Summary Class notes - Sensomotorische Coördinatie

Course
- Sensomotorische Coördinatie
- Lieke Peper
- 2015 - 2016
- Vrije Universiteit Amsterdam
- Bewegingswetenschappen
276 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Sensomotorische Coördinatie

  • 1603666801 HC1: Feedback sturing; Context-bepaalde variabiliteit

  • Waar gaat het bij bewegingscoördinatie om?
    Bij bewegingscoördinatie gaat het om het afstemmen van onze bewegingen. Bijvoorbeeld bij de bewegingen van verschillende ledematen ten opzichte van elkaar. Je stemt je bewegingen ook af op je omgeving.
  • Door welke 3 factoren worden bewegingen beïnvloed?
    1. Doel van beweging.
    2. Persoon.
    3. Omgeving.
  • Wat is context-bepaalde variabiliteit?
    Dat is de variabiliteit die we zien in de bewegingscoördinatie en die variabiliteit is het gevolg van verschillen in de context. En de context heeft dan te maken met bijvoorbeeld de omgeving of ons lichaam. De context heeft invloed op hoe de bewegingen eruit zien.
  • Wat is 1-op-1 correspondentie?
    Niet 1 motorisch commando heeft altijd precies hetzelfde bewegingseffect.
  • Waarom is er nooit 1-op-1 correspondentie?
    Motorische commando's hebben niet steeds hetzelfde effect omdat de omstandigheden steeds (een beetje) anders zijn. Commando's moeten afgestemd zijn op de toestand van het bewegingsapparaat en de omgeving.
  • Wat is sensorische informatie?
    Via onze zintuigen krijgen we veel informatie die een rol spelen bij de coördinatie van onze bewegingen.
  • Wat is de perceptie-actie lus?
    Door re-afferente informatie wordt de beweging aangepast.
  • Wat is efferent?
    Afvoerend, van het zenuwstelsel af. (motorische commando's)
  • Wat is afferent?
    Aanvoerend, naar het zenuwstelsel toe. (vanuit de sensoren)
  • Wat is re-afferentie?
    Informatie ten gevolge van zelf uitgevoerde beweging.
  • Wat is ex-afferentie?
    Informatie over omgeving, die niet het gevolg is van zelf uitgevoerde beweging.
  • Wat is open-lus-controle? En wat zijn de voor- en nadelen?
    Geen gebruik van re-afferente informatie. Geen bijsturing mogelijk. Voordeel: snel. Nadeel: geen correcties bij fouten en verstoring.
  • Wat is gesloten-lus-controle? En wat zijn de voor- en nadelen?
    Bijsturing op basis van sensorische (re-afferente) feedback. Voordeel: correcties bij fouten/verstoringen; nauwkeuriger. Nadeel: kost meer tijd.
  • Welk circuit wordt meestal gebruik? (open-lus-circuit of gesloten-lus-circuit)
    Gesloten-lus-circuit
  • Wat is feedforward-controle?
    Motorisch commando kan van tevoren worden afgestemd op de situatie.
  • Wat is feedback-controle?
    Sensorische feedback om te corrigeren.
  • Normaliter worden je bewegingen bijgestuurd op basis van de sensorische waarneming die je doet tijdens het bewegen. Het is natuurlijk niet zo dat het zenuwstelsel moet kiezen tussen feedback-controle en feedforward-controle. Als er een storing is kun je in ieder geval altijd dankzij de feedback-controle corrigeren. Feedback-controle kan dus gecombineerd worden met feedforward-controle.
  • Wat is het invers model?
    Representatie van eigenschappen van:
    - Het systeem (bv. Lengte/gewicht ledematen; werklijnen spieren)
    - Context (bv. Tennisracket)
  • 1603839601 HC2: vrijheidsgradenprobleem

  • Wat is een vrijheidsgraad?
    De rotatie-assen van de gewrichten die betrokken zijn bij de beweging.
  • Waar staat dof voor?
    Degree of freedom = vrijheidsgraden
  • Wat betekent redundant?
    Er zijn meerdere manieren om dezelfde beweging uit te voeren.
  • Wat zijn de voordelen van redundant?
    - flexibel 
    - motorische equivalentie
  • Wat zijn de principes om het probleem van te veel vrijheidsgraden hanteerbaar te maken?
    - randvoorwaarden (inperking van mogelijkheden)
    - synergieën (inperking van aantal te controleren vrijheidsgraden)
  • Wat zijn de randvoorwaarden?
    - traject
    - inverse kinematica
    - inverse dynamica
  • Waar staat traject (path) voor?
    - korte/efficiënte route
    - rekening houden met vervolgbeweging
  • Wat is inverse kinematica (positie, snelheid, versnelling...)
    - extreme gewrichtshoeken vermijden
    - vloeiend ('minimal jerk principe')
  • Wat is inverse dynamica (krachten, momenten)?
    - minimale verandering in gewrichtsmomenten en spierstijfheid.
  • Wat is een synergie?
    Koppeling: inperking van aantal te controleren vrijheidsgraden.
  • Wat zijn de voordelen van een synergie?
    - aantal afzonderlijk te besturen vrijheidsgraden gaat omlaag.
    - makkelijker bestuurbaar
  • Wat voor soort synergieën zijn er?
    - Structureel (aangeboren koppeling)
    - Tijdelijk (koppeling alleen bij desbetreffende taak)
  • Synergieën
    - Samenwerking van een groep spieren die samen meerdere gewrichten overspannen.
    - Deze spieren opereren als een functionele eenheid.
    - Het czs kan een synergie als geheel aansturen, in plaats van alle spieren apart (minder onafhankelijke dofs).
    - Zo'n synergie (constraint) kan zowel tijdelijk als structureel zijn.
    -> Aantal afzonderlijk te besturen dofs gaat omlaag.
    -> Makkelijker bestuurbaar. 
  • Wat is compensatoire variabiliteit?
    Denk aan de uitleg van het pistoolschieten. 
    Tussen de beginner en expert is evenveel beweging in de gewrichten (schouder, elleboog, pols) te zien. Toch schiet de expert vaker raak. Dit komt doordat de bewegingen van de expert in de verschillende gewrichten naar elkaar opheffen, waardoor de uiteindelijke richting van het pistool 'rechter' op het doel is.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Sensomotorische coördinatie

  • 1512342000 SMC

  • Motor behavior
    bewegingsgedrag. Bewegingen zijn gebaseerd op het einddoel. dus bijvoorbeeld het pakken van een bekertje
  • motor task
    is het specificeren van een taak die kan worden uitgevoerd door motor behavior.
  • elemantal action
    is een beweging waarbij slechts 1 doel moet worden uitgevoerd.
  • Discreet action
    een actie waarbij er duidelijk een begin en eindpunt is.
  • Wat is het principe van motor fit?
    bereiken van hetzelfde doel met andere omstandigheden zorgt ervoor dat we een ander motor behavior moeten laten plaatsvinden. hiervoor moeten we onszelf aanpassen.
  • motor equivalent
    verschillende bewegingen met dezelfde uitkomst. 

    Het herhalen van de beweging wil niet meteen betekenen dat de beweging hetzelfde is met een gelijke kracht
  • vrijwillig gedrag
    het doel gerichte gedrag dat vrijwillig wordt uitgevoerd met bewuste intentie om het doel te bereiken. Bewust van de keuze om door te gaan of niet met de beweging. bijvoorbeeld lopen.
  • Onvrijwillig gedrag
    geen bewuste keuze voor het uitvoeren van de beweging. Zoals gebeurt bij reflexen. Bijvoorbeeld aanpassen van onze ogen bij plots fel licht.
  • aanpassingsvermogen
    aanpassing aan omstandigheden voor bereiken van het doel. Zelfde uitkomst kan worden bereikt in verschillende omstandigheden met gebruik van verschillend motorisch gedrag.
  • Persistence in response to failure (volharding na mislukkig)
    als een doel niet gehad wordt, net zo lang doorgaan tot het doel wordt bereikt.
  • sensomotorische principe
    sensorische perceptie is nodig voor doelgerichtheid. het is sensorische perceptie dat het mogelijk maakt voor motorisch gedrag om doelgericht te zijn.
  • Wat zijn de factoren die bepalen hoe er bewogen wordt?
    1. persoon
    2. doel
    3. omgeving
  • input
    een factor die een beweging veroorzaakt of beïnvloed.
  • output
    alles dat het systeem doet
  • evaluative feedback
    terugkoppeling met een waarde als goed of fout of verder minder ver etc.
  • gecontroleerde variabele
    een variable wiens waarde beïnvloed kan worden door input van het systeem
  • controle variable
    een invoer voor een regelkring die kan worden gewijzigd om een variable de vereiste waarde te kunnen laten aannemen
  • gecontroleerd systeem
    een systeem dat onder controle is.
  • fout corrigerend feedback
    is een feedback die ervoor zorgt dat je lichaam de fout hersteld. bijvoorbeeld bijna struikelen --> niet struikelen. kan verschil zien/meten etc tussen wat er uitgevoerd wordt en wat er uitgevoerd moet worden en hierbij het proces dusdanig veranderen dat ook echt gebeurt wat moet gebeuren.
  • bronnen van fouten tijdens beweging
    1. verstoring: externe inputs kunnen een effect hebben op de beweging
    2. controller fouten: kan een verandering veroorzaken terwijl dit niet nodig is.
    3. verandering in de vereisten: als de vereiste waarde verandert kan gemakkelijk een fout worden gemaakt. (output anders dan input --> ERROR)
  • set point
    de waarde die vereist wordt
  • regulering probleem
    het controle probleem dat optreedt wanneer het besturingssysteem doel een gecontroleerde variable en specifieke vaste waarde aanneemt die verstoringen brengen en handhaven. Hierdoor instaat een tracking probleem; kan niet de juiste beweging uitvoeren.
  • feedback controle wet
    de proceduren om een fout signaal om te zetten naar een controleerbare variabelen.
  • Wanneer is feedback nutteloos?
    Als er een te groot tijd verschil tussen de signalen zit.
  • Hoe komt coördinatie tot stand?
    zenuwstelsel zorgt voor commandos naar spieren (motorische commandos)
  • context-bepaalde variabiliteit
    motorische commando's hebben NIET steeds hetzelfde effect, omdat de omstandigheden steeds (een beetje) anders zijn. --> geen 1-op-1-correspondentie
  • afferentie
    naar het zenuwstelsel toe
  • efferentie
    van het zenuwstelsel af (en dus naar periferie toe)
  • re-afferentie
    informatie t.g.v. zelf uitgevoerde beweging (vb. katjes waarbij ene zelf rondjes loopt en andere op wagentje)
  • ex-afferentie
    informatie (over omgeving), die los staat van zelf uitgevoerde beweging. (vb. katjes waarbij ene zelf rondjes loopt en andere op wagentje)
  • teken de perceptie-actie lus
    zie plaatje
  • open lus controle
    geen gebruik van re-afferente info; geen bijsturing. 

    Voordeel: snel
    Nadeel: geen correcties bij fouten en verstoringen
  • gesloten lus controle
    bijsturing op basis van sensorische (re-afferentie) feedback.

    gewenste waarde constant: set point regeling
    gewenste waarde variabel: servo- of volg regeling (tracking)
  • Welke vier verschillende soorten weefsel zijn er? en wat is hun functie?



    1. Epitheel weefsel: vormt de membranen voor alle structuren in het lichaam
    2. Bindweefsel: houdt lichaamsstructuren samen
    3. Spierweefsel: zorgt voor bewegen
    4. Zenuwweefsel: voorziet het lichaam van informatie en zorgt voor output 
  • Waar bestaat het zenuwstelsel uit?
    centrale en perifere zenuwstelsel
  • centrale zenuwstelsel
    hersenen en ruggenmerg
  • perifere zenuwstelsel
    zenuwcellen in het lichaam
  • Wat zijn de drie niveaus van het fylogenetische model van het CZS? en welke delen van het CZS horen tot welk niveau?
    1. Archiniveau (ruggenmerg, hersenstam)
    2. paleoniveau (binnenbrein)
    3. neoniveau (hersenschors)
  • Wat zijn de voornaamste functies van het Archiniveau van het CZS?
    alertheid(wakker vs slapen), spiertonus (houdingscontrole), reflexen
    • basale vormen van coordinatie
  • Wat zijn de voornaamste functies van het Paleoniveau van het CZS?
    expressie van emoties, bewegingsautomatismen
  • Wat zijn de voornaamste functies van het neoniveau van het CZS?
    bewuste aandacht, nieuwe vaardigheden
  • welke type zenuwcellen zijn er? en wat is hun functie?

    1. Neuronen: basis cel, zorgt voor bewegen mens
    2. Gliacellen: zorgen voor brandstof aan neuronen, isoleren neuronen en zorgen
      voor structurele steun 
  • unipolair neuron
    een neuron waarbij alleen 1 neuriet vanuit het cellichaam ontspringt
  • bipolair neuron
    een neuron waarbij 2 neurieten vanuit het cellichaam ontspringen
  • multipolair neuron
    een neuron waarbij meer dan 2 neurieten vanuit het cellichaam ontspringen
  • noem de drie klasse van neuronen en hun functie

    1. Sensorische neuron: opvangen signalen en deze doorgeven
    2. Motorneuron: prikkel doorgeven aan weefsel, zorgt dat er daadwerkelijk iets
      gebeurt
    3. Schakelneuronen: doorgeven signalen 
  • axon
    naar de celkern toe. (elke neuron heeft maar 1 axon "single axon rule")
  • dendriet
    van de celkern af. (elk neuron kan meerdere dendrieten hebben)
  • axon hillock
    verdikking in de axon vlakbij het cellichaam
  • terminal buttons
    einde van tak
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waar of niet waar?Om bewegingen in drie dimensies te kunnen waarnemen zijn de otolieten in ons binnenoor verdeeld over drie los van elkaar liggende haarcellagen.
Niet waar. (dat zijn er 2)
Een smalle normaalverdeling = ...Het centrum in het midden = ...
Een smalle normaalverdeling = precies.
Het centrum in het midden = accuraat.
Wat is niveau 2?
Gekoppelde oscillatoren -> oscillator (ritmische beweging) staat voor de beweging van de ledematen, de pijlen veronderstellen de interacties (in het czs).
Wat is niveau 1?
Potentiaal -> manier om stabiliteit weer te geven.
Wat is het HKB-model?
Wiskundige beschrijving van hoe voor ritmische bewegingen de interactie kan leiden tot stabiliteit van antifase en infase en de transitie hiertussen.
Wanneer treedt transitie op?
Transitie tussen coördinatiepatronen treedt op tijdens diverse vormen van coördinatie, bijvoorbeeld:
  • Homologe ledematen 
  • Verschillende ledematen
  • Segmenten binnen een ledemaat
  • Ledemaat en een extern ritme (auditief, visueel)
  • Tussen personen -> visuele koppeling met beweging van de ander.
Bewegingsfrequenties in relatie tot fases:Bij lage bewegingsfrequenties...Bij hoge bewegingsfrequenties...
  • Bij lage bewegingsfrequenties twee stabiele patronen: infase en antifase.
  • Bij hoge bewegingsfrequenties één stabiel patroon: infase.
Wat is relatieve coördinatie?
De ledematen bewegen ongeveer gelijkop; combinatie van het magneeteffect en de vasthoudtendens. De één past zijn gedrag wel aan, maar niet zodanig dat de fasen steeds precies hetzelfde zijn.
Wat is absolute coördinatie?
De ledematen bewegen exact gelijkop (vaste faserelatie), dus dezelfde fase en frequentie die wordt aangehouden. Ook wel magneeteffect: de neiging van een ledemaat om het ritme van een ander ledemaat aan te nemen.
Wat is géén coördinatie?
Vasthoudtendens: de neiging van een ledemaat om zijn eigen ritme te volharden. Echter, omdat er altijd interactie is, is dit een theoretische mogelijkheid, maar niet daadwerkelijk waargenomen.