Summary Duizelingwekkend: Europese cultuur rond 1900

-
544 Flashcards & Notes
35 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Duizelingwekkend: Europese cultuur rond 1900

  • 1 Adel, burgers en arbeiders

  • Hoe keek Nederland aan tegen de toekomst rond 1900. Beschrijf drie invalshoeken.
    ZELFVERTROUWEN. ER waren veel zelfvertrouwde Nederlanders rond 1900 van mening dat er nog veel goeds in het verschiet lag. Zij zouden een Gouden Eeuw van wetenschap, kunst, cultuur en handel beleven die niet onderdeed voor de zeventiende eeuw. Nederlanders wonnen Nobelprijzen, hadden een groot koloniaal rijk, waren toonaangevende kunstenaars en durfden zelfbewust de wereld tegemoet te treden. 

    KONINGSHUIS NIEUWE STIJL. Religieuze, gewestelijke en politieke verschillen moesten overbrugd worden door Koningshuis nieuwe stijl. 

    HOOG, LAAG, MIDDENSTAND. Er was wel ‘hoog’ en ‘laag’ waarbij het woord burgerlijk een sleutelrol speelde. Aristocratie en patriciaat schrok als burgers hun gewoonten over gingen nemen. Er ontstond een middenstand waar de confessionele politieke partijen zich op richten. Kleine zelfstandigen werden als de ruggengraat van de maatschappij gezien. 
  • Kunt u uitleggen wat het vakgebied Cultuurwetenschappen inhoudt?
    Onze cultuurwetenschappelijke benadering is gericht op het doorgronden van menselijk handelen en de resultaten daarvan. Wat onze cultuurwetenschappers bindt, is dat zij culturele uitingen niet zozeer willen beschrijven als wel analyseren, in een bredere context plaatsen, verklaren, en onderlinge verbanden aan het licht willen brengen. 
  • Wat verstaan we onder cultuur?
    Cultuur is een vanzelfsprekend uitvloeisel van het menselijk leven, dat alles omvat wat door mensen gedaan en gedacht is. Cultuur is het geheel van gewoonten en gebruiken van een groep mensen op een gegeven tijd en plaats. Hoge en lage cultuur samen. 
  • Wat zijn de 6 thema's die we gaan bestuderen?
    1 Adel, burgers en arbeiders over hoe modernisering tot maatschappelijke veranderingen leidt.
    2 Mannelijkheid bedreigd over man – vrouw rollen en homoseksualiteit
    3 Hemelbestormers over de ontwikkeling van kunst
    4 Veranderend mensbeeld, filosofie in deze tijd. O.a. Nietszche
    5 Tijd en ruimte over de wetenschappelijke ontdekkingen
    6 Koloniale cultuur, wederzijdse invloeden.
  • Vat kort samen wat de motor achter de veranderingen was? En vat kort samen wat er toen gebeurde.
    GLOBALISEREING, bijvoorbeeld vlees uit Nieuw Zeeland en graan uit Canada waardoor het inkomen van de oude klasse van grondbezitters daalde en de macht verschoof van platteland naar stad. 

    INDUSTRIALISATIE. een nieuw soort mensen maakte opgang: ingenieurs, technocraten, intellectuelen, stadsbewoners.

    Snelle technologische veranderingen waren voedingsbodem voor kunstenaars. Nostalgie was een groot thema.    
  • 1.1 Peter Burke over cultuurgeschiedenis

  • Noem twee benaderingen van cultuurgeschiedenis
    VAN BINNENUIT: cultuurgeschiedenis als het ware van binnenuit in ogenschouw nemen, om te zien hoe opeenvolgende problemen en vraagstukken zijn behandeld of opgelost.
    VAN BUITENAF: een benadering van buitenaf, om te zien hoe het werk van cultuurhistorici in verband staat met de tijd waarin ze leven
  • Hoe is cultuurgeschiedenis ontstaan.
    Vanaf ongeveer 1780 werd het vak in Duitsland al beoefend als een meer integrale geschiedschrijving die zich richt op cultuur als 1 samenhangend verschijnsel, of op de cultuur van bepaalde regio’s en landen. De grote traditie. 
  • Beschrijf de vier fasen van de ontwikkeling van de cultuurgeschiedenis
    De eerste, de klassieke fase in de negentiende en begin twintigste eeuw, 
    de tweede fase, sociale kunstgeschiedenis uit de jaren 30, 
    als derde in de jaren 60 de geschiedenis van de volkscultuur
    de vierde de stroming die bekend werd als nieuwe cultuurgeschiedenis.
  • Wat was de klassieke cultuur geschiedenis
    1800 tot 1950 het klassieke tijdperk, de grote traditie, een tijd waarin de cultuurhistorici zich beperkten tot de geschiedenis van de klassieke oudheid en tot de klassieke ‘canon’ van meesterwerken uit de kunst, literatuur, filosofie, natuurwetenschappen enzovoort. 
  • Wat is hermeneutiek
    Hermeneutiek, de kunst van het interpreteren.
  • Hoe keek Huizinga aan tegen cultuurgeschiedenis
    Huizinga stelt dat het belangrijkste doel is om een beeld te geven van cultuurpatronen. De karakteristieke gedachten en sentimenten van een tijdperk beschrijven. En hoe je dat terug vindt in literatuur en beeldende kunst. Bestudeer thema’s, symbolen, sentimenten, gedragsnormen en gedragsvormen. Vormen = culturele regels. Die vorm begrijpen had hij nodig om bijvoorbeeld van Amerikaanse literatuur te genieten.
  • Wat zijn de voornaamste kenmerken (ik heb er 6) van de ‘klassieke’ cultuurgeschiedenis zoals de eerste generatie cultuurhistorici, bijvoorbeeld Jacob Burckhardt en Johan Huizinga, die beoefende?
    De voornaamste kenmerken van de klassieke cultuurgeschiedenis zijn:
    - Veel aandacht voor de klassieke canon; dus veel aandacht voor de klassieke oudheid, schilderijen, literatuur.
    - De klassieke cultuurhistorici plaatsten cultuuruitingen in een historische context om zodoende een beeld van een tijdperk te schetsen en uitspraken te doen over de tijdsgeest. 
    - In zekere zin was de eerste generatie cultuurhistorici al ‘interdisciplinair’, 
    - De eerste generatie cultuurhistorici schreef toegankelijke studies voor een breed publiek.
    - Cultuurgeschiedenis (destijds ook wel aangeduid als Geistesgeschichte) was in het begin hoofdzakelijk een Duitstalige aangelegenheid.  
    - Aanvankelijk werd cultuurgeschiedenis in het algemeen beschouwd als minder wetenschappelijk dan politieke geschiedenis, omdat deze laatste gebaseerd zou zijn op harde feiten en cultuurgeschiedenis op interpretaties.
     
  • Noem een verschil tussen Burckhardt en Huizinga.
    Burckhardt wilde bijvoorbeeld ‘het beeld van een gehele cultuur’ oproepen (p. 28) en Huizinga wilde ‘karakteristieke gedachten en sentimenten [beschrijven] van een tijdperk’ (p. 29).
  • Waar lieten de pioniers van de nieuwe cultuurgeschiedenis zich door inspireren?
    ANTROPOLOGIE. 

    MAATSCHAPPIJ ALS GEHEEL Zij meenden dat cultuur niet een historische laag is die geïsoleerd kan worden van andere lagen, zoals economie, maatschappij of politiek.

    DAGELIJKS LEVEN. Binnen de nieuwe cultuurgeschiedenis verwijst cultuur niet exclusief naar hogere cultuuruitingen, maar ook naar de cultuur van het dagelijks leven, denk aan gewoonten, waarden en levensstijl.

    De meeste tegenwoordige cultuurhistorici menen dat cultuur veelvormig is en in wisselwerking met tal van andere fenomenen.
  • Verklaar de relatief late opkomst van ‘de geschiedenis van de volkscultuur’.

    Voorheen was het bestuderen van dergelijke cultuuruitingen echter vooral een aangelegenheid van niet-historici, zoals antropologen en folkloristen.


    Hoewel pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw historici de ‘volkscultuur ontdekten’, was het concept ‘volkscultuur’ al veel ouder.

    Nu begonnen academische historici (zoals Eric Hobsbawm en Edward Palmer Thompson) zich voor het eerst te interesseren voor de volkscultuur, en werd dit een serieus academisch onderzoeksgebied.

    Er was een duidelijke relatie tussen de bestudering van de geschiedenis van de volkscultuur en de marxistisch-geïnspireerde geschiedschrijving. Er kwam aandacht voor de lagere klassen en de maatschappelijke verhoudingen.

    Aldus werd nagedacht over een tegenstelling tussen volkscultuur (lage cultuur) en elitecultuur (hoge cultuur). Deze problematisering werd mede ingegeven door ontwikkelingen in andere disciplines zoals de cultural studies (culturele studies of cultuurwetenschappen).
  • Wat zijn de voornaamste kenmerken van de benadering van de cultuurgeschiedenis door de onderzoekers in deze tweede fase, zoals Weber, Elias, Warburg, Gombrich en Panofsky? Noem er twee.
    De onderzoekers van deze tweede fase legden de nadruk op terugkerende patronen en schema’s in de geschiedenis om zo de historische werkelijkheid te duiden.

    In deze tweede fase waren de onderzoekers verrassend vaak niet-historici. 


    Weber benaderde economische ontwikkeling vanuit een cultuurhistorisch perspectief. 

    Norbert Elias bestudeerde het langdurige ‘beschavingsproces’, oftewel de voortschrijdende zelfdiscipline als gevolg van maatschappelijke veranderingen. 

    Aby Warburg wilde bijdragen aan een brede 'Kulturwissenschaft' door het verleden te duiden in culturele schema’s; er werd voortgebouwd op diens ideeën door onderzoekers als Ernst Robert Curtius, Ernst Gombrich en Erwin Panofsky met hun nadruk op topoi en patronen.
  • Bij elke historische bron moet een onderzoeker kritisch te werk te gaan. Ongeacht of het gaat om teksten of beeldmateriaal, alle bronnen worden getoetst aan de hand van de ‘bronnenkritiek’.


    Op welke punten zou een onderzoeker moeten letten om zo objectief mogelijk een dergelijke bron te analyseren?
    Enkele van de meest gestelde vragen aan historische bronnen zijn:
         



    Stap 1: Wanneer en waar is de bron vervaardigd?
    Stap 2: Wie is de auteur van de bron?
    Stap 3: Wat is de functie van de bron?
    Stap 4: Tot wie richtte de auteur zich?
    Stap 5: Hoe betrouwbaar is de informatie in de bron?
  • Routine vragen historisch onderzoek OU oude stijl. Noem 9
    1. Is de bron authentiek?
    2. Wat voor soort bron is het?
    3. Door wie geschreven, aan wie, wanneer en waar? Waarneming of interpretatie?
    4. Was de schrijver ooggetuige? (een primaire bron?)
    5. Met welke bedoeling is het stuk geschreven?
    6. Begrijpen we het stuk zoals een tijdgenoot het begrepen zou hebben?
    7. Hoe betrouwbaar is de informatie in het stuk?
    8. Kan er sprake zijn van vervalsing uit politieke, pr, financiële motieven?
    9. Geeft de bron voldoende informatie?
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Inleiding, hoe zag de filosofie er rond 1900 uit?
Denken over de mens, wat is de mens, wordt sinds Immanuel Kant (1858-1918) wijsgerige antropologie genoemd. Anthropos (mens) en logos (rede of denken).

Het is niet gemakkelijk om een overzicht te geven van de filosofie rond 1900, omdat er sprake was van een veelheid aan stromingen, stijlen en specialisaties. Kenmerk een vergaande versnippering.

Eerst aandacht filosofie in de tweede helft van de 19de eeuw, in relatie tot de ontwikkelingen binnen de wetenschappen en de techniek. Daarna drie zeer invloedrijke denkers: Arthur Schopenhauer, Karl Marx en Friedrich Nietzsche.

Er is rond 1900 een verandering van een statisch, stabiel wereldbeeld naar een dynamisch wereldbeeld. Zo was dat voor de filosofie, voor de ontwikkelingen binnen de maatschappij en de natuurwetenschappen.
Wie was Arthur Schopenhauer (1788-1860)?
Van Kant nam Schopenhauer de gedachte over dat we geen kennis kunnen hebben van de dingen zoals ze op zichzelf zijn, maar alleen van de dingen zoals ze aan ons verschijnen. Ons kenvermogen bepaalt hoe wij de dingen zien. We kunnen nu - volgens Kant - niet achter de structuren van ons kenvermogen kijken hoe de wereld er op zichzelf uitzien en om die reden blijft er voor ons veel verborgen. 

Schopenhauer stelde dat wat wij de wereld noemen, in feite niets anders is dan onze voorstelling van die wereld. Het is een wereld die volgens Schopenhauer geregeerd wordt door de wil. De wil is een principe dat ons voortjaagt: het is een blinde wil om onszelf te handhaven, te objectiveren en te realiseren. Met zijn theorie van de wil schiep Schopenhauer een basis voor het idee dat de mens in wezen een irrationeel wezen is dat geleid wordt door zijn oncontroleerbare wil om te leven. Een wild angstaanjagend dier. Het leven is een lijdensweg op weg naar de dood. Lijden we niet, gaan we ons onmiddellijk vervelen. Daarom is ons bestaan per definitie ongelukkig.

Ontsnappingen zag Schopenhauer in de kunsten, muziek. Het boeddhisme kan ons leren om ons over te geven aan de wil, berusting in het lot, wat rust geeft.
Blom bespreekt in hoofdstuk 13 van De duizelingwekkende jaren het werk van wetenschappers, eugenetica, racisten, filosofen en mystici door elkaar heen. Kunt u aan de hand van de tekst van Kok kort uitleggen waarin de bijdrage van de filosofen verschilde van die van met name de wetenschappers en eugenetica?
Wetenschappers en eugenetici hielden zich vooral bezig met fundamenteel, experimenteel onderzoek en met de implicaties en toepassing daarvan.
Filosofen zoals Schopenhauer, Marx en Nietzsche hielden zich vooral bezig met reflectie en kritiek op de wetenschappelijke en maatschappelijke praktijk. Zij waren bijvoorbeeld niet bezig met de vraag ‘kunnen we het menselijke ras door fokken verbeteren, en hoe dan?’, maar wel met de vraag ‘wat is de mens?’, of ‘wat zijn de belangrijkste drijfveren van de mens?
Op p. 296-297 van readertekst 16 bespreekt Kok twee tegengestelde, maar gerelateerde denkrichtingen in de filosofie rond 1900. Beschrijf in uw eigen woorden wat deze twee tegengestelde denkrichtingen inhielden?
De ene denkrichting legde sterk de nadruk op de menselijke rede en rationaliteit en ging ervan uit dat de wereld, de natuur, kenbaar of beheersbaar is en de mens maakbaar. Zij hechtte belang aan zaken als efficiëntie, zekerheid, nut, productie, verifieerbaarheid, enzovoorts.

De tweede denkrichting ging er juist van uit dat de mens niet door de rede, maar door zijn driften en instincten, door de geschiedenis of door bijvoorbeeld een ‘volksaard’ werd geleid. Zij wees daarmee de vermeende rationaliteit van de mens af.
Wat zijn de 9 onderdelen van de filosofie en beschrijf ze kort?
1.   Logica is de leer van het correcte redeneren en dus geldige gevolgtrekkingen
2.   Epistemologie, de kenleer, wat het wil zeggen iets te kennen. Wat is kennis?
Wat is de bron of de oorsprong van de kennis? Kennis kan komen uit rationalisme (kennis komt uit ons denken), maar ook uit empirisme of sensualisme (ervaringsgegeven via zintuigen). Het realisme (de werkelijkheid bestaat onafhankelijk van ons) en idealisme (de menselijke geest) bouwt een werkelijkheid.
3.   Wetenschapsleer, wat is wetenschappelijke kennis vs niet wetenschappelijke kennis (soort sub epistemologie)
4.   Wijsgerige antropologie. Wat is de mens? Waardoor kenmerkt de mensen zich, waardoor onderscheidt de mensen zich van het dier? Heeft de mensen een vrije wil of wordt hij door omstandigheden en aanleg bepaald? Zijn lichaam en geest één?
5.   Ethiek: waarden en normen die ons gedrag bepalen, dan wel zouden moeten bepalen. Goed en kwaad. Normen worden in de ethiek worden ontleend aan het denken, aan de godsdienst, aan de natuur, de geschiedenis? Of ieder voor zich?
6.   Esthetiek, hier gaat het om de vraag wat mooi en wat lelijk is.
7.   Metafysica. Abstracte filosofische vragen, metafysica komt van Aristoteles een leerling van Plato. Vragen over niet-zintuigelijke en bovennatuurlijke, als wat bedoelen we met de term god? Ziel?
8.   Ontologie betekent zijnsleer. Die kijkt naar het verschil tussen het bestaan van een groep gelijkdenkende mensen versus het bestaan van een politieke partij. Die laatste die kun je fysiek niet makkelijk aanwijzen.
9.   Sociale en politieke wijsbegeerte. hier wordt nagedacht over de vraag hoe een maatschappij moet worden ingericht.

Je kan de filosofie als een systematische wijze van denken bestuderen, maar je kan ook de geschiedenis van de filosofie en haar filosofen bestuderen.
Bedenk zelf een voorbeeld van een ongeldige redenering die tot een ware conclusie leidt?
Een voorbeeld van een ongeldige redenering met een ware conclusie is: alle mannen hebben een x-chromosoom – Jan heeft een x-chromosoom – Jan is een man.
Deze redenering is ongeldig omdat uit het feit dat alle mannen een x-chromosoom hebben, niet kan worden afgeleid dat alles wat een x-chromosoom heeft, een man is, maar alleen dat als iets een man is, het een x-chromosoom heeft.
Een geldige variant zou zijn: alle mannen hebben een x-chromosoom – Jan is een man – Jan heeft een x-chromosoom.
Thales van Milete was een van de eerste filosofen. Een kenmerk van de eerste filosofen, de presocraten, was dat zij braken met de mythische verklaringen van de wereld die tot dan toe gebruikelijk waren.Simissen stelt op p. 281-282 dat Thales van Milete heel duidelijk afstand neemt van die mythes, maar dat hij anderzijds in zijn denken inhoudelijk verwantschap bleef vertonen met de mythische verklaringen. Leg deze bewering uit aan de hand van Thales van Milete’s theorie over de oorsprong van de wereld?
Volgens Thales van Milete was de aarde ontstaan uit vocht. Dat Thales één element koos waaruit de wereld zou zijn gevormd, laat zien dat zijn denken nog altijd heel dicht stond bij de mythes, die ook vaak uitgingen van het idee dat de wereld is voortgekomen uit één enkel element.
Maar anders dan bij de mythes verkoos Thales een zuiver natuurwetenschappelijke verklaring, gebaseerd op observatie, boven een mythische, goddelijke verklaring. Het ontstaan van de wereld uit water had volgens hem geen goddelijke oorzaak, maar was een zuiver natuurkundig proces.
Beschrijf de ontwikkeling van de westerse filosofie vanaf de pre-socraten?
Pre-socraten worden gezien als de eerste filosofen, deze hadden geen voorlopers. Kenmerk is dat zij een doorlopend debat voerden. De eerste waren inwoners van de stad Milete aan de kust van het huidige Turkije.

Thales 700 v.chr was een eerste Griekse filosoof die stelde dat je natuurkundige oordelen alleen kon maken op basis van wat je kan waarnemen en het denken daarover. Mythes doen voor hem niet mee.

Pythagoras 600 v.chr kreeg als eerste de titel filosoof

Socrates 400 v.chr, had als centrale vraag: 'hoe kan men goed leven?' Hij maakte de filosofie los van natuurwetenschap en kwam met vragen als: hoe dient een individu zich te gedragen ten opzichte van anderen? Hoe moeten maatschappelijke en politieke problemen worden opgelost?

Plato 400 v.chr (leerling van Socrates) zijn geschriften vertellen ons over de manier van denken van Socrates - die geen geschriften heeft achtergelaten. Filosofie leert te zoeken naar antwoorden. En dit zoeken is iets wat mensen beter afgaat in samenspraak dan alleen. Socrates wees zijn omgeving steeds op vooroordelen en dogmatische standpunten en hield het denken daarmee levendig. Volgens de heren begint filosoferen bij verwondering.

Sommige filosofen zochten de waarheid in religie, anderen verdiepten zich in wiskunde, weer anderen in politieke en maatschappelijke problemen.

Poging van Simissen: filosofie is een een reflectie op de diversiteit van de menselijke ervaring:
1. Filosofie is een reflectieve, ofwel een beschouwende activiteit
2. Filosofie heeft geen eng omschreven onderwerp, kan op elke onderwerp op elke menselijke ervaring los gelaten worden
Wat is filosofie?
1. Uit het Grieks vertaald betekent het verlangen naar wijsheid
2. Toulmin: wijsheid die de keuzes ondersteunt, levenswijsheid
3. filosofie is een bezigheid vanuit het nulpunt. Filosoferen
4. het stellen van vragen, een bepaald soort vragen

Stephen Edelston Toulmin (Londen, 25 maart1922 - Los Angeles, 4 december2009) was een Amerikaans filosoof van Britse afkomst. Met zijn werk The Uses of Argument (1958) was Toulmin de grondlegger van de argumentatieleer.

Argumentatieleer is de interdisciplinaire studie van hoe de mens door logisch redeneren tot conclusies komt die gebaseerd zijn op premissen (een premisse is een aanname dat iets waar is). Het omvat de domeinen van de kunst van het maatschappelijk debat, de dialoog en de overtuigingskracht.
Filosofie binnen de cultuurwetenschappen?
Doordat filosofie met de andere disciplines deel uitmaakt van de cultuurwetenschappen, kan de filosofie de beoefenaars van de andere disciplines binnen de cultuurwetenschappen bewust proberen te maken van de vooronderstellingen waarvan zij, vaak als vanzelfsprekend, uitgaan. Cultuurfilosofie, een sub-discipline, hier wordt uitdrukkelijk nagedacht over de vraag wat cultuur is.