Summary Class notes - SVAA

Course
- SVAA
- P Cornillie
- 2019 - 2020
- Ugent
- Diergeneeskunde
410 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - SVAA

  • 1569880800 H 2: Clad Vis

  • Palingen
    Anguiliformes
  • Snoek
    Esociformes
  • Karperachtigen
    Cypriniformes
  • Koi Karper
    Karperachtige = Cypriniformes
  • Goudvis
    Karperachtige = Cypriniformes
  • Ansjovis
    Haringachtige = Clupeiformes
  • Haring
    Haringachtige = Clupeiformes
  • Zalm
    Salmoniformes
  • Katvissen en Meervallen
    Siluriformes
  • Kabbeljauw
    Gadiformes
  • Platvissen
    Pleuronectiformes
  • Tong
    Platvis = Pleuronectiformes
  • Schol
    Platvis = Pleuronectiformes
  • Tarbot
    Platvis = Pleuronectiformes
  • Nemo (Clownvis)
    Baardachtige = Perciformes
  • Steur
    Chondrostei (kraakbeenige, straalvinnige vis)
  • Oreds binnen de Sacropterygii
    Coelocanthiformes
    Dipnoi 
  • Chondrichtyes
    Haaien en roggen
  • Cyclostomata
    Myxiniformes (slijmprikken)
    Petromyzontiformes (echte prikken)
  • De gemeenschappelijke voorouder van de Actinopterygii en de Sacropterygii is:
    Eutelostomi
  • 1569967201 H 3: Evolutieleer + Classificatie

  • De grote vormen van selectie mechanisme:
    Frequentie onafhankelijk (Stab, Direct, Disrupt)
    Frequentie afhankelijk (Neg en pos opportunisme, polymorfe selectie)
  • Stabiliserende selectie:
    Een vorm van frequentie onafhankelijke selectie => selectie op een gemiddeld kenmerk.
    Bv: niet te klein/groot jong, maar gemiddeld (want moet groot genoeg zijn om te kunnen overleven buiten de baarmoeder, maar ook weer niet ter groot want gaat anders niet door het geboortekanaal)
  • Directionele selectie:
    Een vorm van frequentie onafhankelijke selectie => selectie op 1 van de extremen... Dus in 1 bepaalde richting.


    Voorbeeld: Het fokken van dieren waarbij mensen een bepaald fenotype, karakter, productie eigenschappen bepalen.
  • Disruptieve selectie
    Een vorm van frequentie onafhankelijke selectie => selectie op beide extremen.

    Bv de bek van een tropische prachtrvink: grote, stevige bek (voor harde noten) en een smalle, fijne bek (voor zaden) hebben de hoogste fitness.
  • Negatief frequentie afhankelijke selectie:
    Hoe zeldzamer, hoe beter => hoe minder concurrentie dus hoe hoger je fitness.

    Bv de kant waarop de bek van een bepaalde parasiet gericht is en dus enkel op de tegenovergestelde kant van zijn gastheer vastzitten....
  • Positief frequentie afhankelijke selectie:
    Hoe algemener dat kenmerk, dus hoe vaker het voorkomt, hoe beter, dus hoe fitter.

    Bv: smakelijke vlinders die op niet smakelijke vlinders willen lijken...
  • Opportunisme:
    Vorm van selectie waarbij de individuen kiezen voor de makkelijkste weg (minder energie) om toch een hoge fitness te bekomen.

    Bv: larvale zalmen die niet naar de zee gaan maar in de rivieren blijven en wachten tot vrouwtjes eitjes leggen en hun die dan kunnen bevruchten... (hebben dus alle gevaren van de zee vermeden).
  • Overdominatie:
    Vorm van Polymorfe selectie waarbij men selecteerde op heterozygoten: hoogste fitness (en homozygoten hebben dus de lagere fitness).

    Bv sikkelcel anemie... => gebied met malaria: mensen die heterozygoot zijn voor dit allel en kunnen daarmee leven (want resistent tegen malaria), maar homozygoten hebben constant bloedarmoede...
  • Onderdominantie:
    Een vorm van Polymorfe selectie: selecteren om homozygoten => hebben dus de hoogste fitness (en de heterozygoten een lagere).

    Bv: smakelijke/onsmakelijke vlinders => smakelijke willen op onsmakelijke lijken, maar enkel homozygoot voor dat bepaalde allel geeft ze die kleur (hoogste fitness). Heterozygoten zullen een tussenvorm van die kleur tot uiting laten komen (lagere fitness).
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarom is de eindpees van de m. Extensor digitorum lateralis distaal dikker?
Gaat nog een "caput accessorium" afkomstig van het haakbeentje en de pees van de m. Extensor digitorum communis op aanhechten net voorbij de carpus
Welke spieren hechten lateraal aan op de ribben?
  1. M. Scalenus dorsalis
  2. M. Serratus ventralis
  3. M. Obliquus externus abdomis
Alle epaxiale spieren (spiergroep: erector spinae)
  1. M. Spinalis
  2. M. Longissimus dorsi
  3. M. Longissimus cervicis
  4. M. Longissimus atlantis
  5. M. Longissimus capitis
  6. M. Iliocostalis
  7. M. Splenius
Alle epaxiale spieren (spiergroep: transverso-spinalis)
  1. MM. Multifidi
  2. MM. Rotatores
  3. M. Semispinalis capitis
  4. M. Biventer cervicis
  5. M. Complexus
Welke spiergroepen onderscheiden we bij de epaxiale spieren?
  1. Transverso-spinalis
  2. Erector spinae
Alle hypaxiale buikspieren
  1. M. Transversus abdominis
  2. M. Rectus abdominis 
  3. M. Obliquus internus abdominis
  4. M. Obliquus externus abdominis
Alle ademhalingsspieren
  1. MM. Intercostales interni
  2. M. Retractor costae
  3. MM. Intercostales externi
  4. MM. Levatores castarum
  5. M. Phrenicus
  6. M. Serratus dorsalis cranialis
  7. M. Serratus dorsalis caudalis
Alle oppervlakkige hypaxiale kop- en nekspieren
  1. M. Scalenus
    1. M. Scalenus ventralis
    2. M. Scalenus medialis
    3. M. Scalenus dorsalis
  2. M. Sternocephalicus
    1. M. Sternomandibularis
    2. M. Sternomastoideus
    3. M. Sternooccipitalis
Alle diepe hypaxiale kopspieren (van diep naar oppervlakkig)
  1. M. Longus colli
  2. M. Longus capitis
  3. M. Longus lumborum
 Wat is de functie van de hypaxiale kopspieren?
Buigen