Summary De Studie van het Burgerlijk Recht

-
347 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - De Studie van het Burgerlijk Recht

  • 1.1 Algemene bepalingen

  • Geef een definitie van het begrip persoonlijkheid. Waarmee vangt de persoonlijkheid aan?
    Persoonlijkheid in juridische zin is de bevoegdheid drager te zijn van rechten, bevoegdheden en rechtsbetrekkingen. De persoonlijkheid vangt bij een natuurlijk persoon aan bij de geboorte.
  • Persoonlijkheid vangt in de regel aan bij de geboorte. Noem de uitzondering op deze regel.
    Ingevolge art. 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.

    Deze uitzondering is vooral in het erfrecht belangrijk. Een ongeboren kind kan uit hoofde van de regel namelijk als erfgenaam worden aangemerkt.

    'Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.'
  • Dave is getrouwd met Esther. Esther is in verwachting van een kind. Dave overlijdt. Laat Dave erfgenamen achter?

    Is het antwoord op de vraag anders indien Esther een miskraam krijgt?
    Dave laat twee erfgenamen achter, namelijk Esther en zijn ongeboren kind. Het ongeboren kind wordt ingevolge art. 1:2 BW als persoon aangemerkt.

    Als het kind van Dave voor de geboorte overlijdt, dan wordt hij vermogensrechtelijk gezien geacht nooit te hebben bestaan (art. 1:2 BW laatste volzin).

    'Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.'
  • Dient een geboren kind in leven te blijven om uit een schenking of erfenis iets te kunnen genieten?
    Naar Nederlands recht wordt de eis van levensvatbaarheid van het kind niet gesteld. Naar Frans recht wordt deze eis (né viable) wel gesteld.
  • 1.5 Het huwelijk

  • Het huwelijk is een instelling. Wat wordt hiermee bedoeld?
    Het huwelijk biedt een juridische ordening van het samenleven van twee personen, die aan individuele willekeur is onttrokken.

    Asser I-II, § 53.
  • Geef een definitie van het huwelijk.
    Het huwelijk is een door de wet geregelde duurzame levensgemeenschap tussen twee (natuurlijke) personen.

    Asser I-II, § 52.
  • Een onderscheid kan worden gemaakt tussen volstrekte en betrekkelijke huwelijksbeletselen. Leg uit.
    Een volstrekt huwelijksbeletsel verhindert een persoon om te trouwen. Een betrekkelijk huwelijksbeletsel verhindert iemand om te trouwen met een specifieke persoon.

    Een voorbeeld van een volstrekt huwelijksbeletsel is een geestelijke stoornis (art. 1:32 BW). Een voorbeeld van een betrekkelijk huwelijksbeletsel is het verbod om een zus of broer te huwen (art. 1:41 lid 1 BW).

    Asser I-II, § 58.
  • 2.1 Algemene bepalingen

  • Ingevolge art. 2:1 lid 1 BW bezitten verschillende publiekrechtelijke organen rechtspersoonlijkheid. Zijn daarmee ook de algemene bepalingen van Boek 2 toepasselijk op deze rechtspersonen?
    Nee, ingevolge art. 2:1 lid 3 BW gelden de algemene bepalingen (Titel I) van Boek 2 niet voor publiekrechtelijke rechtspersonen.

    'De volgende artikelen van deze titel, behalve artikel 5, gelden niet voor de in de voorgaande leden bedoelde rechtspersonen.'

    Art. 2:5 BW geldt dus wél voor publiekrechtelijke rechtspersonen. Art. 2:5 BW bepaalt:

    'Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.'
  • 3 Vermogensrecht in het algemeen

  • Geef de definitie van het begrip 'goederen'. Wat is het bijzondere van deze definitie ten opzichte van het oud BW?
    Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW). Het bijzondere van de definitie is de verwisseling van het woord 'zaak' met 'goed'. Een zaak was voorheen het ruimere begrip.
  • Uit hoofde van een recht van erfdienstbaarheid staat op het erf van Berend een benzinepomp ten gunste van Arend. Wie is eigenaar van de benzinepomp? Arend of Berend?
    Berend. Berend wordt door natrekking eigenaar van de benzinepomp. Het recht van erfdienstbaarheid van Arend doet daar niet aan af (art. 3:3 lid 1 BW).
  • De vraag of een bouwcontainer een roerende of onroerende zaak is dient te worden beantwoord aan de hand van het? Noem het relevante arrest.
    Bestemmingscriterium. De vraag is of de zaak bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Deze bestemming moet naar buiten kenbaar zijn. Portacabin (NJ 1998/97).
  • In het oud BW nam de 'goede trouw' een prominentere rol in. Door welk begrip is de goede trouw in het nieuwe BW grotendeels vervangen?
    Door de redelijkheid en billijkheid.

    Art. 1374 lid 3 OBW bepaalde dat een overeenkomst te goeder trouw diende te worden uitgelegd.

    Art. 1375 OBW bepaalde dat een overeenkomst niet alleen verbindt tot datgene wat uitdrukkelijk is overeengekomen, maar ook tot al hetgeen door de aard van de overeenkomst, de billijkheid, het gebruik of de wet wordt verlangd.
  • Wanneer is sprake van een vermogensrecht? Kan een schuld een vermogensrecht vormen?
    Er is sprake van een vermogensrecht indien het recht (art. 3:6 BW):
    1. overdraagbaar is; of
    2. het recht ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen; of
    3. het recht is verkregen in ruil voor verstrekt - of in het vooruitzicht gesteld - stoffelijk voordeel. 

    Een schuld is geen vermogensrecht. Het er tegenover staande vorderingsrecht is echter wel een vermogensrecht (in het vermogen van de crediteur).
  • Ingevolge art. 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, onderdeel van die zaak. Welke aanwijzingen zijn in de rechtspraak ontwikkeld om te bepalen of sprake is van een bestanddeel? Noem het relevante arrest.
    - De hoofdzaak is zonder het object onvoltooid of anderszins incompleet;
    - De hoofdzaak en het object zijn qua constructie specifiek op elkaar afgestemd.

    De criteria zijn afkomstig uit het arrest Dépex/Bergel. Hierin ging het over de vraag of de in een fabriek aanwezige apparatuur als bestanddeel van deze diende te worden gezien. De Hoge Raad overweegt:

    '3.7 (...) Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als een zaak moeten worden gezien. Wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt hierin een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag.

    Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw (...) bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd.'
  • Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard (art. 3:8 BW). Hoe noemt men het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid? Tussen welke types beperkte rechten kan onderscheid worden gemaakt?

    Bestond de term beperkt recht in het OBW?
    Beperkte rechten kunnen worden onderscheiden in gebruiksrechten en zekerheidsrechten.
    Gebruiksrechten zijn vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal

    Zekerheidsrechten zijn pand en hypotheek

    Het OBW kende de term 'beperkt recht' niet. In het OBW ging het steeds om de term 'zakelijk recht'
  • In het OBW werd in plaats van 'beperkte rechten' gesproken van 'zakelijke rechten'. Welke twee zakelijke rechten hebben het NBW niet gehaald?
    De grondrente en het recht van beklemming. Uit GS:

    'Het oude BW kende dezelfde zakelijke rechten als het huidige wetboek kent in de vorm van beperkte rechten. In het oude BW bestonden ook nog zakelijke rechten die in het huidige wetboek niet als beperkte rechten zijn teruggekeerd, te weten grondrente en het recht van beklemming.'
  • Welke twee soorten vruchten kunnen in het vermogensrecht worden onderscheiden? Geef voorbeelden en noem het relevante artikel. Wat is bepalend voor het antwoord op de vraag of iets als vrucht kan worden aangemerkt? Noem een relevant arrest.
    Art. 3:9 BW onderscheidt natuurlijke en burgerlijke vruchten. Natuurlijke vruchten zijn bijvoorbeeld appels, eieren, kalveren, mest, etc. Burgerlijke vruchten zijn bijvoorbeeld huur- of pachtpenningen.

    De verkeersopvatting is bepalend of iets als vrucht kan worden aangemerkt. Zie tevens het arrest Kuikenbroederij (NJ 1996/158), waarin de Hoge Raad overweegt:

    '3.4.4. (...) Ook naar het voor 1 januari 1992 geldende recht dient, in zoverre in overeenstemming met art. 3:9 BW, aan de hand van de verkeersopvattingen te worden beoordeeld welke zaken als natuurlijke vruchten van andere zaken worden aangemerkt. (...)'
  • Onderscheid kan worden gemaakt tussen eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. Welk onderscheid kan nog worden gemaakt met betrekking tot eenzijdige rechtshandelingen?
    Eenzijdige rechtshandelingen kunnen zowel gericht als niet-gericht zijn.

    Voorbeelden van niet-gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn de opzegging van een huurovereenkomst, het nemen van ontslag, en het buitengerechtelijk vernietigen van een rechtshandeling.  

    Voorbeelden van gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn vooral te vinden in het erfrecht, zoals de aanvaarding en verwerping van een nalatenschap en het opmaken van een testament.
  • Er zijn twee grondslagen voor de totstandkoming van een rechtshandeling. Wat wordt hiermee bedoeld?
    Een rechtshandeling komt tot stand door:
    (1) de geopenbaarde wil (art.3:33 BW);
    (2) het opgewekte vertrouwen (art. 3:35 BW).
  • Een verklaring die tegen een bepaalde persoon is gericht dient om rechtsgevolg te hebben deze persoon te hebben bereikt (art. 3:37 lid 3 BW). In dit kader wordt wel gesproken van de genuanceerde ontvangsttheorie. Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.
    De hoofdregel is dat de verklaring degene tot wie zij is gericht moet hebben bereikt. Het niet tijdig bereiken komt desondanks onder omstandigheden voor risico van de geadresseerde. Compendium:

    'Nuancering: een verklaring die degene tot wie zij is gericht niet of niet tijdig bereikt, heeft desondanks haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken voor risico van de geadresseerde komt. Dit is het geval als de belemmering een gevolg is van:

    - een handeling van de geadresseerde zelf;
    - een handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is; of
    - andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.'
  • Is handelingsbekwaamheid een vereiste voor het zelfstandig kunnen verrichten van een rechtsgeldige rechtshandeling? Bestaat er een uitzondering op deze regel? Noem de twee belangrijks
    Nee. Een rechtshandeling van een handelingsonbekwame is echter wel vernietigbaar. Een handelingsonbekwame kan echter geen eenzijdige ongerichte rechtshandelingen verrichten, zoals het maken van een testament, aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap. Art. 3:32 lid 2 BW:

    'Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer personen gericht was, is echter nietig.' 

    Ingevolge art. 3:32 lid 1 BW is eenieder handelingsbekwaam, voor zover de wet niet anders bepaalt. De wet bepaalt slechts anders in het geval van minderjarigen en onder curatele gestelden. GS:

    'De wet bepaalt uitdrukkelijk iets anders ten aanzien van minderjarigen en onder curatele gestelden. Ook zij die met rechterlijke machtiging in een krankzinnigengesticht zijn geplaatst, waren tot 17 januari 1994 (inwerkingtreding Wet Bopz) onder bepaalde omstandigheden handelingsonbekwaam.'
  • Peter is een verstokt roker en onder bewind gesteld. Hij zou graag zijn salontafel willen verkopen om een slof sigaretten te kunnen verkopen. Is Peter handelingsbekwaam om de salontafel te verkopen?
    De onderbewindstelling van Peter maakt hem niet handelingsonbekwaam. Minderjarigen en onder curatele gestelden zijn wél handelingsonbekwaam.

    Tijdens de onderbewindstelling mag Peter echter slechts met medewerking van de bewindvoerder over zijn goederen beschikken. De onderbewindstelling beperkt dan ook slechts zijn beschikkingsbevoegdheid (art. 1:438 BW).
  • Noem de drie gezichtspunten die bij de vaststelling van de redelijkheid en billijkheid worden gehanteerd. Noem tevens het relevante artikel.
    Art. 3:12 BW geeft drie gezichtspunten:
    a. algemeen erkende rechtsbeginselen;
    b. de in Nederland levende rechtsovertuigingen;
    c. de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.
  • Kan het privaatrechtelijk handelen van de overheid worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur? Noem het relevante artikel en arrest.
    Art. 3:14 BW bepaalt:

    'Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.'

    In het arrest Amsterdam/Ikon (NJ 1987/727) bepaalde de Hoge Raad dat de overheid ook bij privaatrechtelijk handelen gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  • Welke prachtige uitdrukking kent men in het Frans voor argumenten die er 'aan de haren zijn bijgesleept'?
    Pour les besoins de la cause
  • Welke drie volledige rechten kunnen worden onderscheiden?
    1. Eigendom
    2. Vorderingsrechten
    3. (Volledige) rechten op voortbrengselen van de geest (b.v. auteursrecht, octrooirecht, merkenrecht en kwekersrecht)

    Eigendom en rechten op voortbrengselen van de geest werken tegen iedereen en hebben derhalve een absoluut karakter. Vorderingsrechten hebben echter slechts werking tegen de schuldenaar en hebben derhalve een relatief karakter.
  • Ingevolge art. 68 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OnBW) hebben de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek onmiddellijke werking. Kan de inwerkingtreding van het nieuwe BW tot gevolg hebben dat het bedrag van een vordering wordt gewijzigd?
    Art. 69 e.v. OnBW geven uitzonderingen op de zogenaamde onmiddellijke werking. Art. 69 OnBW bepaalt:

    'Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan:
    a. iemand het vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen;
    b. een schuld op een ander overgaat;
    c. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd;
    d. een vorderingsrecht ontstaat, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid;
    e. een goed met een beperkt recht wordt belast.'     

    De onmiddellijke werking wordt in het onderhavige geval dus begrensd door art. 69 onderdeel c OnBW, hetgeen bepaalt dat de invoering van het nieuwe BW niet tot gevolg kan hebben dat het bedrag van een vordering wordt gewijzigd.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Een vennoot kan in zijn inbreng voorzien door de inbreng van zaken. Welke drie wijzen van inbreng van zaken kunnen worden onderscheiden?
1. Inbreng van de eigendom van de zaak
2. Inbreng van het genot van de zaak
3. Inbreng van de economische eigendom van de zaak  

Huizink § 10
Ingevolge art. 7A:1655 BW dienen de vennoten in de inbreng te voorzien door middel van goederen.Is het mogelijk dat een vennoot in zijn inbreng voorziet door de inbreng van niet-goederen zoals clientèle, know-how of goodwill?
Ja, het 'goederenbegrip' van art. 7A:1655 BW is ruimer dan het reguliere goederenbegrip van art. 3:1 BW.

Huizink § 10
Benoem de elementen van de maatschap.
1. Overeenkomst;
2. Samenwerking;
3. Inbreng;
4. Verdeling van voordeel.

Huizink § 6
Kan sprake zijn van een maatschapsovereenkomst, wanneer een van de vennoten niets inbrengt?
Nee, vergelijk art. 7A:1655 BW:

'Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.'

Zonder inbreng geen maatschap. Huizink § 10  
De maatschap heeft een 'intuitu personae' karakter. Geef aan wat hiermee wordt bedoeld.
Een maatschap is 'persoonsgebonden'. Een vennoot kan zijn aandeel in de maatschap dan ook niet zonder medewerking van de andere vennoten overdragen; de maatschap eindigt (in weerwil van art. 6:249 BW) door dood, faillissement/wsnp of curatele van één van de vennoten (art. 7A:1683 BW).

Huizink tekent hierbij aan dat art. 7A:1683 BW van regelend recht is en dat in de praktijk veelvuldig regelingen worden opgemaakt om het einde van de maatschap te voorkomen.

Huizink, § 9
Noem de vijf manieren waarop de personenvennootschap ten einde komt. Noem tevens de relevante artikelen.
De wet geeft in art. 7A:1683 BW en 7A:1684 BW vijf wijzen waarop de personenvennootschap ten einde komt:

1. Verloop van de tijd waarvoor de samenwerking is aangegaan;
2. Tenietgaan van het goed of volbrengen van de handeling waarvoor de samenwerking is aangegaan;
3. Opzegging door een maat;
4. Dood, curatele, faillissement, schuldsanering van een van de vennoten;
5. Ontbinding door de rechter wegens gewichtige redenen (art. 7A:1684 BW).

Art. 7A:1683 bepaalt:

'Een maatschap wordt ontbonden:
1. Door verloop van den tijd voor welken deze is aangegaan;
2. Door het tenietgaan van een goed of volbrengen der handeling, die het voorwerp der maatschap uitmaakt;
3. Door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten;
4. Door den dood of de curatele van één hunner, of indien hij in staat van faillissement is verklaard dan wel ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.'

Art. 7A:1684 BW bepaalt:

'1. De rechter kan op vordering van ieder der vennoten de maatschap wegens gewichtige redenen ontbinden.
2. Een zodanige ontbinding heeft geen terugwerkende kracht. De rechter kan de vordering toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden en een partij die in de naleving van haar verplichtingenen is tekortgeschoten, met overeenkomstige toepassing van artikel 277 van boek 6 tot schadevergoeding veroordelen.
3. De artikelen 265-279 van Boek 6 zijn op een maatschap niet van toepassing.'
Vanaf welk moment vangt de maatschap aan? Noem het relevante artikel.
De maatschap vangt aan vanaf het ogenblik van de overeenkomst, tenzij partijen een ander moment hebben bepaald.  In de praktijk wordt wel overeengekomen dat de maatschap tot stand komt op het moment dat alle firmanten aan hun inbrengverplichting hebben voldaan.

GS Personenassociaties, 2.1.1.1

Zie art. 7A:1661 BW:

'De maatschap begint van het ogenblik der overeenkomst, als daarbij geen ander tijdstip is bepaald.'
Kan een maatschap met terugwerkende kracht worden aangegaan?
In de literatuur wordt wel aangenomen dat dat niet kan omdat de werking van de maatschap jegens derden en de eisen van een ordentelijk handelsverkeer zich hiertegen verzetten. Een en ander verzet partijen zich er natuurlijk niet tegen met elkaar af te rekenen alsof de maatschap eerder was ontstaan.

GS Personenassociaties, 2.1.1.1
Kan een privé-schuldeiser van een vennoot beslag leggen op de goederen van de vennootschap? Waarom (niet)?
Nee, een personenvennootschap heeft een afgescheiden vermogen. Dat betekent dat geen privé-schuldeisers geen beslag kunnen leggen op de goederen van de personenvennootschap.

De regeling van art. 3:189 lid 2 e.v. BW voor bijzondere gemeenschappen is van overeenkomstige toepassing op een personenvennootschap.  

Asser:

De meeste afgescheiden vermogens zijn gemeenschappen, zoals het vermogen van een bijzondere gemeenschap (art. 3:189 lid 2 BW) en het vermogen van een personenvennootschap (maatschap, v.o.f. of c.v.). In die gevallen behoren alle tot het afgescheiden vermogen behorende goederen in gemeenschap toe aan de gezamenlijke deelgenoten. Iedere deelgenoot heeft aandelen in alle gemeenschappelijke goederen afzonderlijk (vgl. art. 3:190 BW). Deze aandelen vormen tezamen ‘het aandeel’ van de deelgenoot in de gemeenschap (vgl. art. 3:191 BW), welk aandeel is afgescheiden van het overige vermogen van de deelgenoot (meestal zijn privévermogen). Dit afgescheiden karakter brengt mee dat privéschuldeisers van de deelgenoot zich niet kunnen verhalen op het aandeel van hun schuldenaar in de gemeenschap en ook niet op de gemeenschapsgoederen zelf. Gemeenschapsschuldeisers (bijvoorbeeld zaakschuldeisers van de vennootschap) kunnen zich wél verhalen op de gemeenschapsgoederen en in sommige gevallen ook op de privévermogens van de deelgenoten. Zie [77], [86].    

Asser 5 Beslag en executie, 2019/16  
Wat wordt in het kader van de maatschap bedoeld met affectio societatis?
De partijen moeten bij het aangaan van de personenvennootschap de bedoeling hebben met elkaar samen te werken als vennoten, dus op voet van gelijkheid.

Om fiscale redenen geven partijen soms om een arbeids- of andere overeenkomst ten aanzien van een maatschap of vof. De fiscus kan dan alsnog loonbelasting heffen.

GS Personenassociaties, 1.4.3.