Summary Class notes - receptorfarmacologie

Course
- receptorfarmacologie
- -
- 2014 - 2015
- rug
- Medisch farmaceutische wetenschappen
517 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - receptorfarmacologie

  • 1409522400 college 1 agonist/ antagonist

  • Wat is de definitie van farmacologie?
    Interacties van chemische substanties (zoals medicijnen) met levende organismen. 
  • Op welke 4 targeteiwitten werken medicijnen?
    - receptoren
    - ionkanalen
    - enzymen
    - carriers
  • Zowel medicijnen als receptoren zijn specifiek naar elkaar. (reciprocale specificiteit)
    Toch zijn medicijnen meestal niet helemaal specifiek voor slechts 1 receptor. Hierdoor kunnen er ook de ongewenste bijwerkingen optreden. 
  • Wat is het verschil tussen een agonist en een antagonist?
    Een agonist zorgt na binding voor een biologische respons en een antagonist zorgt na binding daar niet voor. 
  • Wat is de Hill-Langmuir vergelijking en wat stelt het voor?
    Pa = Na/ Ntot = Xa/ (Ka + Xa)
    Hierbij stelt Xa de totale concentratie medicijn voor. Ka is de concentratie agonist waarbij 50 procent van de receptoren gebonden zijn. Hoe lager de Ka hoe hoger de affiniteit. 
    Ntot is het totaal aantal receptoren en Na is het aantal receptoren dat gebonden is aan de agonist. Pa is de fractionele bezetting. Dus het percentage van de receptoren dat bezet is.  
  • B/ Xa=( Bmax-B)/Ka
    Hierbij is B gelijk aan N. Dus het totaal aantal receptoren.
  • Wat is een scatchard plot en hoe kun je deze analyseren?
    Een scatchard plot herken je aan de grafiek met dalende rechte lijn. Hierin is de gebonden/ ongebonden ligand uitgezet tegen de concentratie gebonden ligand. Je kunt uit deze grafiek de B max bepalen. Dit doe je door daar te kijken waar de lijn de x-as snijdt. Dat is de Bmax. De K kun je bepalen door de helling van de grafiek te bepalen. De K is dan wel positief!
  • Wat is een concentratie-effect curve?
    Dit wordt ook wel een dosis- response curve genoemd. Hierin is het effect tegen de concentratie uitgezet. In deze grafieken kunnen we het maximaal effect bepalen. (Emax). Ook kan de concentratie of dosis die nodig is om 50Procent effect te krijgen bepaald worden (EC50 of ED50). Met deze parameters kun je verschillende potenties van geneesmiddelen met elkaar vergelijken. 
  • Wat is potentie?
    Dit is de sterkte van een geneesmiddel. Hoe minder er nodig is van een geneesmiddel om maximaal effect te krijgen, hoe potenter dat geneesmiddel is. 
  • Waarmee wordt de efficacy aangeduidt?
    Dit wordt aangeduid met een epsilon teken. Bij een epsilon is 0,5 kan er maximaal 50 procent effect bereikt worden en bij een epsilon is 1, 100 procent. Bij een epsilon van 0 heb je te maken  met een antagonist. 
  • Wat is een partiele agonist en wat een volle agonist?
    Een partiele agonist heeft een epsilon van bijvoorbeeld 0,5 en kan dus nooit het effect van 100procent bereiken. Dit is een eigenschap van het geneesmiddel en niet van de receptor. Het geneesmiddel is dan namelijk niet  altijd in staat om de receptor een signaal af te laten geven. 
  • Bij een epsilon van 1 heb je te maken met en volle agonist.
  • Wat is de Pd2?
    Deze bereken je door het negatieve logaritme te nemen van Ka. Dit is ook een parameter. 
  • Wat is receptor reserve en welke consequenties heeft het?
    receptor reserve betekent dat je meer receptoren hebt dan nodig om het maximale effect te bereiken. 
    Dit betekent dat de Ka groter is dan de EC50, want een partiele agonist kan dan ook ineens een volle agonist worden. 
  • Hoe kunnen we de antagonisten indelen?
    Allereerst kunnen we ze indelen in de receptorantagonisten en de niet-recptor antagonisten. Vervolgens kunnen we de receptorantagonisten weer indelen in de active side binding en in de allosterische binding (andere plaats dan waar de agonist bindt). Beide zijn weer in te delen in reversibele en irreversibele antagonisten. 
  • Wat is competitief antagonisme?
    Dit is een veelgebruikte manier in geneesmiddelen. De antagonist bindt hierbij op dezelfde plaats als de agonist maar zonder effect. 
  • Wat is reversibel competitief antagonisme?
    Hierbij kan de binding van de agonist/ antagonist met de receptor weer worden verbroken waardoor er, als je maar genoeg agonist toevoegt alsnog het maximaal effect bereikt kan worden. De dosis/ effect curve verschuift dan naar rechts want er moet meer agonist toegevoegd worden vanwege de antagonisten. Hierbij geldt dat als er 10 keer zoveel antagonist is, dat er dan ook 10 keer zoveel agonist moet worden toegevoegd om hetzelfde effect te krijgen. 
  • Wat is irreversibel competitief antagonisme?
    Hierbij kan de binding van de agonist/ antagonist niet meer worden verbroken met de receptor nadat het eenmaal is gebonden. Het maximaal effect kan dus niet meer worden bereikt. Het maakt daarbij niet uit hoeveel agonist je extra toevoegt. 
  • Wat is de dosis ratio? (r)
    Dit is de ratio waarbij de agonist concentratie verhoogd moet worden in de aanwezigheid van antagonist om hetzelfde effect te krijgen. Als deze ratio 2 is dan is de verschuiving in een log concentratie grafiek precies 2 eenheden. Je kunt de dosis ratio berekenen met  1+ [B]/ Kb. Hierbij is [B] de concentratie antagonist en kb de Ka van de antagonist. 
  • Wat is de Kb?
    Dit is de concentratie antagonist waarbij 50 procent gebonden is. De antagonist heeft niet het voordeel van de receptor reserve. 
  • Wat is een schildplot, hoe maak je het en wat kun je ermee?
    Je maakt een schildplot door de -log [B] op de X-as en de log (DR-1) op de y-as tegen elkaar uit te zetten. DR is de dosisratio. Hierbij geldt het verband Log (DR-1) = log(Xb)- log(Kb). Xb is hierin de concentratie antagonist. Je krijgt hiermee een lineare lijn. Daar waar deze lineare lijn de x-as snijdt heb je de Kb te pakken. Met de Kb kun je weer de Pa2 berekenen; -log(Kb) 
  • Voor de reversibele competitieve antagonist maakt het niet of er wel of geen receptor reserve is. 
    Een partiele agonist is eigenlijk ook een partiele antagonist.
  • Wat is irreversibele competitieve antagonisme?
    Hierbij kan het geneesmiddel na binding niet meer dissocieren van de receptor. Het is dan dus niet mogelijk om het maximaal effect te bereiken. Er ontstaat geen verschuiving naar rechts en ook geen behoud van Emax  Dit is veel gevaarlijker want het is niet te bestrijden met agonisme. 
  • Als je de dosis ratio en de concentratie antagonist tegen elkaar uitzet dan is de helling hiervan een maat voor de affiniteit van de antagonist voor de receptor. De Pa2 is een mate voor de affiniteit van de antagonist. 
    Met een schild plot kom je altijd tot hetzelfde getal als met een skatched plot. 
  • Wat gebeurt er bij irreversibel competitief antagonisme als er ook nog sprake is van receptor reserve?
    Dan ontstaat er eerst een verschuiving naar rechts, totdat alle receptoren op zijn en dan krijg je het effect dat de Emax niet meer bereikt wordt. 
  • Wat is non-competitief antagonisme?
    Hierbij kan het maximaal effect niet meer worden bereikt maar de EC50 blijft wel gelijk itt competitief antagonisme. 
  • non-competitief antagonisme komt ook veel voor bij kanalen. Hier gaat de antagonist bijvoorbeeld in het kanaal zitten. Hierdoor kan de agonist misschien nog wel binden maar de werking van het kanaal is verstoord, waardoor het toch geen zin meer heeft. 
  • Wat is een inverse agonist?
    Deze agonist bindt aan dezelfde receptor als de agonist maar induceert een tegengesteld signaal dan de neutrale agonist. Je hebt dus de volle agonist die levert het volledige maximale effect, de partiele agonist die de helft levert (ongeveer) van het maximale effect. Dan komt de neutrale antagonist, die geen effect lever en dan de inverse agonist die een tegenovergesteld effect levert dan de volle en de partiele agonisten. 
  • Wat is het two-state receptor model?
    Dit model gaat ervan uit dat een receptor in 2 verschillende staten kan zijn. Een inverse agonist bindt bijvoorbeeld aan de receptor in rust en een gewone agonist aan de geactiveerde receptor. De antagonist kan aan beide binden. De receptor zelf kan daarnaast ook nog overgaan van de ene in de andere staat. 
  • Wat is het multiple receptor state model?
    Dit model gaat ervan uit dat een receptor zich in meerdere toestanden kan begeven. Dit hangt dan samen met de verschillende cellulaire pathways dat het kan activeren. 
  • Een partiele agonist heeft een lagere intrinsieke activiteit dan een volle agonist. 
  • Waarvoor wordt een scatchard plot gebruikt?
    Deze wordt gebruikt om de Bmax te bepalen. Dit is de maximale binding/ maximaal aantal receptoren/ receptordichtheid. Bmax is gelijk aan Ntot. 
  • Wat is de intrinsieke activiteit?
    Dit is gelijk aan epsilon en een maat voor de activiteit van de agonist. 
  • Wat bepaal je met een schild plot?
    Je bepaalt hiermee de PA2. 
  • Wat geeft potency weer?
    Bij welke concentratie halfmaximaal effect wordt bereikt.
  • Waartussen is de dosis ratio de verhouding?
    De dosis ratio is de verhouding tussen de EC50 van agonist en zonder agonist. 
  • Wat is constitutieve activiteit?
    Activiteit van de receptor zelf. Deze kan namelijk isomeren van een rustsituatie naar een actieve situatie. 
  • Een antagonist heeft nooit last van receptorresere. Het heeft er geen voordeel en ook geen nadeel aan. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarvoor wordt lidocaine toegepast?
Oppervlakte anestesie is hiervoor mogelijk. Het heeft verder ook een langere werking dan procaine.
Waarvoor wordt procaine toegepast?
Voor injectie en geleidingsanesthesie niet voor oppervlakte anestesie.
Welke 4 vormen van lokale anesthesie zijn er?
- oppervlakte anestesie: vnl blokkade van zenuwuiteinden.
- infiltratie anesthesie: ook kleinere zenuwstammen geremd.
- geleidingsanestesie
- intraveneuze regionale anestesie: 
Hoe wordt lidocaine afgebroken?
Deze wordt via de lever afgebroken.
Hoe wordt procaine afgebroken?
procaine kan worden afgebroken door een cholinesterase.
3 voorbeelden van anestethica?
procaine, cocaine en lidocaine.
Wat is het verschil tussen het use-dependant en het non-use dependant pathway?
het use dependant pathway is ook wel het hydrofiele pad. Hierbij bindt het anesteticum in geladen vorm.
Het non use dependant pathway is ook wel het hydrofobe pathway. Hierbij gaat het door het membraan heen om dan alsnog te binden. 
Hoe werken de anesthetica?
Ze gaan echt een irreversibele interactie aan met de natriumkanalen.
Hoe vindt remming van de prikkelgeleiding plaats?
De prikkelgeleiding verloopt via het axon. Je hebt natriuminstroomafhankelijke depolarisatie en kalium uitstroom depolarisatie. De hoogte van de actiepotentiaal word gereduceerd en de geleidingsnelheid wordt vertraagd. De prikkelgeleiding wordt onderbroken. 
Op welke vezeltypen grijpen de meeste anesthetica in en waarom?
De vezeltypen Adelta, B en C. Dit komt omdat hier minder myeline zit waardoor ze er beter bij kunnen. Adelta bijvoorbeeld doen ook echt mee aan de nociceptie.  De C vezels zijn heel erg van belang voor de 2e pijn. Deze pijn is verantwoordelijk voor het moment dat er echt iets is misgegaan.