Summary CRUX2 (I&I)

-
196 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - CRUX2 (I&I)

  • 1 Slimstuderen

  • waarom zou je bij een pneumonie een urinetest doen?
    kijken naar de aanwezigheid van legionella of pneumokokken
  • welke aandoeningen horen bij BLWI en welke bij OLWI?
    BLWI: rhinitis, sinusitis
    alles onder de stembanden is OLWI, zoals pneumonie 
  • wat zijn de belangrijkste verwekkers van luchtweginfecties?
    virussen. 

    streptokokken zijn de belangrijkste bacteriele verwekkers. 
  • wat is een veelvoorkomende verwekker van een CAP en welke van een HAP?
    CAP: pneumokok (S. pneumoniae = gram+)
    HAP: s. aureus (gram+) en E.coli (=gram-)
  • waar staat de AMBU-65 score voor?
    schaal bij pneumonie
    • AH >30
    • mentaal aangedaan
    • lage bloeddruk
    • ureum 
    • >65


    meer dan 2 punten is een ernstige pneumonie 
  • hoe kan de verwekker van een pneumonie worden aangetoond?
    door een sneltest te doen die het polysaccharidekapsel van de pneumokok kan aantonen in de urine. 

    andere manieren: PCR, bloedkweek, sputumkweek
  • wat zijn de kenmerken van influenza?
    • hoge koorts >39 graden
    • acuut begin


    je hebt A, B en C en dan nog de subtypen H (hemaglutinine) en N (neuraminidase). Tamiflu is een neuraminidaseremmer
  • welke 3 niveaus van afweer bestaan er?
    • barrieres: huid, lage pH in maag, lysosymen in speeksel 
    • aangeboren immuunsysteem: moleculen en cellen
    • adaptieve immuunsysteem: antistoffen en lymfocyten
  • noem bij de aangeboren afweer verschillen tussen cellulaire en humorale afweer
    • cellulair: DC's, macrofagen, neutrofiele granulocyten, mestcellen, NK cellen
    • humoraal: complement, interferonen, antibacteriele peptiden
  • noem bij de verworven afweer verschillen tussen cellulaire en humorale afweer
    • cellulair: lymfocyten
    • humoraal: antistoffen
  • wat gebeurt er als de mucociliairy escalator defect is?
    dan brengen de cilia in de luchtpijp de kleinere deeltjes niet meer naar buiten. het overtollige slijm is dan een perfecte locatie voor bacterien. 

    alles <2 um wordt opgeruimd door macrofagen in alveoli
  • wat zijn de verschillende typen fagocyterende cellen?
    • neutrofiele granulocyten: 60% van de leukocyten is neutrofiele granulocyt, dus meeste. polyforme kern
    • macrofagen: monocyten die naar t weefsel zijn bewogen. grote kern en veel cytoplasma. geen specifieke herkenning, wel verschil bacterie/virus
    • DC's: veel uitlopers. poortwachter
  • waardoor komt het specifieke immuunsysteem op gang na fagocytose door macrofaag?
    door 'danger-signaal' dat de macrofagen kunnen afgeven -> activatie macrofagen, neutrofielen en specifieke immuunsysteem
  • waarvoor dient nettose?
    neutrofielen kunen hun DNA in gecondenseerde vorm uitgooien als netten. dit gaat verspreiding van bacterien tegen en sommige histonen hebben een antibacteriele rol
  • wat is het verschil tussen cytokines en complement?
    • cytokines: signaalstoffen voor communicatie tussen leukocyten, zoals interferonen
    • complement: moleculaire barriere. enzymcascade bij aanraking micro-organisme. opsonisatie.
  • hoe werkt de presentatie op MHCII? en MHCI?
    een opgenomen bacterie fuseert met het lysosoom en wordt geknipt door aanwezige proteasen. de delen die hierbij ontstaan worden gepresenteerd door MHCII (bij extracellulaire pathogenen) op APC's. 


    MHCI: intracellulaire pathogenen, zoals virussen. wanneer een geactiveerde CTL in aanraking komt met een virus op MHC1, dan wordt 'ie gedoodt. MHCI zit op alle kernhoudende cellen
  • wat zijn de functies van antistoffen?
    • specifieke herkenning antigeen
    • bepaald effect (binden aan fagocyten, activeren complement)
  • waar is de specificiteit van antistoffen gelegen?
    in het deel dat het antigeen bindt, dus het Fab fragment. het constante deel, Fc, is verantwoordelijk voor de bepaling van de immunoglobulineklasse.
  • wat zijn kenmerken voor de specifieke afweer?
    • herkenning = specifiek
    • proliferatie = adaptief
    • effector + geheugencellen = geheugen
  • welk micro-organisme is de belangrijkste oorzaak van hospitalisatie tgv een infectie?
    bacterien
  • in welke groepen worden schimmels opgedeeld?
    schimmels en gisten.
  • in welke groepen worden parasieten opgedeeld?
    • protozoa 
    • helminten
    • ectoparasiet (zoals hoofdluis)
  • wat zijn de fundamentele verschillen tussen bacterien en virussen?
    1. een virus is niet in staat macromoleculen te maken die hij zelf nodig heeft (geen eiwitsynthese-machinerie)
    2. virussen kunne geen eigen energiemetabolisme onderhouden (ATP)
    3. viruspartikel heeft maar 1 type nucleinezuur; enkel of dubbelstrengs DNA of RNA. 
  • in welke 5 processen is fagocytose op te delen?
    1. chemotaxie
    2. binding van fagocyt aan ziekteverwekker
    3. membraanuitstulping
    4. fusie met lysosomen
    5. degradatie of afbraak ziekteverwekker

    tijdens de respiratory burst worden O2 radicalen aangemaakt. na fagocytose gaat de neutrofiel dood en komen de O2 radicalen en protolytische enzymen in de omgeving vrij -> functieverlies -> kwijlende fagocytose


    gefrustreerde fagocytose = object te groot om met lysosomen af te breken
  • beschrijf S. aureus
    • gram+ 
    • normaal op de huid
    • steenpuisten, sinusitis
  • wat voor beeld heeft iemand die geen complement of antistoffen heeft?
    heeft eerder een bacteriele infectie. zal na 6 maanden leven gemerkt worden (want daarvoor nog antistoffen moeder)
  • wat voor verschuiving zie je in het granulocytenbeeld bij bacteriele infecties?
    linksverschuiving. hiermee wordt bedoeld dat er een toename is van onrijpe granulocyten tov rijpe. de rijpe neutrofielen sterven namelijk af nadat ze hebben gefagocyteerd (pus). ook wordt beenmerg gestimuleerd tot uitscheiding van nieuwe, onrijpe, granulocyten
  • wat zijn voorbeelden van ziekten waarbij granulocyten niet goed functioneren?
    • CGD (chronische granulomateuze ziekte)
    • myeloperoxidasedeficientie
  • welke ziekteverschijnselen passen bij impetigo?
    • niet ziek, uitslag in gezicht of elders
    • korsten 
    • begint met een kleine papel, dat wordt een blaasje en dan een korst 
    • oppervlakkige infectie van de huid, heel besmettelijk via huid-huid
    • S. aureus (gram+), groep A streptokok
  • welke 2 vormen impetigo bestaan er?
    • impetigo vulgaris (= zonder blaren)
    • impetigo bullosa (= met blaren)
  • wat is de behandeling van impetigo?
    antibioticumbevattende zalf, zoals fusidinezuur.. bij uitgebreide infectie doe je systemisch antibioticum, zoals flucloxacilline (= beta-lactam)
  • welke ziekteverschijnselen passen bij een furunkel?
    • geen koorts of andere ziekteverschijnselen
    • pijnlijke, acute, diepe ontsteking haarfollikel
    • neutrofiele granulocyten -> pus 
    • incidenteel of recidiverend
    • S. aureus 
  • wat is t verschil tussen furunkel/karbunkel?
    dit is een conglomeraat van furunkels. gaat wel gepaard met koorts/ziekte. groot infiltraat met op meerdere plekken necrose.
  • hoe wordt een furunkel/karbunkel behandeld?
    • karbunkel: antibioticum en OK 
    • furunkel: expectatief, behalve bij koorts of riskante locatie zoals neus
    • flucloxacilline
  • welke ziekteverschijnselen passen bij erysipelas?
    • ziek, koorts, braken
    • scherp begrensde roodheid en zwelling van huid
    • dermis en bovenste deel subcutis 
  • wat is het verschil tussen erysipelas en cellulitis?
    cellulitis is ook ontsteking van dermis en subcutis, maar dieper. roodheid en zwelling meer diffuus en vlekkerig en minder goed begrensd
  • wat is de verwekker van cellulitis/erysipelas?
    groep A streptokokken en S. aureus
  • wat is de behandeling van erysipelas / cellulitis?
    systemisch antibioticum (oraal/iv) gericht op S. aureus / groep A streptokok. maar denk bij cellulitis ook aan osteomyelitis!
  • wat is het stafylococcal scalded skin syndrome?
    • exotoxine van S. aureus bindt aan receptoren op opperhuid, waar het intercellulaire verbindingen verbreekt en er blaarvorming optreedt.
    • diffuse en pijnlijke roodheid, losse vellen
    • kinderen >5 jaar 
  • wat is de behandeling van het stafylococcal scalded skin syndrome?
    vullen (uitdroging!), pijnstilling, antibioticum tegen S. aureus
  • beschrijf septale cellulitis
    • neusverkouden/sinusitis de week ervoor en koorts 
    • buiten oogkas = preseptaal, binnen oogkas = postseptaal. bij de laatste heb je ook proptosis en zichtbeperking 
  • wat is de behandeling van septale cellulitis?
    antibioticum tegen BLWI's.
  • wat is het verschil tussen antibiotica en chemotherapeutica?
    antibiotica worden door micro-organismen gemaakt en chemotherapeutica zijn gefabriceerd
  • welke verwekkers zijn met name gevoelig voor penicillines?
    • pneumokokken
    • meningokokken
  • wat zijn de voor/nadelen van AB?
    • voor: leveren een sterke daling van sterfte aan infectieziekten
    • tegen: resistentieontwikkeling / if you use it, you lose it
  • welke verschillende klassen AB zijn er?
    • beta lactam (meest gebruikt): penicillines, cefalosporines
    • glycopeptiden
    • macroliden en clindamycine
    • aminoglycosiden
    • tetracyclinen
    • oxazolidinonen
    • quinolonen
    • sulfonamiden/trimethoprim
  • waar grijpen de verschillende klassen AB op aan?
    • celwand: beta-lactam en glycopeptides
    • eiwitsynthese: aminoglycosides, macroliden, tetracyclines
    • DNA/RNA synthese: quinolonen, sulfonamiden/trimethoprim, metronidazol, rifampicine
  • wat is t verschil tussen bacteriostatisch vs bacteriocide?
    cide remt de groei van bacterie en doodt het ook en statisch remt de groei, maar doodt niet
  • bij welke infecties is bacterCIDE echt nodig?
    • endocarditis
    • meningitis (vanwege BHB ook MEER)
    • neutropene patienten (geen leuko's)
    • osteomyelitis 
  • hoe werken penicillines?
    beta-lactam antibiotica, deze vallen de celwand van de bacterie aan. bacteriocide

    • amoxicilline en flucloxacilline worden gebruikt bij UWI
    • goede weefselpenetratie en worden goed uitgescheiden door de nieren 
    • bijwerking: MDK klachten door aantasting darmflora
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Conjugatie bij vaccin
.
Vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma
  • DKTP-Hib-HepB (difterie, kinkhoest, tetanus, polio, Hib-ziekten, hepatitis B)
  • Pneumokokken
  • BMR (bof, mazelen, rode hond)
  • Meningokokken ACWY
  • HPV
Verschillen virussen en bacteriën
  • Een virus is niet in staat de macromoleculen te synthetiseren die het zelf nodig heeft
  • Virussen kunnen geen eigen energiemetabolisme onderhouden; niet in staat tot het genereren van ATP
  • Een viruspartikel heeft slechts één type nucleinezuur (genetisch materiaal); enkel/dubbelstrengs DNA/RNA
Belangrijkste klassen antibiotica/chemotherapeutica en werkingsmechanismen
  • Betalactam antibiotica (penicillines): werkt op peptidoglycaan in celwand (amoxicilline)
  • Macroliden: remt eiwitsynthese (erytromycine)
  • Quinolonen: remt DNA synthese via gyrase (ciprofloxacine)
  • Nitrofuranen: bactericide (nitrofurantoïne)
  • Tetracyclinen: bacteriostatisch (doxycycline)
Resistentie
Door mutaties van bacteriën ontstaat resistentie. Veroorzaakt door:
  • Verlaagde permeabiliteit
  • Verhoogde efflux
  • Target modificatie
  • Enzymatische inactivatie
Meningitis

Symptomen:
Koorts, hoofdpijn, koude ledematen, braken, afkeer licht en geluid, nekstijfhied, veranderde geestestoestand. LO: nekstijfheid, + teken Kernig, + teken Brudzinski. Petechien (meningokokensepsis).Ernstiger dan sepsis door:
  • Doorzetting naar meningosepsis
  • Moeilijke behandeling door BHB
  • Zwelling hersenen kan voor permanente schade zorgen
Sepsis
= levensbedreigend orgaanfalen veroorzaakt door ontregelede respons van de gastheer op een infectie.
qSOFA:
  • Ademfreq. > 22/min
  • Veranderd bewustzijn
  • Syst. RR < 100 mm/Hg
5 meest voorkomende SOA's met therapie
  1. Chlamydia: azitromycine
  2. Gonorroe: intramusculair ceftriaxon
  3. Genitale wratten (HSV 1 en 2): nucleosideanaloga (aciclovir afgeleide middelen)
  4. Syfilis (T. Pallidum): penicilline
  5. HIV: cART = combination antiretroviral therapy 
Antimicrobiele therapie bij LWI
Geen bij bovenste LWI (vaak viraal en zelf limiterend), onderste LWI:
  • Acute bronchitis (meestal virale verwekker, bij pneumoniae een macrolide)
  • Kinkhoest (macrolide in vroege fase)
  • Acute bronchiolitis (viraal)
  • Acute exacerbatie van chronische bronchitis (antibioticum bij matig tot ernstig)
  • Pneumonie (amoxicilline, penicilline, ernstig: chinolon zoals moxifloxacine)
Antimicrobiele therapie bij urineweginfectie
Ongecompliceerd (door e. coli, staphylococcus saprophiticus): nitrofurantoine
Gecompliceerd (door e. coli, klebsiella): ciprofloxacine (2e keuze amoxicilline-clavulaanzuur)