfbeoordelingsschalen
    fysiologische meetinstrumenten
  • Het klinisch interview is de meest gebruikte beoordelingsmethode. Hoewel de opzet varieert komen de volgende onderwerpen bijna in elk interview aan de orde.
    1) Gegevens verzamelen.
    2) Beschrijving van het gepresenteerde probleem.
    3) Psychosociale geschiedenis.
    4) Medisch psychiatrische geschiedenis.
    5) Somatische problemen ebn medicijngebruik.
  • Wat zijn de details van een psychologisch en psychiatrisch onderzoek?
    - Uiterlijk
    - Psychomotoriek
    - Bewustzijn
    - Oriëntatie
    - Aandacht
    - Waarneming
    - Denkprocessen
    - Stemming
    - Oordeelvermogen
  • Welke bekende intelligentietests zijn er?
    - Wechsler Adult Intelligence Scale ( WAIS III ). bevat zowel verbale als performale ( vaardigheden op het gebied van ruimtelijk inzicht ) subtests, die een verbaal en een performaal IQ opleveren.
    - Groninger Intelligentietest ( GIT ) Wordt naast de WAIS III in Nederland veel gebruikt. 9 onderdelen die verschillen aspecten van intelligentie bogen te meten, zoals oa rekenen, logisch redeneren en ruimtelijk inzicht
    - Stanford - Binet Intelligence Scale. Meet de intelligentie van kinderen en jongvolwassenen.
    - Raven Matrixes. Een intelligentietest waar taal weinig of geen rol speelt. Daardoor kan het een middel zijn om personen uit een andere taal / cultuur toch te testen op hun IQ.
  • Noem 2 zelfbeoordelingsvragenlijsten
    MMPI - 2: Minnesota Multiphasic Personality Inventory
    MCMI: Millon Clinical Multiaxial Inventory

    MCMI legt de focus meer op AS -2 persoonlijkheidsstoornissen. MMPI - 2 legt de focus meer op persoonlijkheidspatronen die samenhangen met  AS-1 diagnoses, zoals angststoornissen, stemmingsstoornissen en psychotische stoornissen. Ze boordelen verschillende patronen van psychopathologie en daarom krijgt de behandelaar een completer beeld wanneer hij beide testen afneemt bij de patiënt.
  • Bestudeer tabel 3.6 Klinische schalen van de MMPI - 2 op blz 69
  • Wat is de SCL- 90?
    Symptom Checklist : checklist op het gebied van klachten symptomen. Een patiënt beoordeelt op een vijfpuntsschaal zelf of hij de afgelopen week last heeft gehad van klachten en symptomen.
  • In Nederland zijn ook verschillende tests ontwikkeld om persoonlijkheid en klachten te meten. We bespreken hier twee kort:
    1) De Nederlandse Persoonlijkheidsvragenlijst ( NPV ) : is een vragenlijst die zich richt op persoonlijkheidstrekken die relevant zijn in verschillende praktijkgebieden,  waaronder de psychiatrie. De test bestaat uit zeven schalen, zoals inadequatie en dominantie.
    2) De Nederlandse verkorte MMPI is ontwikkeld uit de originele MMPI. Hierbij is de MMPI teruggebracht tot 83 vragen en meet hij persoonlijkheid op vijf schalen: negativisme, verlegenheid, psychopathologie en extraversie.
  • Bij nuropsychologische beoordeling kan gebruikt worden gemaakt van MRI- en CT scan, maar er worden ook andere testen gebruikt voor dit doeleinde, welke?
    - De Bender Visual Motor Gestalt Test
    - De Halstead - Reitan Neuropsychologische Batterij
    - De Luria-Nebraska Neuropsychologische Batterij
  • Gedragsbeoordeling kan door middel van...
    Functionele analyse: d.w.z. een onderzoek naar probleemgedrag en zijn antecedenten: de stimulus die het gedrag ontketende en zijn consequenties, de bekrachtigers die het gedrag in stand houden.
  • Zelfwaarneming werkt vooral bij gedragingen die gemakkelijk geteld kunnen worden, zoals wat en hoeveel je eet, hoeveel je rookt, nagelbijt etc. 
    Er zijn verschillende hulpmiddelen om het beoogde gedrag in de gaten te houden: een log- of dagboek bijhouden. Deze monitoringpocedures spelen ook een belangrijke rol bij cognitieve gedragstherapeutische interventies en behandelingen.
  • Aaron Beck ontwierp een "gedachtedagboek, " het "Dagelijkse verslag van niet - functionele gedachten." Telkens wanneer de patiënt negatieve emoties ervaart, zoals woede of verdriet, moet de betrokkene de volgende dingen opschrijven:
    1) in welke situatie kwam de emotie op?
    2) Welke automatische of verontrustende gedachten gingen er door je hoofd?
    3) Welk type of welke categorie van gestoord gedrag past het beste bij die automatische gedachten? ( Denk aan selectieve abstractie, overgeneralisatie, vergroting of absoluut denken hfdstk 2 )
    4) Wat zou een rationele respons zijn op de verontrustende gedachten?
    5) Wat is het emotionele resultaat of de uiteindelijke emotionele respons?
  • Wat is de Automatic Thoughts Questionnaire ATQ - 30?
    Vragenlijst waarmee patiënten kunnen bijhouden en scoren hoe vaak per week en hoe sterk dertig automatische gedachten bij hen opkomen. Het is dan zowel een hulpmiddel, als een uitkomstmaat voor de behandeling.
  • Hoe kunnen we "zweten" meten? en spierspanning?
    Zweten: elektrodermale respons of galvanische huidrespons (GSR). De GSR meet hoeveel elektriciteit er op twee punten op de huid passeert, gewoonlijk op de hand. Wetenschappers gaan ervan uit dat de mate van angst die men ervaart, correleert met de hoeveelheid elektriciteit die door de huid wordt getransporteert.
    Spierspanning: elektro- myogram ( EMG )
  • Noem een aantal technieken om de hersenen in beeld te brengen
    * Elektro-encefalograam ( EEG ): registreert elektrische activiteit in de hersenen
    * Gecomputeriseerde axiale tomografie ( computerized axial tomography, CT-scan of CAT-scan ): smalle grammastraal wordt op de schedelgericht. De straling die er aan de andere kant weer uitkomt wordt aan verschillende hoeken gemeten. Een CT-scan geeft inzicht in afwijkingen in de vorm en bouw van de hersenen, die kunnen wijzen op letsel, bloedproppen of tumoren.
    * Positronemissietomografie ( PET-scan ) : werking van verschillende delen van de hersenen onderzoeken. Een kleine hoeveelheid radioactieve stof wordt in de bloedbaan gebracht. Als de tracer de hersenen bereikt, meet men de positronen ( positief geladen deeltjes ) die door de tracer worden uitgezonden. De glucose die door delen van de hersenen wordt verbrand, levert een computerbeeld op van neurale activiteit. Gebieden waar meer activiteit plaatsvindt, verbranden meer glucose. Met behulp van de PET-scan is men erachter gekomen welke delen van de hersnenen actief zijn ( meer glucose verbranden ) wanneer we bijvoorbeeld luisteren naar muziek luisteren
    * Magnetisch resonantiescan (mri  - scan ) : de te onderzoeken persoon wordt in een tunnel geschoven waar een sterk magnetisch veld heerst. Dan worden er radiogolven van een bepaalde frequentie naar het hoofd gestuurd , dit prikkelt de hersenen om signalen uit te zenden, die vervolgens vanit verschillende hoeken wordt gemeten. Net al bij de CT-scan worden de signalen op de computer samengevoegd tot een beeld van de hersenen, waarop men hersenafwijkingen kan zien die samenhangen met psychische stoornissen als schizofrenie of als obsessief compulsieve stoornis.
    * Functionele magnetische resonantiescan ( fMRI ): kan die delen van de hersenen identificeren die actief worden wanneer mensen zich met een specifieke taak bezighouden, zoals kijken, herinneren of praten.
    * Brain electrical activity mapping ( BEAM ) : een verfijnde vorm van EEG. In kaart brengen van de elektrische activiteit in de hersenen. Met behulp van deze techniek kan de computer patronen van hersengolven analyseren en van moment tot moment aangeven welke gebieden actief en inactief zijn.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Psychopathologie

  • 1499464800 les 1

  • classificatie
    hokjes plaatsen
  • syndroom
    groep of samnhangent geheel van symptomen wat alleen wordt vastgesteld zonder er een verklaring voor te geven. geheel van verschijnselen die horen bij een ziekte.
  • stemming
    gemoedstoestand, langdurend, geen betrekking op specifieke ervaringen
  • emoties
    reactie op gebeurtenis, intens kortdurend
  • depressieve (stemmings)stoornis
    mildere vorm van depressie die meerdere jaren aanhoud
  • depressie symptomen
    down, somber en lusteloos gepaard met andere symptomen zoals somber, geen energie of plezier, waardeloos, angstig, gebrek aan interesse en levenslust, vaak ook sprake van lichamelijke klachten, hechten vaak aan de negatieve gevoelens en zien daardoor de positieve niet meer. depressie ontstaat door biologische, sociale en psychologische factoren
  • aangeleerde hulpeloosheid
    mensen worden depressief als zij denken geen controle te hebben over het effect van hun gedrag, voelen zich schuldig aan de hulpeloze toestand en worden passief
  • behandeling voor depressie
    antidepressiva, cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke psychotherapie of mindfulness
  • antidepressiva
    beinvloeden de gevoeligheid van de hersenscellen voor de neurotransmitters, helpen om er weer meer aan te maken - helpen bij verbeteren van de stemming - geschikt voor matige en ernstige depressie 2 soorten: x klassieke/ nieuwere
  • cognitieve gedragstherapie
    bij lichtere tot matig depressie - werken aan vast dagritme, gedragsactivering (hobby oppakken) -negatieve denkpatronen aangepakt
  • interpersoonlijke gedragstherapie
    bij lichtere tot matige depressie,  - gaat om de wisselwerking tussen de stoornis en problematische relaties met andere - houdt zich bezig met: rouw, rolveranderingen, conflicten, contact met anderen
  • mindfullness
    mensen leren  depressieve gedachtes en gevoelens te hanteren met bewuste aanvaarding en erkenning
  • bipolaire stemmingstoornis
    sterker biologische bepaald, vereisen andere behandeling en prognose, is minder gunstig , kans op een terugval. x achter een volgend van depressie en manie Type 1: diepe dalen (depressie) hoge pieken (manie), periodes duren maar een paar weken tot maanden met lange tussen liggende normale periodes Type 2: Minder hoge pieken (manie), diepe dalen ( depressie)
  • clyothymia
    pieken (manie) en dalen (depressie) minder hoog
  • manie symptomen
    ups, overdreven opgewekt, denken alles aan te kunnen -euforie -ongeremd -impulsief -energie/ hyperactiviteit x komen vaak voort via biologische factoren (erfelijkheid)
  • hypomanie
    mildere vormen van manische syndroom
  • behandeling van Manie
    stemmingsstabilisatoren; minder hoge pieken maken en minder diepe dalen maken x vaak blijft langdurige behandeling noodzakelijk omdat het een chronisch verloop heeft.
  • angst
    wanneer men zich in een situatie bedreigd voelt
  • situationele angst
    angst en reactie komen voor in bepaalde situaties
  • verwachtingsangst
    angst treed op voor de confrontatie met gevreesde situatie
  • sociale fobie
    gevoel dat mensen naar je kijken, mensen zijn kritische over je zijn, angst gericht op sociale situaties
  • selectief mutisme
    mensen die uitsluitend met hun naasten praten en verder hardnekkig zwijgen
  • seperatieangststoornis
    heftige angst wanneer mensen worden gescheiden van anderen waar ze aan gehecht zijn
  • specifieke fobie
    hevige, onredelijke angst  voor een bepaald object of situatie waardoor normaal functioneren beperkt wordt vb. Diertype (bang voor dieren), natuurtype, bloedtype, resttype
  • agorafobie
    angst gericht op situaties waaruit lastig te ontsnappen is, pleinvrees, ruimtevrees vaak kans op vermijdingsgedrag
  • behandeling fobieën
    -exposure in vivo:  blootstelling aan de werkelijkheid
    -bij sociale fobie: helpt het om sociale vaardigheden aan te leren -
    -taakconcentratietraining: leren om de aandacht minder op zichzelf te richten en meer op de taak
    -eventuele medicijnen maar helpt niet bij specifieke fobieën
  • paniekstoornis
    lichamelijk:  benauwdheid, hartkloppingen en zweten gedrag: vermijding van situaties psychisch: paniekerig, angst om ziek te worden, dood te gaan enz.
    -aanvallen komen onregelmatig voor en duren meestal een paar minuten
    - kan in combinatie gaan met agorafobie
    - sprake van vicieuze cirkel
  • behandeling panieksstoornis
    -oefenen om verschijnselen zoals kortademigheid weer rustig te krijgen
    - cognitieve gedragstherapie
    -exposure in vivo
    - medicijnen zoals antidepressiva
  • gegeneraliseerde- angststoornis
    lichamelijk:benauwdheid, hartkloppingen, zweten gedrag: vermijding niet gebonden aan specifieke situaties psychisch: snel angstig, piekeren over zaken
    - angst gericht op niet specifieke situaties of onderwerpen
    - zonder enige aanleiding zorgen maken over van alles ( angstige scenario’s)
    - last van – wat als gedachte- ( bang dat er van alles kan gebeuren)
  • behandeling gegeneraliseerde- angststoornis
    -relaxatieoefeningen ( lichamelijke klachten behandelen)
    - cognitieve gedragstherapie
    -eventuele medicijnen zoals antidepressiva
  • voedingsstoornissen
    1. Pica: herhaling van het innemen van oneetbare stoffen zoals aarde ,zand, papier, verf, haar enz.
    2. ruminatiestoornis: herhaald oprispen van maaginhoud die weer wordt ingeslikt of uitgespuwd

    3. Vermijdende voedselinnamestoornis: tekort aan voedselinname wat tot uiting komt in het gewichtsverlies, kan ontstaan door bijvoorbeeld: stikervaring, hevig braken of medische ingreep 
  • anorexia nervosa
    - afwijkend eetpatroon door ontevredenheid uiterlijk en gewicht
    -vermagering, droge huid, vertraagde hartslag, bloedarmoede, minder vrouwelijke geslachtshormonen.
    - niet willen eten, extreme gewichtsafname.
  • 2 soorten anorexia nervosa
    - restrictief type: men eet weinig om gewicht onder controle te houden, geen laxeermiddel of braken
    -purgerend type: zelf- uitgelokt braken en laxeermiddelen gebruiken om laag gewicht te houden, kans op eetbuien tussendoor.
  • Boulimia nervosa
     -optreden van herhaalde eetbuien, waarbij iemand in korte tijd veel eet zonder zich te beheersen.
    -om de gewichtstoename te herstellen: gebruik van compensatiemethoden
    - streng vasten; - fysiek overdreven in spannen; - braken of gebruik van laxeermiddelen na het eten.
    -geen sprake van gewichtsafname, blijft rond het normale gewicht.
  • eetbuienstoornis
     -sprake van herhaalde eetbuien, eten grote hoeveelheden zonder hongergevoel en blijven eten tot het voldoet.
    - passen geen compensatiemethode toe, wel gevoel van schaamte of schuld.
    - meestal kans op gewichtstoename.
  • behandeling anorexia en boulimia
    - anorexia bv. door gewichtsherstel
    -boulimia door bv. een gezond eetpatroon te creëren
    -therapie helpen bij veranderingen van het zelfbeeld
    - wanneer het zo ernstig is kan men opgenomen worden in een kliniek
    -  gezinstherapie, psychotherapie, cognitieve therapie wanneer nodig
  •  Illusie
     reëel object waargenomen maar worden kenmerken of de betekenis daarvan verkeerd geïnterpreteerd onder invloed van bepaalde verwachtingen. bv. men is bang in het donker omdat men denkt voetstappen van een achtervolger te herkennen ( wel in staat om te corrigeren wanneer de waarneming niet klopt met de werkelijkheid, je beseft dat je je vergist hebt.)
  •  Hallucinatie
      een verkeerde interpretatie van wat iemand ziet of hoort of voelt.
    - er wordt niets in de werkelijkheid waargenomen wat daar toe aanleiding geeft maar men heeft slechts het idee iets waar te nemen
    -betrekking op: gehoor, zicht, tast, reuk, smaak

    -kunnen het gedrag beïnvloeden bv. wanneer er stemmen zijn die dwingende opdrachten geven (bevelshallucinaties)
    -waarnemingen lijken levensecht 
  •  Wanen
     men ziet onjuistheid van gedachte niet in , zelfs niet wanneer de waanopvatting aantoonbaar is in de werkelijkheid en men is overtuigd van juistheid eigen gedachte.
    -foutieve overtuigingen die behoren tot inhoudelijke denkstoornis
    -niet te corrigeren
    - moeilijk te onderscheiden van andere onwaarschijnlijke opvattingen
    -waanachtig idee: wanneer persoon zelf toch enig twijfel blijk geeft
    -primaire waan: kan plotseling ontstaan, maar wel direct overtuigingskracht hebben. -Secundaire waan: waan komt voort uit belevening die te maken hebben met psychotische toestand samenhangend of gekoppeld aan ernstige stemmingsstoornis.
  •  betrekking op eigen persoon of eigen bestaan (wanen)
     -schuld, grootheid, geloof in eigen onsterfelijkheid, ontkenning eigen bestaan, idee ondergang wereld, men beschikt over een buitengewoon talent: grootheidswaan
  •  betrekking op het eigen lichaam (wanen)
     -overtuiging van ziekte, infectie, misvorming, aanwezigheid vreemd voorwerp in lichaam: somatische waan
  •  betrekking op het verband met de buitenwereld (wanen)
     -idee door andere achtervolgd, benadeeld, besproken of beïnvloed te worden: paranoïde waan -overtuiging dat anderen gedachten inbrengen of onttrekken -idee dat iemand verliefd is op je, vaak een beroemdheid: erotische-betrekkingswaan -overtuiging dat partner ontrouw is: jaloeziewaan
  •  wanen en hallucinaties
     -behoren tot psychosociale verschijnselen 
    -kan ontstaan door de manier waarop men met belastende omstandigheden omgaat
    -vaak in combinatie met andere psychotische stoornissen zoals: verslaving aan alcohol, drugs, posttraumatische-stressstoornis, depressie
  •  schizofreniespectrumstoornis
     - verzamelterm voor uiteenlopende psychosen die elk een aantal symptomen gemeen hebben.
    - komt tot uiting in de wijze waarop wij waarnemen, voelen, denken of bewegen.
    - afgewisseld met rustigere en drukke periodes.
    - geleidelijk lopende ontwikkelde stoornis.
  •  inhoudelijke denkstoornis
     ideeën of vormen van magisch denken.
    - wanen komen voor die zo bizar zijn dat ze onmogelijk waar kunnen zijn, te maken met paranoïde wanen, beïnvloedingswanen (dat men beschikt of beheerst worden door macht of krachten)
    -ook vaak sprake van hallucinaties ( men hoort stemmen)
  •  formele denkstoornissen
     -organisatie van denken is verstoord.
    - verwardheid, springen hak op de tak, gedachtegang is onduidelijk.
    -onlogische verbanden leggen.
    - gedachteblokkade ( plotseling kwijt waar men over nadacht)
    - moeilijk abstract en vertraagd denken
  •  Gevolg voor emotionele leven
     1. verminderde emotionele gevoelens
    2. misplaatste gevoelens 
     3. neerslachtige buien
  •  Gevolg voor gedrag
     1. sociaal isolement
    2. spraakarmoede
    3. passiviteit/apathie
    4. gebrekkige zelfverzorging
    5. katatone symptomen: bewuste controle over de bewegingen aangetast Vb. Aannemen van vreemde houdingen of bewegingloosheid
  •  Oorzaken kans op schizofrenie
     1. erfelijkheid
    2. afwijking in de hersenen
    3. dopaminetheorie: inname van amfetaminen verhogen activiteit dopamine
    4. gezinsfactoren: emotionele klimaat
    5. belastende factoren: ingrijpende, stressvolle gebeurtenis verhoogd de kans op
    6. risicofactoren: traumatische ervaring, drugs, alcohol, sociale uitsluiting, wonen in grote stad 
  •  behandeling
      - antipsychotica :onderdrukkend effect van wanen, hallucinaties en verwardheid.
    -heeft wel vervelende bijwerkingen zoals sufheid, duizeligheid enz.
    - in combinatie met psychosociale aanpak : vooral bij mensen die zich niet of nauwelijks zelf staande in de maatschappij kunnen houden
    - cognitieve gedragstherapie : helpt bij acceptatie van en optimale aanpassing aan de beperking van het psychosociaal functioneren
     - sociale vaardigheidstraining : gewerkt aan de beperking communicatie en sociaal isolement
     - dagbehandeling of opname in kliniek :bij heftige psychosen, neiging andere of zichzelf iets aan te doen 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Psychopathologie

  • 1441922400 les 1, deel 1

  • Algemene psychopathologie (2)
    - gericht op volwassenen
    - heeft specifieke onderwerpen: neurocognitieve stoornis, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen, stoornissen rond seksualiteit
  • ontwikkelingspsychopathologie (2)
    - gericht op kinderen en jeugdigen
    - specifieke onderwerpen; neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, ADHD, hechting
  • Bestaan er psychische stoornissen? Belevingsargument, historisch argument, geografisch argument, experimenteel argument
    belevingsargument: Patiënt ervaart iets als vreemd

    historisch argument: door alle eeuwen heen zijn er stoornissen bescheven (alleen in 'oude' termen)


    geografisch argument: in alle culturen bestaan er stoornissen bij mensen (anorexia neemt toe over heel de wereld, maar was eerst alleen in westerse landen)


    experimenteel argument: stoornissen zijn met bepaalde middelen en in bepaalde omstandigheden op te wekken en kunnen ook weer verdwijnen (medicijnen)
  • Zeven kenmerken van abnormaal gedrag
    1. persoonlijk lijden
    2. disfunctionaliteit van gedrag (minder goed concentreren)
    3. irrationeel (inleven) en onbegrijpelijk (voor omgeving en persoon zelf)
    4. onvoorspelbaarheid en controle verlies (opeens)
    5. opvallend/onconventioneel (opvallende kleding, gedragingen)
    6. gedrag brengt ongemakkelijk gevoel bij anderen teweeg
    7. komt niet uit de cultuur maar is een reactie op gebeurtenis (je moet wel weten of het gedrag niet 'normaal' is in een cultuur)
  • Drie voorwaarden om te kunnen spreken van een psychische stoornis (normaal vs. abnormaal)
    - abnormaal: verschijnsel in de zin dat het afwijkt van de sociale norm
    - veroorzaakt ongemak, lijden of bezorgdheid bij de berokkenen en/of omgeving (er zijn stoornissen waarbij de persoon zelf geen last heeft, maar de omgeving wel)
    - gedrag moet passen binnen een psychopathologisch begrippenkader
  • Werkterrein GGZ (3)
    - intramuraal (opname)
    - ambulant (vrijgevestigde hulpverleners)
    - semimuraal (beschermde woonvorm is voorbeeld)
  • 1442527200 Les 2, deel 1

  • Classifictie: was is er aan de hand? (3)
    indeling van gedrag op grond van (uiterlijke en innerlijke) kenmerken
    DSM5 is een classificatiesysteem
    Platvloers gezegd presenteren deze systemen rijtjes met kenmerken van de stoornis
  • Anamnese
    Het verzamelen van gegevens over de voorgeschiedenis van patienten op basis van hun eigen mededelingen hierover.
  • diagnostiek: schema van diagnostisch interview (5)
    identificatie
    probleemanalyse (huidige toestand)
    biografische anamnese (belangrijke aspecten in de levensloop)
    familieanamnese
    beoordeling van de psychische toestand
  • diagnostiek: waarom of hoe is het zo gekomen? (3)
    je stelt deze vragen om tot een aanzet van diagnose te komen.

    1. waarom deze stoornis en niet een ander?
    2. waarom klachten over deze stoornis en niet vorige maand?
    3. waarom deze persoon en niet bij de partner of het kind?
  • diagnostiek: onderkennende vragen (3)
    - is er sprake van een angststoornis?
    - wat is het niveau van functioneren?

    differentiaal diagnostiek: heeft deze vrouw naast kenmerken van een eetstoornis ook kenmerken van een depressie?
  • diagnostiek: verklarende vragen (2)
    - waarom zijn er zoveel conflicten in dit huwelijk?
    - welke factoren op het werk zijn van invloed op de depressie van de man?
  • diagnostiek: adviserende vragen (2)

    - wat willen we bereiken met deze agressieve bewoner?
    - uit welke behandeling kunnen we kiezen bij deze vrouw met een eetstoornis?
  • diagnostiek en classificatie is een dynamisch proces (4)
    - het proces is nooit af
    - een stoornis kan verdwijnen of er kan er een bijkomen
    - de ene stoornis kan de andere uitlokken
    - verschillende informanten geven verschillende informatie
  • 1442613600 Les 2, deel 2

  • Biopsychosociale model (een biologische, psychische en sociale achtergrond) (3)
    gebruik bij de diagnostische vragen de checklist van het ''model

    biologisch
    - erfelijke voorbereiding
    - ziekten en handicaps
    - prenatale programmering
    psychisch
    - zelfbeeld
    - attributies
    - ziektebeleving
    sociaal
    - gezins functioneren
    - cultuur
    - ziekterol
  • jouw rol als toekomstig professional (3)
    - een eenmaal vastgestelde classificatie en diagnose begrijpen en kunnen uitleggen
    - informatie aandragen voor de diagnosticus
    - een eenmaal gegeven classificatie en diagnose ter discussie kunnen stellen op grond van eigen deskundigheid en nieuwe informatie
  • Het zevenfactoren model: kans op stoornissen is uitkomst van verschil tussen draaglast en draagkracht
    draaglast
    - takenpakket en problemen
    draagkracht
    - beschikbare materiele middelen
    - beschikbare sociale steun
    - beschikbare autonomie
    - houding en vaardigheden
    - fysieke en psychische kwetsbaarheid
    - de wijdere omgeving, sociaaleconomisch, ruimtelijk, cultuur
  • Werkwijze (volgorde) medisch model (6)
    1. vaststelling
    2. verklaring
    3. prognose (hoe ontwikkelt het zich)
    4. therapie
    5. preventie
    6. evaluatie
  • syndroombegrip (4)
    - tekens van een stoornis worden als symptomen gezien
    - syndroom: groep of samenhangend geheel van symptomen in puur beschrijvende zin
    - bepaalde combinaties van symptomen passen bij een bepaalde stoonis zoals: depressiesyndroom, PTSS-syndroom
    - symptomen zijn puzzelstukjes. Met een bepaalde passende combinatie ontstaat er een beeld.
  • DSM5: modelplaatje qua tijdsvolgorde (4)
    1. de classificatie: er wordt vastgesteld wat iemand mankeert
    2. diagnostiek: hoe heeft iemand dit gekregen?
    3. hulpverlening
    4. evaluatie: heeft het effect
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is evidence based medicine?
Het streven om gebruik te maken van het best beschikbare medicijn en behandeling van de patient.

Kritiek: evidence based medicine is gebaseerd op groepen patienten en niet op individuen met hun unieke persoonlijke eigenschappen en situatie.

De basis van bewijs is verdeeld in zes stappen, waarbij de laatste stap het hardste bewijs levert:
1) gevalsbeschrijvingen
2) verzameling van gevalsbeschrijvingen
3) open, niet vergelijkend onderzoek
4) vergelijkend onderzoek
5) Randomised Clinical Trials ( RTC' s )patienten worden door het lot aan de ene of andere behandelcontrole toegewezen en verder behandeld
6)  meta- analyse van RTC's, waarbij de resultaten van diverse RTC's worden gebundeld en statistisch worden bewerkt
Welke mogelijkheden tot het behandelen van persoonlijkheidsstoornissen zijn er?
Psychodynamische therapie: bewustwording van de wortels van zelfdestructief gedragspatronen en om beter aangepaste manieren aan te leren om om te gaan met anderen. Vooral mensen met een borderline of narcistische persoonlijkheidsstoornis stellen de therapeut voor bepaalde problemen. 
Psychodynamisch georiënteerde therapieën hebben veelbelovende resultaten geboekt. Een voorbeeld is een korte, gestructureerde vorm van psychodynamische therapie, waarmee in het New York's Beth Health Center werd geexperimenteerd. Daar resulteerde een behandeling van gemiddeld veertig weken in een significante verbetering, zowel betreft klachten over symptomen als voor sociale aanpassing van mensen met persoonlijkheidsstoornissen. Bij de behandeling lag de nadruk op interpersoonlijk gedrag en werd gebruik gemaakt van actievere, meer confronterende stijl bij het aanpakken van de afweermechanismen van de patient dan bij traditionele psychoanalyse het geval is.

Gedragstherapie: gedrag veranderen, niet structuur van persoonlijkheid. behavioristen denken in verworven, maladaptieve gedragingen die door onvoorziene bekrachtigingen in stand worden gehouden. Zij gebruiken technieken als extinctie, modellering en bekrachtiging.

Dialectische gedragstherapie.     

Biologische benadering:
behandeling met geneesmiddelen vormt geen directe therapie voor persoonlijkheidsstoornissen. Antidepressiva of angstremmende geneesmiddelen worden soms gebruikt om geassocieerde depressie of angst te behandelen. vooral bij mensen borderline. Antidepressiva en de SSRI groep kunnen ook extreme woede en razernij dempen bij mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis en kunnen hen helpen grip te krijgen op hun woede en op het impulsieve en agressieve gedrag, met inbegrip van automutilatie.
Hoe zorgt een lage SES ervoor dat een persoonlijkheidsstoornis ontstaat?
- het type stressoren waarmee mensen met een lage sociaal economische status te maken hebben
- talrijke problemen: alcohol- drugsgebruik, tienerzwangerschappen, ongeorganiseerde en gebroken gezinnen
- dit gaat gepaard met mishandeling en verwaarlozing, wat bijdraagt aan een geringer gevoel voor eigenwaarde en toe gevoelens van woede en wrok
- verwaarlozing en mishandeling worden mogelijk vertaald in gebrek aan empathie en een onverschilligheid voor het welzijn van anderen ( wat met antisociaal gedrag gepaard gaat )
Biologische perspectieven. Er zijn aanwijzingen dat genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen. Vooral antisociale, borderline, schizotypische en narcistische persoonlijkheidsstoornis bij de eerste graad van familieleden die dit ook hebben, een grotere kans lopen dan de gehele populatie om dit ook te krijgen. Onderzoekers hebben ook ontdekt dat een variant op een bepaald gen verband houdt met antisociaal gedrag bij volwassen mannen, maar alleen als ze vroeger waren mishandeld. Het ontstaan van stoornissen is dus wederom een combinatie van nature and nurture. Hoe speelt arousal een rol bij mensen met een antisoaciale persoonlijkheidsstoornis en geef beknopt weer waarom dat zo is. Vertel ook welk deel van de hersenen hiermee te maken heeft en welke functies daarmee wel of niet ontwikkelt zijn.
Arousal: mensen met een antisociale persoonlijkheid hebben meestal een geringere arousal dan anderen, zowel in rust als in stressvolle situaties. Zij hebben dus een hogere prikkeldrempel, wat betekent dat zij zichzelf goed kunnen beheersen in situaties die bij anderen angst zouden oproepen. 

Hersenonderzoek met geavanceerde beeldvormende technieken geeft aan dat bij mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis er afwijkingen in de prefrontale cortex zijn. Dit is het gedeelte van de hersenen waar impulsief gedrag wordt afgeremd, waar de gevolgen van onze daden worden overwogen, problemen worden opgelost en plannen voor de toekomst worden gemaakt. Deze, waarschijnlijk genetisch bepaalde, hersenfuncties kunnen een rol spelen bij de antisoaciale persoonlijkheidsstoornis, waaronder gebrek aan geweten, het niet remmen van impulsief gedrag, een laag niveau van arousal, gebrekkige inspanningen voor het oplossen van problemen en het niet nadenken over gevolgen van het eigen gedrag.
Hoe hebben gezinsfactoren invloed op het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen?
- het kind groeit altijd op in een gezinscontext
- een aantal onderzoekers koppelt mishandeling, seksueel misbruik of verwaarlozingin de jeugd aan het onstaan van borderline en antisociale persoonlijkheidsstoornis
- ook in overeenstemming met de psychodynamische theorie is dat gezinsfactoren zoals overbescherming en autoritair gedrag van de ouders een rol spelen bij het ontstaan van afhankelijke persoonlijkheidskenmerken
- extreme angst voor verlating zou kunnen ontstaan als gevolg van verwaarlozing, afwijzing of overlijden van ouders ( vastklampen aan mensen en leidt tot afhankelijke persoonlijkheid )
- Obsessief- compulsieve stoornis kan een gevolg zijn van een gezin wat rigide en moralistisch is
- Kinderen die zijn afgewezen of verwaarloosd, ontwikkelen mogelijk hechtingsproblemen
- Gezinsfactoren kunnen een rol spelen in sommige gevallen van antisociale persoonlijkheidsstoornis; de meeste verwaarloosde kinderen vertonen later echter geen afwijkend of antisociaal gedrag. We moeten dus kijken naar andere oorzaken om te voorspellen welke kinderen antisociaal gedrag gaan vertonen en welke niet
Waar gaan de leer- en sociaalcognitieve theorieen over in het licht van het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen?
Over bekrachtigen. Straffen en belonen.

Lees daarover op blz 430 en 431
Theoretische perspectieven. Moderne psychodynamische perspectieven richten zich op de pre-oedipale periode van ca 18 maanden tot 3 jaar, waarin kinderen een identiteit beginnen te ontwikkelen onafhankelijk van hun ouders. \deze theorieen concentreren zich op de ontwikkeling van het zelfgevoel bij het verklaren van stoornissen zoals narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornissen. Bespreek kort de theorieen van Kohut, Kernberg en Mahler.
Hans Kohut: theorie: zelfpsychologie. Geprezen worden ouders. Ontwikkelen van gevoel van eigenwaarde, waarden en een samenhangend en realistisch zelfgevoel ontwikkelen. De vroege jeugd is een normaal stadium van narcisme. 
Gebrek aan empathie en steun leidt tot pathologisch narcisme.  
Kohuts therapeutische benadering geeft patienten met een narcistische persoonlijkheid de kans hun opgeblazen zelfgevoel te uiten en de therapeut te idealiseren. Dat geeft de therapeut de kans om diepgewortelde jeugdervaringen hebben geleid tot het narcisme en op vriendelijke wijze wijzen op imperfecties, in zowel de patient als de therapeut om de patient een meer realistisch van het zelf en anderen te vormen.

Otto Kernberg:
Borderline wordt ontwikkelt wanneer er een gevoel van stabiliteit en eenheid ontbreekt in de vroege jeugd. Vanuit dit perspectief kunnen borderline patienten geen geheel vormen van alle positieve en negatieve aspecten van zichzelf en anderen. Patienten verspringen tussen helemaal goed en helemaal slecht als beoordeling van belangrijke anderen in hun leven. Dit wordt afsplitsing genoemd.
Het beeld van deze uitersten moet in therapie worden geneutraliseerd. Ouders kunnen namelijk nooit aan alle behoeftes van hun kind voldoen.

Margareth Mahler:
zuigelingen ontwikkelen het eerste levensjaar een symbiotische relatie met hun moeder. Borderline persoonlijkheidstrekken doen denken aan het vroegere separatie-individuatieproces waarbij het kind van de moeder wordt gescheiden. De moeder kan dit proces verstoren door het te lang bij zich te houden of te vroeg te dwingen tot onhankelijkheid.
Welke problemen zijn er te noemen bij de indeling in persoonlijkheidsstoornissen?
- sommige onderzoekers vragen zich af of persoonlijkheidsstoornissen op As II op betrouwbare wijze kunnen worden onderscheiden van klinische syndromen van as I zoals angst- en stemmingsstoornissen
- er is een grote overlap van de diagnostische criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
Dit wijst erop dat persoonlijkheidsstoornissen in het DSM systeem mogelijk niet voldoende van elkaar verschillen.
- nog een probleem is dat ze te maken met persoonlijkheidskenmerken die, in mindere mate, het gedrag beschrijven van de meest normale mensen
- etiketten zijn gevaarlijk: ze zijn snel gegeven en kunnen een eigen leven gaan leiden
De DSM groepeert klinische syndromen ( zoals stemmingsstoornissen en angststoornissen ) op As 1 en persoonlijkheidsstoornissen op As II ( zie hoofdstuk 3 ). De persoonlijkheidsstoornissen worden apart van de klinische syndromen ingedeeld, omdat ze meestal uit langdurigere en rigidere gedragspatronen bestaan. Klinische syndromen en persoonlijkheidsstoornissen komen echter vaak samen voor, ofwel ze vertonen co-morbiditeit. Iemand kan bijvoorbeeld een As-1 stemmingsstoornis hebben, zoals een ernstige depressie en daarnaast een As II persoonlijkheidsstoornis, zoals een borderline persoonlijkheidsstoornis. De DSM verdeelt persoonlijkheidsstoornissen in drie clusters:
- Cluster A: Mensen die als vreemd of excentriek worden beschouwd. Deze groep bestaat uit paranoide, schizoide en schizotypische persoonlijkheidsstoornissen
- Cluster B: Mensen met een overmatig dramatisch, emotioneel of labiel gedrag. Deze groep bestaat uit antisociale, borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen
- Cluster C: Mensen die vaak nerveus of angstig lijken. Deze groep bestaat uit ontwijkende, afhankelijke en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornissen.
Hoe kunnen slaapstoornissen worden behandeld?
Slaapmiddelen: hypnotica, vanwege problemen met het middel wordt het steeds minder toegepast en des te meer cognitieve gedragstherapie.
Biologische benadering:

angstremmende geneesmiddelen: benzodiazepinen. Zolpidem, een ander middel wat ook vaak wordt toegepast lijkt minder bijwerkingen te hebben en minder onthoudingsverschijnselen.

Lees over de effecten van deze middelen verder op pagina 403 en 404

Psychologische benadering:

Beperkt zich grotendeels tot de behandeling van primaire insomnia. Cognitieve gedragstherapeutische technieken duren veelal kort en lichten zich direct op verlaging van fysiologische arousal. Er meestal een combi gemaakt van technieken: stimuluscontrole, instellen van regelmatige slaap/ waakcyclus, ontspanningsoefeningen, rationele herstructurering. ( lees op blz 405 wat dit allemaal inhoudt )