Summary Economie en recht

-
ISBN-10 9001704875 ISBN-13 9789001704872
212 Flashcards & Notes
6 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Economie en recht". The author(s) of the book is/are O Couwenberg W Kanning ( ), H O Kerkmeester ( ) van L Bakker, W Schreuders. The ISBN of the book is 9789001704872 or 9001704875. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Economie en recht

  • 1 Basisbegrippen van de rechtseconomie 13

  • Wat is een transactie?

    De overdracht van rechten van één persoon naar de ander (Kosten die worden gemaakt heten transactiekosten.)

  • Noem het verschil tussen relatieve en absolute schaarste

     

    Schaarste is de spanning tussen behoeften en beschikbare middelen. Relatieve schaarste wil zeggen dat er sprake is van een opgeofferd alternatief, absolute schaarste betekent dat bepaalde middelen op een bepaalde tijd in het geheel niet beschikbaar zijn.

  • Wat zijn opportunity costs?

    De kosten van het gebruik van (maatschappelijke) middelen worden bepaald door wat men mist, doordat men de middelen niet meer voor andere doeleinden kan gebruiken. De keuze voor een behoefte zorgt er voor dat een ander alternatief wordt opgeofferd. 

     

  • Wat is consumeren economisch gezien?

     

    De transactie van het kopen van consumptiegoederen

  • Zijn diensten consumptiegoederen?

    Ja

  • Noem de productiefactoren

    1. Natuur, 2. Arbeid, 3. Kapitaal (GEEN! consumptiegoederen.) 

  • Welke kenmerken hebben collectieve goederen?

    1. Non-rivaliteit -> consumenten hinderen elkaar niet in het gebruik ervan.

    2. Niet splitsbaar in individuele eenheden.

    3. Non-exclusiviteit -> Eenmaal geproduceerd kan het gebruik ervan voor niemand worden verhinderd. 

  • Wat zijn quasi-collectieve goederen?

    Collectieve goederen waarbij consumenten elkaar wel degelijk kunnen hinderen (files op snelweg.)

  • Wat is een free rider?

    Iemand die niet wil meebetalen aan een collectief goed, maar hiervan uiteindelijk wel wil profiteren. 

     

  • Noem en beschrijf de drie personele inkomensverdelingen (primair enz.) 

    1. Primaire inkomensverdeling -> inkomens die bruto in de private sector en bij de ovh worden verdiend.

    2. Secundaire inkomensverdeling -> wanneer daarnaast ook nog rekening is gehouden met de herverdeling van inkomens door middel van belastingen/subsidies/ uitkeringen/e.d.

    3. Tertiaire inkomens verdeling -> wanneer ook nog rekening is gehouden met speciale overheidsvoorzieningen, zoals ouderenzorg.

     

  • Op welke manieren kan vermogensbezit leiden tot inkomensvorming?

    Pacht (inkomen uit grondbezit,) Huur, Rente (inkomen uit leningen,) Dividend

  • Wat is allocatie?

    De inzet van productiefactoren (gericht op de consumptie)

  • Wanneer kun je spreken van macro-economie

     

    Wanneer het gaat om opgetelde grootheden en aggregatie (samenvoegingen) van transacties. Bijvoorbeeld het BBP

  • Wat is het verschil tussen reële en nominale cijfers?

    Bij reële cijfers is gelet op de prijsontwikkelingen en bij nominale cijfers niet. (Reële cijfers worden gebruikt door het CBS.) 

  • Wat is de consumentenprijsindex?

    Beeld van het CBS van de algemene prijsstijgingen in Nederland

  • Wat wordt er bedoeld met meso-economie

    Een sector in de economie (bijv. landbouw)

  • Wat wordt er bedoeld met de ceteris paribus-voorwaarde?

    Deze voorwaarde wordt gebruikt bij het maken van economische modellen, en houdt in dat ervan wordt uitgegaan dat een aantal (relevante) factoren niet wijzigt. 

  • Uit welke fasen bestaat wetenschappelijk onderzoek?

    1. Inductieve fase -> feiten waarnemen + hieruit regelmatigheden afleiden

    2. Hypothese -> veronderstellingen worden opgesteld

    3. Deductieve fase -> conclusies trekken

    4. Verificatie -> toetsing van de conclusies

  • Wat is het verschil tussen exogene en endogene variabelen?

    Exogene variabelen zijn verklarend en endogene variabelen moeten verklaard worden

  • Wat is methodologisch individualisme?

    Voorkeuren en gedragingen van mensen die het uitgangspunt vormen van een analyse (bijv. welvaartstheorie van Pareto en het criterium van Kaldor en Hicks.)

  • Wat is welvaart in economische zin? Is deze realistisch?

    De mate van voldoening van behoeftes, deze is niet realistisch omdat welvaart een subjectief begrip is.

  • Wanneer is er sprake van optimale allocatie?

    Als de inzet van productiefactoren precies overeenstemt met de wensen van de consumenten. Kan alleen bij volkomen concurrentie.

  • Leg de Paretiaanse welvaartstheorie uit. 

    Het criterium van Pareto houdt in dat er sprake is van welvaartsverbetering indien minstens één groepslid er in zijn individuele welvaart op is vooruitgegaan, terwijl niemand erop is achteruit gegaan. Zodra de welvaart niet meer kan verbeteren is er sprake van Pareto-optimale allocatie. Meerdere welvaartmaxima zijn mogelijk. ( Er is sprake van welvaartsdaling zodra een groepslid erop achteruit is gegaan, terwijl de anderen er niet op vooruit zijn gegaan. Compensatie is niet toegestaan.

  • Leg het criterium van Kaldor en Hicks uit. 

    Er is sprake van welvaartsstijging in een groep wanneer degenen die erop vooruit zijn gegaan, degenen die erop achteruit zijn gegaan compenseren

  • Noem de verschillende inkomensverdelingen en leg deze kort uit.

    1. Personele inkomensverdeling -> verdeling van het nationale inkomen over personen

    2. Vermogensverdeling -> In geld uitgedrukte verdeling van het vermogensbezit 

    3. Categoriale inkomensverdeling -> verdeling van het nationale inkomen over looninkomen en overig inkomen, zoals huur, pacht, rente, dividend en winst.

    4. Functionele inkomensverdeling -> beloning van een individuele productiefactor als aandeel in de productie

  • Wat zijn instituties?

    Door mensen ontworpen voorwaarden die de interactie tussen mensen bepalen.  De regels van het spel in een bepaalde beheersingsstructuur (bijv. de maatschappij of een onderneming.)

  • Wat gebeurt er als de working rules door een beheersingsstructuur worden gewijzigd?

    Dit leidt tot een verandering van de transactiekosten. Verlaging van de transactiekosten komt de allocatie ten goede. 

  • Wat is de moral hazard en hoe kan deze worden voorkomen?

    Het begrip betekent dat iemand zich risicovoller gaat gedragen zodra hij verzekerd is (en daardoor niet aansprakelijk.) Daarom moeten regels worden ontworpen om het gedrag van personen te beïnvloeden. Dit wordt ook wel de mechanism design of impact calculus genoemd. 

  • Waarom is volkomen concurrentie in theorie ideaal maar in de praktijk niet?

    Noem de verschillende vormen van marktfalen.

    Er is sprake van marktfalen:

    1. Onvolkomen concurrentie en monopolies -> herstel door het mededingingsbeleid.

    2. Negatieve externe effecten/ ongelijkheid in informatie -> herstel door het recht\

    3. Collectieve goederen/sector -> herstel door analyse public choice

  • Leg de consumentensurplus en de producentensurplus uit.

    De consumentensurplus is het verschil tussen het bedrag dat consumenten voor het goed willen betalen, en het bedrag dat ze uiteindelijk moeten betalen.

    De producentensurplus is het verschil tussen het bedrag dat producenten minimaal voor hun product willen ontvangen, en het bedrag dat ze uiteindelijk ontvangen.

  • Wat gebeurt er met de vraagcurve als consumenten bij dezelfde prijs meer vraag uitoefenen?

    Deze verschuift naar rechts.

  • Wat gebeurt er met de vraagcurve indien de consumenten een lagere prijs over hebben voor dezelfde hoeveelheid?

    Deze verschuift in zijn geheel omlaag.

  • Wat gebeurt er met de vraagcurve indien het aantal consumenten toeneemt?

    Deze verschuift naar rechts.

  • Wat gebeurt er met de collectieve aanbodcurve als het aantal aanbieders toeneemt?

    Deze verschuift naar rechts

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de public choice?

Economische theorie van de publieke besluitvorming. De bij het politieke proces betrokkenen worden als agenten beschouwd. 

Noem twee adviezen ten aanzien van coalitievorming uit de public choice-theorie.

1. Breng partijen samen die inhoudelijk dicht bij elkaar staan, om onderlinge strijd te voorkomen.

2. Neem niet meer partijen in de coalitie op dan strikt noodzakelijk is.

Welke methoden kunnen worden ingezet om tot een Europees Burgerlijk Wetboek te komen?

1. Via marktwerking tot een spontane oplossing komen (bottum-up perspectief)

2. Bevorderen gemeenschappelijke beginselen (bottum-up)

3. Verbeteren kwaliteit bestaande wetgeving (top-down)

4. Goedkeuren van alomvattende wetgeving op Europees niveau (top-down perspectief)

Waar ziet het conflictenrecht op toe?

Dit recht geeft aan welk recht moet worden toegepast op een bepaalde overeenkomst (internationaal privaatrecht.)

Wanneer kunnen sociale grondrechten een problematische functie krijgen ten opzichte van klassieke grondrechten?

1. Het sociale grondrecht kan het klassieke grondrecht uithollen

2. De grondrechten worden niet onderworpen aan een kosten-batenanalyse

3. Er worden te hoge verwachtingen gecreëerd ten opzichte van de overheid. 

Noem 4 kenmerken van de rechtsstaat.

Legaliteitsbeginsel, machtenscheiding, onafhankelijke rechter, grondrechten.

Om welke drie redenen kunnen politieke partijen bijdragen aan het terugdringen van de rol van belangengroepen?

1. Politieke partijen vertegenwoordigen veel personen

2. De politicus is niet gebonden aan een belangengroep

3. Politieke partijen richten zich op de lange termijn

Wat kan er worden gedaan indien een besluit onevenredige kosten meebrengt voor een minderheid?

De intensiteit van de stem kan worden veranderd.

Er wordt een mogelijkheid gecreëerd tot stemmenruil

Geef aan of de volgende stelling juist of onjuist is: Des te lager de vereiste meerderheid, des te hoger de externe kosten en des te lager de besluitvormingskosten.

Juist

Wat doen de AFM en de DNB

De AFM (Autoriteit financiële markten) is gedragstoezichthouder op de financiële markten (sparen, verzekeren e.d.)

De DNB zorgt voor een sterk financieel stelsel, en ziet erop toe dat aangegane verplichtingen worden nagekomen.