Summary Duits 3 havo

-
276 Flashcards & Notes
0 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Duits 3 havo

  • 1 lektion 1

  • misschien
    veilleicht
  • hier naar toe komen
    hierher kommen
  • het idee
    die Idee
  • een beetje
    ein bisschen
  • laten zien
    zeigen
  • ik laat het je zien
    Ich zeige es dir
  • de CD
    die CD
  • de DVD
    die DVD
  • kijken
    gucken, sehen, schauen
  • te weten komen
    erfahren
  • de hobby, de hobby's
    das Hobby, die Hobbys
  • juist, goed
    richtig
  • de tak van sport
    die Sportart
  • de woning
    die Wohnung
  • het zakgeld
    das Taschengeld
  • het onderwerp, de thema
    das Thema
  • de onderwerpen, de thema's
    die Themen
  • uitkiezen
    auswahlen (umlaut op a)
  • de keuze
    die Wahl
  • kiezen is moeilijk
    Wahl macht Qual
  • het plezier
    der spaß
  • tot ziens, houdoe, doei
    Tschüs
  • 1.2 voka 2

  • elke maand
    jeden Monat
  • elk jaar
    jedes Jahr
  • elke week
    jede Woch
  • altijd
    immer
  • krijgen
    bekommen, kriegen
  • zit jij op  een vereniging
    bist du in einem Verein?
  • de vereniging
    der Verein
  • het liefste wielrent hij
    am liebsten fährt er Rennrad
  • de verenigingen
    die Vereine
  • dus
    also
  • houden van
    mögen
  • wie speelt er mee?
    wer spielt mit?
  • sinds wanneer speel jij?
    seit wann spielst du?
  • het voetbalveld
    der fußballplatz
  • de voetbalvelden
    die fußballplätze
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

werpen
werfen-warf-geworfen
wassen
waschen-wusch-gewaschen
groeien
wachsen-wuchs-gewachsen
verstaan
verstehen-verstand-verstanden
beloven
versprechen-versprach-versprochen
vergeten
vergessen-vergaß-vergassen
doen,maken
tun-tat-getan
drinken
trinken-trank-getrunken
treden
treten-trat-getreten
drijven
treiben-trieb-getrieben