Summary Directe Belastingen II

-
302 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Directe Belastingen II

  • 1 HC I: Winstgenieters in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting

  • Laten we ervan uitgaan dat er sprake is van een onderneming. Wordt de vennoot in een vennootschap onder firma als ondernemer aangemerkt? Waarom?
    Ja. Hij is hoofdelijk verbonden (art. 18 WvK).
  • In welke fase van de onderneming kan de wil van de ondernemer eventueel wel een rol spelen bij de bepaling of er sprake is van een onderneming (p. 101)?
    Aanvangsfase.
  • Geef de in de jurisprudentie gegeven definitie van een onderneming in fiscale zin. Wat wordt mede verstaan onder een onderneming?
    Een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee beoogd wordt om, door deelname aan het maatschappelijk productieproces, winst te behalen. Het zelfstandig uitgeoefende beroep (art. 3.5-1 IB).
  • Benoem de structurele oplossing voor de man/vrouw-firma onder de Wet IB 1964. Geef uitleg bij (2) Geef het relevante artikel.
    (1) Urencriterium (1225 uren); (2) Grotendeelscriterium (belastingplichtige geniet grotendeels winst uit onderneming); (3) Gebruikelijkheidscriterium. Art. 3.6 IB.
  • Wat is het gevolg, indien het gebruikelijkheidscriterium van toepassing is? Wat is de eerste vereiste voor toepassing van dit criterium? Wanneer is art. 3.6-2-a van toepassing? En 3.6-2-b?
    Uren worden niet in aanmerking genomen voor het urencriterium. Samenwerkingsverband met verbonden persoon. Werkzaamheden van ondersteunende aard. Ondermaatschap. Art. 3.6-2 IB.
  • Wat is belastbare winst uit onderneming? Waarmee wordt de belastbare winst uit onderneming verminderd?
    Het gezamenlijke bedrag aan winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen. Ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Art. 3.2 IB.
  • Welke types ondernemingen kunnen voor rekening van een belastingplichtige ondernemer worden gedreven? Hoe wordt het feit dat de resultaten van deze laatsten aan de belastingplichtige wordt toegerekend ook wel genoemd? Moet voor de aangifte een samenwerkingsverband een gezamenlijke balans worden opgesteld? Wat dan wel?
    Eenmanszaak. Maatschap, VOF, CV. Fiscale transparantie. Nee. Eigen balans.
  • Paul beweert dat zijn Tearoom, waar hij verstandelijk gehandicapten in de bediening laat werken, geen onderneming kan zijn aangezien hij geen winst beoogt. Snijdt het verweer van Paul hout? Hoe wordt dus beoordeeld of er sprake is van een onderneming? In welke fase van de onderneming kan de wil van de onderneming wel een rol spelen voor de vraag of er sprake is van een onderneming?
    Nee (subjectief). Objectief. Aanvangsfase onderneming.
  • Jan en Marie zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Jan exploiteert als eenmanszaak een juwelier die in alle opzichten een onderneming vormt. Kan Marie worden aangemerkt als ondernemer ex art. 3.4 IB? Waarom (niet)? Noem het relevante arrest.
    Nee. De onderneming wordt niet voor rekening van Marie gedreven, noch wordt zij rechtstreeks gebonden voor de verbintenissen van de onderneming. BNB 1963/205.
  • Noem de tegenstelling tussen winst uit onderneming en loon uit dienstbetrekking.

    Zelfstandigheid t.o.v. gezagsverhouding.
  • Waar vindt men de definitie van de ondernemer? Welke eisen worden cumulatief gesteld om te kwalificeren als ondernemer?
    Art. 3.4 IB. (1) Er is sprake van een onderneming; (2) Die onderneming wordt voor rekening van belastingplichtige gedreven; (3) De belastingplichtige wordt rechtstreeks verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming (rechtstreekse verbondenheidscriterium).
  • Wie genieten, behalve de ondernemer, nog meer belastbare winst uit onderneming? Waar moeten we bij (1) vooral aan denken? Kunnen deze figuren voldoen aan het urencriterium? Wat gaat voor op (2), indien van toepassing? Noem het relevante artikel.

    (1) Medegerechtigde; (2) Houder van een hybride schuldvordering op een onderneming. Art. 3.3-1 IB. Commanditair vennoot. Nee. Resultaat uit overige werkzaamheden. Art. 3.3-4 IB.

  • Noem de tegenstelling tussen winst uit onderneming en vermogensbeheer.
    Actief t.o.v. passief.
  • Noem de tegenstelling tussen winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden.

    Duurzaam t.o.v. incidenteel.

  • Geef de in de jurisprudentie gegeven definitie van een onderneming in fiscale zin. Hoe geschiedt derhalve de beoordeling of er al dan niet een onderneming bestaat (p. 100)?
    Een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee beoogd wordt om, door deelname aan het maatschappelijke productieproces, winst te behalen. Objectief.
  • Welke CV is subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting? Geef een definitie van deze commanditaire vennootschap.
    De open commanditaire vennootschap (Art. 2-1-a Vpb). De commanditaire vennootschap waarbij toetreding of vervanging kan plaatshebben zonder toestemming van alle vennoten (art. 2-3-c AWR).
  • Kunnen illegale of onzedelijke activiteiten ook een onderneming vormen in de zin van art. 3.2 IB? Welk beginsel ligt hieraan ten grondslag (p.101).
    Ja. Fiscale neutraliteit.
  • Peter heeft bij zijn werkzaamheden eigenlijk maar één grote opdrachtgever. Is er nu per definitie geen sprake van een onderneming (p. 103)?

    Nee.
  • Wat is de hoofdregel voor maten in een maatschap wat betreft aansprakelijkheid? Is een maat in een maatschap net als een vennoot in een vennootschap onder firma hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen der maatschap?
    Een maat bindt in beginsel alleen zichzelf. Nee, voor een gelijk deel verbonden.
  • Noem alle relevante factoren die een rol spelen bij het objectief vaststellen of er sprake is van een onderneming danwel niet. Zijn deze factoren cumulatief? Geef het anagram.
    (0) Winstverwachting, (1) Spraakgebruik, (2) Omvang van de werkzaamheden, (3) Lopen van ondernemers- en debiteurenrisico, (4) Duurzaamheid van de werkzaamheden, (5) Beschikbare tijd en bekendheid die naar buiten toe aan de werkzaamheid wordt gegeven, (6) Aantal opdrachtgevers, (7) Grootte van de bruto-baten, (8) Zelfstandigheid. Nee. We SOLD BAGZ.
  • Wat is het grote belang van kwalificatie van een activiteit als onderneming? Wat nog meer?
    Aftrekbaarheid kosten. Ondernemersaftrek.
  • Welke twee situaties waarin de belastingplichtige onder de IB 1964 werd aangemerkt als ondernemer, heeft de wetgever in de IB 2001 willen oplossen? Wat was de oplossing voor het laatste?
    (1) Man/vrouw-firma; (2) Beleggers in een CV. Rechtstreekse verbondenheidscriterium.
  • Wanneer kan een commanditaire vennoot worden aangemerkt als ondernemer?
    Indien hij het beheersverbod (art. 20 WvK) overtreedt. BNB 2009/99.
  • Noem de cumulatieve eisen voor toepassing van het gebruikelijkheidscriterium.
    (1) Uren besteed aan werkzaamheden binnen samenwerkingsverband met verbonden persoon; en (2) deze werkzaamheden zijn hoofdzakelijk (>70%) van ondersteunende aard; en (3) ongebruikelijk dat dit samenwerkingsverband zou worden aangegaan tussen niet-verbonden personen.
  • Om als ondernemer te kwalificeren geldt als eis dat de onderneming voor rekening van de belastingplichtige dient te worden gedreven. Waartussen dient dus een band te bestaan? Hoe kan je dit ook noemen?
    Financiële resultaten onderneming (eis 1) en de belastingplichtige. Gerechtigdheid tot resultaat onderneming.
  • Geef de door Essers gegeven definitie van een onderneming in fiscale zin.
    Zelfstandig duurzaam bedoelde activiteiten gericht op een risicodragende deelname aan het economisch verkeer.
  • Wanneer is volgens de Hoge Raad sprake van een zelfstandig uitgeoefend beroep ex art. 3.5-2 IB (BNB 1992/370, p. 109)? Als wat wordt het zelfstandig uitgeoefende beroep aangemerkt?
    Indien belanghebbende de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. Onderneming.
  • Onder bepaalde voorwaarden genieten ook de houders van een schuldvordering en de medegerechtigde belastbare winst uit onderneming. Waar vinden we deze bepaling terug? Hoe kan deze wettelijke bepaling worden gekwalificeerd?
    Art. 3.3-1-a jo. 3.3-3 IB.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

In welk arrest treft men een duidelijke voorloper van BNB 2008/191 aan?

BNB 1998/276.

M BV verstrekt een onzakelijke lening ad € 100.000 aan D BV. Op enig moment wordt D BV geliquideerd en het blijkt dat de onzakelijke lening oninbaar is. Hoe wordt het bedrag van de afwaardering op de onzakelijke lening nu beschouwd? Heeft dit implicaties voor het opgeofferd bedrag (geef saldo) voor de liquidatieverliesregeling ex art. 13d Vpb? Noem het arrest dat op dit vlak uitsluitsel bood.

Informele kapitaalstorting. Ja (+ 100.000). BNB 2012/38.

Uit welke gedachte komt de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de onzakelijke lening voort?

Totaalwinstgedachte (art. 3.8 IB jo 8 Vpb).

Kan de aanmerkelijk belanghouder die een onzakelijke lening verstrekt aan zijn eigen BV, het afwaarderingsverlies in aanmerking nemen als resultaat uit overige werkzaamheden? Wat vormt het afwaarderingsverlies? Wat doet dit? Noem het relevante arrest.

Nee. Informele kapitaalstorting. Verhoogt verkrijgingsprijs. BNB 2012/78.

Kees Boef neemt onzakelijk debiteurenrisico door zijn BV een lening ad € 100.000 te verstrekken, die ieder onafhankelijke derde niet zou hebben verstrekt. Het staat geenszins vast dat de BV zijn lening niet zal kunnen terugbetalen. Op enig moment blijkt de lening oninbaar en besluit Boef de lening af te waarderen tot nihil. Welke regeling is van toepassing? Mag hij dit verlies nemen in box 1? Waarom (niet)? In welk arrest is dit bevestigd?

Terbeschikkingstellingsregeling. Nee. Er is sprake van een onzakelijke lening. BNB 2012/78.

In het certificaathoudersuitkooparrest heeft de Hoge Raad het over 'in zoverre', hetgeen impliceert dat de onzakelijke lening dient te worden gesplitst in een zakelijk en een onzakelijk deel. Was dit een misverstand? Waaruit blijkt dit (arrest)? Dient er dus splitsing plaats te vinden in een zakelijk en een onzakelijk deel?

Ja. BNB 2012/37. Nee.

Wat is bij de onzakelijke lening niet zakelijk? De lening of de rente? Als wat kwalificeert de onzakelijke lening fiscaal?

Lening. Vreemd vermogen.

Bestaat er verschil tussen de onzakelijke lening en een bodemlozeputlening? Wat is bij een bodemlozeputlening aanstonds duidelijk? Is dit ook het geval bij een onzakelijke lening? Noem het basisarrest voor de onzakelijke lening. Hoe wordt dit arrest ook wel genoemd?

Ja. Dat de lening niet of niet ten volle kan worden terugbetaald. Nee. BNB 2008/191. Certificaathoudersuitkooparrest.

Noem de twee omstandigheden waaronder een deelneming fictief wordt geacht een beleggingsdeelneming te zijn. Wanneer zal het fictief oogmerk van (2) worden tenietgedaan?
(1) De geconsolideerde bezittingen bestaan grotendeels uit (aandelen)belangen van minder dan vijf procent of (2) Groepsfinancieringswerkzaamheden. Bij actieve financieringswerkzaamheden.
Tellen voor de bezittingentoets ook de laagbelaste vrije beleggingen mee van deelnemingen die hoofdzakelijk niet bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen? Hoe wordt dit genoemd?
Nee. Rotte appelbenadering.