Summary Economie moet je doen.

-
ISBN-10 9054893087 ISBN-13 9789054893080
170 Flashcards & Notes
10 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Economie moet je doen.". The author(s) of the book is/are H Vermeulen, A Alblas, J N van Halem. The ISBN of the book is 9789054893080 or 9054893087. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Economie moet je doen.

  • 3.2 Welk verband bestaat er tussen de gevraagde hoeveelheid en de prijs?

  • De prijsafzetfunctie geeft weer hoeveel je verkoopt bij een bepaalde prijs.
  • De vraagfunctie geeft weer hoeveel er gevraagd wordt bij een bepaalde prijs.
  • Wat houd ceteris-paribus in?
    Je houd er rekening mee dat bepaalde factoren ongewijzigd blijven.
  • 3.3 Hoe werkt het prijsmechanisme?

  • Het proces van prijsvorming heet het marktmechanisme.
  • De collectieve aanbodcurve is de optelling van alle individuele aanbodcurven.
  • 3.5 Hoe meet je de prijsgevoeligheid van de gevraagde of aangeboden hoeveelheid?

  • TO= P x Q, Totale omzet= prijs x hoeveelheid verkochte producten
  • Prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid= procentuele verandering gevraagde hoeveelheid/procentuele verandering prijs.
  • 3.6 Welke soorten goederen kun je onderscheiden?

  • Kruiselingse prijselasticiteit= procentuele verandering Qproduct1/procentuele verandering Pproduct2.
  • 3.7 Consumenten en producentenvoordeel

  • Consumenten die minder hoeven te betalen dan ze bereid waren te betalen, zijn tevreden. We noemen dit 'welvaartsgevoel' het consumentensurplus.
  • Producenten die bereid waren producten te leveren tegen een lagere prijs, hebben een producentensurplus.
  • 3.8 Hoe hangt de vraag af van het inkomen?

  • Een Engelkromme van een noodzakelijk of primair goed snijdt de verticale as en verloopt degressief stijgend. Een Engelkromme van een luxe goed kent een drempelinkomen en verloopt progressief stijgend. Bij inferieure goederen heeft de Engelkromme een dalend verloop.
  • 4.1 lnleiding

  • Wat versta je onder produceren?
    Produceren is het voortbrengen (maken) van goederen en diensten met behulp van schaarse productiefactoren.
  • Wat gebruiken bedrijven om te produceren?
    Bedrijven maken gebruik van schaarse productiefactoren en bouwmaterialen (=grondstoffen en halffabrikaten).
  • Wat is het verschil tussen inkoopkosten en bedrijfskosten van een bedrijf?
    inkoopkosten = kosten voor bouwmaterialen; dus kosten die bedrijven verbruiken bij het productieproces
    bedrijfskosten = kosten voor productiefactoren (=arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap); dus kosten, die bedrijven gebruiken bij het productieproces
  • Wat is het effect van (internationale) concurrentie op een bedrijf?
    een bedrijf moet een goed inzicht hebben in hun kostenstructuur; concurrentie dwingt bedrijven om ze efficiënt mogelijk te produceren. Soms brengen bedrijven vanwege de concurrentie veranderingen in de bedrijfsvoering zelf aan.
  • 4.2 Waarvan hangen de productiemogelijkheden af?

  • Wat is de productiecapaciteit van een bedrijf?
    De productiecapaciteit van een bedrijf is de maximale hoeveelheid goederen of diensten die een bedrijf kan voortbrengen / maken per tijdseenheid.
  • Bestaat er ook een maximale productie voor een land als geheel?
    Ja, de maximale productie voor een land als geheel is de som van alle individuele productiecapaciteiten van alle bedrijven in dat land samen.
  • Wat bepaalt die grootte van de productiecapaciteit?
    De productiecapaciteit hangt af van de hoeveelheid productiefactoren (arbeid, kapitaal). Ook is de kwaliteit van de productiefactoren is belangrijk (bv technisch betere machines produceren meer dan oudere machines). De grootte van de productiecapaciteit wordt dus bepaalt door de kwantiteit en kwaliteit van de aanwezige productiefactoren.
  • Welke productietechnieken zijn er? Dus welke manieren om goederen/diensten voort te brengen / maken?
    arbeidsintensieve productietechnieken: er worden veel arbeiders ingezet, bv landbouwgoederen in China worden zo gemaakt
    kapitaalintensieve productietechnieken: er worden veel machines ingezet voor het maken van landbouwgoederen; bv Nederland gebruikt veel machines en weinig arbeid/arbeiders in de landbouw
  • Waarvan hangt het af of er arbeidsintensieve of kapitaalintensieve productietechnieken gekozen worden?
    Deze keuze is afhankelijk van de prijsverhouding tussen arbeid en kapitaal. Als de arbeidskosten in een land erg hoog zijn, zullen de loonkosten per product ook hoger zijn.
  • Wat zijn de gevolgen van hoge loonkosten in een land?
    Als de arbeidskosten in een land erg hoog zijn und de arbeidsproductiviteit van de werknemers niet even hoog zijn gaan de loonkosten per product omhoog. Bedrijven laten dan sommige activiteiten in andere landen uitvoeren, waar de arbeidskosten per product lager liggen. (bv administratief werk wordt uitbesteed naar India)
  • Hoe wordt het verband tussen de productie en de hoeveelheid ingeschakelde productiefactoren aangeduid?
    Het verband tussen de productie en de hoeveelheid ingeschakelde productiefactoren geef je weer met de productiefunctie: Y = f (A,K)
    Y = productie
    A = hoeveelheid ingeschakelde arbeid
    K = hoeveelheid ingeschakelde kapitaalgoederen
  • Welke productiefuncties kun je onderscheiden?
    functie I: kapitaalintensieve techniek
    functie II: arbeidsintensieve techniek
  • Heeft een bedrijf altijd dezelfden productiefactoren of kan dat veranderen?
    Als de arbeidskosten relatief hoog worden, kunnen die vervangen worden door kapitaal. = Vervanging (substitutie) van productiefactoren.
  • Hoe noem je de investeringen die je doet om techniek II arbeidsintensief te vervangen door techniek I kapitaalintensief?
    Deze investeringen noem je diepte-investeringen. Daardoor stijgt de gemiddelde arbeidsproductiviteit. (=hoeveelheid productie die per tijdseenheid wordt geproduceerd door één arbeider)
  • Is productie hetzelfde als productiecapaciteit?
    Nee, productiecapaciteit is een theoretisch begrip (maximale productie die een land in een bepaalde periode met de aanwezige productiefactoren kan voortbrengen; capaciteit wordt bepaalt door kwantiteit en kwaliteit van productiefactoren).
    De werkelijk capaciteit kan kleiner zijn (kapitaalgoederen zijn in onderhoud of reparatie en werknemers zijn vrij/ziek) maar soms ook groter (werknemers zijn bereid om over te werken of de bedrijfstijd wordt verlengd)
  • Gegevens van een land:
    beroepsbevolking (Aa) (kwantiteit): 8 miljoen
    gemiddelde arbeidsproductiviteit (a) (kwaliteit): 60.000,00 euro
    kapitaalgoederenvoorraad (K) (kwantiteit): 400 miljard euro
    kapitaalproductiviteit (k) (kwaliteit): 1,1
    nationale productie (Y): 390 miljard euro
    Maximale productie op basis van het aanbod van arbeid is 480 miljard euro.
    (Ya = a * Aa = 60.000 * 8 miljoen = 480 miljard euro; Y=nationaal inkomen/product)
    Maximale productie op basis van aanwezige kapitaalgoederenvoorraad is 440 miljard euro (Yk = k * K = 1,1 * 400 miljard = 440 miljard euro)
    Het werkelijke nationale product is 390 miljard euro.
    Productie kan nog uitgebreid worden tot 440 miljard euro, niet verder (kapitaal is knelpuntfactor); want: Aa*a = 480 miljard euro (kapitaal is minder dan arbeid)
    productiecapaciteit van dit voorbeeldland = 440 miljard euro
    hoeveel werknemers zijn bij deze productie nodig: Werkgelegenheid Av = Yk/a = 440mld/60000=7,333 mln; bij deze productie zijn 7,333 miljoen werknemers nodig.
    werkelijke nationale productie is echter maar 390 mld; dus vraag naar arbeid is:
    Av = Y/a = 390 mld/60000 = 6,5 mln; er werken maar 6,5 miljoen mensen;
    werkloosheid U (unemployment): U = Aa - Av = 8 mln - 6,5 mln = 1,5 mln; dus de werkloosheid bedraagt 1,5 miljoen mensen.
  • Wat is de toegevoegde waarde van een bedrijf?
    De productie van een bedrijf wordt door economen gemeten door de toegevoegde waarde van een bedrijf te meten. De toegevoegde waarde is de omzet van het bedrijf minus de inkoop.
    (de inkoop is de toegevoegde waarde van een ander bedrijf en wordt op deze manier niet dubbel geteld).
    De toegevoegde waarde is het inkomen waarvan het bedrijf zijn productiefactoren arbeid (loon), kapitaal (rente, huur), natuur (pacht) en ondernemerschap (winst) betaalt.
  • Wat betekenen de begrippen outsourcing en offshoring:
    outsourcing: taken van een bedrijf in een EU-land worden uitbesteed aan een bedrijf in een lagelonenland; het bedrijf in het EU-land koopt vervolgens de producten in.
    offshoring: een deel van het productieproces van het bedrijf in het EU-land wordt verplaatst naar een lagelonenland; er is geen ander bedrijf bij betrokken; er moet dus niets ingekocht worden; het is een bedrijf met filiaal in het lagelonenland
  • Wat is structurele werkloosheid en conjuncturele werkloosheid?
    structurele werkloosheid: ontstaat als er te weinig arbeidsplaatsen zijn; de productiecapaciteit is volledig bezet en nog steeds zijn mensen werkloos;
    conjuncturele werkloosheid: productiecapaciteit is nog niet bezet; maar de bedrijven hebben door minder groei van de economie geen geld om werknemers in dienst te nemen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarom is een levensverzekering een manier om koopkracht van nu om te ruilen in koopkracht voor de toekomst?
Een levensverzekering sluit je af voor je eigen leven.
Je kunt een levensverzekering gebruiken om een hypothecaire lening af te lossen.
Als de hypotheekgever komt te overlijden, dan kunnen de nabestaanden met de uitkering van deze verzekering het huis bij de bank afbetalen. En ook als de hypotheekgever niet overlijdt, krijgt hij aan het einde van de looptijd een som geld uitgekeerd, waarmee hij alsnog het huis kan afbetalen.
Wanneer is een pensioenuitkering waardevast, wanneer welvaartsvast?
Een pensioenuitkering is waardevast, als de hoogte van de uitkering in dezelfde verhouding stijgt als de kosten van het levensonderhoud (jaarlijkse aanpassing aan prijsindexcijfer/inflatie).
Een pensioenuitkering is welvaartsvast, als de uitkering in gelijke mate stijgt als de lonen. De welvaartsverhouding tussen werkenden en uitkeringsontvangers bllijft dan gelijk.
Wat is een pensioenvoorziening?
In Nederland krijgt je een soort basispensioen, dat is AOW. Maar dit bedrag is niet erg hoog. Daarom hebben de meeste werknemers via hun werkgever een particuliere pensioensregeling afgesloten. Deze pensioensregeling kan verplicht zijn, maar is het niet in alle gevallen. De pensioenpremies worden betaalt uit de opbrengst van zelf gespaarde premies.
De particuliere pensioensregeling is een aanvullend pensioen en de hoogte is afhankelijk van de hoogte van het salaris dat iemand gedurende zijn/haar arbeidzame leven ontving.
Wat versta je onder AOW?
De AOW (Algemene Ouderdoms Wet) is een collectieve regeling, die de overheid uit collectieve lasten (belastingen en sociale premies) betaalt. Dus de AOW wordt betaalt door de mensen die op dat moment werken.
Iedereen, of hij gewerkt heeft of niet, heeft na zijn 65e (inmiddels stijgt de AOW-grens na 67 jaar) recht op deze AOW-uitkering. Dit is een vast bedrag en voor iedereen gelijk. AOW is een soort basispensioen.
Welke 'oudedagvoorziening' heb je in Nederland.
Je hebt AOW en een pensioenuitkering.
Wat is een tophypotheek?
Bij een tophypotheek leen je meer dan de executiewaarde van het huis. Je leent dus meer dan 75% van de waarde van het huis. Voor een tophypotheek is de rente hoger.
Executiewaarde van een huis:
Executiewaarde is de opbrengst van een huis bij een gedwongen verkoop (executie). De bank wil snel verkopen en de prijs van het huis wordt daardoor veel lager. De executiewaarde van een huis ligt meestal 25% onder de marktwaarde.
Grootheden bij een hypotheek:
voorraadgrootheid: de waarde van de gekochte woning
stroomgrootheid: je inkomen, waarmee je aflost en rente betaalt
inflatie: koopkracht daalt, prijzen steigen
prijscompensatie: loonstijging, waarmee werknemers de stijgende kosten van het levensonderhoud kunnen compenseren
Wat is een hypotheek?
Voor een huis leen je veel geld bij een bank. De bank wil zekerheid, dat zij dit geld ook terugkrijgt en vraagt daarom jouw eigendomsbewijs van het huis als onderpand.
De hypotheekgever (= geldnemer, huiseigenaar) geeft het onderpand aan de hypotheeknemer (=geldgever, bank); de hypotheeknemer geeft de hypotheeklening aan de hypotheekgever.
kopen van een huis:
nadelen:
* je betaalt ongeveer 9% meer dan de koopprijs (=kosten koper, k.k.)

voordelen:
* je hoopt dat je de kosten koper terug verdient, doordat het huis in waarde stijgt
* je bent bezig met een vorm van vermogensopbouw (sparen)
* kopen is vaak goedkoper dan huren, de rente is aftrekbaar van de belasting
* het huis is jouw eigendom, je kunt het veranderen zoals jezelf dat wilt