Summary Epidemiologisch onderzoek opzet en interpretatie

-
ISBN-10 9031378135 ISBN-13 9789031378135
217 Flashcards & Notes
12 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Epidemiologisch onderzoek opzet en interpretatie". The author(s) of the book is/are L M Bouter, M C J M van Dongen, G A Zielhuis. The ISBN of the book is 9789031378135 or 9031378135. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Epidemiologisch onderzoek opzet en interpretatie

  • 1.1 Confounding & effectmodificatie

  • Wat is confounding?

    Een confounder is een verstorende variabele die verantwoordelijk is voor een vertekende weergave van de relatie tussen de centrale determinant en de ziekte.

    Determinant --------->

         ^

         |                                     Ziekte

         v

    Confounder ---------->

  • Wat is de confounder in het volgende verhaal: waarschijnlijk ontstaat door slaapgebrek hoofdpijn, want jongeren die in het weekend uitgaan en weinig slapen hebben hoofdpijn.

    De confounder is alcohol.

  • Aan welke voorwaarden moet een confounder voldoen?

    1. het is een onafhankelijke determinant van de bestudeerde ziekte.

    2. er is een associatie tussen de determinant en de confounder.

    3. Het is geen verbindingsschakel tussen determinant en ziekte.

  • Hebben confounders invloed op de populatiegrootte?

    Ja, per confounder moet je populatie groter zijn.

  • Wat heb je nodig om over de aan- en afwezigheid van een confounder te kunnen oordelen? Waarom kan dit niet bij patient-controleonderzoek?

    Je hebt voorkennis over de basispopulatie nodig. Bij patiëntcontroleonderzoek heb je dit niet, omdat je ze selecteert als ze de ziekte al hebben. Bij grote steekproefomvang neemt het gevaar echter af.

    Bij cohort onderzoek speelt het probleem niet, omdat de onderzoekspopulatie gelijk is aan de basispopulatie.

  • Waaraan voldoet een geschikte onderzoekspopulatie?

    - maximaal contrast in blootstelling aan de determinant die centraal staat

    - minimaal contrast in de blootstelling aan andere risicofactoren van de ziekte (potentiële confounders) 

  • Op welke manieren kun je confounding voorkomen?

    - randomiseren (er moet wel voldoende power zijn)

    - restrictie (meest rigoreus): mensen met de confounder doen niet mee. Hierdoor ontstaat een homogene groep. Het zorgt voor een afname van de externe validiteit, maar een toename van de interne validiteit. Het verhoogt de efficiëntie van het onderzoek.

    - matching: je stopt evenveel rokers in de controlegroep als in de patiëntengroep. De efficiëntie is laag (duurt lang), en de validiteit is vergelijkbaar met achteraf corrigeren.

    - prestratificatie:  je deelt de randomisatie in in strata (lagen) op basis van bepaalde kenmerken (man/vrouw). Hierdoor is de kans op een eerlijke verdeling wat betreft geslacht groter. Dit gebeurt veel en alleen als confounders echt veel invloed hebben.

     

  • Wat doe je met confounders?

    1. Identificeren van potentiële confounders,

    2. evaluatie; voldoet de potentiële confounder aan de drie voorwaarden?

    3. corrigeren van de vertekening, corrigeren in je analyses!

  • Hoe corrigeer je confounders in de analyse bij stratificatie?

    Je analyseert iedere laag apart. Daarna vergelijken met het bruto-effect.

  • Wat is effectmodificatie?

    Het effect van een risicofactor zal verschillen tussen subgroepen (strata) die zijn gevormd op grond van de waarden van de andere risicofactor (effectmodificator).  De relatie tussen determinant en ziekte is verschillend tussen verschillende subgroepen.

     

  • Noem voorbeelden van effectmodificatie.

    - wanneer het effect van leeftijd op de bloeddruk bij rokers anders is dan bij niet-rokers, er is sprake van interactie.

    - wanneer het effect van drinken op het ontstaan van hart en vaatziekten anders is in verschillende leeftijdsgroepen.

    - wanneer de relatie tussen obesitas en het ontstaan van artrose anders is voor mannen dan voor vrouwen.

  • Hoe ziet confounding er in een grafiek uit tegenover effectmodificatie?

    Bij confounding zijn de lijnen evenwijdig, bij effectmodificatie niet, ze hebben verschillende hoeken en kunnen elkaar kruisen.

  • Hebben interne validiteit en effectmofificatoren invloed op elkaar?

    Beide opties kunnen meestal niet in één onderzoek verwezenlijkt worden.

  • Zijn effectmodificatie en counfounders een vorm van bias?

    Confounders wel, effectmodificatie niet (dat is een feit).

  • Wat kun je het beste doen bij effectmodificatie?

    Vermeld het effect in verschillende subgroepen afzonderlijk van elkaar of beperk het onderzoek tot één of enkele subgroepen.

  • Komen confounders en effectmodificatoren samen of apart voor?

    Kan allebei voorkomen, allebei niet, of één van beide.

  • 1.2 Introductie & frequentie en associatiematen

  • Wat is epidemiologie?

    Het vóórkomen van ziekte in menselijke populaties.

  • In relatie tot wat wordt het vóórkomen van ziekte bij epidemiologisch onderzoek beschouwd?

    In relatie tot het vóórkomen van andere verschijnselen (determinanten), zoals:

    - prognostische factoren

    - diagnostische factoren

    - interventie (behandeling)

  • Noem verschillende soorten van epidemiologisch onderzoek.

    - diagnostisch onderzoek;

    - prognostisch onderzoek;

    - therapeutisch onderzoek;

    - etiologisch onderzoek (het ontstaan).

    De methode hangt af van het soort onderzoek.

     

  • Wat is de epidemiologische breuk?

     

  • Welke twee typen populaties bestaan er en wat houden ze in?

    1. Cohort: dit is een gesloten populatie die nooit zal veranderen (bijvoorbeeld alle mensen geboren in 2001, of alle mensen die in een bepaalde periode de huisarts hebben bezocht). Er komen geen nieuwe mensen bij. Deelname eindigt bij bv overlijden, einde experiment, verhuizing etc. 'Eens in een cohort, altijd in een cohort'

    2. Dynamische populatie: heeft een open karakter. Lidmaatschap is van wisselende duur en hangt samen met een bepaalde toestand. Lidmaatschap eindigt zodra een individu niet meer in deze toestand verkeert. Voorbeelden: grieppatiënten, studenten, inwoners van een stad. lidmaatschap eindigt bij bv. einde toestand die lidmaatschap definieert, overlijden, einde gegevensverzameling.  

  • Welke twee typen frequentiematen bestaan er en wat houden ze in?

    1. Prevalentie: iemand heeft de ziekte al.

    2. Incidentie: nieuwe gevallen, iemand krijgt de ziekte in de toekomst.

  • Wat houdt de prevalentie in?

    Het deel van de populatie waarbij een bepaalde gezondheidstoestand op een bepaald tijdstip aanwezig is. Dit kan binnen een cohort of een dynamische populatie zijn. Het is een momentopname. Kan voor alle leden tegelijk, maar dat is niet noodzakelijk. De prevalentie is een proportie (percentage) en ligt altijd tussen o en 1 (0% en 100%).

    Prevalentie is cross-sectioneel: hoe het op dit moment is. Het zegt verder niks over oorzaak/gevolg. Het is goedkoop, omdat er maar één meetmoment is.

     

  • Hoe bereken je de prevalentie?

     

  • Wat kan het meten van de prevalentie belemmeren?

    - geen response doordat bijvoorbeeld dementie gemeten wordt.

    - selectieve mortaliteit: groep A wordtgeassocieerd met overlijden voor 50 jaar. Op 60-jarige leeftijd is de groep veel kleiner dan de andere groepen.

    - Mortaliteit is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld leeftijd.

  • Wat is de interpretatie/relevantie van prevalentie?

    - een kwantificatie van de ziektehoeveelheid;

    - Public Health Planning: als je een campagne voor COPD op wil starten, is het van belang te weten hoeveel mensen roken en at risk zijn.

  • Wat is de periode prevalentie?

    Het deel van de populatie dat de desbetreffende ziekte heeft gehad in een bepaalde periode, bijvoorbeeld binnen 5 jaar.

  • Wat houdt de incidentie in?

    Dit is het deel van de populatie waarbij een bepaalde ziekte in een bepaalde periode voor het eerst optreedt. De incidentie kan per populatie behoorlijk verschillen, bijvoorbeeld door bepaalde campagnes of gebeurtenissen (vuurwerkramp Enschede). Voorbeeld: incidentie eerste hartinfarct. Vaak wordt gekeken naar risicopopulaties (population at risk).

  • Kun je de incidentie zowel in een cohort als in een dynamische populatie meten?

    Ja, maar voor het vaststellen ervan ben je afhankelijk van gebeurtenissen binnen een populatie wanneer deze wordt gevolgd over een bepaalde periode.  

  • Welke twee soorten incidentie bestaan er?

    - de cumulatieve incidentie (CI): Het deel van de leden van een cohort dat gedurende de follow-up de aandoening krijgt. Het is gewoon een kans. Het varieert tussen 0 en 1 en het gebeurt binnen een bepaalde tijdsperiode.  

    - de incidentie dichtheid: de incidentie in een populatie ten opzichte van de totale persoonstijd die is geobserveerd (het aantal persoonsjaren), dus nieuwe gevallen binnen het totale aantal persoonsjaren.

  • Hoe bereken je de cumulatieve incidentie (CI)?

    Wanneer je het aantal doden binnen een cohort wil bereken (de mortaliteit), is de hoogte van de CI sterk afhankelijk van de periode van volgen. Na 50 jaar volgen ligt de CI dicht bij 1.

  • Wat is de CI wat betreft de mortaliteit van een cohort van 8 mensen die gedurende 5 jaar gevolgd zijn en waarvan er 3 zijn overleden, 3 nog in leven zijn en 2 zijn verhuisd?

    CI = 3/8 = 0.375 = 38%

  • Hoe bereken je de incidentiedensiteit/incidentiedichtheid, ofwel ID?

    Dit getal kan tussen de 0 en oneindig liggen.

  • Gedurende een jaar worden 5 personen gevolgd. na een half jaar krijgt 1 persoon borstkanker. Wat is de CI en wat de ID?

    CI: 1/5 = 20%

    ID = 1/4,5 = 0.222/jaar

  • In welke drie categorieën zijn de factoren die het ontstaan of verloop van de ziekte bepalen in te delen?

    - genen

    - gedrag

    - omgeving

  • Wat is een determinant?

    kenmerken die geassocieerd worden met ziekte-uitkomst. Voorbeelden van determinanten of onafhankelijke variabelen zijn: leeftijd, geslacht, vaccinatietoestand, ingestelde therapie, therapietrouw, steun levenspartner, gewoonten (zoals roken en drinken), aspecten van de omgeving, gezondheid.

  • Hoe beantwoordt je een onderzoeksvraag als 'Is overgewicht geassocieerd met diabetes?', hoe pak je het cohort aan?

    Je verdeelt het cohort in twee groepen: overgewicht en geen overgewicht. Je berekent per groep de ID en vergelijkt ze met elkaar.

  • Wat houdt de associatiemaat 'Relatief Risico' (RR) in?

    Geeft het effect van de determinant op de ziekte-uitkomst weer, door de incidenties van de blootgestelde en niet-blootgestelde subcohorten door elkaar te delen. Als het RR van personen met een hoog cholestorolgehalte 2,0 is op sterfte aan hart- en vaatziekten ten opzichte van mensen met een normaal cholestorolgehalte, dan hebben ze een 2x zo hoge kans hierop ten opzichte van de normale groep.

    RR ligt tussen 0 en oneindig.

  • Wat betekent RR<1, RR >1 en RR=1?

    RR<1 = preventieve factor

    RR>1 = risicofactor

    RR=1 = er is geen verschil, het heeft geen invloed

  • 20% van de mensen met overgewicht krijgt diabetes, 5% van de gewone mensen krijgt diabetes. Bereken het RR.

    20/5 = 4. RR= 

     

    In schema:

                                          ziekte

                                    Ja               Nee

                        Ja         a                  -       PY1

    determ.

                        Nee      c                  -       PY2

  • Verwoord de formule voor het RR.

    RR=, ofwel de ID van de groep met de determinant en de ID van de groep zonder de determinant door elkaar delen.

  • 440 mensen met overgewicht krijgen diabetes (persoonsjaren 22.008). 212 mensen zonder overgewicht krijgen diabetes (persoonsjaren 21.235). Wat is het Relatief Risico?

    RR= = 2.0 De kans dat iemand met overgewicht diabetes krijgt is 2x zo groot als dat iemand zonder overgewicht het krijgt.

  • Wat is het Attributieve Risico (AR) of Risicoverschil?

    Dit is het risicoverschil tussen blootgestelden en niet-blootgestelden.

  • Hoe bereken je het AR of risicoverschil?

    AR= ID van de groep met de determinant - ID van de groep zonder de determinant.

  • Wat is de Odds Ratio?

    Dit is de kans dat iemand het heeft tegenover de kans dat hij het niet heeft. Dit is niet hetzelfde als het RR.

    In andere woorden: het vergelijken van de prevalentie van de expositie in de patiëntengroep met die in de controlegroep (in een patiëntcontroleonderzoek). Het is de verhouding tussen de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis voorvalt (zal voorvallen) en de waarschijnlijkheid dat ze niet voorvalt (zal voorvallen).

  • Er is een enquête afgenomen over hoofdpijn in relatie tot geslacht. 90% van de vrouwen heeft hoofdpijn, 10% niet. 20% van de mannen heeft hoofdpijn, 80% niet. Bereken de Odds Ratio.

    OR = . 90x80 = 7200, 10x20 = 200, 7200:200 = 36. Dit is veel hoger dan 1, dus vrouwen hebben een hoger risico op hoofdpijn.

  • Wat is het Number Needed to Treat (NNT)?

    Dit is de maat voor het aantal personen dat behandeld moet worden om bij één persoon effect te krijgen.

  • Hoe bereken je het Number Needed to Treat?

    NNT = 1/risicoverschil (AR)

  • Stel dat het risicoverschil tussen twee groepen 50% is. Wat is dan het Number Needed to Treat?

    NNT = 1/50 = 0.02. Twee mensen moeten behandeld worden om bij 1 persoon succes te hebben. Je deelt dus 1 door het risicoverschil.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de attributieve risico?
Het AR(AP) geeft aan welk deel van de totale incidentie ind e geexponeerde groep toe te schrijven is aan de expositie.
Zo impliceert een AP van 48% voor cardiovasculaire sterfte onder personen met hoge cholesterolspiegel dat 48% van deze sterfte toe te wijzen is aan de hoge cholesterolspiegel.

AP = (I1-I0)/I1 = 1 - (1/RR)
Wat zijn de voor en nadelen van de Odds-ratio?
De odds-ratio laat in een case control studie een vergelijking zien tussen de prevalentie van de expositie in enerzijds de patientengroep als anderzijds de controlegroep.
Een odds-ratio is het quotient van twee odds.
Odds is de kans op bepaalde gebeurtenis of toestand gedeel door het complement van die kans. In dit geval dus de kans van geexponeerd zijn gedeeld door de kans om niet geexponeerd te zijn.

OR = ((a/a+c)/(c/a+c)) / ((b/b+d)/(d/b+d))

Hoewel de berekening duidelijk is , is de interpretatie praktisch lastig.
Het is een goede benadering van de RR bij een casecontrol onderzoek.
Wat is het Hazardratio?
Dit is een andere benaming voor het IDR (incidentiedichtheidratio) wat een andere benaming is voor relative risk (RR).
Wat is het relatieve risico?
Een relatief risico van 2.0 op sterfte aan hart- en vaatziekten voor personen met een hoge cholesterol spiegel ten opzichte van personen met een lage impliceert dat personen met een hoge cholesterolspiegel tweemaal zo groot risico lopen.
RR = Incidentie (I1) / Incidentie (I0)
Hoe reken je het Number Needed To Treat uit?
Deze drukt het aantal personen uit die behandeld moeten worden om bij een persoon de beoogde uitkomst te realiseren. 
NNT = 1/AR
Wat is het attributief risico?
Dit is het risicoverschil RR. AR = incidentie 1 - incidentie 0

Wel oppassen dat binnen deze formule de uitgang is dat het verband causaal is.
Wat is de basis epidemiologische functie?
Z = f (Di) waarbij ziekte de functie is van een of meerdere determinanten
Wanneer spreekt men van effectmodificatie?
Indien het effect van een determinant op de ziektefrequentie verschillend (niet uniform is) voor de verschillende categorieen van een andere variabele (vaak een andere determinant van de ziekte). 

vb. Alcohol en autorijden gecombineerd effect. Los ook een risicofactor.

Dit kan men bestuderen door het effect van de primaire determinant op de ziektefrequentie apart te bestuderen voor verschillende categorieen van de potentiele effectmodificator. Er is sprake van effectmodificatie als het effect in de ene categorie substantieel groter of kleiner is dan in de andere categorie, rekening houdend met de precisie van de effectschattingen.
Wanneer is een onderzoek goed generaliseerbaar?
Je moet vooraf eerst een domein afbakenen. Waarnaartoe wil ik mijn onderzoeksgegevens extrapolareren? Hierbinnen kun je restricties toepassen.
Vervolgens dient er een geschikte bron geidentificeerd te worden die gebruikt kan worden om personen van het te bestuderen type in het onderzoek te krijgen. Dit is de basispopulatie.
Hieruit haal je de onderzoekspopulatie ten slotte, waarbij census (alle personen) of juist een deel ervan onderzoek wordt verricht (steekproef).

Bij de vertaling van domein naar steekproef kunnen gemakkelijk fouten ontstaan. Wanneer deze systematisch van aard zijn, kan dit gevolgen hebben voor de generaliseerbaarheid.
Wanneer doe je een multivariabele regressie?
Als je te maken hebt met veel confounders of met veel categorieen per confounder.