Summary Evolutionary psychology : an introduction

-
ISBN-10 0521716535 ISBN-13 9780521716536
920 Flashcards & Notes
181 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Evolutionary psychology : an introduction". The author(s) of the book is/are Lance Workman and Will Reader. The ISBN of the book is 9780521716536 or 0521716535. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Evolutionary psychology : an introduction

  • 1 Introduction to evolutionary psychology

  • Hoe wijkt Darwinian medicine af van traditionele behandeling?

    Traditioneel: hoe en wat (proximate), Darwin: waarom (ultimate).

  • 1.1 De oorsprong van evolutionaire psychologie

  • Wat is de oorsprong van evolutionaire psychologie? 
    de menselijke geest is het product van evolutie zoals ieder ander lichamelijk orgaan, en we krijgen meer kennis en begrip over de geest wanneer we de evolutionaire drang onderzoeken die de menselijke geest heeft geschapen.  
  • wat is het verschil tussen proximate en ultimate verklaringen

    proximate verklaringen hebben te maken met doelen, kennis van het individu. Ultimate verklaringen gaan over de voordelen die bepaald gedrag gehad kan hebben voor de voorouders.

  • Ultimate questions
    Why a particular behavior existst at all.
    Waarom heeft een pauw zo een idioot grote staart? Waarom laten bepaalde mannetjes spinnen zich opeten door het vrouwtje?
  • Proximate question
    How a particular behavior develops, what are its neural or cognitive underpinnings or whether it is acquired or innate.
  • Darwin (maar ook zijn tijdgenoot A.R. Wallace) wees ons op twee belangrijke principes die gelden voor vrijwel voor alle diersoorten:
    1) individuen verschillen van elkaar in hun eigenschappen en
    2) de eigenschappen van individuen worden in zekere mate doorgegeven aan het nageslacht. Het werk van Malthus bracht een prangende vraag naar de voorgrond: wat gebeurt er eigenlijk in populaties wanneer er onvermijdelijke voedseltekorten ontstaan? Het begin van een overlevingsstrijd? Dit idee gecombineerd met inzicht 1) en 2) hierboven legde de basis voor Darwins evolutietheorie. De evolutietheorie kan in die zin begrepen worden als een formule die we als volgt kunnen weergeven: 
    Evolutie = variatie + erfelijkheid + selectie (+ een hoop tijd).  
  • Enerzijds treden dus tijdens de overerving kleine veranderingen op – dit is wat we aanduiden als variatie die erfelijk is – anderzijds blijven telkens de meest voordelige varianten van die kenmerken bestaan in een populatie – dit noemen we natuurlijke selectie. Variatie, erfelijkheid en selectie, dat zijn de drie basisingrediënten van de evolutietheorie, die gezamenlijk leiden tot evolutie van de (zowel biologische als psychologische) eigenschappen van soorten over vele generaties. Wat Darwin niet wist, is hoe variatie en erfelijkheid nu precies verloopt. Het werk van Mendel (of het bestaan van genen en DNA) kende hij nog niet. Om echter goed te begrijpen hoe evolutie verloopt is het noodzakelijk om enige kennis van genetica te hebben.
  • De moderne synthese verwijst naar de samensmelting van Darwins oorspronkelijke theorie met de genetica zoals deze vorm kreeg in de twintigste eeuw. In zekere zin werd Darwins formule (hierboven weergegeven) omgeschreven naar een kortere variant door de opkomst van de genetica. Deze moderne synthese van de evolutietheorie kunnen we dan als volgt weergeven:
    Evolutie = genetica + selectie (+ een hoop tijd).  
    Waarbij evolutie een onoverkomelijke consequentie is van de wetten van de genetica; dat verschillen in eigenschappen tussen individuen deels te herleiden zijn naar erfelijke genetische variatie, en dat er selectie plaatsvind op sommige van deze varianten. 
  • 1.2 De geschiedenis van het evolutionaire denken

  • de 'founders' van de evolutiepsychologie.
     
    Thales: natural vs. supernatural. Leven evolueert uit simpeler elementen zoals water. 
     
    Empedocles: liefde is impelling force of nature. 
     
    Aristotelos: the great chain of being, natuurlijke rangorde.
     
    Emmanuel Kant: organisme kan veranderen over de tijd heen..voorzag evolutiepsychologie. 
     
    Erasmus Darwin: gezamenlijke voorouders, competitie drijvende kracht achter evolutie. echter geen plausibel mechanisme voor evolutionaire verandering. 
     
    Jean-Baptiste Lamarck: 1e wet van Lamarck: verandering in omgeving leidt tot verandering in diergedrag wat leidt tot ORGAAN meer of minder in gebruik. 2e wet van Lamarck: veranderingen zijn erfelijk. "inheritance of acquired characteristics is incorrect". 
     
    DARWIN: natuurlijke selectie: 2 componenten= erfelijke variatie, verschillend succes in voortplanting. Soms is fout in reproductieproces juist verbetering en wordt dan uiteindelijk de norm.  
     
    Mendel: genetica. Erfelijkheid bestaat uit deeltjes. zie hst. 2. 
     
    Galton: eugenetica= positief en negatief. 'fitness' eigenschappen bezitten die goed zijn voor de maatschappij. Positief: bevorderen dat mensen met een hoge 'fitness'samen voor nageslacht zorgen. negatief: zorgen dat mensen met een lage 'fitness' niet of voor minder nageslacht zorgen. 
     
    Tooby en Cosmides; SSSM=
    mensen worden geboren met een blanke bladzijde.
    Menselijk gedrag wordt gevormd door cultuur, leren, socialisatie, indoctrinatie.
    Leerprocessen liggen ten grondslag veel fenomenen zoals aan de partnerkeuze, voedselverzamelen etc.
  • Thales:

    Verklaarde oorsprong van het leven als natural vs supernatural. Het leven evolueerde uit eenvoudige elementen, met als meest basic element: water.

    Empedocles:

    Gedreven door de liefde kwamen organen samen, een minderheid was succesvol en reproduceerde zichzelf.

    Aristoteles:

    Elke soort neemt een eigen plaats in in een hiërarchische structuur: scala naturae (The great chin of being).

    Kant:

    Een organisme kan veranderen in de loop van de tijd en misschien eigenschappen van een ander organisme zich eigen maken.

    E.Darwin:

    Alle leven komt van één gezamenlijke voorouder. Competitie is de drijvende kracht achter evolutie.

    Lamarck:

    Veranderingen in de omgeving kunnen leiden tot veranderingen in gedrag > orgaan wordt meer of minder gebruikt.

    Deze veranderingen zijn erfelijk. (dit wordt tegenwoordig als niet juist beschouwd)

     

     

  • Intelligent design
     Pseudo wetenschappelijke opvatting die stelt dat bepaalde kenmerken van het leven of het universum het best verklaard kunnen worden als werk van een bovennatuurlijke ontwerper.
  • Darwin: Natuurlijke selectie, ook in evolutie van gedrag

    1. erfelijke variatie

    2. verschil in succes van voortplanting

     

    Mendel:

    Erfelijkheid in deeltjes.

    Descartes:

    Dualisme: fysiek materiaal en immateriële substantie (gedachten of ziel), mentale processen niet beïnvloed door evolutie.

    Galton;

    Karakter en intelligentie zijn erfelijke trekken. Ontwikkelde enkele van de eerste intelligentie tests. Was voorstander van eugenese (rasverbetering).

    James:

    Maakte verschil tussen korte en lange termijn geheugen. Bestudeerde aandacht en waarneming. Angst,liefde en nieuwsgierigheid drijvende krachten voor menselijk gedrag. Mens heeft meer instincten dan andere dieren.

  • -Thales:
    Verklaarde oorsprong van het leven als natural vs supernatural. Het leven evolueerde uit eenvoudige elementen, met als meest basic element: water.
    -Empedocles:
    Gedreven door de liefde kwamen organen samen, een minderheid was succesvol en reproduceerde zichzelf.
    -Aristoteles:
    Elke soort neemt een eigen plaats in in een hiërarchische structuur: scala naturae (The great chain of being).
    -Kant:
    Een organisme kan veranderen in de loop van de tijd en misschien eigenschappen van een ander organisme zich eigen maken.
    -E.Darwin:
    Alle leven komt van één gezamenlijke voorouder. Competitie is de drijvende kracht achter evolutie.
    -Lamarck:
    Veranderingen in de omgeving kunnen leiden tot veranderingen in gedrag > orgaan wordt meer of minder gebruikt.
    Deze veranderingen zijn erfelijk, bijv sporthart. (dit wordt tegenwoordig als niet juist beschouwd)
  • -Darwin: Natuurlijke selectie, ook in evolutie van gedrag
    1. erfelijke variatie
    2. verschil in succes van voortplanting
    -Mendel:
    Erfelijkheid in deeltjes.
    Monnik. Deed experimenten met doperwtjes. Weerschreef de notie dat erfelijkheid een mix is van pa en ma. Door rode en witte bloemen te kruisen krijg je geen roze bloemen.
    -Descartes
    Dualisme: fysiek materiaal en immateriële substantie (gedachten of ziel), mentale processen niet beïnvloed door evolutie.
    -Galton;
    Karakter en intelligentie zijn erfelijke trekken. Ontwikkelde enkele van de eerste intelligentie tests. Was voorstander van eugenese (rasverbetering).
    -James:
    Maakte verschil tussen korte en lange termijn geheugen. Bestudeerde aandacht en waarneming. Angst,liefde en nieuwsgierigheid drijvende krachten voor menselijk gedrag. Mens heeft meer instincten dan andere dieren.

  • -Franz Boas: founder van 'cultureel relativisme'. Verschillen in mensen ontstaan door verschillen in cultuur. Als je mensen wil begrijpen moet je de cultuur begrijpen. Er zijn geen 'biologische verschillen'. Leidde tot een "angst" voor biologische verklaringen van menselijk gedrag.
    -Sigmund Freud: voor vele het boegbeeld van de cultural relativism, door de nadruk die hij legde op de rol van ouders en familie in het vormen van de persoonlijkheid van een individu. Maar hij was ook - in tegenstelling tot vele anderen - geinteresseerd in "ultimate vragen": hij wilde weten waarom mensen zich gedroegen zoals ze deden, niet alleen hoe ze zich gedragen. Daarnaast heeft zijn theorie van het aangeboren "Id" overeenkomsten met evolutionaire theorie. 
    -E.O. Wilson:  eerste psycholoog die echt evolutionair denken toepaste op psychologie. Zijn boek legde het fundament voor de moderne evolutionare benadering van de studie van gedrag. Ontwerper van "Sociobiology". Zeer controversieel. 
     -John Tooby / Leda Cosmides: starters van de herintroductie van evolutionair denken in de psychologie. Noemen de traditionele 'niet-evolutionaire' sociale wetenschappelijke benadering "SSSM". SSSM wordt onderschreven door Margaret Mead en Albert Bandura.
  • Tooby en Cosmides (1997) hebben 5 principes geformuleerd die evolutionary psychology definieren
    1. Het brein is een fysiek systeem. Het werkt als een computer. Het is zo ontworpen dat het gedrag genereert dat passend is voor de omgevingsomstandigheden.
    2. Onze neurologische systemen zijn ontworpen door natuurlijke selectie om problemen op te lossen waarmee onze voorouders werden geconfronteerd gedurende de evolutie van onze soort.
    3. Het bewustzijn is slechts de top van de ijsberg, het meeste wat er gebeurd in onze hersenen is voor ons verborgen. Daarmee onderschatten we hoe complex onze hersenen zijn en werken. Veel problemen die voor ons als eenvoudig over komen. Zijn juist zeer ingewikkeld om op te lossen. 
    4. Verschillende neurologische systemen zijn gespecialiseerd in het oplossen van verschillende problemen. (Dit is modulariteit!)
    5. Onze moderne schedels huisvesten een 'stone-age mind". (Dus wat goed voor ons werkte in de oudheid, zou nu juist wel eens tegen ons kunnen werken).
  • Veronderstellingen van de Santa Barbara School versie van evolutionaire psychologie:
    - modulariteit
    - de relevantie van EEA Environment of Evolutionairy Adaptiveness -  om modern gedrag te begrijpen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Stimulus enhancement
De neiging van een dier om aandacht aan een object of omgeving te besteden nadat hij succes heeft waargenomen bij een ánder dier met dat object of in dat gebied.
Meme
Het onderzoek naar memes staat nog in de kinderschoenen. Zijn vele definities van. 
"a unit of cultural inheritance, naturally selected by virtue of its 'phenotypic' consequences on its own survival and replication" Bijv. Liedjes, gezegdes, mode, hoe je bogen bouwt, etc. Het is niet het liedje zélf, maar de gedachte aan 'een liedje' of 'het concept van laten we een boog bouwen'.
Twee theorieen van Dawkins
Selfish genes en meme-theory.
De meeste theorieën over de culturele evolutie gaan ervan uit dat cultuureenheden geselecteerd raken omdat zij de ‘fitness’ verhogen van het individu dat de meme hanteert: wanneer een idee of stuk gereedschap of een sociale norm ons helpt beter te overleven en voort te planten, dan raakt deze geselecteerd. Dawkins stelt echter dat dit niet altijd het geval hoeft te zijn. Memes hoeven niet alleen gespaard te blijven omdat zij onze fitness verhogen, maar ook omdat zij in staat zijn hun eigen fitness te verhogen. Herinnert u zich dat Dawkins iets vergelijkbaars beweerde over genen? Hij had het over ‘selfish genes’: bij evolutie draait het niet om voortplanting van het individu, maar om voortplanting van de genen, daarbij is het individu alleen maar een toevallige drager, een tijdelijk vehikel van die genen. Datzelfde is volgens Dawkins ook aan de hand met culturele ontwikkeling. Memes ontstaan als variatie op bestaande memes. Of zij vervolgens ook geselecteerd raken, hoeft helemaal niet van voortplantings- of overlevingsvoordelen voor het individu af te hangen. Het gaat er gewoon om dat zo’n meme het voor elkaar krijgt om zich te verspreiden. Dawkins heeft het dan ook over ‘selfish memes’. Het probleem met zo’n opvatting is dat je snel geneigd bent om memen of genen te antropomorfiseren (te vermenselijken). Je schrijft ze als het ware een actieve geest toe door te stellen dat zij 'zelfzuchtig' zijn en vooral gericht zijn op hun eigen verspreiding. Natuurlijk doet zo’n meme helemaal niets, net zomin als een gen. Het is gewoon een culturele eenheid zoals een stuk gereedschap, een goed idee, een pakkend melodietje dat toevallig verspreid raakt omdat mensen het gaan gebruiken. Een dergelijke meme kan bijvoorbeeld ook een sociale norm inhouden die, weliswaar beperkend is voor het individu, maar een sterke groepscohesie teweegbrengt. Door die cohesie verspreidt de meme zich gemakkelijker over de groep. In zo’n geval is de meme niet goed voor de fitness van het individu, maar wel voor zijn eigen verspreiding.
Idea diffusion
Dat "goede ideeen van samenleving (cultuur) op samenleving (cultuur) worden overgebracht". Verklaring waarom veel culturen op een bepaald abstractieniveau op elkaar lijken.
Leerdoel: de vroeg twintigste-eeuwse antropologische reactie op deze victoriaanse opvatting (ten aanzien van de relatie tussen natuur en cultuur) kunt weergeven
=
Leerdoel: kunt uitleggen hoe sinds de jaren vijftig een groot aantal wetenschappers en filosofen probeert om deze spanning (het debat tussen nativisten en empiristen) op te heffen
=
Leerdoel: de theorie van Jared Diamond over de verspreiding van beschaving kunt reproduceren.
In het westen hebben we metaal ontdekt (waarmee voertuigen, gereedschap en wapens gemaakt konden worden). Daarnaast hebben we dieren tam gemaakt die gebruikt konden worden voor transport, arbeid en voedsel. Door zo dicht bij dieren te zijn, hebben de nodige ernstige ziekten gehad en ook overleefd, de kolonies waren niet bestand tegen deze ziekten en stierven massaal. 
Daarnaast loopt Europa verder door (van west naar oost) waardoor we makkelijker dieren konden transporteren. Afrika en Amerika zijn kleinere en losse continenten.
Leerdoel: begrijpt wat wordt bedoeld met het verschil tussen horizontale transmissie en verticale transmissie
Horizontale genoverdracht of laterale genoverdracht (Engels: horizontal/lateral gene transfer of afgekort HGT/LGT) is een proces waarbij genetisch materiaal tussen twee organismen wordt uitgewisseld (genetische uitwisseling), zonder dat er een familierelatie is tussen de twee. Het overbrengen van genetisch materiaal van het ene organisme op het andere kan op natuurlijke wijze (waarschijnlijk voornamelijk bij zeer eenvoudige organismen), maar ook kunstmatig, door genetische manipulatie, gebeuren.
Horizontale genoverdracht onderscheidt zich van verticale genoverdracht, waarbij een organisme zijn genetisch materiaal van eerdere generaties overneemt. In de genetica en de evolutietheorie zijn de meeste wetenschappelijke ideeën gebaseerd op verticale genoverdracht, hoewel tegenwoordig aan horizontale genoverdracht een steeds grotere rol wordt toegedicht.
Leerdoel: kunt uitleggen waarom mensen zulke goede imitators zijn en waarom deze eigenschap zo relevant is voor de culturele ontwikkeling van de mens
Kellog and Kellogg, 1933. Hebben hun zoon grootgebracht met een chimpansee als broertje. Uit dit onderzoek bleek dat de aap in de beginjaren zich sneller ontwikkelde dan de mensbaby, maar al snel bleek ook dat mensen betere imitators zijn dan apen. De baby deed de geluiden van de aap na en de aap nam meestal het voortouw met de baby die het van dichtbij volgde.
De mens is in staat om zich in een ander te verplaatsen (theory of mind), om zich voor te stellen waarom de ander een bepaalde actie uitvoert. Een dier kan dat niet. Wij kunnen betekenis geven aan gedrag.
Leerdoel: de meme-theorie van Dawkins kunt toelichten
De meme-theorie van Dawkins probeert in wezen te beschrijven hoe het ontwikkelingsproces verloopt op het tweede, culturele niveau in het model van Boy en Richerson (het dual inheritance model).
In beide theorieën is sprake van twee interacterende ontwikkelingsprocessen: enerzijds de biologische evolutie volgens de principes van erfelijke variatie in genen en natuurlijke en seksuele selectie. Anderzijds is er het proces van culturele ontwikkeling. Elk van beide processen kent zijn eigen dynamiek en ontwikkelingstempo, maar  zijn inhoudelijk niet onafhankelijk van elkaar. In beide modellen lopen deze twee ontwikkelingen parallel, waarbij de inhoudelijke ontwikkelingen op het ene niveau begrensd en gestuurd worden door ontwikkelingen op het andere niveau. Het grootste verschil is dat in de theorie van Dawkins het proces van culturele evolutie heel expliciet wordt gemodelleerd volgens een ontwikkelingsprincipe dat vergelijkbaar is met genetische evolutie. Er zijn culturele eenheden – Wilson noemde dat culturegens, Dawkins noemt het memes – die overdraagbaar zijn door middel van imitatie of onderricht. In die culturele eenheden kunnen, net als bij genen, veranderingen optreden waardoor er culturele variatie ontstaat. In die variatie wordt vervolgens geselecteerd door een principe dat vergelijkbaar is met natuurlijke selectie: wanneer een meme nuttig is, raakt hij verspreid, wanneer hij dat niet is, verdwijnt hij. Volgens Dawkins is culturele ontwikkeling dus grotendeels vergelijkbaar met evolutie, er is variatie van overdraagbare eenheden en selectie op basis van het nut van die eenheden. Het enige dat verschilt is de informatiedrager en het kopieermechanisme. Bij evolutie is het gen de informatiedrager die gekopieerd wordt tijdens de voortplanting. Bij culturele evolutie is dat het culturegen of de meme, die gekopieerd wordt door imitatie of overdracht.