Summary Class notes - Voeding en Preventie

Course
- Voeding en Preventie
- Bart
- 2019 - 2020
- De Haagse Hogeschool (De Haagse Hogeschool, Den Haag)
- Voeding en Diëtetiek
332 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Voeding en Preventie

  • 1549148400 Leeruitkomsten

  • Macroverhouding dagelijkse energiebehoefte
    Eiwitten 10-25%
    Vetten 20-40%
    Koolhydraten 40-70%
    Vezels 30-40 gram per dag (1 MJ = 3,4 voedingsvezel)
  • Energetische waarde
    Calorische waarde. Dit is een maat voor de energie-inhoud van een brandstof die bij verbranding van warmte vrijkomt
  • Gemiddelde behoefte


    De gemiddelde behoefte (GB) is de hoeveelheid van een bepaalde voedingsstof die voldoende is voor de helft van een bevolkingsgroep, om de processen in het lichaam goed te kunnen uitvoeren. 
    Voor de meeste voedingsstoffen is bekend wat de gemiddelde behoefte is. De gemiddelde behoefte is nodig om de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vast te stellen.

    OmschrijvingDe gemiddelde behoefte (GB) beschrijft de hoeveelheid van een voedingsstof die voldoende is voor 50% van personen in de betreffende bevolkingsgroep. Een bevolkingsgroep is bijvoorbeeld mannen, vrouwen of kinderen. Van de meeste voedingsstoffen is de GB bekend.  
    De GB is nodig voor de berekening van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid.
    Bepalen van de gemiddelde behoefteElke voedingsstof draagt bij aan een proces in je lichaam. Denk bijvoorbeeld aan het onderhoud van het lichaam en het vrijmaken van energie uit voedingsstoffen. Voor de bepaling van de gemiddelde behoefte kijk je naar dit soort processen. De hoeveelheid van een voedingsstof waarbij 50% van de mensen wel en 50% van de mensen niet is voorzien, is de GB. De GB gaat uit van een statistisch normale verdeling. 
    Je kunt alleen een GB bepalen als er genoeg gegevens zijn over de relatie tussen de dosis van de voedingsstof en het proces waar het van invloed op is. 
    Als dit niet bekend is van een voedingsstof, zal de factoriële methode gebruikt worden. Hiervoor kijk je naar de totale lichaamsver­liezen van een voedingsstof, zoals die via urine, zweet en huidafschilfering je lichaam verlaat. Hieruit is af te leiden hoeveel van de stof in de voeding aanwezig moet zijn om dit verlies te compenseren. Een andere factor waar rekening mee gehouden moet worden is de biobeschikbaarheid. Dit is een maat voor de opname van een voedingsstof door het lichaam in de darm. 

    Bij jongere leeftijdsgroepen, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven moet rekening gehouden worden met de extra behoefte voor groei en vorming van nieuwe weefsels, en met de afgifte van voedingsstoffen via de moedermelk
  • Aanbevolen dagelijkse hoeveelheid
    OmschrijvingDe aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) is een maat om aan te geven hoeveel van een voedingsstof gezonde mensen dagelijks nodig hebben. Deze voedingsnormen worden vastgesteld door de Gezondheidsraad voor bijna alle vitamines en mineralen.   

    De ADH bestaat voor verschillende bevolkingsgroepen. De behoefte van mannen, vrouwen en kinderen aan voedingsstoffen is namelijk anders. Ook van persoon tot persoon kan de behoefte flink uiteenlopen. Dat heeft te maken met verschillen in gewicht en in stofwisseling, samenhangend met erfelijke factoren. Daarom is er een ruime marge ingebouwd. 

    Bepalen van de ADHElke voedingsstof draagt bij aan een proces in je lichaam. Denk bijvoorbeeld aan het onderhoud van het lichaam en het vrijmaken van energie uit voedingsstoffen. Aan de hand van deze processen wordt de gemiddelde behoefte bepaald. De algemene dagelijkse hoeveelheid (ADH) volgt weer uit gemiddelde behoefte.   

    De ADH is de hoeveelheid van een voedingsstof die voldoende is om de behoefte van vrijwel een hele bevolkingsgroep te dekken. 97,5% van de bevolkingsgroep krijgt met deze waarde voldoende van de voedingsstof binnen. De ADH gaat uit van een statistisch normale verdeling en bereken je als [de gemiddelde behoefte + 2 x de standaardafwijking]. 
  • Adequate inneming



    Het niveau van adequate inname (AI) is een schatting van de laagste hoeveelheid voedingsstoffen die voor vrijwel alle mensen voldoende is.   
    Deze waarde geldt als er geen aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vastgesteld kan worden.


    OmschrijvingDe adequate inname (AI) is de laagst bekende hoeveelheid van een  voedings­stof die voor vrijwel alle personen in een bepaalde bevolkingsgroep voldoende is. Een bevolkingsgroep is bijvoorbeeld mannen, vrouwen of kinderen. 
    De AI geldt voor sommige voedingsstoffen waarvan er geen gemiddelde behoefte bekend is. Dan kan ook geen aanbevolen dagelijkse hoeveelheid worden afgeleid.  

    Bepalen van de adequate innameVoor het vaststellen van de adequate inname wordt de beschikbare onderzoeks­data gebruikt. Omdat er rekening gehouden moet worden met het gebrek aan bepaalde data, zal de AI hoger zijn dan de daadwerkelijke ondergrens die nodig is om een persoon gezond te houden.   
    Voor zuigelingen geldt de hoeveelheid voedingsstof in de moedermelk van een gezonde, goed gevoede moeder als basis van de AI. Voor jongere leeftijdsgroepen zijn er onvoldoende gegevens. Bij deze bevolkingsgroep is de AI gebaseerd op de aanbevelingen voor zuigelingen en volwassenen. 
  • Aanvaardbare bovengrens van inneming


    Een te hoge inname van bepaalde voedingsstoffen kan op de lange termijn slecht zijn voor de gezondheid. Daarom wordt er voor die voedingsstoffen een aanvaardbare bovengrens vastgesteld. 

    De aanvaardbare bovengrens is de hoogste inname waarbij er geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid te verwachten zijn.


    OmschrijvingVoor bepaalde vitamines en mineralen is vastgesteld een te hoge inname over een langere periode nadelige effecten kan hebben op de gezondheid.
    De aanvaardbare bovengrens is de hoogste inname waarbij geen schadelijke (gezondheids)effecten te verwachten zijn bij langdurige blootstelling. Het is in andere woorden de grens waarboven een voedingsstof schadelijk kan worden voor je gezondheid.


    Bepalen van de aanvaardbare bovengrens
    Een aanvaardbare bovengrens wordt afgeleid op basis van één van de twee onderstaande niveaus: 
    • Het hoogste niveau van inname waarbij geen schadelijke effecten optreden. Dit niveau heet NOAEL: No observed adverse effect level.
    • Het laagste niveau van inname waarbij wel ongewenste effecten zijn vastgesteld. Dit niveau heet LOAEL: lowest observed adverse effect level. 



    Vervolgens wordt de aanvaardbare bovengrens vastgesteld door een onzekerheidsfactor te gebruiken. De aanvaardbare bovengrens ligt daardoor altijd nog onder de NOAEL of LOAEL. Dat zie je ook in het figuur hieronder. Daarin staat ook de samenhang met de gemiddelde behoefte, aanbevolen hoeveelheid en de adequate inname.



    Bron: Gezondheidsraad (2003) publicatie nr 2003/04

    Boven de aanvaardbare bovengrensIn geval van overschrijding van de aanvaardbare bovengrens is er een mogelijk gezondheidsrisico. Het gaat daarbij om schadelijke effecten op de gezondheid die bij langdurig gebruik kunnen optreden. Bij een eenmalige of kortdurende overschrijding zal vrijwel nooit een direct gezondheidsprobleem ontstaan. 

    Een uitzondering hierop is een overschrijding van de aanvaardbare bovengrens voor vitamine A bij zwangere vrouwen. Een kortdurende overschrijding in de vroege zwangerschap kan schade veroorzaken aan het embryo en vormt een risico op een kind met aangeboren afwijkingen. 
  • Energie



    Eten en drinken leveren energie die het lichaam nodig heeft om te kunnen functioneren.
    De hoeveelheid energie wordt uitgedrukt in kilocalorieën of kilojoules. 1 kilocalorie = 4,2 kilojoules. Meestal wordt gesproken over calorieën.
    De energiebehoefte van mannen tussen de 30 en 50 jaar met een zittend beroep en weinig beweging in de vrije tijd ligt rond de 2.500 kilocalorieën per dag. Vrouwen van die leeftijd met dezelfde inactieve leefstijl hebben gemiddeld 2.000 kilocalorieën nodig.


    OmschrijvingDe hoeveelheid energie in een voedingsmiddel hangt af van de hoeveelheid vetten, koolhydraten, eiwitten en alcohol.
    1 gram vet levert 9 kcal 
    1 gram koolhydraten levert 4 kcal
    1 gram eiwit levert 4 kcal
    1 gram alcohol levert 7 kcal
    Water, vitamines en mineralen leveren geen calorieën, vezelsheel weinig.

    Voor het gewicht maakt het geen verschil welke voedingsstoffen de calorieën leveren: elke calorie telt. Wel heeft iedere voedingsstof een eigen invloed op het mechanisme van honger en verzadiging en behandelt het lichaam ze verschillend.
    Zo geeft vet niet zo snel een verzadigd gevoel, maar verzadigt het wel voor lange tijd. Verder gebruikt het lichaam in eerste instantie koolhydraten als energiebron. Alcohol wordt zo snel mogelijk verbrand. Voedingsvezels leveren heel weinig energie (calorieën), maar zorgen wel voor een verzadigd gevoel.      
  • Energie - balans/behoefte
    EnergiebalansVoor een gezond gewicht en het houden daarvan, moet er een evenwicht zijn in de hoeveelheid energie die de voeding levert en de hoeveelheid energie die het lichaam verbruikt. Dat heet energiebalans.
    Wordt er te veel gegeten en/of te weinig bewogen, dan ontstaat een teveel aan energie. Dit wordt opgeslagen als lichaamsvet, waardoor het gewicht stijgt. Is er te weinig energie beschikbaar uit eten, dan zal het lichaam energie vrijmaken uit lichaamsvet, waardoor het gewicht afneemt.
    Onder normale omstandigheden schommelt de energiebalans van maaltijd naar maaltijd, van dag tot dag en van week naar week. De hoeveelheid energie die per dag wordt ingenomen, verschilt sterk tussen mensen, maar ook bij één en dezelfde persoon.
    Een constant lichaamsgewicht betekent dat iemand over langere perioden, langer dan een week, evenveel energie opneemt als zijn lichaam nodig heeft.
    Gewichtstoename betekent dat iemands energie-inname op lange termijn hoger is dan het energieverbruik. Zo leidt bij vrouwen een overschot van gemiddeld 20 kcal per dag (de hoeveelheid energie in een klontje suiker) ertoe dat ze na een jaar een kilo zwaarder zijn.

    EnergiebehoefteHoeveel energie iemand verbruikt, is afhankelijk van geslacht, lengte, leeftijd, gewicht, hoeveel hij of zij beweegt en de zwaarte van de inspanning. Met deze gegevens kan de individuele energiebehoefte worden berekend.
    Een indicatie van de energiebehoefte naar geslacht, leeftijd en levensstijl staat in een tabel op de pagina Behoud een gezond gewicht.
    In het algemeen geldt dat mannen bij dezelfde hoeveelheid inspanning meer energie verbruiken dan vrouwen. Dat komt doordat ze verhoudingsgewijs meer spierweefsel hebben en het energieverbruik daarvan is relatief hoog.
    De energiebehoefte van mannen tussen de 30 en 50 jaar met een zittend beroep en weinig beweging in de vrije tijd ligt rond de 2.500 kilocalorieën per dag. Vrouwen van die leeftijd met dezelfde inactieve leefstijl kunnen met gemiddeld 2.000 kilocalorieën toe. Met het ouder worden, neemt de energiebehoefte af.

    De energiebehoefte is groter bij mensen die veel bewegen. Jongeren in de groei, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven hebben ook extra energie nodig. Ook bij sommige ziekten, bijvoorbeeld bij koorts, en na operaties is sprake van een verhoogde energiebehoefte.
    Als het lichaam ongeveer dezelfde hoeveelheid energie binnenkrijgt als het nodig heeft, zal het de energie uit het eten van die dag gebruiken. Of de energie meteen wordt gebruikt of later, bijvoorbeeld ’s nachts, hangt af van de energiebehoefte op dat moment.
    Is er direct energie nodig, dan gaat de energie uit de koolhydraten meteen naar de organen die energie nodig hebben. Daarna volgt de energie uit de vetten. Als er voldoende energie uit koolhydraten beschikbaar is, slaat het lichaam in eerste instantie vet uit de voeding op in het vetweefsel. Ook kan het lichaam een kleine voorraad koolhydraten aanleggen in de vorm van glycogeen in lever en spieren. De opgeslagen energie wordt gebruikt zodra er weer energie nodig is.
  • Energie - PAL
    PAL-waardenDe energiebehoefte hangt dus ook af van lichamelijke activiteit. De mate van lichamelijke activiteit kan worden omschreven met de zogeheten PAL-waarde, waarbij PAL staat voor ‘physical activity level’. De PAL-waarde is de factor waarmee de basaalstofwisseling moet worden vermenigvuldigd om het totale energieverbruik per dag te berekenen.
    De PAL-waarde varieert van 1,2 bij zeer inactieve personen tot 2,4 bij zeer actieve personen. Voor volwassenen met een weinig actieve leefstijl (zittend werk met weinig beweging in de vrije tijd) geldt tot 50 jaar een PAL van 1,5, bij een leeftijd van 50-70 jaar 1,4, en vanaf 70 jaar 1,3. Bij volwassenen die lichamelijk wat actiever zijn, wordt een PAL-waarde van 1,7 genomen voor volwassenen tot 50 jaar, 1,6 voor volwassenen van 50-70 jaar en 1,5 voor volwassenen ouder dan 70 jaar.
    Verzadiging
    Het lichaam geeft voor een deel zelf aan of het al dan niet energie nodig heeft. Daarbij spelen gevoelens van trek en verzadiging een rol. Deze gevoelens worden onder andere aangestuurd door hormonen die de eetlust beïnvloeden. Verder speelt aangeleerd gedrag een belangrijke rol. Ook het eten zelf heeft invloed op de mate van trek en verzadiging.  
    LichaamssignalenBij het mechanisme van honger en verzadiging zijn de zintuigen van belang. Ze worden bevredigd door smaak, geur, textuur en aanblik van voedsel. Daarbij geldt dat de zintuigen vooral verzadigd raken door voedsel dat net is gegeten. Dat geldt vooral voor de smaak.Het maag-darmkanaal en de lever geven hormonen af die de eetlust beïnvloeden. Na een maaltijd nemen deze verzadigingssignalen langzamerhand af en krijgen hongersignalen vanuit de maag naar de hersenen de overhand.

    Het mechanisme van honger en verzadiging werkt goed bij mensen die relatief veel energie nodig hebben, zoals veel jonge mannen. Zij kunnen afgaan op de signalen die het lichaam geeft.
    Vrouwen en ouderen hebben minder energie nodig. Naarmate iemand minder energie nodig heeft, werken de honger-verzadigingssignalen minder goed, en kan er sneller een positieve energiebalans ontstaan.    
    Aangeleerd gedragHoeveel mensen eten, wordt ook beïnvloed door aangeleerd gedrag. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, zoals hoeveel eten er is, hoe laat het is, in wat voor gezelschap mensen zich bevinden, of ze af willen vallen, of ze om hun gezondheid denken en hoe ze zich voelen.
    Een extreem voorbeeld van aangeleerd gedrag zijn hongerstakers. Zij ontkennen het mechanisme van honger en verzadiging helemaal. Ook mensen die op hun gewicht letten, regelen de eetlust vooral ‘met het hoofd’.
    Ook topsporters, die een zeer hoge energiebehoefte hebben, kunnen niet volledig varen op de lichamelijke signalen. Zij hebben zoveel energie nodig dat ze niet spontaan voldoende zullen eten. Zij moeten dus bewust bedenken en leren hoeveel ze moeten eten.   

    Het eten en omgevingsfactorenGevoelens van honger en verzadiging worden ook beïnvloed door het eten zelf: het gewicht, volume, de tijd dat het eten in de maag zit en de samenstelling qua vetten, koolhydraten en eiwitten. Verder spelen de omstandigheden een rol: als de portie groot is, wordt er meer gegeten. Wie met meer mensen aan tafel zit, eet meer dan diegene in zijn eentje zou eten.
  • Spijsvertering


    De spijsvertering is het losmaken, opnemen en omzetten van voedingsstoffen in energie en bouwstenen voor het lichaam.
    Het eten en drinken dat door de mond het lichaam binnenkomt, wordt behandeld en in kleine stukjes geknipt. Zodoende kan het lichaam alle voedingsstoffen via de darmen opnemen in het bloed.


    OmschrijvingVanaf de mond tot de anus is voeding 24 tot 28 uur onderweg. Het voedsel wordt klein gemalen, vermengd en voortgestuwd om zo de voedingsstoffen op te nemen in het bloed. Hieronder staat per onderdeel kort weergegeven hoe dat proces werkt. 
  • Spijsvertering - Mond
    MondIn de mond komt het eten binnen. De tanden, kiezen en tong malen het eten fijn. Doordat het vermengt raakt met speeksel is het gemakkelijk om het voedsel door te slikken. In het speeksel zit een enzym (amylase) dat vast kan gaan inwerken op het zetmeel. Als we aan eten denken komt er al speeksel vrij. Op een dag is dat in totaal ongeveer een liter. En afhankelijk van wat we eten verandert de samenstelling van het speeksel: eten we droog, dan komt er veel water bij, eten we iets taais, dan komt er meer slijm bij.
  • Assimilatie
    Opnemen en verwerken van voedingsstoffen. 
    Chemosynthethische koolzuurassimilatie -> zuurstof bindt zich met een bepaald chemische verbinding en daarbij komt energie vrij.

    Het proces waarbij zuurstof zich bind met een andere stof heet oxidatie
  • Glycolyse
    Het afbreken van glycogeen tot glucose. Dit gebeurt onder invloed van cortisol, adrenaline en glucagon in de lever, wanneer er behoefte is aan extra brandstof.
  • Glyconeogenese
    Het opbouwen van glycogeen uit glucosemoleculen. De lever heeft hiervoor enzymen nodig (?) en het hormoon insuline uit de alvleesklier.
  • HDL - cholesterol
    Goed cholesterol

    Het HDL-cholesterol is het goede cholesterol, want het helpt bij het opruimen van het cholesterol uit het bloed. Een hoger HDL is dus beter. Hiervoor geldt geen streefwaarde. Een HDL van meer dan 1,0 mmol/l voor mannen en meer dan 1,2 mmol/l voor vrouwen wijst op een lager risico op hart- en vaatziekten.
  • LDL - cholesterol
    Slecht cholesterol

    Het LDL-cholesterol wordt ook wel het slechte cholesterol genoemd. Daarom moet deze waarde zo laag mogelijk zijn. De gewenste waarde voor het LDL is 2,5 mmol/l of lager. 
  • Triglyceriden
    Ook voor het triglyceridengehalte geldt geen streefwaarde. Een waarde lager dan 1,7 mmol/l wijst op een lager risico op hart- en vaatziekten. 
  • Riboses
    Koolhydraten met 5 koolstofatomen
  • Endogeen
    Door het lichaam gemaakt/ lichaamseigen
  • Exogeen
    Uit de voeding/ lichaamsvreemde
  • Receptoren
    In de celmembraan zorgen voor stabilisatie. 
    Het zijn de stoffen die antilichamen herkennen in het membraan van ziekteverwerkers.
    Bepalen de bloedgroep van mensen (A, B, AB)

    zijn eiwitten in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waaraan een specifiek molecuul kan binden. Receptoren kunnen signalen van binnen of buiten de cel doorgeven: wanneer een signaalmolecuul aan een receptor bindt, kan de receptor een cellulaire respons op gang brengen. Zowel lichaamseigen (endogene) stoffen (zoals neurotransmitters, hormonen en cytokinen), als lichaamsvreemde (exogene) stoffen (zoals antigenen en feromonen) kunnen een dergelijke cellulaire respons opwekken. Kennis
  • Denaturatie
    = van hun natuurlijke eigenschappen ontdaan. Verandering in eiwitten zodat enzymen makkelijker het eiwit kunnen afbreken. De verandering vind plaats door de behandeling die voedsel ondergaat voordat we het eten.
  • Condensatie reactie
    is een reactie waarbij moleculen (monomeren) met elkaar reageren tot grotere moleculen (polymeren), terwijl tegelijkertijd een klein molecuul wordt afgesplitst. Dit is meestal water, maar ook waterstofchloride, ammoniak of andere verbindingen kunnen hierbij gevormd worden. Een condensatiereactie waarbij water wordt afgesplitst, is het tegenovergestelde van hydrolyse.
  • Hydrolyse reactie
    Is de splitsing van een chemische verbinding onder opname van water.
  • Terugkoppelingssysteem
    Regelt het evenwicht tussen de opbouw en afbraak van eiwitten in ons lichaam
  • Koolhydraten
    Koolhydraten zijn (samen met vetten) de belangrijkste energie dragers. Koolhydraten zorgen voor de directe energie (in de vorm van glucose) die het lichaam nodig heeft om te kunnen functioneren.
  • Koolhydraten - Functie
    Koolhydraten in de vorm van glucose zijn direct beschikbaar als brandstof voor de cellen. Met name de rode bloedlichaampjes, de hersen- en zenuwcellen kunnen alleen maar glucose als energiebron gebruiken. 
  • Koolhydraten - structuur
    Op grond  van hun chemische structuur kunnen we koolhydraten (sachariden) onderverdelen in drie groepen:
    -Monosachariden of enkelvoudige koolhydraten: kleinst mogelijke koolhydraatmoleculen, bouwsteen voor alle koolhydraten, v.b.: druiven (glucose), honing en vijgen (fructose)
    -Disachariden of tweevoudige koolhydraten: twee met elkaar verbonden monosachariden, v.b.: suiker, lactose, maltose
    -Polysachariden of meervoudige koolhydraten: groot aantal monosachariden (20+), niet oplosbaar in water, niet zoet, v.b.: zetmeel, glycogeen en voedingsvezels
  • Vetten
    Vetten zijn belangrijke energie dragers. Leveren twee maal zo veel energie dan koolhydraten. Vetten, ook wel lipiden genoemd, is de verzamelnaam voor een groep stoffen die zich onderscheidt van ander stoffen, omdat ze niet in water oplossen. Vet is hydrofoob.
  • Vetten - Functie
    Voor het grootste gedeelte (ongeveer de helft) opgeslagen onder de huid vormen vetten behalve een belangrijke energie reserve ook een belangrijke isolatielaag, die temperatuur schommelingen tegengaat. Ook de isolatiemantel van zenuwen bestaat uit een vetachtige stof (myeline) vetten zijn met name voor de celmembranen een belangrijke bouwstof en spelen een belangrijk rol bij de opslag en transport van in vet oplosbare vitamine
  • Vetten - chemische structuur
    Op grond van hun chemische structuur kunnen we de vetten in onze voeding onderverdelen in enkelvoudige vetten en vetachtige stoffen:
    -Enkelvoudige vetten (lipiden), b.v.: vetten (botervet), oliën (olijfolie) en wassen (bijenwas)
    -Vetachtige stoffen:
    oSamengestelde vetten (lipoïden), zoals fosfolipiden (lecithine) en glycolipiden
    oVan vetten (lipiden) afgeleide stoffen, zoals sterolen (cholesterol), vet oplosbare vitamines (A, D en E), sommige antioxidanten en lipochromen (carotenoïden, chlorofyl)
  • Eiwitten
    Eiwitten vormen het fundament van alle cellen. Lichaamseiwit is opgebouwd uit aminozuren volgens een zeer vast patroon. Ieder lichaamscel bestaat uit 100 tot 1000 verschillende eiwitten. De aminozuren die het lichaam nodig heeft voor de opbouw, worden aangeboden in de vorm van voedseleiwit (essentiële aminozuren). Door middel van spijsvertering vormt het lichaam de benodigde aminozuren. Dit vind voornamelijk plaats in de lever.
  • Eiwitten - Functie
    Eiwitten zijn absoluut onmisbaar bij de opbouw van:
    -de celstructuur,
    -de aanmaak van hormonen,
    -neurotransmitters,
    -enzymen en het
    -onderhouden van het spierstelsel
    Elk lichaamseiwit heeft een, afhankelijk van zijn functie een specifieke bouw, specifieke eigenschappen
    -Skelet; stevigheid
    -Huid; bescherming
    -Hemoglobine; zuurstoftransport
    Vloedvatwanden; regulering van de bloeddruk
  • Eiwitten - chemische structuur
    Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren zijn samengesteld uit de elementen koolstof (C), waterstof (H) en stikstof (N). sommige aminozuren bevatten ook de elementen zwavel (S), fosfor (P), ijzer (Fe) of jodium (J)
    Er zijn twintig aminozuren die ons lichaam nodig heeft om daaruit eiwitten te kunnen maken:
    -Niet essentieel: Twaalf van deze aminozuren maakt het lichaam zelf aan
    -Essentieel: Acht aminozuren krijgen we binnen via ons voedsel.
    -Semi essentieel: kan het lichaam vormen uit ander aminozuren
    Beschrijving eiwit aan de hand van complexiteit
    -Primaire structuur: de rangschikking van de aminozuren in de hoofdketen.
    -Secundaire structuur: vorming van waterstofbruggen tussen de waterstof- en zuurstofatomen in de peptideketens. Optreden van dubbele spiraal/ helix of vouwbladstructuur
    -Tertiaire structuur: aminozuren gaan op allerlei manieren verbindingen met elkaar aan en heeft een globulaire vorm
    Op basis van vorm, ruimtelijke bouw en samenstelling worden eiwitten ingedeeld:
    -Enkelvoudige eiwitten: polypeptiden van uitsluitend aminozuren
    -Samengestelde eiwitten: complex gebonden aan andere voedingsstoffen (niet-eiwitten)
  • Volwaardige eiwitten
    Wanneer een eiwit in het bezit is van alle essentiële aminozuren
  • Onvolwaardige eiwitten
    Er ontbreken 1 of meerdere essentiële eiwitten
  • Hoge/ lage biologische waarde
    Kwaliteitsaanduiding voor eiwitten. Hoe meer het overeenkomt met het menselijk eiwit hoe hoger de biologische waarde van het eiwit
  • Lichaamseiwit
    Wordt opgebouwd uit aminozuren.
    In de lever  worden eiwitten  gevormd uit aminozuren die het lichaam en binnenkrijgt via de voeding .
  • Actieve celmassa
    Je verbranding in rust houdt vooral verband met je actieve celmassa. Wanneer je meer spiermassa hebt, is dus je basaal metabolisme -de verbranding tijdens rust- hoger
  • Primaire vitaminedeficiënties
    Vitaminegebrek door te korten uit voeding of verkeerde samenstelling
  • Secundaire vitaminedeficiëntie
    Voldoende vitamine inname via de voeding. Andere factoren die de opname van vitamine remmen, verminderen of verhinderen. Denk aan: genesmiddelen, antagonisten, anitvitamines, eetlustremmende middelen
  • Avitaminose
    Ziekte door gebrek aan vitamine
  • Hypovitaminose
    Ziekte door onvoldoende aanwezige vitamines
  • Zwavelbruggen
    Een zwavelbrug of disulfidebrug (S-S) is een sterke covalente binding, die normaliter ontstaan is door reactie tussen twee thiolgroepen.


    Zwavelbruggen komen vooral voor bij eiwitten. Doordat zwavelbruggen, net zoals andere covalente bindingen, vrij sterke bindingen zijn, vormen ze belangrijke structurele elementen van eiwitten. Zwavelbruggen zijn sterk bepalend voor de uiteindelijke eiwitstructuur.


    Wanneer door mutatie van een gen of door denaturatie van een eiwit een zwavelbrug niet meer gevormd kan worden of er een extra brug ontstaat, verliest het eiwit de enzymatische activiteit en is het bovendien vaak niet meer functioneel.
  • Absorptie
    Het opnemen van gas-, vloeibare- of vaste deeltjes in vloeibaar of vast materiaal
  • Micro nutriënten
    Vitamine mineralen
  • Vitamines
    Vitamines zijn werkzame organische verbindingen die in kleine hoeveelheden nodig zijn voor het normaal functioneren van ieder organisme op aarde. Vitamines hebben een specifieke werking bij allerlei sleutelfuncties van de stofwisseling in ons lichaam. Als we er niet over kunnen beschikken ontstaan allerlei ziekteverschijnselen, die meestal verdwijnen al we weer voldoende van de betreffende vitamine binnenkrijgen.
  • Mineralen
    We hanteren de volgende verdeling voor de in de natuur aanwezige stoffen
    -organische (uit de levende natuur) en
    -anorganische (mineralen) stoffen.
    Elementen worden onderverdeeld in
    -metalen, geleiden elektrische stroom
    -niet metalen, geleiden de elektrische stroom meestal niet
    Afhankelijk van het voorkomen in ons lichaam en de behoefte worden mineralen onderverdeeld in
    -macro elementen (komen in relatief grote hoeveelheden in ons lichaam voor.
    -micro elementen (ook wel de sporenelementen, komen in veel lagere concentraties in het lichaam voor)
  • Sporenelement
    Afhankelijk van het voorkomen in ons lichaam en de behoefte worden mineralen onderverdeeld in macro en micro elementen (sporenelementen).
  • Vitamines - wateroplosbaar
    -Vitamine B1, thiamine
    -Vitamine B2, riboflavine
    -Vitamine B3, nicotinezuur
    -Vitamine B5, pantotheenzuur
    -Vitamine B6, pyridoxine
    -Vitamine B8, (H) biotine
    -Vitamine B11, (M) foliumzuur
    -Vitamine B12, cyanocobalamine
    Vitamine C, ascorbinezuur 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Vertering macro/micronutriënten
ant
Fysiologie spijsvertering
ant
Anatomie spijsvertering
ant
Spijsvertering - Lever
LeverTot slot draagt ook de lever bij aan het spijsverteringsproces. Dit orgaan maakt dus galvloeistof, maar staat via de poortader ook vrij direct in contact met de darmen. Alle stoffen, die net zijn opgenomen in het bloed, komen zo eerst langs de lever. De lever kan deze stoffen dan verder behandelen of het lichaam in sturen.   
Spijsvertering - Galblaas
GalblaasOp hetzelfde punt in de dunne darm komt galvloeistof bij de voedselbrij uit de galblaas. Gal wordt gemaakt door de lever. Deze vloeistof is vooral nodig om vetten te verteren. 
Spijsvertering - Alvleesklier
Alvleesklier In de alvleesklier wordt alvleeskliersap gemaakt dat aan het begin van de dunne darm wordt toegevoegd aan de voedselbrij. Hierin zitten verschillende soorten spijsverteringsenzymen, bijvoorbeeld lipase voor de vertering van vetten. In de alvleesklier wordt ook insuline gemaakt dat de suikerstofwisseling regelt.  
Spijsvertering - Dikke darm
Dikke darm, endeldarm en anus Het waterige mengsel met onverteerbare voedselresten komt in de dikke darm een mix van darmbacteriën tegen. De bacteriën zorgen ervoor dat de laatste voedingsstoffen worden opgenomen. Bovendien onttrekt de dikke darm water en zouten uit de dunne brij, zodat een soepele en toch vaste ontlasting ontstaat. Dit wordt tijdelijk opgeslagen in de endeldarm net zolang tot je aandrang krijgt en de ontlasting via de anus het lichaam verlaat. 
Spijsvertering - Dunne darm
Dunne darmDe dunne darm zorgt ervoor dat voedingsstoffen die door de vertering beschikbaar komen via de darmwand in het lichaam terecht komen. Dat gaat in een paar onderdelen van de dunne darm. Het eten komt na de maag via een sluitspier uit in de twaalfvingerige darm (duodenum). In dit deel komen er verteringssappen uit de alvleesklier en galblaas bij. Daarna gaat het voedsel via de nuchtere darm (jejunum) en de kronkeldarm (ileum) als waterdunne vloeistof door naar de dikke darm. Doordat de wand van de dunne darm sterk geplooid is, heeft het een groot oppervlakte. Dit is nodig om er voor te zorgen dat de opname van voedingsstoffen goed verloopt. 
Spijsvertering -  Maag
Maag In de maag komt het eten samen met het maagsap. Dit is heel zuur en daarom is de binnenkant van de maag beschermd met een slijmvlies. Het maagsap bevat onder andere spijsverteringsenzymen en daardoor komt de vertering van het voedsel verder op gang. Het zoutzuur in het maagsap doodt bacteriën die we met ons voedsel binnenkrijgen. De spieren aan de buitenkant van de maag kneden bovendien de inhoud. 
Spijsvertering - Slokdarm
Slokdarm Na dat je het eten hebt doorgeslikt, komt het in de slokdarm op weg naar de maag. Dat is een gespierde buis van ongeveer dertig centimeter. Doordat er spieren omheen zitten kan de slokdarm kneden en wordt het voedsel geleidelijk naar de maag geleid. Daarvoor moet het eten nog door een sluitspiertje: de slokdarmsfincter. Deze kringspier zorgt er ook voor dat het eten uit de maag niet meer terug omhoog komt.