Summary Developmental Psychology

-
ISBN-13 9780077170035
488 Flashcards & Notes
8 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Developmental Psychology". The author(s) of the book is/are Leman, Bremner, Parke & Gauvain. The ISBN of the book is 9780077170035. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Developmental Psychology

  • 0 Begrippen

  • Accommodation (Accomodatie)
    Het aanpassen van een bestaand schema om nieuwe ervaringen in het schema te laten passen.
  • Achievement motivation (Prestatie motivatie)
    Neiging van een individu om te streven naar succesvolle prestaties, om prestaties te beoordelen aan de hand van uitmuntende standaarden en om te genieten van succesvolle prestaties.
  • Acquired Immune Deficiency Syndrome (AIDS) (Verworven immunodeficiëntiesyndroom)
    Een virale ziekte die het immuunsysteem van het lichaam aanvalt; overgedragen aan een foetus of pasgeborene in de vorm van human immunodeficiency virus (HIV; menselijk immuundeficiëntievirus), wat het immuunsysteem van het kind verzwakt en uiteindelijke de dood kan veroorzaken.
  • Active genetic-environmental interaction (Actieve genetische-omgevingsinteractie)
    Een interactie waarbij de genen van een individu deze er toe aanmoedigen ervaringen op te doen die passen bij geërfde neigingen.
  • Activity theory (Activiteitstheorie)
    De theorie dat interesse houden in activiteiten tot late volwassenheid hoort bij het succesvol verouderen.
  • Adaptation (Adaptatie)
    Het veranderen van het denken van een individu zodat het bij de eisen van de omgeving past.
  • Aetiology (Etologie)
    In geneeskunde en psychiatrie, de oorzaak of oorzaken van een specifieke stoornis.
  • Age cohort (Leeftijdscohort)
    Mensen geboren binnen dezelfde generatie.
  • Age of viability (Levensvatbaarheid leeftijd)
    De leeftijd van 22 tot 26 weken vanaf bevruchting, wanneer de fysieke systemen van de foetus geavanceerd genoeg zijn voor een kans op overleven als het kind prematuur geboren zou worden.
  • Aggression (Agressie)
    Gedrag dat opzettelijk anderen schade toebrengt door hen pijn te doen of te verwonden.
  • Aggressive rejected children (Agressieve afgewezen kinderen)
    Afgewezen kinderen met beperkte zelfbeheersing, die zeer agressief zijn en gedragsproblemen vertonen.
  • Allele (Allel)
    Allelen zijn afwisselende vormen van een gen. Een individu heeft gebruikelijk twee allelen – een van de moeder en een van de vader.
  • Altruism (Altruïsme)
    Een onzelfzuchtige bezorgdheid voor het welzijn van anderen.
  • Amniotic sac (Amniotische zak)
    Een membraan dat het ontwikkelende organisme en het vruchtwater bevat; de zak en het vruchtwater beschermen het organisme tegen fysieke schokken en veranderingen in temperatuur.
  • Andropause (Andropauze)
    De mannelijke menopauze, verbonden met een afname in de productie van testosteron, maar met verschillende symptomen en niet universeel erkend.
  • Androgynous (Androgyn)
    Zowel vrouwelijke als mannelijke psychologische kenmerken bezittend.
  • Animistic thinking (Animistisch denken)
    Het toeschrijven van leven aan levenloze objecten.
  • Approach/avoidance behaviour (Toenaderings/vermijdingsgedrag)
    Een patroon van interactie waarbij de zuigeling of het kind een inconsistent patroon van toenadering en vermijding van een persoon of object laat zien.
  • Assimilation (Assimilatie)
    Het toepassen van een bestaand schema op een nieuwe ervaring.
  • Associative learning (Associatief leren)
    Volgens Jensen, een lager niveau van leren dat gemeten wordt door het testen van zaken als het opslaan in en herinneren vanuit het korte-termijn geheugen, aandacht, uit het hoofd leren en simpele associatieve vaardigheden. Ook niveau I leren genoemd.
  • Attachment Q Sort (AQS)
    Een beoordelingsmethode waarbij een verzorger of waarnemer de kwaliteit van hechting van een kind beoordeelt, gebaseerd op het gedrag van het kind in natuurlijke situaties, vaak inclusief een korte scheiding van de ouders.
  • Attachment (Hechting)
    Een sterke emotionele band die zich ontwikkelt tussen zuigeling en verzorger in de tweede helft van het eerste levensjaar.
  • Attention deficit/hyperactivity disorder (ADHD) (Aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis (ADHD))
    Een stoornis, die zich veelal ontwikkelt in de kinderjaren, gekenmerkt door een aanhoudend patroon van aandachtsproblemen en hyperactiviteit of impulsiviteit, dat heviger is dan het gedrag van kinderen van een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau.
  • Attention (Aandacht)
    Het identificeren en selecteren van bepaalde sensorische input voor verdere, meer gedetailleerde verwerking.
  • Authoritarian parenting (Autoritair opvoeden)
    Harde, niet-reagerende en rigide opvoedstijl waarbij de ouders neigen machtsassertieve methoden van controle te gebruiken.
  • Authoritative parenting (Autoritatief opvoeden)
    Warme, reagerende en betrokken, maar tegelijkertijd niet indringende opvoedstijl waarbij de ouders redelijke grenzen stellen en passend volwassen gedrag van hun kinderen verwachten.
  • Autistic disorder (Autistische stoornis)
    Een levenslange stoornis gekenmerkt door een ernstig verzwakt vermogen tot communicatie en sociale interactie; kinderen met autisme hebben specifieke taaltekortkomingen, laten een behoefte voor een stabiele omgeving zien, en vertonen repeterende en stereotype gedragspatronen.
  • Autobiographical memory (Autobiografisch geheugen)
    Een verzameling van herinneringen van dingen die een individu zijn overkomen op gegeven momenten of plaatsen.
  • Automatization (Automatisering)
    Het proces van het veranderen van gedrag dat bewust en met controle wordt uitgevoerd naar gedrag dat onbewust en automatisch wordt uitgevoerd.
  • Autosomes (Autosomen)
    De 22 gepaarde niet-geslachtschromosomen.
  • Average children (Gewone kinderen)
    Kinderen met een aantal vrienden, maar die niet even aardig gevonden worden als populaire kinderen.
  • Basic reflex activity (Basis reflex activiteit)
    Het oefenen van en behendiger worden in het gebruik van aangeboren reflexen door een zuigeling.
  • Behaviour therapy (Gedragstherapie)
    Een psychologische vorm van behandeling, vaak gebruikt in de behandeling van antisociale gedragsstoornis, gebaseerd op leerprincipes zoals beloning en leren door observatie.
  • Behavioural genetics (Gedragsgenetica)
    De wetenschappelijke studie naar de rol van genetica in menselijk (en dierlijk) gedrag.
  • Behaviourism (Behaviorisme)
    Een richting binnen de psychologie, sterk aanwezig in de vroege 20e eeuw, die de nadruk legt op de rol van het leren binnen menselijk gedrag en probeert gedrag in dergelijke termen te beschrijven.
  • Binocular vision (Binoculair zicht)
    Het gevoel van een derde ruimtelijke dimensie, namelijk diepte, geproduceerd doordat de hersenen de twee aparte beelden van de twee ogen, elk met een iets andere hoek van weergave van de stimulus, bij elkaar brengt.
  • Brain hemispheres (Hersenhelften)
    De twee helften (links en rechts) van de grote hersenen.
  • Brain reserve hypothesis (Hersenreserve hypothese)
    De suggestie dat sociale en cognitieve stimulatie kan helpen om reserves van vaardigheden op te bouwen en het functioneren en de prestaties van de hersenen op oudere leeftijd kan verbeteren.
  • Brazelton Neonatal Assessment Scale
    Een schaal van een reeks testen om bij een zuigeling sensorische en perceptuele bekwaamheden, motorische ontwikkeling, bereik van toestanden en het vermogen om deze toestanden te reguleren te meten en om te meten of de hersenen en het centrale zenuwstelsel de onbewuste reacties naar behoren uitvoeren.
  • Ceasarean delivery (Keizersnede)
    Het chirurgisch verlossen van een baby; de baby wordt uit de baarmoeder gehaald door een snede in de buikwand en baarmoeder van de moeder.
  • Canalization (Kanalisatie)
    Het genetisch beperken van een fenotype tot een klein aantal uitkomsten van ontwikkeling, er voor zorgend dat de omgeving slechts een kleine rol in deze uitkomsten heeft.
  • Case study (Casus)
    Een vorm van onderzoek waarin een individu of een groep zeer intens en gedetailleerd bestudeerd wordt.
  • Catch-up growth (Inhaalgroei)
    De neiging van mensen om een normaal verloop van fysieke groei te hervatten na letsel of onthouding.
  • Categorical speech perception (Categorische spraakwaarneming)
    De neiging om een reeks geluiden binnen eenzelfde fonemische groep als hetzelfde waar te nemen.
  • Catharsis (Catharsis)
    Het ontladen van agressieve impulsen door feitelijke of symbolische agressieve handelingen uit te voeren die anderen geen schade toebrengen.
  • Central executive (Centraal executieve verwerkingssysteem)
    De overkoepelende controller in het werkgeheugen model die de handelingen van de verschillende opslagsystemen reguleert. Dit is vergelijkbaar met het idee van executieve functies.
  • Centration (Centratie)
    Het richten van iemands aandacht op maar één kant of kenmerk van een object of situatie.
  • Cephalocaudal (Cephalocaudaal)
    Het patroon van menselijke lichamelijke groei waar ontwikkeling begint in het gebied van de hersenen en zich naar beneden voortzet tot aan de romp en benen.
  • Cerebral cortex (Hersencortex)
    Het grijze gebied dat de hersenen bedekt en de cellen bevat die specifieke functies zoals zien, horen, bewegen en denken controleren.
  • Cerebrum (Grote hersenen)
    De twee verbonden helften van de hersenen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat laten connectiemodellen zien?
Het geeft weer hoe informatie wordt verwerkt --> hoe neuronen in het brein werken. 
EXECUTIEVE CONTROLE STRUCTUUR
Volgens Case, een mentale blauwdruk of een plan voor het oplossen van een categorie problemen.
NEOPIAGETIAANSE THEORIEËN
Ontwikkelingstheorieën over cognitie die Piagets concepten opnieuw interpreteren vanuit een informatieverwerkingsperspectief.
Wat zijn de drie componenten van de executieve controle structuur?
·         een representatie van het probleem

·een representatie van het doel van het probleem
·een representatie van de strategie om het doel te bereiken
INFORMATIEVERWERKINGSBENADERINGEN
Ontwikkelingstheorieën die zich richten op de loop van informatie door het cognitieve systeem van een kind en met name op de specifieke bewerkingen die het kind uitvoert tussen de invoer- en uitvoerfases.
EVOLUTIONAIRE PSYCHOLOGIE
Een onderzoeksveld dat stelt dat belangrijke aspecten van psychologisch functioneren evolutionaire veranderingen weergeven en cruciaal zijn voor het voortbestaan van de soort.
SOCIO-CULTURELE THEORIE
Een ontwikkelingstheorie, voorgesteld door Lev Vygotsky, waarin ontwikkeling wordt gezien als iets dat ontstaat vanuit de interacties die het kind heeft met meer bedreven mensen en met de instituten en hulpmiddelen die hun cultuur hen aanreikt.
PIAGETIAANSE THEORIE
Een cognitieve ontwikkelingstheorie die het kind ziet als actief zoekend naar nieuwe informatie.
SOCIALE LEERTHEORIE
Een leertheorie die het belang van observeren en imiteren benadrukt in het leren van nieuw gedrag, waarbij leren wordt bemiddeld door cognitieve processen.
Welke theorie kwam in de tijd van Piaget en Vygotsky ook in opkomst?
De informatieverwerkingsbenadering.