Summary Essential Cell Biology

-
387 Flashcards & Notes
22 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Essential Cell Biology
  • Alberts
  • or
  • 4th

Summary - Essential Cell Biology

  • 1 H4

  • hoe kan een covalente peptide binding vormen?
    wanneer het C atoom van de carboxyl groep van het ene aminozuur elektronen deelt met het N atoom van de aminogroep van een tweede aminozuur. dit is een condensatie reactie
  • waar begin je met de sequentie lezen van een eiwit?
    bij de N terminus
  • wat zijn de negatief geladen polaire aminozuren?
    Aspariginezuur en glutaminezuur
  • wat zijn de positief geladen polaire aminozuren?
    arginine, lysine, histidine
  • wat zijn de ongeladen polaire aminozuren?
    asparigine, glutamine, serine, threonine, tyrosine
  • wat zijn de nonpolaire aminozuren?
    alanine, glycine, valine, leucine, isoleucine, proline, phenylalanine, methionine, tryptofaan, cysteine 
  • waaruit bestaat een aminozuur?
    • aminogroep (N terminus)
    • carboxyl groep (C terminus)
    • restgroep
    • H atoom
  • waarom zijn polypeptide ketens erg flexibel?
    omdat veel peptidebindingen die de C atomen van de polypeptide backbone verbinden vrije rotatie toestaan van de atomen die ze linken. hierdoor zou een eiwit veel vormen aan kunnen nemen, maar het wordt ook beïnvloed door de enorme hoeveelheid niet covalente bindingen die aanwezig zijn. 
  • wat bepaalt in welke vorm een eiwit gaat zitten?
    het gaat in de vorm zitten waarbij de vrije energie (G) het kleinst is. dus is het energetisch gunstig, omdat het hitte loslaat en de mate van disorder vergroot. 
  • hoe kan een eiwit ongevouwen worden gemaakt?
    door het te denatureren met bijv. urea, waardoor de noncovalente bindingen kapot gaan. als je urea weer weghaalt, neemt het eiwit zijn oorspronkelijke vorm weer aan (renaturatie)
  • wat zijn prionen?
    verkeerd gevouwen eiwitten die gaan aggregeren. en andere eiwitten aanzetten tot verkeerde vouwing. ze zijn infectueus omdat ze kunnen overgaan op andere mensen via bloed of eten. 
  • wat zijn chaperonne eiwitten?
    assistenten van het opvouw proces van een eiwit. sommige binden aan deels gebonden ketens en helpen ze verder te vouwen in de energetisch meest gunstige manier. andere vormen 'isolated chambers' waarin een enkele polypeptide keten kan vouwen zonder het risico van het vormen van aggregaten. moet onder invloed van ATP
  • waar dienen de verschillende 'views' voor in Rasmol?
    • backbone: algemene organisatie van de polypeptide keten en hiermee kan je de structuren van gerelateerde eiwitten vergelijken
    • ribbon mode: secundaire structuren bekijken
    • wire model: hierin zie je alle zijketens
    • space-filling model: oppervlakte bekijken
  • hoe wordt een a helix gevormd?
    wanneer een enkele polypeptide keten om zichzelf heen draait om een structureel rigide cilinder te vormen. er wordt een hydrogen binding gemaakt tussen elk vierde aminozuur, waardoor de C=O van 1 peptide wordt gebonden aan de N-H van de ander. hierdoor krijg je een rechtsdraaiende helix met een wending iedere 3.6 aminozuur
    zitten vooral in membraan eiwitten
  • wat is een coiled-coil
    wanneer meerdere helices om elkaar heen draaien om een grotere structuur te vormen. vooral wanneer de a helices de meeste van hun nonpolaire (hydrofobe) zijketens aan 1 kant hebben. 
  • waar bevinden zich meetal de beta sheets?
    in de kern van eiwitten
  • wat zijn opmerkelijke eigenschappen van beta sheets?
    ze geven silk fibers extra kracht. ze staan de vorming van amyloid plaques toe
  • wat zijn de verschillende niveaus van organisatie?
    • aminozuursequentie
    • secundaire structuur: a helices en beta sheets
    • tertiaire structuur: de complete driedimensionale structuur inclusief alles
    • quaternaire structuur: complex met andere eiwitten
  • wat is een eiwit domein?
    elk segment van een polypeptide keten die onafhankelijk kan vouwen in een compacte, stabiele structuur. de verschillende domeinen hebben vaak verschillende functies. 
  • wat is catavikute activator protein (CAP)?
    heeft 2 domeinen. de kleine bindt aan DNA, terwijl de grote met cyclisch AMP bindt, waardoor het voor een conformatieverandering zorgt in het eiwit, die ervoor zorgt dat het kleine domein een specifieke DNA sequentie kan binden en daardoor de expressie van het aangrenzende gen kan promoten
  • uit hoeveel domeinen bestaat myoglobine?
    1
  • wat zijn intrinsieke disordered sequenties?
    stukken polypeptide keten die ongestructureerd zijn om de verschillende domeinen te verbinden. er zitten wel bochten in, maar dat komt door thermaal buffetten. ze zijn het doel voor proteolytische enzymen. ze kunnen ook geen eiwit kristallen vormen, waardoor ze niet te zien zijn op een X-ray.
    deze zijn vaak te zien als de 'loops' tussen de beta sheets en alfa helices. 
  • waar dienen ongestructureerde stukken eiwit voor?
    ze kunnen buigen en zijn flexibel, waardoor ze om targets heen kunnen, en door de domeinen te verbinden zorgen ze voor meer bindingen, maar ook meer flexibiliteit. ze zorgen dat elastieken rubberachtige vezels krijgt. het zijn bovendien ideale substraten voor de toevoeging van chemische groepen die controleren hoe eiwitten zich gedragen
  • wat is een eiwitfamilie?
    ieder eiwit heeft een aminozuur sequentie en een driedimensionale conformatie die erg lijken op de rest van de familie. 
  • wat is een subunit?
    elke polypeptide keten in een grote quartaire structuur. elke subunit kan meerdere domeinen bevatten
  • waaruit bestaat een actine filament en waar dient het voor?
    uit heel veel actine moleculen, en het is 1 van de grootste filament systemen van het cytoskelet. 
  • wat is een globulair eiwit?
    hierin vouwt de polypeptide keten op als een compacte vorm als een bal, met een onregelmatig oppervlak. enzymen zijn vaak globulaire eiwitten. 
  • wat zijn vezelachtige eiwitten (fibrous)?
    eiwitten die over een lange afstand moeten spannen. hebben een simpele, verlengde driedimensionale structuur. bijvoorbeeld keratine. 
  • hoe is keratine opgebouwd?
    dimeer van twee identieke subunits; de lange alfa helices van elke subunit vormen een coiled coil. deze coiled coil regio's worden gecapt aan elk einde door globulaire domeinen die bindingsplekken bevatten zodat ze kunnen samenkomen in intermediate filamenten - een component van het cytoskelet dat het zijn mechanische kracht geeft.
  • waaruit bestaat de extracellulaire matrix vooral?
    uit fibrous proteins. extracellulaire matrix hept cellen te binden om weefsels te vormen. deze eiwitten worden uitgescheiden door de cel, en buiten de cel vormen ze sheets of lange fibrillen. collageen is hier de meest voorkomende van
  • waaruit bestaat collageen?
    uit drie lange polypeptide ketens, waarvan elke het nonpolaire aminozuur glycine in elke 3e positie bevat. hierdoor wordt er een lange triple helix gevormd met glycine in z'n kern. veel van zulke collageen moleculen binden side by side aan elkaar en ook end-to-end, waardoor ze een dakpan structuur vormen, die collageen fibrillen worden genoemd. 
  • waaruit bestaat elastine?
    is ook een extracellulaire matrix eiwit, worden gevormd door relatief losse en ongestructureerde polypeptide ketens die covalent gecross-linked zijn in rubberachtige elastische meshwork. de elastische vezels zorgen voor huid en andere weefsels. de elasticiteit is te danken aan het feit dat elk collageen molecuul afzonder kan ontwinden en weer terug kan winden
  • wat is 1 van de belangrijkste covalente cross-links?
    sulfide-sulfide bindingen - disulfide bindingen. worden gevormd voordat een eiwit wordt uitgescheiden door een enzym in het ER die twee -SH groepen van cysteine zijketens aan elkaar koppelt in het opgevouwen eiwit (oxidatie). zorgen niet voor een conformatie verandering. een voorbeeld is lysozym, die hierdoor lange tijd zijn antibacteriële werking houdt.

    in het cytosol zijn dit soort bindingen niet nodig, dus hier zijn veel 'agents' voor die ze weer afbreken. deze bindingen worden dan ook niet in het cytosol gevormd. 
  • wat is Km?
    de affiniteit van een enzym om aan een substraat te binden. hoe lager de Km, hoe strakker de binding. 
  • wat is een hydrolase?
    een enzym dat een hydrologische cleavage katalyseert
  • wat is een nuclease?
    een enzym die nucleïnezuren opbreekt door de bindingen te hydrolyseren
  • wat is een protease?
    een enzym die eiwitten kapot maakt door de peptidebindingen tussen hen te hydrolyseren
  • wat is een ligase?
    een enzym die twee moleculen aan elkaar plakt.
  • wat is een isomerase?
    een enzym die de herrangschikking van bindingen in een enkel molecuul katalyseert
  • wat is een polymerase?
    een enzym die de reacties zoals de synthese van DNA katalyseert
  • wat is een oxido-reductase?
    een algemene naam voor enzymen die reacties katalyseren waarin 1 molecuul geoxideerd wordt, terwijl de andere gereduceerd wordt. dit zijn oxidases, reductases en dehydrogenases
  • wat is een ATPase?
    een enzym die ATP hydrolyseert. veel eiwitten hebben een ATPase activiteit als deel van hun functie. 
  • wat doet een lysozym?
    maakt de polysaccharide ketens in de celwanden van bacterien kapot. dit is een hydrolyse reactie. 
  • op welke drie manieren kan een enzym zijn werk doen als katalysator?
    1. enzym bindt twee substraat moleculen en zet ze zo tegen elkaar dat er een reactie tussen hen wordt aangemoedigd.
    2. de binding van een substraat aan het enzym rearrangeert elektronen in het substraat, waardoor een deels negatieve en deels positieve lading wordt verkregen die gunstig is voor de reactie
    3. enzym buigt het gebonden substraat zodanig, dat deze in de transitiestaat komt die gunstig is voor de reactie
  • leg uit hoe enzymen gebruik maken van nonprotein moleculen in hun functie
    ze hebben vaak een klein molecuul of een metaal atoom gebonden met hun active site, die helpt met hun katalytische functie
  • wat betekent het dat een enzym allosterisch is?
    ze kunnen twee of meer verschillende conformaties aannemen en hun activiteit kan worden gereguleerd door een shift van de ene conformatie naar de andere. dit geldt ook voor veel eiwitten
  • op welke zijketens van een eiwit kan fosforylering plaatsvinden?
    op de hydroxylgroep van een serine, threonine of tyrosine zijketen van een eiwit
  • wat is het nut van fosforyleren?
    de activiteit van een eiwit aanpassen, maar ook het creëren van docking sites voor eiwitten in grotere complexen, bijvoorbeeld in de Tyrosine Kinase pathway
  • hoe werkt een GTP-bindend eiwit?
    een GTP bindend eiwit heeft een guanosine trilfosfaat (GTP) gebonden, die als moleculaire switches werken. ze zijn in hun actieve conformatie wanneer GTP is gebonden en niet actief met hydrolysering van GTP naar GDP. je kan het weer actief maken door GDP los te laten en GTP opnieuw te binden
  • hoe zorg je ervoor dat een beweging door een motor eiwit irreversibel is?
    door een van de conformatieveranderingen die deel uitmaken van de beweging te koppelen aan de hydrolyse van een ATP molecuul die gebonden is aan het eiwit. hierdoor zijn motor eiwitten ook ATPases. hier gaat veel vrije energie mee verloren, waardoor de kans klein is dat het eiwit terug zal conformeren. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Essential cell biology
  • Bruce Alberts
  • 9780815341307 or 081534130X
  • 3rd ed.

Summary - Essential cell biology

  • 1 Chapter 1, Introduction to Cells

  • Wat is het verschil tussen levende en niet levende dingen?

    Levende dingen zijn opgebouwd uit cellen

  • Wat zijn organellen?
    Een groep cellen met een eigen functie
  • Wat is een cel?
    De cel is de basis van alle levende organismen. Een cel is een kleine, met een membraan omgeven unit gevuld met een waterige oplossing met organische moleculen, die het vermogen heeft om kopieën van zichzelf te maken door te groeien en zich in tweeën te delen.
  • Hoe wordt de tak van de biologie genoemd waarin cellen bestudeerd worden?
    Celbiologie
  • Wat zijn organellen?
    Organellen zijn delen van een cel met een eigen vorm en functie. 
  • 1.1 Unity and diversity of cells

  • zenuwcel in czs - uitgebreid met uilopers, elektrische signalen ontvangen/verzendenparmecium bedekt met cilia (trilhaarcellen, vooruitgang cel dmv rondraaien)cel in oppervlak plant - cellulose eromheen, watervaste laag eromheen, immobielBdellovibrio bacterium - gaat vooruit mbv flagellum (kurkentrekker achtig, soort propellor)neutrofiel/macrofaag - ''kruipt'' door weefgsel, andere vormen, ruimt vuil en andere onherkenbare microorganismen uit de weg en  ruimt dode cellen op. sommige hebben enkel een membraa, anderen nog een laag: de celwand en soms zelfs met hard gemineraliseerd materiaal (zoals in bot)hebben andere dingen nodig om te overleven en om te doen. zuurstof/geen zuurstof, zon/geen zon, water/geen water. elke functie wordt uitgeoefdend door één bepaalde cel. * wat maakt een organisme levend: - homeostase is te waar te nemen - georganiseerd vergeleken andere objecten - reproductie - groeien en ontwikkelen vanuit een simpel begin - nemen energie op en kunnen dit verbruiken/gebruiken - reageren op stimulus  - passen zich aan aan omgeving overeenkomsten cellengenen (zelfde 20 aminozuren, replicatie enz. hierbij krijgen de eiwitten elk een eigen driedimensionale vorm ''confirmatie'' en eenzelfde basis van elke cel) virus: pakje DNA of RNA in een eiwit, maar kunnen zichzelf niet reproduceren met enkel eigen onderdelen: alleen door parasiteren. inactief vanaf de buitenkant maar eenmaal in een gastcel op een slechte manier actief. * een dochtercel lijkt op de oudercel: enkel door foute kopieen, combinaties en mutaties worden de cellen niet identiek. mutaties kunnen maar hoeven niet altijd negatief te zijn. de sterkste cellen zullen zich voortplanten. Genetische verandering en selectie is de basis van de evolutie. waarom zijn hedendaagse cellen hetzelfde in fundamentele basis: ze hebben dezelfde instructies van hun overeenkomstige voorvader ( 3,5-3,8 miljoen jaar geleden ). alles wat leeft op aarde stamt hiervan af en door het verspreiden van organismen heeft elk gebied op aarde er (totaal) andere bijgekregen. *genoom = alle genetische informatie in DNAalle gedifferentieerde cellen afkomstig van dezelfde bevruchte eicel, met allemaal exact dezelfde DNA kopie. andere cellen laten andere genen tot uiting komen, oiv omgeving en functie. * 17e eeuw --> uitvinding (licht)microscoop1930 --> uitvinding elektronenmicroscoop: geen licht- maar een elektronenstraal, nog preciezer.* ontwikkeling lichtmicroscoop afhankelijk van glaslens productie. 19e eeuw: wereldwijd onderzoek naar cellenofficiele geboorte van celbiologie was in 1838/1839 door matthias Schleiden/Theodor Schwann --> cellen zijn bouwstenen voor organismenceltheorie: alle cellen zijn gevormd door de splitsing van al bestaande cellen. 1860: Louis Pasteur -> levende cellen ontstaan niet uit het nietsEvolutietheorie van Darwin : 1859 * extracellulaire matrix: scheiding tussen cellencel is 5-20 micrometer. celonderdelen worden vaak gekleurd om ze te onderscheiden onder de microscoop. kern (nucleus) ligt in het cytoplasma. tegenwoordig is men bezit met een nieuwe manier van microscopie (fluoriscerend) om details tot op de nanometers te kunnen onderzoeken. iets onderzoeken kost veel tijd (voorbereiding).In de cellen worden dan organellen zichtbaar. externe membraan heet plasmamembraan en het membraan om de organellen heet het interne membraan. Scannende elektronen microscoop: schraapt elektronen van het celoppervlak, kijkt naar details op het oppervlak van cellen. We kunnen de individuele atomen nog steeds niet bekijken. 

  • Definieer µm (micrometer) in meters.
    1 µm = 10^-6 m
  • Wat is een cilium?
    Een cilium is een ander woord voor trilhaar. Door de beweging van de trilhaartjes kan de cel zich voortbewegen. Trilhaarcellen kunnen ook een rol spelen bij het transport van andere stoffen (zoals slijm uit de luchtwegen of het transport van een eicel in de eileider). 
  • Wat is een andere benaming voor trilhaardiertjes?
    Ciliaten
  • Wat is een flagellum?
    Een flagellum is een lang, op een zweep gelijkend aanhangsel. Door het slaan van de flagellum kan een cel zich door een vloeistof voortbewegen.
  • Wat is een andere benaming voor een zweepstaartdiertje?
    Een flagellaat
  • Noem twee verschillen tussen een cilium en een flagellum bij eukaryote cellen.
    • Een flagellum is veel langer dan een cilium.
    • Een flagellum beweegt op een andere manier dan een cilium (zie http://www.bioplek.org/animaties/celtotaal/trilharen.html). 
  • Zijn flagella bij eukaryote cellen hetzelfde als bij bacteriën?
    Nee, bij eukaryote cellen zijn flagella een grotere versie van de cilia. Bij bacteriën zijn de flagella compleet anders,ze zijn namelijk kleiner en simpeler in  de bouw.
  • Wat is een celwand? En bij welk soort organismen komt het voor?
    Een celwand is een stevige wand rondom het celmembraan. Het bestaat uit cellulose (een soort zetmeel) en eiwitten. Het komt voor bij de meeste planten, bacteriën, algen en schimmels. Maar het ontbreekt bij de meeste dierlijke cellen.
  • Wat is een gen?
    Een gen bevat de informatie voor één erfelijke eigenschap. Een gen is meestal verantwoordelijk voor het specificeren van één proteïne of RNA-molecuul.
  • Waaruit zijn een nucleotiden opgebouwd?
     Nucleotiden bestaan uit drie bestanddelen:
    • Een fosfaatgroep
    • Een suiker (ribose bij RNA en desoxyribose bij DNA)
    • Een stikstofbase (adenine, thymine (uracil bij RNA), guanine, cytosine)
  • Wat is de functie van mRNA?
    De streng mRNA die bij transcriptie in de celkern gevormd wordt, heeft als functie om deze informatie over te brengen naar de ribosomen waar aan de hand van deze informatie een proteïne wordt gesynthetiseerd.
  • Noem 6 verschillen tussen DNA en RNA.
    • RNA bevat als suiker ribose, DNA bevat desoxyribose.
    • RNA heeft uracil als stikstofbase in plaats van thymine.
    • RNA bestaat meestal uit één streng nucleotiden, DNA uit twee strengen.
    • RNA kan de celkern verlaten, DNA niet.
    • RNA bestaat uit enkele honderden nucleotiden, DNA uit duizenden.
    • RNA wordt steeds afgebroken, maar de hoeveelheid DNA staat vast (de chromosomen).
  • Uit welke monomeren bestaat een proteïne?
    Aminozuren
  • Waardoor hebben proteïne elk een afzonderlijke conformatie?
    De driedimensionale bouw van elke proteïne is anders doordat de volgorde van de aminozuren anders is. 
  • Worden virussen gerekend tot de levende wezens? Zo nee, waarom niet?
    Nee, virussen kunnen niet zelfstandig in leven blijven en zich niet zelfstandig voortplanten. Ze hebben een 'gastheer' nodig om te kunnen overleven.
  • Wat is een mutatie?
    Een mutatie is een erfelijke verandering in de volgorde van de nucleotiden in het DNA.
  • Wat verstaan we onder 'survival of the fittest'?
    Door mutaties kunnen er organismen verkregen worden die slechter, beter of hetzelfde kunnen functioneren als hun soortgenoten. De individuen met een gunstig genotype hebben de meeste kans op het verkrijgen van veel nakomelingen. Zo zal het gunstige genotype doorgegeven worden aan steeds meer nakomelingen (dit hoeft natuurlijk niet te gelden bij geslachtelijke voortplanting, aangezien hier door het toeval wordt bepaald welke eigenschappen door worden gegeven, tenzij beide ouders homozygoot zijn voor de gunstige eigenschappen).
  • Wat is evolutie?
    Het geleidelijke proces waarbij levende organismen modificeren en zich aanpassen aan hun omgeving op steeds geavanceerdere wijzen. Deze aanpassingen hebben geleid tot het ontstaan van nieuwe soorten.
  • Wat is het genoom?
    Het genoom bestaat uit alle genetische informatie in het DNA.
  • Hoe kan het dat cellen in één organisme toch van elkaar verschillen?
    Elke cel bevat wel al het DNA, maar niet alle informatie wordt gebruikt. Sommige proteïnen worden wel gesynthetiseerd en andere niet (genexpressie), welke genen wel en welke genen niet gebruikt worden hangt af van welke signalen de cellen van hun omgeving hebben gekregen.
  • Noem zeven eigenschappen waardoor we zeggen dat iets leeft.
    • Zeer georganiseerd in vergelijking met natuurlijke levenloze objecten
    • Vertonen homeostase
    • Kunnen zichzelf voortplanten
    • Groeien en ontwikkelen zich vanuit een simpele basis
    • Nemen energie en producten op uit hun omgeving en transformeren het.
    • Reageren op stimuli
    • Passen zich aan aan hun omgeving
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Met welk onderdeel van bacterie-RNA-polymerase zijn de basale transciptiefactoren in mensen te vergelijken?
Met de sigma-factor. De basale transcriptiefactoren herkennen de promotor en positioneren RNA polymerase.
Waarom komt kanker vaker voor bij oudere mensen?
Hoe vaker je DNA wordt gekopieerd, hoe vaker er mutaties kunnen optreden. Oudere mensen hebben meer kans op mutaties die zich hebben opgestapeld, en hebben zo meer kans op kanker.
Wat is een replicatievork? Wat gebeurt daar? Hoe noemen we het proces dat daardoor ontstaat?
Omdat eiwitten bij de 'replication origins' de DNA-strengen op verschillende plekken uit elkaar halen, onstaat er een dubbele y-vormige vork. Bij beide vorken gaat de replicatiemachine aan de slag en verschuift daar over de DNA-strengen heen terwijl hij ze losritst en een replica maakt.
We noemen het kopiëren van DNA een bidirectioneel proces.
Wat is de functie van de glycocalyx? 3x
1. Beschermt het celoppervlak tegen wrijving. 
2. Zorgt dat cellen makkelijker kunnen bewegen.
3. Zorgt dat cellen elkaar herkennen. (ook herkennen van infecties)
Wat is de glycocalyx?
Een suikerlaag buiten de cel, gevormd door glycolipiden en proteoglycans.
Wat is een membraandomein? Hoe ontstaan ze? 4x
Een deel van het membraan dat gespecialiseerd is, en waar specifieke eiwitten te vinden zijn. 

Werkt op verschillende manieren:
1. membraaneiwitten zitten vast aan structuren in de cel (vooral cel cortex)
2. membraaneiwitten zitten vast aan structuren buiten de cel (in matrix)
3. membraaneiwitten zitten vast aan membraaneiwitten van een andere cel
4. cel gebruikt diffusiebarrières (tight junctions) om verschil tussen apicale oppervlak en basale oppervlak te maken
Hoe zorgt het celmembraan voor stevigheid?
Door de cortex, een netwerk van eiwitten die aan transmembrane eiwitten vastzitten.
Hoe worden specifieke membraaneiwitten onderzocht?
De membraanvetten worden opgelost in wasmiddelen (detergents). Deze wasmiddelen hebben vaak maar een koolstofstaart in plaats van twee en vormen daardoor micellen, die de membraanvetten en membraaneiwitten uit elkaar kunnen halen.
In welke vorm kruisen veel eiwitten het plasmamembraan? Wat is de andere vorm die voorkomt?
Als a-helix. De hydrofiele gedeelten van de polypeptide-ketting vormen waterstofverbindingen met elkaar en vormen zo een a-helix. De buitenkant van de helix is hydrofoob en ligt dus aan de binnenkant van het plasmamembraan.

De vorm die minder vaak voorkomt is als een b-sheet zich oprolt tot een b-vat (barrel). (Vooral als porie in membranen van bacteriën en mitchondria)
Wat is het verschil tussen eiwitten die een receptor vormen en eiwitten die een transportkanaal vormen door het membraan heen?
receptoren zijn vaak eiwitten met een enkele a-helix die het membraan een keer kruist. Transportkanalen bevatten vaak meerdere a-helixen die het membraan meerdere keren kruisen.