Summary Developmental Psychopathology

-
503 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Developmental Psychopathology
  • Kerig, Ludlow & Wenar
  • or
  • 6th

Summary - Developmental Psychopathology

  • 4 Mentale retardatie

  • Zwakzinnigheid is een stoornis op as II, omdat:
    • Het gaat om een blijvende verstoring door beperkte cognitie
    • Het 4 keer meer kans geeft op psychopathologie

    Meest voorkomende ontwikkelingsstoornis ter wereld: 1 - 3%
  • Jo
    Jo
  • 4.1 Definitie

  • Is MR een vorm van psychopathologie?
    Nee, maar het vergroot de kans op psychopathologie enorm.
  • Hoe definieerde ze vroeger MR en hoe veranderde dat?
    Eerst werd er naar de intelligentie gekeken, een IQ onder 70 (2 SD's lager dan gemiddelde) zou MR zijn. Later werd adaptief gedrag erbij betrokken, want waarom zou je MR hebben als je niet disfunctioneel was in het leven.
  • Hoe werd adaptief gedrag gemeten?
    Met de Adaptive Behavior Scale. Deze bevatte 3 factoren:
    1. Personal self-sufficiency: aan persoonlijke behoeften kunnen voldoen (eten)
    2. Community self-sufficiency: zelfredzaamheid in de buurt van anderen (winkelen)
    3. Personal-social responsibility: aan een taak kunnen beginnen en deze afmaken
  • Aan de hand van wat werd MR vanaf 1992 vastgesteld?
    Adhv functioneren. Dit werd onderverdeeld in 2 factoren:

    1. Capaciteiten (intrapersoonlijke vaaridgheden)
      1. Intelligentie
      2. Adaptieve vaardigheden
        1. Persoonlijke vaardigheden
        2. Sociale vaardigheden
    2. Omgevingen: kan iemand zonder hulp functioneren in zijn eigen groep? (bv een kind tijdens het spelen)
  • Wat is verder belangrijk om vast te stellen?
    De mate van gebrekkig functioneren, in hoeveel steun iemand nodig heeft.
  • Hoe wordt MR hedendaags gedefinieerd?
    Als intellectueel onvermogen, waarbij er sprake is van een aanpassingsvermogen.
  • Wat zijn de DSM criteria?
    1. Benedengemiddeld IQ
    2. Verstoringen in adaptief gedrag
    3. Moet in ieder geval voor het 80e levensjaar sprake van zijn
  • Welke vormen van MR zijn er?
    • Milde (IQ 55-70): zelfstandig of met begeleiding functioneren, vaak geen biologische oorzaak
    • Gemiddelde (IQ 40-54): begeleiding vereist
    • Ernstige (IQ 25-39): beperkte vaardigheden, taalvaardigheden zijn beperkt
    • Zeer ernstige (IQ onder 25): hulp bij basisbehoeften zoals eten of in bed komen. Meestal biologische oorzaak
  • MR is de meest voorkomende ontwikkelingsstoornis 1 tot 3% van de wereldbevolking heeft het.
  • Wat is een voorspeller van MR?
    Development delay (DD), waarbij een jong kind op 2 of meer domeinen achterloopt.
  • Bij welk geslacht komt MR vaker voor en wat is daar de waarschijnlijke oorzaak voor?
    Jongens, zij hebben vaker last van genetische afwijkingen.
  • Waar moet op gelet worden bij het vaststellen van MR?
    Sociale omgeving, mate van diversiteit in spraak en de culturele verschillen.
  • Welke comorbiditeit komt het meeste voor?
    ADHD en gedragsproblemen. Ook nog wel depressie, angst, autisme en schizofrenie.
  • Wat komt vaker voor bij mensen met MR, in tegenstelling tot mensen zonder MR?
    Zelfbeschadiging en herhaalde gedragingen.
  • 4.2 Organic MR

  • Wat is organic MR?
    Wanneer er sprake is van een biologische oorzaak.
  • Wat houdt het syndroom van down in?
    Hierbij is er een afwijking op het 21e chromosoom. Er is vaak sprake van lichamelijke afwijkingen, zoals hartafwijkingen. Gemiddelde IQ is 50.
  • Wat houdt het fragiele X-syndroom in?
    Hierbij is er sprake van een verandering van het FMR-1 gen. Hierdoor wordt er te weinig van een proteïne aangemaakt die de hersenen laat groeien. Daardoor is er vaak sprake van intellectuele gebreken. Het komt vaker voor bij mannen.
  • Wat houdt het Prader-Wili syndroom in?
    Wordt veroorzaakt door een afwijking op chromosoom 15. Vaak milde MR. Verbaal functioneren is vaak lastig, non-verbaal gaat goed. Voor het 6e levensjaar wordt er weinig gegeten, daarna juist heel veel (hyperphagia) waardoor vaak obese ontstaat.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Developmental Psychopathology
  • Patricia Kerig
  • 9780077131210 or 0077131215

Summary - Developmental Psychopathology

  • 1 The developmental approach

  • Hoe kan kinderpsychopathologie gezien worden?
    Als een normale ontwikkeling waarbij iets fout is gegaan.
  • Wat is psychopathologie?
    Gedrag dat gepast was bij een bepaalde leeftijd, maar dat niet meer is als het niet past bij het level van de ontwikkeling van het kind
  • De normale ontwikkeling in vijf contexten:
    1. Biologisch (psychologische processen invloed op biologie van het lichaam en andersom)
    2. Individuele context: psychologische variabelen in een persoon
    3. Familiecontext
    4. Sociale context
    5. Culturele context: culturele factoren kunnen een risico- of beschermende factor vormen. Wat gepast gedrag is voor een kind hangt ook af van cultuur.
    Tijd speelt ook een grote rol. De contexten zijn steeds met elkaar in interactie
  • Medisch model kinderpsychopathologie:
    Hypothese dat psychopathologie veroorzaakt wordt door organische disfuncties.
  • Behavioristisch model kinderpsychopathologie:
    Wetenschappelijke psychologie moet gebaseerd zijn op waarneembaar gedrag, op basis van empirisch onderzoek en beschreven a.d.h.v. leerprincipes
  • Operante conditionering:
    Een organisme reageert of veranderd iets in de omgeving om het gevolg ervan te bereiken. (Positieve bekrachtiging, negatieve bekrachtiging (gedrag vermeerderen door negatieve stimulus weg te halen), extinction (beloning weghalen) en punishment
  • Klassieke conditionering:
    (Pavlov) Een neutrale stimulus wordt gekoppeld aan een stimulus die gedrag oproept. nadat de reactiestimulus wordt verwijderd reageert men hetzelfde op de neutrale stimulus als die wordt ervaren
  • Imitatie:
    Nieuw gedrag leren door imitatie/observatie.
  • Behavior deficit:
    Gedrag dat minder vaak voorkomt in een kind dan cultureel verwacht
  • Behavior excess:
    Gedrag dat vaker voorkomt in een kind dan cultureel gepast is.
  • Sociale leertheorie, reciprocal determinisme:
    Uitbreiding van het behavioristisch model. persoon en omgeving beinvloeden elkaar over en weer.
  • Self efficacy:
    Persoon anticipeert niet alleen op het gegeven dat gedrag een bepaalde uitkomst heeft, maar ook op of het gedrag succesvol uit te voeren is of niet.
  • Cognitive development theory van Piaget:
    Ontwikkeling verloopt volgens fasen. Schema = soort model dat het kind helpt om zijn omgeving te begrijpen en te voorspellen. Assimilatie: Nieuwe info in bestaand schema toevoegen. Accommodatie: Nieuwe info die een schema verandert invoegen.
  • Social cognitive theory:
    Uitbreiding van cognitive developmental theory. Schema van kinderen kleurt hun perspectief door opgedane ervaringen en dit bepaalt hoe ze zich gedragen tegenover anderen
  • Klassieke psychoanalyse van Freud:
    - structureel model: Id, ego (v.a. 6 mnd) en superego (v.a. 5 jaar) Psychopathologie = conflict tussen deze drie.
    - Psychoseksueel model: orale fase, anale fase, fallische fase en latente fase. Psychopathologie is fixatie op fase. Regressie: onder stress komt de fixatie terug.
  • Egopsychologie van Erikson:
    Fases van crisis. 1 jaar; Trust - mistrust. 2 jaar: autonomie vs. schaamte. 4/5 jaar: initiatief v.s. schuldgevoelens. 6 jaar: Industrie (leren) v.s. inferioriteit. Adolescentie: ego-identiteit vs rolverwarring
  • Object relations theory: (MAHLER)
    Nadruk op gehechtheid.
    1. Normal autism - geen onderscheid tussen zichzelf en andere organismen.
    2. symbiotische fase -kind en verzorger zijn twee delen van één organisme.
    3. differentiatiefase: verzorger is ander persoon (4 mnd)
    4. oefenfase: wereld ontdekken met verzorger als veilige basis (8 mnd)
    5. rapprochement fase: kind verwerft meer autonomie maar heeft verzorger nog steeds nodig ( 2 jaar)
    6. Object constancy: het kunnen integreren van positieve en negatieve gevoelens in één representatie
  • Familiesysteemmodel:
    Familie wordt gezien als systeem, geheel dat groter is dan de som van de delen. Subsystemen differentiëren elkaar: huwelijk, ouder-kind en siblings onderling zijn subsystemen. Om dat te laten functioneren moeten er duidelijke grenzen zijn.
  • Ouder-kind coalitie (volgens Minuchin)
    Kind vormt alliantie met één van de ouders die de andere ouder buiten sluit
  • Trilanguatie:
    Ouders hebben geen gezonde relatie meer en het kind zit er middenin.
  • Detouring-attacking:
    Ouders hebben huwelijksproblemen en vermaskeren dat door het hebben van een probleemkind.
  • Detouring-supportive:
    Kind wordt gezien als behoeftig en zeer gevoelig. Dit leidt af van de problemen die de ouders hebben. Ze zijn vooral bezig met het kind helpen.
  • Ontwikkelingspsychopathologie:
    Is een eerste stap naar een integratief model. Dit is geen theorie maar een benadering. Kenmerken: Bekijkt de mens als een geheel, ziet ontwikkeling als hiërarchische fasen, ziet een continuüm tussen normale en abnormale ontwikkeling
  • Risicofactor:
    Conditie die de kans op een psychopathologie vergroot.
  • Kwetsbaarheid:
    Verhoogt de kans op psychopathologie door een risicoconditie in het kind zelf, vb temperament
  • Beschermende factor:
    Vangt een risico op
  • Equifinality:
    Verschillende risico's leiden tot hetzelfde probleem
  • Multifinality:
    Een bepaald risico kan leiden tot meerdere problemen
  • Continuïteit:
    Probleem blijft bestaan gedurende de ontwikkeling
  • Discontinuïteit:
    Probleemgedrag vervaagt of het probleem is er nog maar het uit zich nu in ander gedrag
  • Kwantitatief misgaan:
    Regressie, asynchroon (1 gebied ontwikkelt normaal, ander gebied vertraagt), versnelling
  • Kwalitatief misgaan:
    Ongepast gedrag, aanpassingsfout: te veel of te weinig vragen van het kind
  • Mediator:
    Oorzakelijke variabele, via mediator beïnvloedt de onafhankelijke variabele de afhankelijke
  • Moderator:
    Beïnvloed de relatie tussen onafhankelijke variabelen en afhankelijke variabelen maar veroorzaakt het niet.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.