Summary Class notes - Toegepaste Statistieken

Course
- Toegepaste Statistieken
- Van Peet, Wittenboer en Hox
- 2014 - 2015
- NTI Hogeschool
- HBO Toegepaste Psychologie
289 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Toegepaste Statistieken

  • 1430431200 Hoofdstuk 1 Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek

  • Wat is beschrijvende statistiek?
    Bij beschrijvende statistiek gaat het om het beschrijven van de voorliggende gegevens. Bijvoorbeeld: wat is het gemiddelde oordeel over...(bijv.op een schaal van 1-10) door het gemiddelde en de standaardafwijking te berekenen. 
  • Wat is het verschil tussen beschrijvende statistiek en inductieve statistiek?
    Bij beschrijvende statistiek beschrijf je de voorliggende gegevens. Bij inductieve technieken gaat het erom of we de resultaten mogen generaliseren naar de algemene populatie. In hoeverre mogen we de gegevens die uit een steekproef verzameld zijn generaliseren naar de algemene populatie?
  • 1.1 De kwaliteit van een onderzoek hangt af van twee belangrijke zaken. Welke?
    • interne validiteit
    • externe validiteit
  • 1.2 Wat bedoelen we met interne validiteit?
    Interne validiteit is de mate waarin een onderzoekontwerp ons in staat stelt om causale conclusies te trekken. (Over  het effect van een specifieke onafhankelijke variabele op een afhankelijke variabele.) 
  • Aan welke drie eisen moet een onderzoeksontwerp voldoen om het causale verband te kunnen aantonen?
    Er moeten drie vragen gesteld worden:
    1.Voormeting: Is het verband pas ontstaan na invloed van de variabele of was het ervoor al? (Doormiddel van voormeting kan je bepalen of er van te voren niet al verschillen waren.)
    2. Storende variabelen: Is datgene wat voorspeld wordt daadwerkelijk de invloed van de variabele of zijn er andere variabelen die invloed kunnen hebben?
    3. Schijnverband/ spurieuze correlatie:  Is er een andere verklarende variabele die invloed uit kan oefenen op het verband, waaruit blijkt dat er geen sprake is van de oorzaak/gevolg relatie?  (Een voorbeeld van een schijnverband: hoe meer brandweermannen bij een brand, des te groter de brandschade: de brandweermannen richten schade aan?)
  • Aan welke criteria moet een causaal verband voldoen?
    • Is het verband tussen de twee variabelen is pas ontstaan na de invloed van de variabele of was het daarvoor al? (voormeting)
    • Is er geen andere variabele van invloed? (storende variabelen)
    • Is er een andere verklarende factor? De oozaak moet vooraf gaan aan het gevolg (schijnverband)
  • Wat is het doel van sociaal-wetenschappelijk onderzoek?
    We willen op basis van beschikbare steekproefgegevens conclusies trekken over een hypothese. Hiervoor moet wel de interne en de externe validiteit kloppen. 
  • Vaak is een echt experiment niet wenselijk vanuit ethische overwegingen. Hoe wordt de onderzoeksopzet dan weergegeven?
    Er wordt dan door aanvullend onderzoek geprobeerd om alternatieve verklaringen voor de resultaten uit te sluiten.
  • 1.3 Wat bedoelen we met externe validiteit?
    Hierbij gaat het om de mate waarin wij de resultaten van het onderzoek kunnen generaliseren over:
    • situaties
    • methoden 
    • tijd
    • populaties
  • Wat bedoelen we met generaliseerbaarheid over 'situaties'?
    In hoeverre lijkt de onderzoekssituatie en de dagelijkse situatie op elkaar.
  • Wat bedoelen we met generaliseerbaarheid over 'methoden'?
    Hierbij gaat het erom of dezelfde resultaten zouden worden gevonden wanneer het verschijnsel op een andere manier zou zijn onderzocht.
  • Wat bedoelen we met generaliseerbaarheid over 'tijd/ perioden?
    In hoeverre zijn de steekproefresultaten ook geldig voor een andere periode? Bijvoorbeeld de leeftijd van de onderzochte mensen.
  • Wat bedoelen we met statistische generalisatie?
    In hoeverre gelden de resultaten die wij in ons onderzoek vonden, ook in de populatie waaruit onze steekproef een aselecte steekproef is? Dus: alleen wanneer we over aselecte steekproeven uit een populatie beschikken, kunnen we de statistische generalisatietechnieken toepassen uit dit boek.
  • Wanneer kan je generalisatietechnieken toepassen?
    Als we over aselecte steekproeven uit een populatie beschikken.
  • Wat bedoelen we met generaliseerbaarheid over populaties?
    Zijn de resultaten in de steekproef van toepassing op een andere populatie dan die waaruit onze steekproef getrokken is.
  • Wat is een theoretisch universum?
    Soms doet men alsof de steekproef een aselecte steekproef is uit een theoretisch universum en dat de steekproefresultaten wél naar een dergelijke denkbeeldige populatie kunnen worden gegenereerd. Hier moet de onderzoeker goede verklaringen voor hebben en moet dit duidelijk verantwoorden. Een goede reden zou kunnen zijn dat de verkregen correlatie zo sterk afwijkt dat het de moeite van interpreteren waard is. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

5.2 Welke gegevens hebben we nodig om een conclusie te kunnen trekken over het populatie-gemiddelde-mu?
Als de steekproefverdeling normaal is verdeeld, dan kunnen we op grond van het gemiddelde van de steekproef en de steekproefgrootte n conclusies trekken. 
We kunnen dan ook bij een specifieke waarde van mu de kans berekenen o een steekproef gemiddelde of groter. (Dus, met andere woorden; overschrijdingskansen)
5.8 Wat is het 95%-betrouwbaarheidsinterval?
We weten met 95% zekerheid dat het populatie-gemiddelde-mu tussen de grenzen +1,96 en -1,96 ligt. (dus de waarden die daarbij horen in de tabel voor de standaard-normale verdeling)
5.3 Welk teken moet er altijd in een nulhypothese staan en mag nooit in de alternatieve hypothese voorkomen?
De (Ho) Nulhypothese bevat altijd een =-teken of teken of teken 
5.6 Wat is de rechter kritieke waarde bij alfa 0,05? Hoe wordt dit ook wel genoemd?
Alle waarden groter of gelijk aan +0,64.
Het wordt ook rechter kritieke zone genoemd of verwerpingsgebied van de Ho bij rechtséénzijdigetoetsing. 
5.4 Waarom kunnen we niet gewoon de alfa heel klein kiezen om de kans kleiner te maken dat de nulhypothese ten onrechte verworpen wordt (fout van de eerste soort?
De kans bestaat ook dat de H0 niet juist is én we de H0 niet verwerpen. Deze fout van de 2e soort noemen we Beta.
5.3 Wanneer wordt een nulhypothese verworpen?
Als de gevonden overschrijdingskans kleiner is of gelijk aan α.
5.7 Wanneer moet je kiezen voor tweezijdig toetsen? 
Wanneer er in de onderzoekshypothese alleen maar gesproken wordt over een verwacht verschil tussen twee groepen een verwacht verband tussen twee variabelen, moet je tweezijdig toetsen omdat er niet specifiek een richting aangegeven wordt.
5.3 Wanneer is de alternatieve hypothese aangenomen?
Wanneer de nulhypothese is verworpen.
De nulhypothese wordt verworpen wanneer de berekende overschrijdingskans kleiner is of gelijk aan het vooraf gekozen significantieniveau. 
5.6 Wat is de kritieke waarde bij tweezijdig toetsen met alfa 0,05?
Ho wordt verworpen bij alfa 0,025 (Dus 0,05/twee zijden) wanneer de waarden groter of gelijk aan +1,96 of kleiner of gelijk zijn aan -1,96
Het wordt ook tweezijdige kritieke zone genoemd of tweezijdigeverwerpingsgebied
5.4 Hoe kan je de foutenkans β bij een bepaalde α kleiner krijgen?
Door een grotere steekproef te nemen.