Summary Class notes - Psychopathologie en behandelmethoden

Course
- Psychopathologie en behandelmethoden
- nvt
- 2015 - 2016
- NTI
- Toegepaste Psychologie
625 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Psychopathologie en behandelmethoden

  • 1454799600 H1 Het anamnestisch interview

  • 1. Wat betekent Anamnese volgens de Van Dale?
    Het terugroepen in de herinnering.
  • 2. Bij een anamnese gaat het om een of meerdere gesprekken met een duidelijk omschreven doel. Welk doel?
    Informatie verzamelen die bijdraagt aan de totstandkoming van een diagnose en een behandelingsplan.
  • 3. Wat zijn mogelijke onderdelen van de anamnese?
    • Een of enkele gesprekken
    • Psychologisch onderzoek
      (Semi)gestructureerde interviews en tests.
    • Lichamelijk onderzoek
  • 4. Op basis waarvan doet de intaker een voorstel voor behandeling?
    • Diagnostische gegevens
    • Wensen van de patient
    • Mogelijkheden van de patient
  • 5. Wat zijn de taken van de intaker?
    Relevante info verzamelen van de patient tbv de beschrijvende en verklarende diagnose, en andere info die nodig is voor het maken van een behandelingsplan.
  • 6. Wat is een ander belangrijk doel van het anamnetisch interview?
    Het opbouwen van een werkrelatie met de patient.
  • 7. Noem een voordeel en een nadeel van (semi)gestructureerde interviews.
    Voordelen:
    • Meer betrouwbaar dan een klinisch interview.
    • Kans op het missen van diagnosen is kleiner.
    Nadelen:
    • Het kost meer tijd (korste weg naar diagnose is niet toegestaan).
    • Patient kan zich onbegrepen voelen door lange lijst van voorgeformuleerde vragen.
    • Interviews beperken zich tot beschrijvende diagnose.
  • 8. Waarom kan het nuttig zijn om ervaring op te doen met het afnemen van (semi)gestructureerde interviews?
    Dit leert de hulpverlener welke info nodig is om een beschrijvende diagnose te kunnen stellen en met welk soort vragen deze info verkregen kan worden.
  • 9. Anamnestisch interviewen is een complexe vaardigheid.
    In welke 3 vaardigheden wordt deze onderverdeeld?
    1. Feitelijke anamnesevaardigheden (Wat er wordt gevraagd) OVERT
    2. Gespreksvaardigheden (Hoe dit wordt gevraagd) OVERT
    3. Cognitieve vaardigheden (Denkproces van de intaker: info ordenen, hypo's formuleren & toetsen, etc) COVERT
  • 10. Bestudeer tabel 1.1 Inhoudelijke agendapunten anamnese
    Zie afbeelding. (p24).
  • 11. In welke 4 fasen wordt het anamnestisch interview ingedeeld?
    1. Probleemverheldering en de speciële anamnese
    2. Psychiatrische anamnese in engere zin
    3. Biografische anamnese
    4. Sociale anamnese (huidige functioneren)
  • 12. Er worden 8 onderdelen van de fase 'Probleemverheldering en de speciële anamnese' beschreven. Noem er 6. (AEIOU PVB)
    • Probleemverheldering
    • Exploratie van (mogelijke) andere klachten of problemen
    • Aanleiding om hulp te zoeken en hulpvraag
    • Uitdiepen van de hoofdklacht(en)
    • Ontstaansfactoren
    • Verloop
    • Invloed op dagelijks leven
    • Behandeling en zelfhulp
  • 13. Wat houdt het onderdeel 'probleemverheldering' van Fase 1 in?
    Introductie en aanmeldingsprobleem exploreren (wat is het probleem, wanneer, waar, bij wie, beleving).
    Referentiekader van patiënt staat centraal.
  • 14. Waarom is het belangrijk om uit te zoeken waarom de patiënt juist nu hulp zoekt?
    Dit geeft zicht op de lijdensdruk en motivatie.
  • 15. Vanuit welk referentiekader worden de hoofdklachten uitgediept en waarom wordt deze info verzameld?
    Vanuit het referentiekader van de intaker.
    In het kader van het probleemoplossingsproces: het opstellen en toetsen van hypothesen. De diagnostische criteria worden uitgevraagd.
  • 16. Tijdens de anamnese worden de ontstaansfactoren besproken.
    Welke info kan dit opleveren?
    • Info over omstandigheden en gebeurtenissen die een rol speelden bij het ontstaan van de klachten.
    • Ideeën van de patiënt zelf hierover.
    • Het ziekte-inzicht, beoordelingsvermogen en persoonlijkheid van de patiënt.
    • Behandelingsmogelijkheden.
  • 17. Wat wordt er uitgevraagd mbt het verloop van de klachten?
    • De duur
    • Ontwikkeling vanaf ontstaan tot nu
    • Verergering of vermindering in bepaalde perioden?
    • Welke factoren hingen daarmee samen?
  • 18. Waar gaat het om bij het onderdeel: 'invloed op het dagelijks leven'?
    En wat kan hierdoor duidelijk worden?
    Het gaat hier om de gevolgen op het gedrag van de patiënt en de reactie van de omgeving op de klacht.
    De functie van de klacht kan hierdoor duidelijk worden.
  • 19. Tijdens de anamnese komt ook 'behandeling' aan bod, en wel in de breedste zin des woords. Wat wordt hiermee bedoeld?
    • Medische, paramedische, psychiatrische en psychologische behandeling.
    • Medicatie, maar ook alcohol en drugsgebruik als zelfmedicatie.
    • Wat heeft de patiënt zelf al geprobeerd?
    • Effecten van alle 'behandelingen'.
  • 20. Tijdens fase 2 'Psychiatrische anamnese in engere zin' kan de intaker op 4 manieren informatie verzamelen over psychiatrische symptomatologie. Welke 4 zijn dit?
    1. Observatie (gedrag, reacties ed registereren en interpreteren)
    2. Conversatie (algemene, niet-gerichte communicatie, bv over 't weer)
    3. Exploratie (innerlijke, niet te observeren, ervaringen onderzoeken, zoals stemming, gedachtes en oordeelsvermogen)
    4. Onderzoek (bepaalde functies testen, bv geheugen)
  • 21. Welke 6 punten zijn belangrijk tijdens fase 2 'Psychiatrische anamnese in engere zin'?
    1. Verschijning (bv lichaamsbouw, hygiëne en oogcontact) en psychomotoriek (bv tremoren/tics).
    2. Oriëntatie (in tijd, plaats en persoon)
    3. Aandacht (concentratie en bewustzijn) en geheugen
    4. Waarneming (-sstoornissen, zijn dit echte hallucinaties, 'n stem horen, of pseudohallucinaties/illusionaire vervalsingen, alsof je een stem hoort).
    5. Spraak (tempo, articullatie, snelheid, vloeiendheid) en denken (traag, wijdlopig, versneld of wanen, suicidale/schuldbeladen gedachtes, angsten, obsessies, dwanghandelingen)
    6. Stemming (depri, euforisch, geïrriteerd, angstig) en affect (emotionele reactie van patiënt op interne en externe gebeurtenissen tijdens interview)
  • 22. Wat zijn indicaties voor (verandering in) affect?
    Autonome reacties zoals blozen, zweten, trillen, toon van de stem, houding en beweging.
  • 23. De biografische anamnese (fase 3) brengt de levensgeschiedenis in verschillende perioden in kaart. Welke perioden?
    • Vroege jeugd (0-4)
    • Kindertijd (4-12)
    • Adolescentie (12-18)
    • Volwassenheid (18-nu)
  • 24. Tijdens fase 3 'de biografische anamnese', vormt de intaker zich een beeld van de ontwikkeling van de patiënt, op welke gebieden?
    • Lichamelijke ontwikkeling
    • Psychische ontwikkeling
    • Seksuele ontwikkeling
    • Sociale ontwikkeling
    • Intellectuele ontwikkeling (opleiding/arbeid)
  • 25. Wat voor soort vragen/onderwerpen kunnen er tijdens fase 3 'de biografische anamnese' aan bod komen? Geef 5 voorbeelden.
    • Beschrijving van het gezin
    • Hoe ging het op school?
    • Hoe waren contacten met leeftijdsgenoten?
    • Life-events (trauma's, verhuizingen, opnamen, scheiding)
    • Psychiatrische stoornissen in de familie
    • Kenmerkende persoonlijkheidstrekken (bv perfectionisme, verlegenheid) (Bv vragen: Hoe vind je het om een fout te maken? Los je problemen alleen op of vraag je hulp?)
    • Zelfbeeld (Wat voor persoon ben je, goede/slechte eigenschappen?)
    Met name langdurige patronen van disfunctioneren (zoals die vaak bij patiënten met persoonlijkheidsstoornissen voorkomen) worden onderzocht.
  • 26. Wanneer zijn eigenschappen geen persoonlijkheidskenmerken?
    Als eigenschappen samenhangen met de klachten en voordien niet aanwezig waren.
  • 27. Welke onderwerpen komen in fase 4 'Huidig functioneren' aan bod?
    • Sociale netwerk
    • Functioneren van patiënt in werk/opleiding
    • Financiële situatie
    • Huisvesting
    • Hobby's
    • Tevredenheid van patiënt op deze gebieden.
  • 28. Wat komt er aan bod tijdens de afsluiting van het anamnestisch interview?
    • Opgedane inzichten (diagnose, mogelijke oorzaken, hulpvraag)
    • Prognose
    • Behandelmogelijkheden
  • 29. Welke 2 categorieën gespreksvaardigheden worden er genoemd?
    • Luistervaardigheden
    • Regulerende vaardigheden
  • 30. Welke 6 luistervaardigheden worden er onderscheiden?
    1. Aandachtgevend gedrag
    2. Vragen stellen
    3. Concretiseren
    4. Parafraseren van de inhoud
    5. Reflecteren van gevoel
    6. Samenvatten
  • 31. Wat wordt er verstaan onder aandachtgevend gedrag en wat is het doel ervan?
    Verbale en non-verbale gedragingen zoals knikken en hummen.
    Doel = een situatie creëren waarin de patiënt gestimuleerd wordt vrijuit en in alle rust over zijn problemen te praten.
  • 32. Welk onderscheid is belangrijk bij vragen stellen en wanneer is welke vorm geïndiceerd?
    • Open vragen: tijdens probleemverheldering en exploratieve perioden in de speciële, biografische en sociale anamnese.
    • Gesloten vragen: Als de intaker iets specifieks (eenvoudige/feitelijke info) wilt weten. Komt vooral tijdens de speciële anamnese en psychiatrische anamnese in engere zin voor.
  • 33. Wat is het doel van concretiseren?
    De patiënt nauwkeuriger over zijn problemen laten vertellen.
    Het doel is om algemene, onpersoonlijke en impliciete uitspraken en verhalen van de patiënt te verduidelijken om een scherper/gedefinieerder inzicht in de problematiek te krijgen.
    Voorkeur = open vragen.
  • 34. Wat is parafraseren en wat zijn de doelen?
    Kort, in eigen woorden, weergeven de belangrijkste info die patiënt net gegeven heeft.
    Doelen: begrip tonen, controleren en info van patiënt nauwkeuriger weergeven.
  • 35. Wat is reflecteren van gevoel en wat is het doel?
    In eigen woorden het belangrijkste gevoel weergeven dat in de woorden van de patiënt doorklinkt.
    Doelen: Begrip tonen, stimuleren om gevoelens te uiten, bewustwording stimuleren en controleren.
  • 36. Wat is samenvatten en wat kan het doel zijn?
    Beknopt de belangrijkste zaken weergeven die de patiënt volgens de intaker verteld heeft. Een samenvatting is een weergave van de uitingen van patiënt over een langere periode.
    Doelen: controleren, patiënt tot verdere exploratie stimuleren, structuur aanbrengen.
  • 37. Welke 4 regulerende vaardigheden zijn relevant voor het anamnestisch interview?
    • Informatie geven
    • Feedback vragen
    • Hardop denken
    • Structureren
  • 38. Wanneer is informatie die je geeft beter te onthouden?
    Als deze
    • concreet is
    • in begrijpelijke taal geformuleerd
    • aangepast is aan begripsvermogen van ontvanger
    • aansluit bij de belevingswereld van ontvanger
    • in kleine hoeveelheden wordt aangeboden.
  • 39. Op welke momenten is het geven van informatie geïndiceerd?
    • Aan het begin van het gesprek
    • Aan het begin van een nieuwe fase van de anamnese
    • Als de patiënt vragen heeft over de klachten en de behandeling
    • Aan het eind van het gesprek.
  • 40. Intakers dienen een grote hoeveelheid verbale en non-verbale informatie van de patiënt te verwerken. Wat doen ze vervolgens op basis van deze informatie?
    Op basis van deze informatie selecteren zij diagnostische hypothesen en ontwikkelen vragen om de hypothesen te testen en bij te stellen of
    te verfijnen. Ze beslissen daarna welke diagnose het meest waarschijnlijk is.
    Dit worden cognitieve/probleemoplossende vaardigheden genoemd.
  • 41. Beschrijf het proces van hypotheseselectie en hypothesetoetsing volgens Othmer & Othmer.
    De intaker maakt drie lijsten. Bij de start van het eerste contact maakt hij een
    lijst met alle mogelijke diagnosen, gebaseerd op observaties en symptomen die verenigbaar zijn met belangrijke mentale stoornissen (lijst 1). Tijdens hetzelfde screeningsproces observeert hij en probeert hij aanwijzingen te verkrijgen die andere mentale stoornissen uitsluiten, om vervolgens een lijst met uitgesloten stoornissen op te stellen (lijst 2). De derde lijst (lijst 3) betreft de nog niet onderzochte stoornissen.
  • 42. Met behulp van sensitieve, maar weinig specifieke vragen, verzamelt de intaker diagnostische aanwijzingen. Hiermee onderzoekt hij belangrijke diagnostische gebieden. Welke zijn dit?
    • Angstklachten
    • Stemmingsstoornissen
    • Somatoforme stoornissen
    • Gedragsproblemen
    • Verslavingsproblemen
    • Psychotische stoornissen
    • Cognitieve stoornissen
    De intaker screent ook psychosociale en omgevingsproblemen en langdurige patronen van slechte aanpassing (ivm persoonlijkheidsstoornissen).
  • 43. Wat voor soort vragen stelt de intaker na de eerste screening en met welk doel?
    Vragen van hoge diagnostische specificiteit om essentiële symptomen van een stoornis te identificeren, diagnostische criteria.
    Tot slot zoekt de intaker info die de diagnose ondersteunt (oa verloop en hulpverleningsgeschiedenis).
  • 44. Wat is doorgaans het resultaat van het anamnestisch interview?
    Een multi-axiale evaluatie van de problemen van de patiënt volgens de DSM-IV.
  • 45. Waaruit bestaan de conclusies van het anamnestisch interview?
    • diagnostische formulering
    • behandelingsplan
    • prognose
  • 46. Welke cognitieve vaardigheden komen tijdens de anamnese aan bod volgens tabel 1.1?
    • Hypothesen formuleren voor as-I en as-II diagnosen.
      Lijst 1: mogelijke diagnosen
      Lijst 2: uitgesloten diagnosen
      Lijst 3: niet onderzochte diagnosen
    • Vragen selecteren om hypothesen te toetsen
    • Formuleren van (differentiaal) diagnose op as-I, II en III
    • Verklarende diagnose formuleren
    • As-II diagnose toetsen
    • Diagnose op as-IV en V formuleren.
  • 47. Waarin verschilt een anamnestisch interview bij kinderen van dat bij volwassenen?
    • Het is aangepast aan het ontwikkelingsniveau van het kind.
    • Vaak wordt er een hetereoanamnese afgenomen.
    • Observaties kunnen bruikbare info opleveren bij jonge kinderen of kinderen waarbij een interview afnemen moeilijk is.
  • 48. Welke 2 semigestructureerde interviews worden er genoemd die geschikt zijn om psychopathologie bij kinderen te meten?
    • ADIS-IV (Anxiety Disorders Interview Schedule for DMS-IV)
    • SCID-C (Structured Clinical Interview for DSM-IV-Child Edition)
  • 49. Voor welke stoornissen is het oordeel van ouders meer valide en voor welke stoornissen het oordeel van het kind zelf?
    • Ouders: externaliserende stoornissen zoals ADHD
    • Kind: internaliserende stoornissen zoals angst
  • 50. Noem 4 voorbeelden van problemen die tijdens een spelobservatie onderzocht kunnen worden.
    • Aandacht
    • Gebruik van de ruimte, is het kind exploratief?
    • Is het spel repetitief/fantasiearm?
    • Angst om fouten te maken/initiatief te nemen?
    • Precies/rigide?
    • Motoriek: hyperactief/passief?
    • Contact met anderen
    • Hoe reageert kind op competitie en winnen/verliezen?
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke basisprincipes worden er door de beroepscode gehanteerd die als uitgangspunt dienen bij het psychologisch handelen? 
·       Verantwoordelijkheid

·Integriteit
·Respect
·Deskundigheid
Een verstandelijke beperking kenmerkt zich door een beperking in één of allebei de ontwikkelingsdomeinen. Welke zijn deze ontwikkelingsdomeinen?
  1. Het verstandelijke functioneren: Beperking in intelligentie èn adaptief functioneren

  • IQ lager dan 70
  • 55-70 is lichte zwakzinnigheid
  • 35-55 matig zwakzinnig
  • 20-35 ernstig zwakzinnig
  • 20 of minder diep zwakzinnig





2.  Het sociale functioneren (met name sociale redzaamheid) 
Waarom is het belangrijk om rekening te houden met comoborditeit?
  • Eerder regel dan uitzondering
  • Geeft inzicht in biologische oorzaken/achtergronden/ontwikkelingen
  • De ene stoornis kan invloed hebben op het verloop en de behandeling van de andere stoornis
  • Twee stoornissen kunnen ook per toeval gelijktijdig optreden
Wat kan de oorzaak zijn van seksuele disfuncties? 
  • Psychologische factoren
  • Biologische factoren fysiek/lichamelijk
  • Sociaal- relationele factoren 
  • Uitzoeken boek pag. 708 (basisprincipes: verantwoordelijkheid, integriteit, respect, deskundiheid)
Hoe wordt seksuele disfunctie omschreven? 
  • Specifiek (context/situatiegebonden) en globaal (in alle situaties) 
  • Sprake van een disfunctie bij: verstoorde subjectieve ervaring, verstoring van de psychofysiologische responsiviteiten/of lijden/conflict binnen de relatie met hun partner. 
  • Als de stoornissen niet met deze criteria te maken hebben dan zijn het seksuele disfuncties niet anderszins omschreven (NAO). Bijv. seksuele anhedonie (wel normale orgasme, maar geen gevoel erbij), of constante opwinding
Welke verdeling wordt er historisch gezien gemaakt bij seksuele stoornissen?
Er zijn parafilieën
Seksuele disfuncties 
Genderidentiteit stoornissen.
Wanneer wordt cognitieve gedragstherapie vooral toegepast bij schizofrenie? 
  • Als de medicatie niet helpt, past men ook CGT toe. 
  • Het neemt de wanen niet weg, maar leert de cliënt er anders mee om te gaan, zodat de KVL beter wordt. 
  • Het leert dat de stemmen vervelend, maar ongevaarlijk zijn. En dat je er niet naar hoeft te luisteren. 
  • Men is nu psychoseprotocollen aan het ontwikkelen, bijv. om het vermijdingsgedrag bij mensen met achtervolgingswaan te veranderen.
Waarom is het onderkennen van somatoforme stoornissen door artsen en psychologen vaak een moeizaam proces? 
  • Doordat deze stoornissen vaak worden ondergediagnosticeerd doordat hulpverleners vaak eerder denken aan de hun vertrouwde beelden van angst, depressie en stress in plaats van aan een somatoforme stoornis. 
  • Weinig kennis over de prevalentie en het verloop van de meeste somatoforme stoornissen (vage diagnostische criteria)
  • Moeilijk te diagnosticeren vanwege de vermenging van psychische en somatische symptomen
Wat is de belangrijkste behandelmethode voor agorafobie? 
(prolonged) Exposure in vivo
De patiënt blijft lange tijd (minimaal 2 uur) in de onaangename agorafobische situatie, totdat de angst daalt. Deze mag dus niet terugkeren als de spanning toeneemt, maar moet in de situatie blijven tot dat hij of zij zich beter voelt. De angst moet zijn verminderd voordat men naar de volgende situatie gaat.
Veelvoorkomende oefensituaties: boodschappen doen in een supermarkt of reizen met bus of train. 
Antipsychotica (neuroleptica): Bij welke indicatie?
  • Erge cognitieve stoornissen (zien, denken). 
  • Veel onrust (o.a. bij dementie). 
  • Andere stoornissen (o.a. Gilles de la Tourette).