Summary Class notes - Spaans

Course
- Spaans
- Sabine Bertuch
- 2019 - 2020
- Eckartcollege (Eindhoven)
199 Flashcards & Notes
1 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Spaans

  • 1548802800 Unidad 1 Intro werkwoorden

  • Praten
    Hablar
  • Ik praat
    Yo hablo
  • Jij praat
    Tú hablas
  • Hij praat
    Él/ella/usted habla
  • Wij praten
    Nosotros hablamos
  • Jullie praten
    Vosotros habláis
  • Zij/u praten
    Ellos/ellas/ustedes hablan
  • Eten
    Comer
  • Ik eet
    Yo como
  • Jij eet
    Tú comes
  • Hij eet
    Él/ella/usted come
  • Wij eten
    Nosotros comemos
  • Jullie eten
    Vosotros coméis
  • Zij/u eten
    Ellos/ellas/ustedes comen
  • Wonen, Leven
    Vivir
  • Ik woon
    Yo vivo
  • Jij woont
    Tú vives
  • Hij woont
    Él/ella/usted vive
  • Wij wonen
    Nosotros vivimos
  • Jullie wonen
    Vosotros vivís
  • Zij/u wonen
    Ellos/ellas/ustedes viven

  • Toevoegen - Agregar
    yo agrego
    tú agregas
    él agrega
    nosotros agregamos
    vosotros agregáis
    ellos agregan

  • Nemen, Drinken - Tomar
    yo tomo
    tú tomas
    él toma
    nosotros tomamos
    vosotros tomáis
    ellos toman

  • Bezoeken - Visitar
    yo visito
    tú visitas
    él visita
    nosotros visitamos
    vosotros visitáis
    ellos visitan
  • Kijken
    Ver
  • Ik kijk
    Yo veo
  • Jij kijkt
    Tú ves
  • Hij kijkt
    Él/ella/usted ve
  • Wij kijken
    Nosotros vemos
  • Jullie kijken
    Vosotros veis
  • Zij/u kijken
    Ellos/ellas/ustedes ven
  • Rusten - Descansar
    yo descanso
    tú descansas
    él descansa
    nosotros descansamos
    vosotros descansáis
    ellos descansan

  • Proberen - Probar
    nosotros probamos
    vosotros probaís
  • Proberen
    Probar
  • Ik probeer
    Yo pruebo
  • Jij probeert
    Tú pruebas
  • Hij probeert
    Él/ellas/usted prueba
  • Zij/U proberen
    Ellos/ellas/ustedes prueban
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - SPAANS

  • 1530655200 schritt 10 t/m15 duits pw week juli 2018

  • Sein tt ich
    bin
  • sein tt du
    bist
  • sein tt er/sie/es
    ist
  • sein tt wir
    sind
  • sein tt ihr
    seid
  • sein tt Sie/sie
    sind
  • sein vt ich
    war
  • sien vt du
    warst
  • sein vt er/sie/es
    war
  • sein vt wir
    waren
  • sein vt ihr
    wart
  • sein vt Sie/sie
    waren
  • sein voltooide tijd ich
    bin gewesen
  • sein voltooide tijd du
    bist gewesen
  • sein voltooide tijd er/sie/es
    ist gewesen
  • sein voltooide tijd wir
    sind gewesen
  • sein voltooide tijd ihr
    seid gewesen
  • sein voltooide tijd Sie/sie
    sind gewesen
  • ik ben geweest
    ich bin gewesen
  • jij bent geweest
    du bist gewesen
  • hij/zij/het zijn geweest
    er/sie/es ist gewesen
  • wij zijn geweest
    wir sind gewesen
  • jullie zijn geweest
    ihr seid gewesen
  • U/zij zijn geweest
    Sie/sie sind gewesen
  • haben tt ich
    habe
  • haben tt du
    hast
  • haben tt er/sie/es
    hat
  • haben tt wir
    haben
  • haben tt ihr
    habt
  • haben tt Sie/sie
    haben
  • haben vt ich
    hatte
  • haben vt du
    hattest
  • haben vt er/sie/es
    hatte
  • haben vt wir
    hatten
  • haben vt ihr
    hattet
  • haben vt Sie/sie
    hatten
  • haben voltooide tijd ich
    habe gehabt
  • haben voltooide tijd du
    hast gehabt
  • haben voltooide tijd er/sie/es
    hat gehabt
  • haben voltooide tijd wir
    haben gehabt
  • haben voltooide tijd ihr
    habt gehabt
  • haben voltooide tijd Sie/sie
    haben gehabt
  • ik heb gehad
    ich habe gehabt
  • jij hebt gehad
    du hast gehabt
  • hij/zij/het hebben gehad
    er/sie/es hat gehabt
  • wij hebben gehad
    wir haben gehabt
  • jullie hebben gehad
    ihr habt gehabt
  • U/zij hebben gehad
    Sie/sie haben gehabt
  • müssen
    moeten
  • sollen
    moeten
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Spaans

  • 1505599200 Unidad 1A woorden en zinnen

  • zich voorstellen
    presentarse
  • frequent
    frecuente
  • een beetje
    un poquito
  • storen, ergeren
    molestar
  • wat betreft ...
    en cuanto de ...
  • gelijk hebben
    tener razón
  • het voorstellen
    la presentatión
  • het teken
    la señal
  • het hout
    la madera
  • het element
    el elemento
  • het kenmerk, de eigenschap
    la caracteristica
  • de gevel
    la fachada
  • versierd
    decorado/-a
  • de omgeving
    los alrededores
  • eigen
    propio/-a
  • zelfs
    incluso
  • het (dag)licht
    la luz (natural)
  • (ver)huren
    alquilar
  • de plattegrond
    el plano
  • de woonkamer
    el salón
  • de bank
    el sofá
  • de stoel, de fauteuil
    el sillón
  • de televisie(toestel)
    el televisor
  • de eetkamer
    el comedor
  • de eetkamerstoel
    la silla
  • de slaapkamer
    el dormitorio
  • het bed
    la cama
  • de kast
    el armario
  • de koelkast
    la nevera
  • de wastafel
    el lavabo
  • met betrekking tot
    con respecto a
  • de/het mijne
    el/la mío/-a
  • de/het jouwe
    el/la tuyo/-a
  • de/het zijne/hare/uwe, de/het van hun
    el/la suyo/-a
  • de/het onze
    el/la nuestro/-a
  • de/het van jullie
    el/la vuestro/-a
  • het blaadje, het papier
    el papel
  • het appartement
    el apartamento
  • de verwarming
    la calefacción
  • uitwisselen
    intercambiar
  • de schoonmaak
    la limpieza
  • de elektriciteit
    la electricidad
  • de huur
    el alquiler
  • vochtig
    húmedo/-a
  • donker
    oscuro/-a
  • fris, koel
    fresquito/-a
  • buiten
    fuera
  • verschrikkelijk
    horroroso/-a
  • het wonder
    la maravilla
  • sterven
    morir (ue)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Spaans

  • 1484694000 U3+U5

  • eten
    comer
  • de kerst
    la Navidad
  • de ham
    el jamón
  • de kaas
    el queso
  • de fles
    la botella
  • de wijn
    el vino
  • de doos
    la caja
  • het blik(je)
    la lata
  • het vlees
    la carne
  • de vis
    el pescado
  • het fruit
    la fruta
  • de groente
    la verdura
  • het water
    el agua
  • de olie
    el aceite
  • het ei
    el huevo
  • de melk
    la leche
  • de sla
    la lechuga
  • de citroen
    el limón
  • de boter
    la mantequilla
  • de appel
    la manzana
  • het brood
    el pan
  • de pasta
    la pasta
  • de aardappel
    la patata
  • de banaan
    el plántano
  • de kip
    el pollo
  • de yoghurt
    el yoqur
  • de tomaat
    el tomate
  • iedere dag
    todos los días
  • vaak
    muchas veces
  • zelden
    pocas veches
  • (bijna) nooit
    (casi) nunca
  • een kilo...
    un kilo de...
  • een halve kilo
    medio kilo de...
  • anderhalve kilo
    un kilo medio de...
  • honderd gram
    cien grammos de...
  • een liter...
    un litro de...
  • een halve liter..
    medio litro de..
  • een beetje...
    un poco de...
  • een pak
    un paquete
  • de markt
    el mercado
  • ik wilde graag een kilo tomaten
    Quería un kilo de tomates
  • ik wilde graag..
    quería...
  • alstublieft
    por favor
  • hier heeft u
    aquí tiene
  • anders nog iets?
    algo más?
  • de voorkeur geven aan
    preferir
  • hoeveel kost het?
    cuánto es?
  • hoeveel wilt u?
    cuánto quiere
  • willen
    querer
  • heeft u mango's?
    tiene mangos?
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Spaans

  • 1484262000 Prueba 21

  • Ik ben om tien over zeven wakker geworden.
    Me he despertado a las siete y diez.
  • Eerst heeft hij/zij een douche genomen.
    Primero se ha duchado.
  • Heb je het ontbijt klaargemaakt?
    ¿Has preparado el desayuno?
  • Hebben jullie de krant gelezen?
    ¿Habéis leído el periódico?
  • Later hebben we boodschappen gedaan.
    Más tarde hemos hecho las compras.
  • Ten slotte hebben zij allen samen gegeten.
    Finalmente han comido todos juntos.
  • Daarna heb ik naar het nieuws geluisterd.
    Luego/después he escuchado las noticias.
  • Tijdens het eten hebben we naar het nieuws gekeken.
    Durante la comida hemos visto el telediario.
  • openen
    abrir
  • bedekken
    cubrir
  • zeggen
    decir
  • schrijven
    escribir
  • doen, maken
    hacer
  • sterven
    morir
  • zetten, leggen
    poner
  • breken
    romper
  • zien
    ver
  • terugkomen,teruggaan
    volver
  • stof afnemen
    quitar el polvo
  • afwassen
    lavar/fregar los platos
  • bed opmaken
    hacer la cama
  • schoonmaken
    limpiar
  • stofzuigen
    pasar la aspiradora
  • strijken
    planchar
  • tafel dekken/ afruimen
    poner/ recoger la mesa
  • vloer schrobben
    fregar el suelo
  • wassen
    hacer la colada
  • Ik zorg voor mijn kinderen.
    Cuido a mis hijos.
  • Zijn het uw boeken?
    ¿Son sus libros?
  • Waar staat hun huis?
    ¿Dónde está su casa? 
  • zich vervelen
    aburrirse
  • de enquête, het onderzoek
    la encuesta
  • geschikt
    oportuno,-a
  • overgaan (van de telefoon), rinkelen)
    sonar (ue)
  • de enquêteur
    el encuestador
  • toestaan
    permitir
  • de huisvrouw
    el ama de casa (v.)
  • zich bezighouden met
    ocuparse de
  •  de taak
    la tarea
  • het huishoudelijke werk
    las tareas del hogar
  • vervelend, saai
    aburrido,-a
  • u hebt gezegd
    ha dicho
  • vertellen
    contar (ue)
  • ik heb gedaan
    he hecho
  • speciaal, bijzonder
    especial
  • bovendien, overigs
    ádemás
  • ik heb aangezet
    he puesto
  • de soap
    la telenovela
  • beginnen
    empezar (ie)
  • zich zorgen maken
    preocuparse
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Lopen
Correr
Zij lopen
Ellos/Ellas corren
Jullie lopen
Vosotros corréis
Wij lopen
Nosotros corremos
Hij loopt
El corre
Jij loopt
Tú corres
Ik loop
Yo corro
Lezen
Leér
Zij lezen
Ellos/Ellas leen
Jullie lezen
Vosotros leéis