Summary Eigen klinische pathologie

-
ISBN-13 9789006952468
441 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Eigen klinische pathologie". The author(s) of the book is/are C B van Heycop ten Ham. The ISBN of the book is 9789006952468. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Eigen klinische pathologie

  • 4 afweer/ontsteking

  • Vanaf de geboorte is een mens besmet met micro-organismen. Op de huid en in de darmen komen altijd bacteriën voor --> commensalen. Het afweersysteem voorkomt dat deze en andere micro-organismen in (diepere) weefsels gaan leven.
    alle weefsels onder huid en slijmvliezen zijn dankzij het immuunsysteem steriel. Maar als de lokale barrières doorbroken zijn, of wanneer afweer verzwakt is, dan kunnen zelfs commensalen wel het lichaam binnendringen. 

    weefselschade roept een ontstekingsreactie op. Als deze komt door micro- organismen heeft dat infectie. Maar er zijn ook steriele ontstekingen.
  • stafylococcen bijvoorbeeld leven normaal op de huid, maar komen vooral via wonden ook in diepere weefsels terecht. 
    en de darmbacterie E Coli veroorzaakt vaak urineweginfecties, als mensen niet goed meer uitplassen.
  • 4.1 afweer

  • Micro-organismen komen 3 vormen van afweer tegen:
    • lokale barrières aan het lichaamsoppervlak 
    • fagocytose (aspecifieke pac mans)
    • immunoglobulinen (specifieke afweereiwitten)
  • Lokale barrières
    op een droge huid moeten ziektekiemen het stellen zonder water. Ook komen veel micro-organismen met huidschilfers in doucheputjes of de wasmachine terecht.
  • Trilharen in de gezonder luchtwegen zwiepen slijm met micro-organismen voortdurend richting keel. Vervolgens wordt het ziektekiem uitgehoest in ingeslikt.
  • Maagzuur zorgt voor zo'n sterk zuur milieu, dat slechts enkele zuurvaste bacteriën daar kunnen overleven. In de vagina leven bacteriën die melkzuur maken en daardoor een zuur milieu creëren, wat beschermt tegen andere micro-organismen.
    de blaas en urethra blijven dankzij volledig en krachtig plassen vrij van bacteriën.
  • In de mond en de dikke darm zijn normaal veel onschuldige bacteriën aanwezig, die voedingstoffen gebruiken. Er blijft dan te weinig over voor ziekteverwekkers om zich te vermenigvuldigen.  Zo beschermt deze commensale flora tegen pathogene micro-organismen.
  • Als pathogenen (ziekteverwekkers) toch door de eerste barrière heenbreken, komen ze in het inwendige milieu terecht.
  • Aspecifieke afweer: fagocytose
    granulocyten en monocyten/macrofagen kunnen zich uit ontstoken vaatjes wurmen om in allerlei weefsels micro-organismen te fagocyteren. Dit houdt in dat het micro-organismen opgenomen wordt in de afweercel, die het vervolgens afbreekt met enzymen. Granulocyten en macrofagen zijn snel en niet kieskeurig, ze kunnen meteen allerlei indringers ophappen. 
    deze vorm van afweer het aspecifiek omdat veel soorten micro- organismen uitgeschakeld kunnen worden.
    granulocyten en macrofagen zijn het leven paraat om indringers op te ruimen. Maar soms is de ziektekiem te sterk en sterven er zoveel witte bloedcellen af, dat er pus (etter) ontstaat). 
    frequente kortdurende infecties zonder dat er sprake is van toegenomen besmettingskans of verzwakte lokale barrières kunnen komen door verstoorde fagocytose. Met name het aantal granulocyten in bloed geeft aanwijzingen over het functioneren van de fagocytose. Zo is bij agranulocytose (zeer laag aantal granulocyten) de aspecifieke weerstand afgenomen.
  • Specifieke afweer: immunoglobulinen
    binnengedrongen ziekteverwekkers en afwijkende cellen komen in contact met de specifieke afweer. Het gaan om lymfocyten. Die per stuk of kloon daarvan slechts een soort antigeen (lichaamsvreemde stof) aanvallen.
    deze reageren op:
    • indringers, zoals bacteriën en virussen
    • abnormale lichaamscellen, zoals kankercellen of cellen met een virus erin. 
  • Lymfocyten circuleren via en bloed en lymfe door het lichaam. Ze kunnen net als granulocyten uit bloedvaten treden om micro-organismen en beschadigde weefsels op te ruimen. Lymfocyten reageren op een indringer of onbekende stof met een immuunrespons. Deze specifieke afweer reactie komt bij een eerste contact met een antigeen pas na dagen op gang. Tegenover dat nadeel staat, dat een lymfocyt of kloon daarvan duizenden micro-organismen of abnormale cellen kan aanvallen.
    2 typen lymfocyten: T en B lymfocyten.
  • T-lymfocyten
    elke T-lymfocyt kan een specifiek antigeen herkennen. Er zijn verschillende T-lymfocyten, onder andere:
    coördinerende T-lymfocyten:
    • T-helpercellen
    • T-suppressors
    • T-geheugencellen    
  • De coördinerende T-lymfocyten helpen bij het reguleren van de immuunrespons. 
    T-helpercellen stimuleren de immuunrespons en T-suppressors onderdrukken de immuunrespons.
    T-geheugencellen worden gemaakt nadat het lichaam voor het eerst in contact is gekomen met een bepaalde ziekteverwekker. Vervolgens blijven de T-geheugencellen als het ware op de reserve bank totdat dezelfde ziekteverwekkers weer in het lichaam terecht komt. Dan zorgen de T-geheugencellen ervoor dat de ziekteverwekker snel en grondig wordt uitgeschakeld, nog voordat je er ziek van wordt.
  • AIDS wordt veroorzaakt door het hiv. Dit virus infecteert de T-helpercellen terwijl het de T-suppressors bijna onaangetast laat. Hierdoor wordt als het ware de immuunrespons uitgezet: geen stimulatie van de immuunrespons, wel onderdrukking.
    pathogenen die normaal ongevaarlijk zijn krijgen dan vrij spel en zorgen voor levensbedreigende infecties.
  • B-lymfocyten
    als B-lymfocyten een antigeen opmerken, produceren ze klonen die dezelfde immunoglobulinen (antistoffen) produceren. Die klonen heten plasmacellen en ze produceren per stuk duizenden afweereiwitten. Die immunoglobulinen vallen bijpassende antigenen op de micro-organismen aan. Die kunnen samen met een complement (een ander eiwit) ongewenste cellen doden.
    een micro-organismen bedekt met antistoffen worden snel gefagocyteerd. Lymfocyten geven indringers dan een soort merkteken, waardoor granulocyten en plasmacellen ze sneller ophappen.
  • T-helpercellen stimuleren de immuunrespons door bijvoorbeeld de productie van nakomelingen van de B-lymfocyten te versnellen.
    ook B-lymfocyten maken geheugencellen, waardoor de tweede keer dat je in contact komt met dezelfde ziekteverwekker de reactie veel sneller is.
  • 4 vormen van specifieke immuniteit
    er zijn 4 manieren om immunoglobulinen te verkrijgen:  
    • natuurlijke passieve immuniteit
    • kunstmatige passieve immuniteit
    • natuurlijke actieve immuniteit
    • kunstmatige actieve immuniteit 
  • Natuurlijke passieve immuniteit houdt in dat de baby immunoglobulinen van de moeder ontvangt via de placenta of borstvoeding. Dit beschermt een paar maanden tegen ziekte waartegen de moeder al immunoglobulinen gevormd heeft. 
    het kinderlijke afweersysteem is niet actief bij natuurlijke passieve immuniteit. De antistoffen, afkomstig van de moeder, verdwijnen na enkele maanden.
  • Kunstmatige passieve immuniteit krijt de patiënt immunoglobulinen ingespoten, zoals MATIG (menselijk antitanus immunoglobulinen). Ander voorbeeld anti- Hepatitis-B- immunoglobulinen. 
    passieve immuniteit beschermt onmiddellijk, maar help slechts een paar maanden. Want de immunoglobulinen verdwijnen en er worden geen geheugencellen gevormd.
  • Natuurlijke actieve immuniteit ontstaat door contact met levende ziekteverwerkers. Lymfocyten leren dan immunoglobulinen te maken. De eerste kost dan een week, maar daarna gaat het steeds sneller dankzij geheugen cellen.
    nadeel is dat de besmetting met onverzwakte ziektekiemen kan leiden tot ernstige infecties. Maar omdat er wel geheugencellen gevormd worden, beschermt natuurlijke actieve immuniteit lang.
  • Kunstmatige actieve immuniteit komt op gang door herhaald contact met (delen van) dood of verzwakt micro-organisme (vaccinatie). Sommige patiënten reageren hier allergisch op en levend virus kan gevaarlijk zijn bij immuundeficiëntie (verzwakte afweer). Het grote voordeel van vaccinatie is dat het jarenlang beschermt, omdat er wel geheugencellen gevormd worden.
    bij een leukopenie (te laag aantal witte bloedcellen) wordt een patiënt heel vatbaar voor infecties. Dan dient besmetting zo veel mogelijk voorkomen te worden. 
    een leukocytose  (een verhoogd aantal witte bloedcellen) wijst juist op een actief immuunsysteem, een ontstekingsreactie. Vaak is tegelijk het CRP (C reactief proteïne) verhoogd, vooral bij bacteriële infecties.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn leverfuncties?
Opslag, ontgifting/ omzetting en productie.
Wat bevat het pancreassap?
  • Amylase (zetmeelsplitser)
  • lipase (vetsplitser)
  • trypsine (eiwitsplitser)
        dit zijn verteringsenzymen

  • (basisch) bicarbonaat --> neutraliseert maagzuur.
Wat vindt plaats in de  dunne darm?
De eindvertering en worden de voedingstoffen geresorbeerd (opgenomen).
Uit welke delen bestaat de dunne darm?
  • Het duodenum (twaalfvingerige darm)
  • het jejunum (nuchtere darm)
  • het ileum (kronkeldarm).
Wanneer treedt cyanose (blauw zien) op?
Als er flink wat onverzadigde hemoglobine in de huidvaatjes komt.
Wat zijn symptomen/ verschijnselen van mammacarcinoom?
  • Palpabele knobbel in borst of oksel
  • tepeleczeem 
  • ingetrokken tepel
  • tepeluitvloed  (sereus = helder, sanguinolent = bloedering of purulent = etterig
  • peau d'orange/ dimpling (huidintrekking als kippenvel)
  • spontane fracturen, vooral lumbaal (door metastasen)
Wat zijn risicofactoren voor mammacarcinoom?
  • Erfelijkheid
  • zelf borstkanker gehad
  • leeftijd
  • vroege menarche/ late menopauze (veel cycli)
  • oestrogenen uit anticonceptie
  • laat eerste zwangerschap voldragen (of geen kinderen)
  • cysteuze mastopathie (cyclisch pijnlijk gezwollen klierweefsel)
  • vetzucht/ gebrek aan lichaamsbeweging
  • vrouwen  met een BRCA-gen (breast cancer gen) kans hoger
Wat wijst op maligniteit?
Een onregelmatige, pijnloze knobbel en vast zitten aan huid of onderlaag.