Summary Class notes - Scheikunde

Course
- Scheikunde
- Chemie Overal 4 havo
- 2014 - 2015
- ROC van Twente
- havo-schakel
402 Flashcards & Notes
7 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Scheikunde

  • 1409608800 1.1 Chemie om je heen

  • Noem de onderlinge faseovergangen van vast, vloeibaar en gas.
    vast naar vloeibaar = smelten
    vloeibaar naar vast = stollen
    vloeibaar naar gas = verdampen
    gas naar vloeibaar = condenseren
    vast naar gas = rijpen
    gas naar vast = sublimeren
  • 1409868000 1.2 Zuivere stoffen en mengsels

  • De meeste stoffen bestaan uit moleculen. Waar is een molecuul uit opgebouwd?
    Een molecuul bestaat uit twee of meer atomen.
  • Wat is het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel?
    Een zuivere stof bestaat uit allemaal dezelfde bouwstenen.
    Een mengsel bestaat uit twee of meer verschillende bouwstenen.
  • Met welke eigenschap onderscheid je een zuivere stof van een mengsel?
    Een zuivere stof heeft een kook- en smeltpunt.
    Een mengsel heeft een kook- en smelttraject.
  • Wat is bijzonder aan elementen?
    Elementen bestaan enkel uit één atoomsoort.
  • Wat zijn verbindingen?
    Verbindingen zijn stoffen waarvan de bouwstenen bestaan uit twee of meer verschillende atoomsoorten.
  • Wat is hydrofobe stof?
    Een stof die zich slecht laat mengen met water.
    Hydrofobe stoffen mengen onderling wel goed.
  • Wat is een hydrofiele stof?
    Een hydrofiele stof laat zich goed mengen met water of andere hydrofiele stoffen.
  • Wat is een oplossing
    Een oplossing is een vloeistof met een opgeloste stof. (gas/vloeistof/vast)
  • Hoe ziet een oplossing eruit?
    Een oplossing is helder.
  • Is een oplossing homogeen of heterogeen?
    Een oplossing is homogeen.
  • Wat is een suspensie?
    Een suspensie is een vloeistof met een niet opgeloste vaste stof.
  • Hoe ziet een suspensie eruit?
    Een suspensie is troebel.
  • Is een suspensie homogeen of heterogeen?
    Een suspensie is heterogeen.
  • Wat is een emulsie?
    Een emulsie is een vloeistof met een niet opgeloste vloeistof.
  • Hoe ziet een emulsie eruit?
    Een emulsie is troebel.
  • Is een emulsie homogeen of heterogeen?
    Een emulsie is heterogeen.
  • Hoe zorg je ervoor dat een emulsie niet ontmengt?
    Een emulgator zorgt ervoor dat een emulsie niet ontmengt.
  • Een emulgator-molecuul heeft een kop en een staart. Waar bevinden deze zich?
    De kop is hydrofiel en bevindt zich in het water.
    De staart is hydrofoob en bevindt zich in de olie.
  • Wat is het verschil tussen homogeen en heterogeen?
    Bij een homogeen mengel zijn de bestandsdelen perfect door elkaar gemengd. In een heterogeen mengel kan het op de ene plaats een andere verhouding hebben als op een andere plaats.
  • Hoe heet het als twee vloeistoffen, die niet met elkaar mengen, twee lagen vormen?
    Als twee vloeistoffen niet met elkaar mengen en twee lagen vormen spreek je van een tweelagensysteem.
  • Heeft de bovenste laag in een tweelagensysteem een grotere of een kleinere dichtheid dan de onderste laag?
    De bovenste laag in een tweelagensysteem heeft een kleinere dichtheid dan de onderste laag.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.
Be the first one to add content
Discover the Study Smart Package

Summary - Class notes - Scheikunde

  • 1505772000 3.1

  • Hoe noemen we stoffen die voor het maken van nieuwe stoffen worden gebruikt?
    beginstoffen
  • Hoe heten nieuwe stoffen die ontstaan?
    reactieproducten
  • Hoe noemen we een gebeurtenis waarbij stoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan?
    een chemische reactie
  • wat kan er bij een reactie gebeuren
    er ontstaan nieuwe stoffen
  • wat zijn de reactieverschijnselen?
    knal, lichtflits, vuur, rook, warmte, geur, kleurverandering en het ontstaan van gasbelletjes
  • hoe geef je reacties weer?
    in een reactievergelijking
  • 1507845600 Paragraaf 1.1 Stoffen herkennen

  • Waaraan herken je stoffen?
    Aan hun eigenschappen, genaamd stofeigenschappen.
  • Wat zijn de stofeigenschappen? (Noem deze)
    Geur, kleur, smaak, brandbaarheid, doorzichtigheid, hardheid, kookpunt, smeltpunt en fase bij kamertemperatuur.
  • In welke drie fasen kan een stof voorkomen?
    In de vormen gas, vloeibaar en vast.
  • Welke drie dingen zijn geen stofeigenschappen?
    De massa, het volume en de vorm van een stof.
  • Wat zijn de zintuigen van de mens?
    De ogen, oren, neus, huid en tong.
  • Wat is waarnemen?
    Zien, horen, ruiken, voelen en proeven.
  • Hoe heet het als je hersenen je foppen?
    Gezichtsbedrog.
  • Hoe bescherm je jezelf bij een practicum?
    Met een laboratoriumjas, je haar in een staart, een veiligheidsbril op en niet eten of drinken tijdens het practicum.
  • 1507932000 Paragraaf 1.2 Zuivere stoffen en mengsels

  • Wat is een mengsel?
    Een mengsel bestaat uit 2 of meer stoffen door elkaar.
  • Wat is een zuivere stof?
    Een zuivere stof bestaat maar uit 1 stof.
  • Hoe heet een deeltje?
    Een molecuul.
  • Hoe zie je in een tekening dat er meerdere soorten moleculen zijn?
    Ze hebben andere kleuren of vormen.
  • Wat doe je met de metingen die je hebt gedaan om te kijken of een stof zuiver is?
    Die zet je in een temperatuur-tijd-diagram.
  • Wat kun je aflezen in een temperatuur-tijd-diagram?
    Je kunt zien hoe de temperatuur veranderd.
  • Noem de faseovergangen:
    Vast - gas  gas - vast  
    gas - vloeistof  vloeistof- gas
    vaste stof - vloeistof  vloeistof - vaste stof
    Zie afbeelding.
  • Hoe heet de temperatuur waarbij de stof smelt? (zuivere stof)
    Het smeltpunt.
  • Hoe heet het als de stof gaat stollen? (zuivere stof)
    Het stolpunt.
  • Hoe heet het als de stof kookt? (zuivere stof)
    Het kookpunt.
  • Wat gebeurt er met de temperatuur als je de stof smelt, stolt of kookt?
    De temperatuur verandert niet.
  • Wat gebeurt er als je meer stof smelt, stolt of kookt?
    Het duurt langer.
  • Waarmee kun je de temperatuur meten?
    Met een temperatuur sensor.
  • Wat gebeurt er met de temperatuur tijdens het smelten?
    De temperatuur blijft niet constant, maar blijft stijgen.
  • Hoe heten de temperaturen waartussen de stof smelt? (mengsel)
    Het smelttraject.
  • Hoe heten de tempraturen waartussen de stof stolt? (mengsel)
    Het stolproject.
  • Hoe heten de temperaturen waartussen de stof kookt? (mengsel)
    Het kooktraject.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Scheikunde

  • 1481670000 Les 1 Atoomsoorten

  • Aluminium
    Al, metaal
  • Barium
    Ba, metaal
  • Calcium
    Ca, metaal
  • Chroom
    Cr, metaal
  • Goud
    Au, metaal
  • Kalium
    K, metaal
  • Koper
    Cu, metaal
  • Kwik
    Hg, metaal
  • Lood
    Pb, metaal
  • Magnesium
    Mg, metaal
  • Mangaan
    Mn, metaal
  • Natrium
    Na, metaal
  • Nikkel
    Ni, metaal
  • Platina
    Pt, metaal
  • Tin
    Sn, metaal
  • Ijzer
    Fe, metaal
  • Zink
    Zn, metaal
  • Argon
    Ar, niet metaal
  • Arseen
    As, niet metaal
  • Broom
    Br, niet metaal
  • Chloor
    Cl, niet metaal
  • Fluor
    F, niet metaal
  • Fosfor
    P, niet metaal
  • Helium
    He, niet metaal
  • Jood
    I, niet metaal
  • Koolstof
    C, niet metaal
  • Neon
    Ne, niet metaal
  • Silicium
    Si, niet metaal
  • Stikstof
    N, niet metaal
  • Waterstof
    H, niet metaal
  • Zuurstof
    O, niet metaal
  • Zwavel
    S, niet metaal
  • Zilver
    Ag, niet metaal
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Scheikunde

  • 1420066800 H1.2

  • Zuivere stof
    Is een stof met unieke stofcombinatie.
  • Moleculen
    Gevormd door twee of meerdere atomen.
  • Mengsel
    Bestaat uit twee verschillende stoffen.
  • Zuivere stof: Heeft een kookpunt en smeltpunt.
    Mengsel: Heeft een kooktraject en een smelttraject.
  • Hydrofiel
    Is goed mengend met water.
  • Hydrofoob
    Is slecht mengend met water.
  • Oplossing= Een helder en doorzichtig mengsel.
    Suspensie= Een ondoorzichtig en troebel mengsel.
    Emulsie= Mengsel van twee stoffen die eigenlijk niet samen kunnen gaan. Door de toevoeging van een emulgator kunnen ze wel samen binden. Emulsie zelf is troebel en ondoorzichtig.
    Tweelagensysteem= Als twee stoffen niet mengen dan op elkaar gaan liggen. De stof met de grootste dichtheid ligt dan onderop.
  • Scheidingsmethoden:
    Extraheren= Verschil in oplosbaarheid.
    Filtreren= Verschil in deeltjesgrootte.
    Bezinken= Verschil in dichtheid.
    Indampen= Verschil in vluchtigheid.
    Destilleren= Verschil in kookpunt.
    Adsorptie= Verschil in adsorptievermogen.
    Chromatografie= Verschil in oplosbaarheid van mengsel en adsorptie van het papier.
  • 1420239600 H1.4

  • Beginstoffen
    De stoffen die aan het begin van de reactie aanwezig zijn.
  • Reactieproducten
    De stoffen die tijdens de reactie ontstaan.
  • Wet van Lavoisier
    Het aantal hoeveelheid stoffen voor en na de reactie is gelijk. Deze kunnen wel in een andere vorm in voorkomen.
  • Reactietemperatuur
    De minimum temperatuur die nodig is voor een reactie.
  • Exotherme
    Waarbij tijdens de reactie de beginnen stoffen warmte afstaan tijdens de reactie.
  • Endotherm
    Waarbij tijdens de reactie de beginstoffen warmte opnemen tijdens de reactie.
  • Acteveringsenergie
    De energie die nodig is om de temperatuur op gang te brengen.
  • Chemische Energie
    Exotherme diagram= De reactieproducten bezitten minder energie dan de beginstoffen.
    Endotherme diagram= De reactieproducten bezitten meer energie dan de beginstoffen.
  • 1451862000 H3.2

  • Een stof geleid bij 2 voorwaarden:
    • De stof moet geladen deeltjes bevatten.
    • Deze deeltjes moeten vrij kunnen bewegen.
  • Moleculaire stoffen geleiden NOOIT elektrische stroom. Ze bestaan namelijk NIET uit geladen deeltjes. Voorbeelden zijn suiker, gedestilleerd water en kaarsvet.

    Zouten geleiden alleen als ze vloeibaar zijn of opgelost. Want ze bestaan WEL uit geladen deeltjes, maar kunnen alleen vrij bewegen als ze vloeibaar zijn of opgelost. Zout wat je op je ei doet geleid dus niet!
    Voorbeeld is natriumchloride (keukenzout)

    Metalen bevatten vrije elektronen (geladen deeltjes) die vast én vloeibaar geleiden. Voorbeelden zijn zink en ijzer.
  • Molecuulroosters- moleculen zijn gerangschikt volgens vast patroon. Het patroon verschilt per stof. Water, suiker en zwavel hebben verschillende molecuulroosters. De vormen en kristallen verschillen dus ook.

    Ionroosters - Positieve en negatieve ionen zitten naast elkaar in het rooster. Ze trekken elkaar aan en het rooster zit dus stevig in elkaar.

    Metaalroosters - Metaalatomen laten elektronen los. Het wordt dan een positief metaalion. De vrije elektronen bewegen langs de positieve ionen waardoor alles bij elkaar gehouden wordt.

    Zoutroosters verschuiven ze van elkaar. Dan komen positieve en negatieve naast elkaar. Door gelijke ladingen breken ze niet.
  • Zout= Niet-metaal + Metaal

    Metaal
    = Metaal + Metaal

    Moleculaire
    = Niet-metaal + Niet - metaal
  • Hoe kan je een metaal harder maken ?. (Binas tabel 9)
    Door inbouwen van grotere metaalatomen. Dit heet een legering of alliage.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de triviale naam van natriumchloride?
De triviale naam van natruimchloride is keukenzout.
Hoe is een systematische naam van een zout opgebouwd?
Een systematische naam van een zout is afgeleid van de namen van de ionen waaruit het zout is opgebouwd. Die namen worden dan gekoppeld, waarbij de naam van het positieve ion altijd voorop staat. (bijv. natruimchloride)
Hoe noem je een groepje atomen die één of meer elektronen heeft afgestaan of opgenomen?
Een groepje atomen die één of meer elektronen heeft afgestaan of opgenomen, noem je samengestelde ionen.
Hoe noem je ionen die uit één atoomsoort bestaan?
Ionen die uit één atoomsoort betaan, noem je enkelvoudige ionen.
ammoniumion
fosfaation
carbonaation
sulfietion
sulfaation
waterstofcarbonaation