Summary Class notes - Toxicologie

Course
- Toxicologie
- Hooijschuur
- 2021 - 2022
- Hogeschool van Amsterdam
- Forensisch Onderzoek
307 Flashcards & Notes
1 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Toxicologie

  • 1612220400 Week 1: Deel I; toxicologie basisconcepten

  • Wat houdt het begrip 'Farmacokinetiek' in als men met behulp van toxicologie vast wilt stellen wat er achteraf over de toestand van een persoon gezegd kan worden?
    Wat het lichaam doet met de stoffen die binnen komen (bv. Het absorberen ervan)
  • Wat houdt het begrip 'Farmacodynamiek' in als men met behulp van toxicologie vast wilt stellen wat er achteraf over de toestand van een persoon gezegd kan worden?
    Wat de stoffen die binnen komen doen met het lichaam (bv. Angst onderdrukken)
  • Wat wordt er met behulp van toxicologie precies vastgesteld binnen forensisch onderzoek?
    Met behulp van toxicologie stelt men vast wat er achteraf gezien  over de toestand van een persoon gezegd kan worden. (bv. Iemand was niet toerekeningsvatbaar)
  • Wat is één van de definities van 'Toxicologie' binnen forensisch onderzoek?
    De wetenschappelijke studie van vergiften, hun oorsprong, hoe ze werken, hoe ze te analyseren en hoe de bevindingen te interpreteren.
  • Onder welke drie delen/fasen bestaat het onderzoek behorend bij 'Toxicologie' binnen forensisch onderzoek? En geef een korte beschrijving per onderdeel:
    1. Pre-analyse: Hierin kijkt men wat er onderzocht gaat/moet worden;
    2. Analyse: Hier worden de onderzochte sporen geanalyseerd waaruit resultaten worden verkregen;
    3. Post-analytisch/Interpretatie: Hier gaat men vaststellen wat er gezegd kan worden aan de hand van data die vanuit de analyse is verkregen.
  • Voorbeeld casus: er is een ongeluk met dodelijk letsel, waarbij er een verdachte wordt aangehouden en waarbij er alcohol geroken wordt, na het uitvoeren van een alcohol test wordt bloed afgenomen en een BAC test uitgevoerd. 

    Benoem de drie fasen waarin activiteiten worden behoord a.d.h.v. Dit voorbeeld:
    1. Pre-analyse. Welke monsters neem je van je overledene persoon en VD. Bv. het bloed van iemand die een ongeluk heeft veroorzaakt. Hoe beter je dan kan vaststellen wat iemand BAC was. 
    2. Analytisch. Vaststellen of er bepaalde stoffen aanwezig zijn in bloed/monster
    3. Post-analytische fase. Interpretatie data. ‘’ik heb nu deze BAC verkregen, wat kan ik zeggen over op t moment dat het gebeurde’’ ''Was de persoon dus onder invloed ja/nee?''
  • Wat houdt het begrip 'Complexiteit' binnen de studie van vergiften in?
    Complexiteit wordt vaak bij de interpretatie ervaren, omdat men daar een grens trekt met wat men weet en daar dus een uitspraak over kan doen en ook wat men niet goed weet door bv. Het grote contrast en dan ook weet waar het ophoudt.
    • Men kijkt naar de generalisatie vs. Individu 
  • Onder welke drie onderdelen kan het begrip 'Toxicologie' veel voorkomen? En welke van deze drie heeft het meeste belang bij FO (zet ze van laag naar hoog belang)?
    1. Omgeving: bv. Lucht, water en grond
    2. Consument: bv. Eten, cosmetica en geneesmiddelen
    3. Medisch: Klinisch (blootstelling, overdosis), forensisch
  • Voor Medisch gelden de volgende vragen:
    • ‘’wanneer raak je vergiftigd?’’ Dit zijn ook vaak medicijnen, waar ligt de grens, hoeveel mag je gebruiken → overschrijdt niet de aanbevolen hoeveelheid.
    • Welke giftige stoffen zijn er?
    • Bijna eindeloos deze lijst, er zijn zoveel stoffen die ongezond zijn Medicijnen, drugs, planten
    • ‘’Hoeveel vergiftiging maken we mee in de samenleving en kunnen we dit voorkomen’’


    Je hebt het NVIC (Nationaal Vergiftiging Informatie Centrum) zij houden bij hoe vaak mensen vergiftigd raken en hoe het voorkomen kan worden.
  • Op welke twee manieren kan een organisme 'toxische stoffen' opnemen?
    Acute vergiftiging: het resultaat van een eenmalige, kortdurende blootstelling van organisme (mens of dier) aan een giftige stof.


    Blootstelling: het in aanraking komen met een verbinding of product bv. Via huidcontact, inademing etc.
    • Dit heeft vaak een kleiner effect op de gezondheid, maar dit hangt natuurlijk af van de mate (en tijd) van blootstelling 
  • Hoe kan iemand blootgesteld worden aan toxische stoffen, waar het gevolg van is dat dit individu deze in het lichaam krijgt?
    • Inname (grootste factor):
      • Oraal, bv XTC tablet
      • Onder tong, bv. Speed
      • Rectaal --> snelle opname. In je dikke darm wordt het vocht onderin uit je eten getrokken en daarom worden de stoffen erg snel in je lichaam opgenomen
      • Spuiten, bv. Heroïne
      • Snuiven, bv. Cocaïne
    • Inhalatie, dus het inademen van bv. Helium of astma 
    • Oogcontact, zoals oogdruppels
    • Huidcontact, bv. Gray Death, aanraking kan al tot dood leiden
  • Wat hebben de geneesmiddelen met ''pam'' op het einde gemeen met elkaar binnen de toxicologie en waarom is dit belangrijke informatie voor FO?
    Alle medicatie met ‘’pam’’ op het einde → zelfde familie, namelijk de benzodiazepine. Ze zorgen ervoor dat de gedachten geremd worden bv als iemand angstig of depressief is.
  • Waarom is er binnen de maatschappij zoveel ophef over het geneesmiddel 'Paracetamol'?
    Omdat de exacte werking op het lichaam niet bekend is, alleen wanneer een overdosis is geweest is dit bekend. Het valt dus eigenlijk onder complexiteit.
  • Wat gebeurt er met het lichaam wanneer iemand een overdosis aan het geneesmiddel 'paracetamol' pakt?
    Bij een teveel aan paracetamol is er te weinig glutathion om de NAPQI te detoxificeren en op dat moment wordt het toxisch voor het lichaam. Het gevolg is dat de levercellen afsterven en iemand dus ziek kan worden en komen te overlijden.
  • Wanneer moet er binnen forensische toxicologie 'postmortem toxicologisch onderzoek' uitgevoerd worden?
    Bij twee dingen:
    1. Gerechtelijke sectie patholoog:
    • Bij niet ondertekenen van overlijdensverklaring na schouwing, bv. iemand is het er niet mee eens voor het accepteren wat er gebeurt is.
    • Op bevel van OvJ bv. we moeten weten of deze persoon onder invloed was of niet
    2. Klinische sectie:
    • Op vooraf geregistreerd verzoek van familie om vast te stellen wat er gebeurt is
  • Wanneer hebben we te maken met forensische toxicologie?
    Als we achteraf moeten vaststellen of we wel kunnen bewijzen of die persoon onder invloed was op moment dat iets gebeurde, dan hebben we te maken met de forensische toxicologie
  • Welke drie soorten forensische toxicologie vormen zijn er?
    • ‘Post Mortem’ Toxicologie [overlijden]
      • Is de dood stofgerelateerd?, Moord?, Zelfmoord (bewust)?, Overdosis (onbewust)?
    • ‘Human Performance’ Toxicologie [gedrag, toestand]
      • Ziek door vergiftiging, rijden onder invloed, geweld, sexuele delicten, geheugenverlies, werkgerelateerd testen etc.
      • Zegt dus wat over gedrag of toestand van persoon, ben je beïnvloed geweest op bepaald moment. Hij heeft bijvoorbeeld alcohol in zijn aderen was die persoon dus beïnvloed?
    • ‘Environmental’ Toxicologie [omgeving]
      • Vervuiling door bv. dumpingen (grond, water) of ongelukken met effecten op mens en milieu.
      • Aantonen of er dumping in een bepaald gebied van bv. het water of door ongeluk een milieu effect is, dan zal er ook FO toxicologie plaatsvinden
  • Wat voor vraag houden FO toxicologen zich mee bezig?
    “Hebben alcohol, drugs of andere toxische stoffen bijgedragen aan de gedrags- en toestandsverandering of dood van het individu in de ter zake doende casus?”
  • Noem vier dingen die toxicologische stoffen kunnen
    1. de reden van overlijden zijn.
    2. hebben bijgedragen aan het overlijden.
    3. de toestand hebben beïnvloed.
    4. gedrag helpen verklaren.
      • Van een bepaald persoon op moment dat er een incident heeft plaatsgevonden
  • Noem het kernwoord binnen toxicologie
    DOSIS, dit ga je dus altijd vaststellen
  • Wanneer is er sprake van vergiftiging?
    “Een medisch of maatschappelijk onaanvaardbare situatie, waarin een mens is terecht gekomen, ten gevolge van een voor dat individu te hoge dosis van een exogene stof”
  • Wat kun je zeggen over toxicologie
    ‘’Alle stoffen zijn eigenlijk vergif, maar het gaat om de hoeveelheid die je inneemt want dit bepaalt over of het een medicijn is of een gif (toxisch)’’
  • De dosis is alles bepalend en maakt het verschil tussen:

    • Geen effect
    • Therapeutisch (LSD)
    • Gewenst of niet-gewenst
    • Ongewenste effecten
    • Dood
  • Wat wil je in de basis vaststellen binnen toxicologie?
    Als we dus een monster hebben genomen wat kunnen we dan zeggen hoe hoog de dosis is geweest op het moment dat een bepaald incident heeft plaatsgevonden en naarmate dat de tijd verstreken is wat er gebeurt met de dosis etc.
  • Wat is een drug? En waarin maakt men onderscheidt, wat is hierbij belangrijk?
    Een drug is een natuurlijke of synthetische substantie gemaakt om psychologische of fysiologische effecten te creëren.

    Onderscheidt in:
    • Recreatieve middelen vallend onder de Opiumwet.
      • Je gaat in je gedachte of in je fysiek iets leuks te creëren
    • Geneesmiddelen op recept (via apotheek, ziekenhuis)
    • ‘Over the Counter’ geneesmiddelen (vrij verkrijgbaar, bv. Pijnstillers, hoestmiddel)


    Belangrijk is als je meerdere middelen aantreft dat je het effect van ze op elkaar wilt weten.
  • We onderscheiden voor nu deze 5 routes. Benoem de voor- en nadelen en een voorbeeld:
    Zie foto hiernaast:
  • Waarom is de wijze van toediening belangrijk binnen toxicologie?
    Dit is belangrijk voor de interpretatie, omdat een therapeutische orale dosis bv. Gespoten toxisch kan zijn
  • Wat is farmacologie?
    De combinatie van farmacokinetiek en farmacodynamiek. Je moet weten wat er met de stof gebeurt om hoeveelheden in bepaalde monsters te kunnen interpreteren en je moet weten wat er met het lichaam gebeurt om iets te kunnen zeggen over wat de mogelijke effecten zijn of zijn geweest. Hiermee kan je iemands toerekeningsvatbaarheid en gedrag verklaren
  • Leg uit waar in de kinetiek de (L)ADME voor staat. Waar gaat het over?
    (Liberatie, vrijzetting), Absorptie, Distributie, Metabolisme, Eliminatie.
    Het gaat over de verschillende fases die met de afname van hoeveelheid toxische stoffen concentratie te maken hebben
  • Wat is de halveringstijd (T1/2)?

    De tijd die het duurt van innemen die het duurt totdat je de helft van de maximale concentratie nog over hebt. Deze staat vast, is niet dosisafhankelijk maar wel stof afhankelijk (uitzondering alcohol).
    • Hiermee kan je terugrekenen wat er op een bepaald moment/tijd de concentratie is geweest, dus dan kan je wat zeggen over hoeveel iemand iets heeft ingenomen → dosis.
  • Waarvoor staat MEC, Tmax en Cmax?
    MEC = minimal effective concentration
    Tmax = tijd die t kost om bij cmax te komen
    Cmax =  maximale concentratie van die bereikt wordt bij de inname van een bepaalde drug
  • Leg uit waar de (L) in (L)ADME mee te maken heeft. Noem tevens ook een voorbeeld:
    Liberatie of vrijzetting: heeft te maken met de vertraging van bepaalde middelen. Bv. een medicijn die in een ampul of in een bepaalde stof verwerkt en die komen pas later vrij op een bepaalde plek op je lichaam en dit veroorzaakt dus vertraging tussen het moment van toedienen en het omhoog gaan van de concentratie van de werkzame stof.
  • Leg uit waar de A en de D mee te maken hebben in (L)ADME:
    Absorptie is opname lichaam van werkzame stof
    Distributie is verdeling in lichaam van de werkzame stof en de snelheid waarmee de concentratie omhoog gaat
  • Leg uit waar de M en de E mee te maken hebben in (L)ADME:
    Metabolisme: lichaam gaat stof afbreken en omzetten in andere stoffen, waardoor je dus minder werkzame stoffen krijgt of juist een reactie plaats vindt waardoor het werkzaam wordt.
    Eliminatie worden stoffen afgevoerd, dus uit lichaam verwijderen via urine etc. 
  • Waar gaat de kinetiek vooral over?
    Over hoe snel een stof het binnen komt en hoe snel het afgebroken wordt en hoe lang en of er dan een therapeutische concentratie of zelfs een toxische concentratie bereikt wordt.
    • Er zijn meerdere metingen nodig om te weten hoe de concentratie in een lichaam verlopen is.
    • Dus bij pre-analytische fase neemt men daarom twee samples zodat je kan weten of de concentratie bij de afname aan het oplopen of juist aan het aflopen was.
  • Noem de twee mechanismes die een grote rol spelen in de absorptie van een stof:
    Passieve diffusie:
    • Van plaats van hoge concentratie naar plaats van lage concentratie.
    • Kan met ‘hulp’ van membraanproteïnes: gefaciliteerde diffusie.
    • Geen energie voor nodig.

    Actieve transport:

    • Kan ook tegen een concentratiegradiënt in met behulp van ‘carrierproteïnes’ of receptoren. Concentratie carrierproteïnes en receptoren is niet oneindig, dus dergelijke processen kunnen verzadigd raken.
    • Conc. kan toenemen van lage naar hoge con. toe maar daar is wel energie voor nodig en daar zit een maximum aan als er eiwitten nodig zijn voor die stof.
    • Carrierproteins of receptoren zijn bepalend
    • Wel energie voor nodig.
  • Wat is bioavailability?
    De hoeveelheid geabsorbeerde drugs t.o.v. de hoeveelheid toegediende drugs wordt de ‘bioavailability’ genoemd. Deze is maximaal (100%) bij direct spuiten in de bloedbaan, maar via andere routes niet door incomplete absorptie en first-pass metabolisme.
  • Hoe komt het dat de bioavailability bij direct inspuiten in de bloedbaan 100% is?
    De stof zit meteen in je bloed hoeft dus niet over een celwand heen, wordt gelijk in je bloed opgenomen doordat die stof goed oplosbaar is in water. Hierna begint de afname, de absorptie en diffusie wordt dan overgeslagen in (L)ADME, maar het metabolisme en uitscheiden van stof gebeurd nog wel
  • Hoe zit het met de bioavailability bij orale inname van een drug?
    Bij Orale bioavailibility: Via first-pass metabolisme → Haalt stoffen uit elkaar van de drug en gebruikt stoffen voor bouwen lichaamseigen stoffen door bv. Opname in maag.  Het heeft een incomplete Cmax, dus ongeveer maar 70% in je bloed terecht.
    • Bij inname kom je nooit aan de 100%
  • Welke factoren spelen een rol bij bioavailability? Leg ook uit waarom ze een rol spelen:
    Oplosbaarheid
    • Stoffen moeten in oplossing zijn om in het bloed te kunnen komen. Een gecoat of ‘sustained release’ medicijn zal langzamer geabsorbeerd worden (Liberatie) . Opgeloste stoffen, met name in waterig milieu, absorberen sneller dan in vaste vorm.
      • Absorberen sneller dan een vaste stoffen

    Concentratie
    • diffusie is sterker/sneller als het concentratieverschil groter is.
      • bij grote conc. zal de diffusiesnelheid hoger zijn

    Oppervlakte
    • Groot oppervlak voor absorptie in dunne darm en maag.
      • Grotere opp. hoe meer diffusie of actieve opname

    Bloedtoevoer
    • Toegenomen bloedflow betekent sneller absorptie, veel kan worden opgenomen

    pH
    • Bepaald met de pKa de ionisatiegraad van het drugsmolecuul en daarmee lipofiliciteit (CHE2.3). Sterker lipofiel (niet geïoniseerd), makkelijker door membraan heen, snellere absorptie.
  • Wat houd distributie in? Waar is het het snelste?
    Distributie betreft het verplaatsen van de stof van een deel van het
    lichaam naar een ander (‘towards the site of action’).

    In kinetiek: van bloed naar weefsel (organen).
    • Distributie → Functie van de concentratie aangeboden aan het weefsel.
      • Hoe meer bloed er met een hoge concentratie langs het weefsel stroomt hoe sneller er meer er van die stof door dat orgaan kan worden opgenomen
    Snelst
    (veelal kwestie van minuten) in sterk doorlaatbare tissues als hart, lever, nieren en hersenen. 
    • Later in spier en vet (minder doorstroming)
    • Vetoplosbaarheid is dus weer gunstig om in weefsel te komen, dus molecuulstructuur en pH spelen ook hier een rol.
      • bv. naar de plek waar die moet werken
  • Wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen Thiopental en Pentobarbital?
    Het wordt beiden gebruikt als een slaapmiddel, maar thiopental is voor inslapen bij anesthesie.
  • Wanneer is een molecuul beter wateroplosbaar? Noem voorbeelden en wanner beter opname voor vetten?
    Wanneer het NH, S en O heeft met een bepaalde lading is het beter wateroplosbaar. Juist vertakkingen met alleen maar -C- zorgt voor opname vetten. De balans tussen deze twee is belangrijk voor de opname van een drug.
  • Hoe kan je de distributie verhinderen? Noem ook een aantal voorbeelden
    Distributie kan verhinderd worden door plasmaproteïnes die aan de drugsmoleculen binden.

    Voorbeelden:
    • Albumine (meest voorkomend in plasma) soort alpha helix
      • Door dit eiwit worden dus bv. benzodiazepines opgepikt worden waardoor de werking geremd kan worden
      • Die heeft bindingsplekken waar dus verschillende stoffen aan kunnen hangen, hierdoor kan de werking geremd worden. dus dit pakt drugs op en kan de werking wat langer in de tijd worden of het effect
    • Glycoproteine
      • Eiwitten met veel suikergroepen eraan
    • Lipoproteinen
      • Eiwitten met veel vetten eraan
    • Globulines
      •  Andere eiwitten in het bloed
  • Geef de definitie van distributievolume (Vd):
    De hoeveelheid vloeistof waarin een dosis van een stof gedistribueerd zou zijn als de totale dosis in het bloed was gebleven.
  • Hoe bereken je het distributievolume?
    Vd = D/c

    Waarbij:
    Vd = distributievolume (l/kg)
    D = dosis (mg/kg)
    c = bloedconcentratie (mg/L)
  • Waarvan is Vd afhankelijk?
    Afhankelijk van lipofiliciteit, pKa en mate van eiwitbinding. Stof voornamelijk in bloed, dan kleine Vd. Hoe groter de distributie, des te kleiner de plasmaconcentratie.
  • Waarom heb je relatief schoon bloed in je hersenen?
    Ene kant heb je hersenen met neuron en andere zijde heb je endothelial cells → zijn huidcellen die aan elkaar gekoppeld liggen met een ‘tight junction’ en heel veel stoffen kunnen daar niet overheen en komen dus niet bij de hersenen terecht en blijven aan de bloedkant hangen en daarom heb je relatief schoon bloed in je hersenen.
  • Wat kun je zeggen over de ‘bloed-hersen-barrière’ ?
    Drugs hebben vaak een belangrijk deel van hun werking in de hersenen, om daar te komen moeten ze door de ‘bloed-hersen-barrière’ heen. Voor lipofiele stoffen is dit makkelijker dan voor water oplosbare en polaire substanties. →  heroïne is daarom een meer potente drug is dan de sterk gelijkende morfine (gaat dus makkelijker door barrière heen).
  • Wanneer wordt het metabolisme ingezet? En wat houd het in?
    Als het lichaam een vreemde toegediende stof weer uit het systeem wilt krijgen. Houdt in het met behulp van enzymen om zetten van een stofje in een meer wateroplosbare metaboliet, vaak met toegenomen molecuulmassa en – grootte om uitscheiding te faciliteren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Toxicologie

  • 1582153200 inleiding

  • Wat is de LD50?
    Hoeveelheid van een stof die bij een éénmalige toediening sterfte veroorzaakt bij 50% van de proefdieren
  • Welke soorten specifieke toxiciteit zijn er?
    - reproductieve toxiciteit en teratogeniciteit
    - genotoxiciteit
    - mutageniciteit
    - carcinogeniciteit
  • Welke test kun je gebruiken voor de mutageniciteit en hoe werkt het?
    Ames test, Hierbij breng je een salmonella op een agarplaat die een puntmutatie heeft waardoor hij histidine nodig heeft om te kunnen delen. Als je dat dus op een agar doet zonder histidine kan die normaal niet groeien, behalve wanneer de puntmutatie ongedaan wordt gemaakt door het potentieel mutageen product. Dan is er deling-->stof is inderdaad mutageen
  • Hoe kan een stof met een hoge LD50 zoals PCB's toch gezien worden als heel toxisch?
    De LD50 zegt alleen maar iets over de acute toxiciteit. PCB's zijn vooral op langere termijn toxisch
  • Wat is het speciale aan sporenelementen?
    Te weinig is niet goed en te veel is ook niet goed, anders dan bij zware metalen, waar je gewoon het liefst niets van binnen krijgt
  • Wanneer kan intoxicatie optreden?
    - opname van giftige planten of dieren
    - eten van bedorven voedsel
    - opname vervuild water
    - opzettelijke vergiftigingen
    - onopzettelijke vergiftegingen
    - onoordeelkundig geneesmiddelengebruik
  • Wat zijn de verschillen tussen een plantencel en een dierencel?
    - plantencel heeft een celwand van cellulose
    - plantencel heeft chloroplasten
    - plantencel heeft een vacuole
  • Welke biologische mechanismen zijn er voor intoxicatie?
    - directe beschadiging door corrosieve werking=kaustisch
    - moleculaire intoxicatie= interactie tussen het toxicon en functionele elementen
    - competitieve werking 
    - interferentie met lichaamsmetabolisme
    - neurale beschadiging
    - beschadiging DNA
    - immuno-suppressie
    - ontwikkelingsdefecten
  • Welke soorten intoxicatie zijn er?
    - acute intoxicatie: éénmalige blootstelling aan massieve dosis binnen een korte tijdspanne
    - subacute intoxicatie: na herhaalde inname van een product in een concentratie die op zichzelf niet toxisch is (alcoholintoxicatie)
    - chronische intoxicatie door opstapeling in weefsels
    - laattijdige intoxicatie vb. Asbest, dioxine
    - carcinogene intoxicatie     
    1. eerst neoplastische omvorming
    2. dan neoplastische ontwikkeling
  • Welke soorten chemische carcinogenen zijn er?
    1. DNA reactieve zoals:
      • alkylerende verbindingen
      • polycyclische aromaten
      • nitrosaminen
      • metalen

    1. Epigenetische carcinogenen
      •  organochloorpesticiden
      • saccharine
      • oestrogenen
      • purine verbindingen

    1. niet te klasseren carcinogenen
      • ftalaten
      • dioxaan
  • Wat is de IARC classificatie van carcinogenen?
    Groep 1: carcinogeen voor de mens
    groep 2A: waarschijnlijk carcinogeen voor de mens
    groep 2B: zou carcinogeen kunnen zijn voor de mens
    groep 3: niet onder te brengen wat betreft carcinogeniciteit voor de mens
    groep 4: waarschijnlijk niet carcinogeen voor de mens
  • Hoe gaat de absorptie via het G.I. Kanaal?
    Passieve diffusie
  • Wanneer is er een verminderde resorptie in het G.I. Kanaal?
    Bij gevuld maagdarmkanaal. Behalve bij strygnine: strygnine op een lege maag zorgt voor braken, waardoor het merendeel er weer uit gaat. Dit is niet zo bij een gevulde maag
  • Wat zijn de voornaamste wegen van uitscheiding?
    - nier
    - GI kanaal
    - longen
    - huid
    - melkklier
  • Wat is NOEL?
    No observed effect level--> veilig dus
  • Waar zit P-gp?
    Cerebro spinale vloeistof
    Czs
    Lever en nier
  • 1582498800 koper (acuut), fotosensibilisatie, thallium begin

  • Wat is de etiologie van koper?
    Vooral zouten ervan zijn giftig, metallisch koper niet
  • Wat is de bron van koper?
    Cu-bevattende geneesmiddelen
    bordelese pap (is fungicide)
    kopernaftenaat (is houtbewerkingsmiddel)
  • Welke diersoort is vooral gevoelig aan een kopervergiftiging?
    Schaap, vooral lam
  • Wat is de pathogenese van koper?
    Dit
  • Wat zijn de letsels bij kopervergiftiging?
    Donkergroen gekleurde faeces en urine
    gestold bloed
    stuwing GI kanaal
  • Hoe stel je de diagnose van acute kopervergiftiging?
    Cu bepaling in de faeces en/of urine
  • Wat is het antidoot van koper?
    - kaliumferrocyanide, maar dat is een magistrale bereiding, heb je dus niet zo voor handen--> te traag dus
    - Na2S2O3---> werking niet aangetoond
  • Hoe kun je symptomatisch behandelen bij een acute kopervergiftiging?
    - purgeermiddelen (laxativa)
    - emetica
    - cardiotonica (atropine)
  • Welke plant is dit?
    Jacobskruiskruid
    Senecio jacobaea
  • Wat is dit?
    Boekweit
    Fagopyrum esculentum
  • Wat is dit?
    Brassica spp
    kruisbloemigen
  • Wat is dit?
    Sint-Janskruid
    Hypericum perforatum
  • Hoe gaat de toxiciteit bij de fotosensibiliserende planten?
    Zo
  • Wat is de lokalisatie van de letsels bij fotosensibiliserende planten?
    - niet gepigmenteerde huiddelen, vooral bij herbivoren
    - roodheid en oedeem treden eerst op door plaatselijke vasodilatatie en capillairbeschadiging. Kan gevolgd worden door necrose en vervelling
  • Wat is de bron voor de secundair fotosensibiliserende planten?
    Zwarte mosterd
    witte mosterd
    mergkool
    raapzaad
    koolzaad
  • Welke stof in de kruisbloemfamilie is giftig?
    Glucosinolaten
  • Waarvoor zorgt progoitrine van glucosinolaten?
    Verminderde werking van de schildklier
  • Wat zijn de symptomen van secundaire fotosensibilisatie?
    Etsing van GI kanaal--> koliek en diarree
    icterus
    nefretis--> albininurie en hematurie
  • Wat zijn bijkomende symptomen van de koolsoorten?
    Hemolyse
  • Wat zijn bijkomende symptomen van koolzaad?
    Thyroid remming--> door goitrine
  • Wat zijn bijkomende symptomen van raapzaad en koolraap?
    Methemoglobine
  • Wat is de etiologie van thallium?
    Insecticide, rattengif
    bijproduct bij ijzer, cadmium en zinkwinning
    en wordt gebruikt als katalysator
  • Wat is giftig: thallium 3+ of thallium 1+?
    1+, en EDTA is geen antidoot
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Toxicologie

  • 1525125600 Algemene toxicologie

  • Welke stoffen ondergaan glutathione conjugatie?
    • Met een hydrofoob karakter
    • Aanwezigheid van een elektrofiele koolstof (C met O)
    • Deze stoffen die niet enzymatisch andere conjugatiereacties ondergaan
  • Symptomen kat  na toedienen van bv. paracetamol:
    • Leveraantasting (icterus)
    • Secundaire bloedingen (minder aanmaak stollingsfactoren)
    • Oedemen
    • Hemoglobine wordt abnormaal --> transporteert geen O2 (met-Hb)
    • Albumine aanmaak abnormaal
  • Behandeling kat na toedienen paracetamol
    Blijft 4 dagen in het lichaam
    • Sulfaat toevoegen
    • GSH conjugatie stimuleren en onderhouden (weinig gedaan)
    • Cysteïne toevoegen
  • Antidoot: atropinesulfaat
    Bij intoxicaties met cholinesteraseremmers
  • Dosis atropine
    1/4 dosis I.V.
    3/4 dosis S.C. of I.M.

    Dosis: 0,2 mg/kg (monogastrica) - 0,5 mg/kg (herkauwer)
    3 à 4 maal (tussenpauze: 6-8 uren): herhaaldelijk behandelen
  • Antidoot: PAM (pralidoxime) en obidoxime
    = bij cholinesteraseremmers (organische fosfaatesters)
    niet bij carbamaatesters.

    --> reageren met het organisch fosfaatester met vorming van een complex. Dit complex wordt gemakkelijker urinair geëlimineerd.
  • CaNa2EDTA (parenteraal) en succimer (oraal)
    Gebruikt bij zware metalenvergiftiging
    Pb, Fe, Zn, Mn, As, Hg
    Principe: chelaatvorming, Ca-ion wordt uitgewisseld met zwaar metaal
  • Methyleenblauw
    Bij methemoglobinemie, bv. nitrieten en nitraten intoxicatie
  • Na-nitriet en Na-thiosulfaat
    Bij cyanidevergiftiging
  • Fomepizole
    Bij ethyleenglycol intoxicatie
  • Dosis vitamine K1
    5 mg/kg/dag SC bij hond en kat, nadien onderhoudsdosis: oraal voor 2-3 weken 2,5 mg/kg/dag over 2 toedieningen per dag verdeeld.

    Herhaal PTQuick 48u na stoppen vit. K1 toediening
  • Ammonium tetrathiomolybdaat
    Bij Cu intoxicatie schaap
  • 1525212000 Huid en mucosae

  • Giftstoffen die inwerken op huid en mucosa:
    • Nitreuze gassen (nitraat etc.)
    • Chloor en verbindingen
    • Koper - acute vergiftiging
    • Fotosensibiliserende planten (jacobskruiskruid, boekweit, brassica spp., sint-janskruid)
    • Thallium
  • Nitreuze gassen - etiologie
    1. Industrie (reactie van salpeterzuur met organisch materiaal) (bv. om ammoniak weg te wassen --> ammoniumnitraat = kunstmeststof)
    2. Onvolledige reductie van nitraten, vnl. in silo's - uitzonderlijk
    3. Pensmaag: maïs/gras bevat nitraat --> omgezet tot nitreuze gassen: NO3 --> NO2 --> melkzuurbacteriën: ammoniak --> eiwitten
  • Nitreuze gassen - pathogenese
    1. NO2 wordt ingeademd --> reageert met water dat zich op de oppervlakte van de luchtwegen bevindt --> vorming salpeterzuur --> etsing van de ademhalingswegen --> longbeschadiging, longoedeem en bronchiolitis/pneumonie. (bij mens: ''silo filler's disease'')
    --> evt. sterfte.

    2. Verbinding met alkaliën --> nitrieten (NO2)
    • Bij hoge concentratie: vasodilatatie (shock)
    • Bij lage concentratie: methemoglobine vorming (bruine kleur van bloed, geen transport van O2) 
  • Nitreuze gassen - syptomen
    1. Irritatie slijmvliezen (tranenvloei, hoesten)
    2. Methemoglobinemie (bruin bloed), cyanose, verstikking
  • Nitreuze gassen - behandeling
    Geen, enkel symptomatisch behandelen
    Vooral indien longletsels zijn opgetreden, is een therapie niet meer zinvol.
    Symptomatische behandeling:
    • Longoedeem: diuretica toedienen + cardiotonica (hartondersteuning)
    • Pneumonie: profylactisch Ab + evt. cortico's
  • DD nitreuze gassen
    NH3 en H2S
  • Chloor en verbindingen - pathogenese
    Chloorgas: inhalatie:
    1. Lokaal: (oxidatieve werking) --> HCl --> etsend op mucosa van longen, vnl. AH-problemen
    2. Resorptie van Cl- (systemisch) --> inhibitie SH-groepen in de enzymatische oxidatie-reductie systemen --> afname van het cellulair metabolisme
    3. Gastro-intestinale reactie (oraal): chloorgas: neerslag op voeders (gras) met vorming van HCl --> orale etsing met maagdarmklachten

    --> AH-PROBLEMEN, MAAGDARMKLACHTEN EN AFNAME CELLULAIR METABOLISME
  • Fosgeen
    = toxische chloorverbinding
    = oorlogsgassen (traangas)

    Zeer sterk vetoplosbaar + klein --> gemakkelijk geresorbeerd in epitheel
    Je krijgt: COCL2 --> CO2 + vorming van HCl en longirritatie --> beschadiging van alveolair epitheel en capillairen --> bronchopneumonie
  • Yperiet, Lewesiet
    = Dichlooordiethylsulfide (mosterdgas)
    Werkzaam op longslijmvliezen en huid
    Symptomen:
    • Blaasvorming van de huid en mucosae
    • Etsing AH stelsel
    • Beendermergdepressie --> abnormale bloedcellen
    • Beschadiging lymfwegen na resorptie
  • Koper - acute vs. chronische vergiftiging
    Bij acute: mimetisch beeld met bradycardie + shock en sterfte (hartverlamming + circulatoire stoornissen).
    Bij chronische: stapeling in lever tot bepaalde drempel: plots massaal in bloedbaan --> acute hemolyse
  • Koper (acute vergiftiging) - toxiciteit + pathogenese
    Toxiciteit: vooral schaap zeer gevoellig (lam > schaap > rund)
    Pathogenese:
    Lokaal = GI:
    • Irritatie met evt. hemorragische enteritis --> verhoogde motiliteit
    • Prikkeling van de vagus --> verhoogde motiliteit + reflectorisch: bradycardie --> sterfte
    Resorptie --> VD (vaatverlamming) --> BD daalt --> shock --> sterfte

    Je krijgt sterfte (hartverlamming) + circulatoire stoornissen
  • Koper (acute vergiftiging) - letsels
    Donkergroen gekleurde faeces en urine
    Gestold bloed
    Stuwing GI kanaal
  • Koper (acute vergiftiting) - diagnose
    Cu++ bepaling in de faeces en/of urine

    Als chronische vergiftiging: lever
  • Koper (acute vergiftiging) - behandeling
    Antidoot:
    • kaliumferrocyanide --> vasthouden van koper in darm en elimineren
    • Na2S2O3 (thiosulfaat)

    Symptomatische behandeling:
    • Purgeermiddelen of laxeermiddelen
    • Emetica (binnen 2-3 uur dier laten braken)
    • Cardiotonica
  • Fotosensibiliserende planten - welke planten?
    • Senecio spp. (o.a. Jacobskruiskruid) (Kruiskruidigen)
    • Boekweit (Fagopyrum esculentum)
    • Brassica spp.(Kruisbloemigen: o.a. raapzaad/koolzaad)
    • Hypericum perforatum (Sint-Janskruid) --> bevat hypericine (= rode kleurstof)
  • Fotosensibiliserende planten - pathogenese?
    2 manieren:
    • Plant bevat op zich al een giftige stof (bv. hypericine)
    • Secundair na leverbeschadiging: galobstructie --> metabolieten stapelen zich op in het bloed
    --> chemische toxines (gaan door blootstelling aan Uv-straling naar een hoger energetisch niveau --> radicalen vormen (ROS) --> beschadiging huidcapillairen = fotosensibilisatie
  • Fotosensibiliserende planten - lokalisatie van fotosensibilisatie
    Niet gepigmenteerde huiddelen, vooral bij herbivoren
    Roodheid en oedeem treden op door plaatselijke vasodilatatie en capillairbeschadiging. Dit kan gevolgd worden door necrose en vervelling.
  • Fotosensibiliserende planten - primaire fotosensibilisatie
    b.v. boekweit, Sint-Janskruid
    --> fluorescerend pigment (bv. fagopyrine) --> bloedbaan --> huidcapillairen --> UV activatie --> fotodermitis
  • Fotosensibiliserende planten - secundaire fotosensibilisatie
    B.v. Brassica, Senecio
    --> leverbeschadiging:
    • --> galgangenobstructie --> fyloerythrine (afbraakproduct van chlorofyl) en metabolisatieproducten --> bloedbaan --> huidcapillairen
    • Icterus, galpigmenten werkzaam als chemische toxinen --> huidcapillairen
    --> UV-activatie --> fotodermitis
  • Fotosensibiliserende planten - onderscheid primaire en secundaire fotosensibilisatie
    adhv bloed: leverenzymen gestegen bij secundaire fotosensibilisatie (yGT, AP en AST)
    Galpigmenten in bloed
  • Brassica - toxiciteit/pathogenese
    = secundaire toxiciteit.
    Residu (na pletten) bevatten wateroplosbare glycosiden (glucosinolaten), als deze in contact komen met specifieke enzymes (ook aanwezig in residu) --> hydrolyse in lichaam.
    Hierdoor komen er irriterende stoffen vrij, o.a. mostaardolie
  • Brassica - symptomen
    Op heel veel niveau's:
    1. Lokale inwerking:
      GI kanaal --> etsting --> koliek en diarree
      Huid --> irritatie
    2. Resorptie - lever (degeneratie --> icterus)
    3. Eliminatie - nier (nefritis --> albuminurie en hematurie)
    4. Hemolyse
    5. Thyroid remming --> goitrine
    6. Methemoglobine
  • Thallium - toxiciteit
    Worden gebruikt als rodenticiden
    Thallium+ > thallium+++
    • 3-waardige vorm: in vivo niet actief
    Vooral accumulatiegif
  • Thallium - kinetiek
    1. Goede orale resorptie, bij fysiologische pH is thallium oplosbaar en ook bij percutane toediening: resorptie.
    2. entero-hepatische kringloop (accumulatie)
    3. Urinaire uitscheiding: glomerulaire filtratie maar ook tubulaire herresorptie (accumulatie)

    --> accumuleert en dit blijft terug opgenomen worden --> langere verblijftijd in lichaam
  • Thallium - pathogenese
    Orale opname --> GI-irritatie (--> braken) --> snelle resorptie --> systemische effecten na latentietijd (--> moeilijk voor diagnose stellen):
    1. Blokkeert zwavelhoudende enzymen --> degeneratie vnl. in hart, lever en nier
    2. Interferentie K+ transport --> membraan ATP-ase wordt gestimuleerd --> accumulatie van Tl+ in K+ rijke weefsels = SPIER- EN ZENUWCELLEN --> polyneuritisch syndroom = CZS stoornissen (verlammingen + perifere neuritiden) en psychische stoornissen
    3. Sympaticus stimulatie (omgekeerde van koper) --> tachycardie + verhoogde BD + obstipatie + haaruitval (door te sterke VC) + perifere vasoconstrictie

    Uiteindelijk resultaat: uitscheidingstoxicose
    1. Nieren (nierinsufficiëntie)
    2. Haarklieren: haaruival met secundaire dermatitis (furunculose)
  • Thallium - symptomen
    1. Acuut:
    • GI verschijnselen (koliek/braken/bloederige diarree)
    • Motorische paralyse
    • AH-verlamming (dood na 1-3 dagen)
    2. Subacuut (latentietijd van +- 7 dagen)
    • Na enkele dagen schijnbare verbetering (na milde of GI symptomen), maar dan plots optreden van zenuwaandoeningen en huidverschijnselen --> haaruitval + rode mucosae (door uitscheidingstoxicose) + dermatitis
    • BD stijgt + tachycardie
    3. Chronisch
    • Na 14 dagen, vooral haaruitval: bilateraal symmetrisch en progressief (jonge katten en honden)
    • Bij oudere katten: zenuwverschijnselen (convulsies)

    Typische kenmerken: GI verschijnselen --> huidletsels (haaruitval) --> typische roodheid mucosae
  • Thallium - diagnose
    Thallium komt normaal niet voor in het organisme, bij aantreffen van kleine hoeveelheid is voldoende om tot intoxicatie te besluiten.

    Diagnose op urine/nierweefsel.
  • Thallium - behandeling
    1. Dithizone
    • Niet bij katten
    2. Parenteraal K+ toedienen (niet oraal!)
    3. Berlijns blauw
    • Kalium uitwisseling en complexvorming met thallium
    • Belet resorptie + onderbreekt de enterohepatische kringloop

    EDTA werkt niet
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke drie stoffen zijn dit
LSD, 2C-B en ketamine
Welke stof zie je hier en onder welke klasse hoort die?
1-fluor-JWH-018, een synthetische cannabinoïde.
Wat zijn synthetische cannabinoïden?
Voor recreatieve toepassing, vooral om de wet- en regelgeving te omzeilen omdat ze potenter zijn dan THC en dus soms moeilijk terug te vinden zijn voor analyse.
Wat is een belangrijk gegeven van THC als je later dit wilt analyseren?
Het is lipofiel, dus kan het rendement tijdens de analyse beïnvloeden. THC zit dus gebonden aan eiwitten
Leg het verschil in orale en roken als inname van cannabinoïdes uit:
Roken = snel effect (snel in bloedbaan)
Oraal = langzaam effect
Waardoor hebben cannabinoïden een snel metabolisme?
Door P450's, longweefsel helpt mogelijk ook
Leg de kinetiek van cannabinoïden uit, wat is het gevaar van orale opname?
  • Absorptie via longen (roken) of maagdarmkanaal (eten/drinken)
  • Vooral gerookt (pijp of joint), verlies van 30% THC
  • Eten (spacecake), met boter
  • Drinken (thee), met melk

Gevaar van orale inname:
  • effecten treden later op, dus dan ben je geneigd om meer te nemen
  • niet meer te sturen
  • duren langer
Noem de effecten van cannabinoïden, waar is de ervaring van afhankelijk?
Positief:
Euforie, lachen, relaxerend, meditatieve toestand, extra waardering voor muziek, alles meer ervaren/beleven, pijn, trek in eten, afname misselijkheid etc.

Negatief:
Misselijkheid (veelal in combinatie met alcohol of andere drugs), verhoogde hartslag, angst, paniekaanvallen, verwarring, paranoia, coördinatieverlies

Ervaringen afhankelijk van concentratie THC (meer is beter) en gemoedstoestand individu (bij drugs = heb je het stofje, Z = persoon die het gebruikt en de setting = situatie waarin het gebruikt wordt)
  • Als de drug hetzelfde is en de persoon hetzelfde, dan is de setting (vrolijk of niet) gaat dan een grote rol spelen. 
Leg de werking van cannabinoïden uit, leg ook uit wat er bij chronisch gebruik gebeurd en de mogelijke gevolgen:
  • Bindt aan CB1 receptoren (hersenen) en CB2 receptoren (perifeer)
    • Perifeer zorgen voor bijwerkingen
    • Hersenen zorgen voor werking
  • Vergelijkbaar met opiaten:
    • THC bindt aan receptor voor anandamide, minder GABA, minder rem op afgifte dopamine, toename concentratie, euforisch gevoel
    • Uiteindelijk leidt het dus vaak tot meer dopamine en meer euforie, uitzonderingen zijn echte psychedelica

Chronisch gebruik: afname CB1 receptoren (bescherming lichaam)


Mogelijk gevolg: aandachtsproblemen, geheugenverlies en minder goed kunnen leren
Noem de twee belangrijkste cannabinoïden, benoem ook het verschil:
THCΔ9 en CBD (cannabidiol). CBD is niet psycho-actief en die ander wel.