Summary Experimenteel onderzoek

-
563 Flashcards & Notes
8 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Experimenteel onderzoek

  • 1 Experimentele designs en validiteit

  • Waarom zijn er ethische richtlijnen opgesteld bij onderzoeken die door psychologen worden gedaan?
    Om hen er van bewust te maken dat ze met mensen te maken hebben en dat het van belang is om zorgvuldig en respectvol met deelnemers om te gaan. Ze hebben de plicht om met de waardigheid en de rechten van hun deelnemers te respecteren en te bewaken
  • Als het gaat over ethiek in onderzoeken, welke 3 thema's zijn dan van belang?
    Informed Consent
    Debriefing
    Bedrog
    Het schrijven van de procedure in een methodesectie
  • 1.1 Etiek van experimenteel onderzoek

  • Welke 2 vormen van informed consent heb je?
    De basis is dat je informatie verstrekt en toestemming vraagt.
    • actieve informed consent = een handeling verrichten om toestemming voor deelname te geven.
    • passief informed consent = geen handeling verrichten om toestemming tot deelname te geven - bijv: het vragenformulier niet invullen (wie zwijgt, stemt toe). 
  • Wat houdt het informed consent in?
    • Vrijwillige deelname.
    • Je kunt ten alle tijde, zonder opgaaf van reden, opzetten.
    • weten hoe de gegevens opgeslagen en bewaard worden en hoe lang. Onderzoeker laat ook weten wat er dan met je gegevens gebeurt. 
    • Doel van het onderzoek moet, waar mogelijk, helder zijn. 
    • Weten wat de onderzoeksprocedure is.
    • Risico's/ongemak: bijv: schokkend beeldmateriaal of afname speeksel.
    • Maatschappelijk nut van het onderzoek.
    • Duur van het onderzoek.
    • Contactinformatie
    • op de hoogte zijn of je gegevens anoniem worden verwerkt en zo ja, hoe jouw gegevens geanonimiseerd worden.
  • Wat houdt een goede debriefing in?
    Je geeft de deelnemers het gevoel dat hun tijd niet verspild is. Je laat de deelnemers dan in een vergelijkbare stemming het onderzoek verlaten als dat ze er mee begonnen. 
    Het is van belang om uit te leggen waarom ze van bepaalde dingen niet op de hoogte zijn gebracht voor het onderzoek. Ook moeten de deelnemers de gelegenheid hebben om vragen te stellen.
  • Waarom is het soms nodig om bedrog in te zetten?
    Als je een onderzoek wilt doen waarin een manipulatie centraal staat en de deelnemers weten dit van te voren, dan laten ze zich slecht manipuleren, zo werkt dat met ons mensen. 
    Je moet wel de ethische commissie overtuigen waarom het noodzakelijk is dat je bedrog wilt inzetten. 

    Als een ethische commissie inschat dat je bedrog, tijdens de debriefing, heftige emoties op gaat roepen of als mensen aanstoot nemen aan het bedrog, dan is het onacceptabel.
  • Welke soorten bedrog kun je inzetten?
    • Het gebruik van handlangers.
    • Staged manipulations in field settings: omstandigheden waarin deelnemer zich bevindt, zo manipuleren dat het effect heeft op de deelnemer.
    • misleidende instructies: je vertelt over het onderzoek en wat je onderzoekt, maar eigenlijk onderzoek je iets anders. 
  • Waarom schrijf je de procedure in een methodesectie? En wat moet er in staan?
    De proceduresectie schrijf je uit voor lezer en voor onderzoekers op zo'n manier dat een ander het experiment kan herhalen. 

    1.  samenvatting van de instructies die deelnemers hebben ontvangen. Bij voorkeur niet het volledig transcript - indien noodzakelijk -> verwijzen naar appendix.
    2. beschrijving van specifiek experimentele manipulaties.
    3. als er eventuele counterbalancing of andere methoden van experimentele controle is toegepast dan wordt dit ook in de proceduresectie toegelicht.
    4. duur van het experiment.
    5. eventuele beloningen voor het participeren in het onderzoek.
  • Mindmap; deze op een papier zelf maken.
    Deze
  • 1.2 Bedreigers van interne en externe validiteit

  • Wat is betrouwbaarheid?
    =  ruis of error
    = afwijkingen in onze metingen die om willekeurige redenen zijn ontstaan -> probleem van betrouwbaarheid.  
    =  dat je meetinstrument bij herhaling steeds dezelfde uitkomst heeft.

    • Bij betrouwbaarheid vraag je in hoeverre de metingen vrij zijn van error. 
    • Het is een statistisch probleem.
    • In hoeverre leiden de meetinstrumenten tot dezelfde resultaten?
    • De aanname is: dat wat wordt gemeten is stabiel. 
    Als je iemands humeur over de tijd meet en je krijgt steeds verschillende uitkomsten, dan is dat een indicatie dat het meetinstrument goed meet en het zegt niets over de betrouwbaarheid.

    Naarmate er minder meetfout is (minder verstorende invloeden) dan is de meting meer betrouwbaar.
  • Wat is validiteit?
    = of het meetinstrument meet wat het moet meten. Het gaat over het of de meting overeenkomt met de realiteit en dus moet het meetinstrument de verschillen die in het echt bestaan ook reproduceren in de data die wordt verzameld.

    • Bias = als er systematische redenen zijn dat metingen afwijken, dat is een kwestie van validiteit. 
    • De vraag die je stelt is: in hoeverre is het onderzoek vrij van bias?
    • Het is een filosofische probleem.
    • Validiteit heeft vele vormen o.a. Interne en Externe.   
  • Hoe verhoudt betrouwbaarheid zich tot validiteit?
    Hoe meer valide een meetinstrument is (dus hoe gevoeliger voor subtiele verschillen), hoe minder betrouwbaar. 
    Betrouwbaarheid wordt bepaald door een meting bijv. ook een week later te doen en al de uitkomst stabiel is, kun je zeggen dat het meetinstrument betrouwbaar is. 
    Je krijgt een indruk van validiteit door andere meetinstrumenten te gebruiken om dezelfde of gerelateerde dingen te meten. Als dan de uitkomst hetzelfde is, is het instrument valide
  • Wat is interne validiteit?
    Dat gaat over of er een causaal verband is tussen x en y. 
    Een causale inferentie moet voldoen aan:
    - oorzaak moet in tijd voorafgaan aan het effect.
    - oorzaak en gevolg moet aan elkaar zijn gerelateerd (covariatie).
    - er zijn geen andere plausibele verklaringen waarom de geobserveerde covariatie (geen schijnverband).  

    Causale inferentie is geslaagd als de onderzoeker de manipulatie zo heeft weten te isoleren dat hij alle andere verklaringen en hypotheses heeft weten uit te sluiten.
  • Wat is definitie van inferentie?
    = het generaliseren van waarnemingen, kenmerken, eigenschappen uit steekproeven naar de gehele populatie.
  • Wat is externe validiteit?
    = kunnen de resultaten van het onderzoek gegeneraliseerd worden naar de doelpopulatie.
    ------->>>>>
    2 soorten generaliseerbaarheid:

    • generaliseerbaarheid tussen situaties - de mate waarin de situaties in het experiment gegeneraliseerd kunnen worden naar situaties in 'het echte leven' = ECOLOGISCHE validiteit
    • generaliseerbaarheid tussen mensen - de mate waarin de deelnemers een weergave zijn van de doelpopulatie. 
  • Ecologische validiteit = niet hetzelfde als realisme. Waarom niet?
    Experimenteel onderzoek is altijd op een of andere manier onrealistisch. 
    Er zijn meerdere wijzen waarop een experiment ecologisch valide kan zijn. Vaak als men het over een realistisch experiment heeft dan bedoelt men: psychologisch realistisch, oftewel de mate waarin psychologische processen die door het experiment worden opgeroepen vergelijkbaar zijn met hoe deze psychologische processen worden opgeroepen in het dagelijks leven.
  • Hoe verhouden interne en externe validiteit zich tot elkaar?
    Als onderzoeker loop je het risico dat je als je de ene 'bedreiger' weghaalt, er een andere bedreiger voor terugkomt.
    Op het moment dat je de interne validiteit verhoogt door zo veel mogelijk proefpersoonskenmerken onder controle te hebben, hoe meer dit af gaat wijken van de realiteit en de externe validiteit dus in het gedrang komt.  
    Onderzoekers moeten van geval tot geval beoordelen wat ze toelaatbaar vinden aan validiteitsdreigingen.
  • Wat zijn de 10 bedreigers van de interne validiteit? (voorbeelden in de module)
    1. Tussentijds extern voorval (history) = specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden tussen de eerste en de tweede meting.
    2. Rijping: Proefpersonen veranderen gedurende de duur van een experiment
    3. Test-effect: Het herhaaldelijk meten van proefpersonen kan ook tot een vertekening leiden. Om deze validiteit-bedreiger beheersbaar te maken, meet je zonder voormeting of je meet meerdere groepen zonder en met voormeting.
    4.  Instrumenten: Als het meetinstrument gedurende het experiment verandert dan veranderen waarschijnlijk ook de uitkomsten. Een van de mogelijke oplossingen is het toepassen van een retrospectieve voormeting (Penna & Philips, 2005).
    5. Statistische regressie: een natuurlijke terugval die kan optreden na een extreme gebeurtenis (een regressie). Statistische regressie verwijst naar de neiging van variabele eigenschappen in een populatie om van extreme waarden naar meer gemiddelde waarden te verplaatsen.
    6. Selectie: hoewel in het de praktijk niet mogelijk is om meerdere groepen te vinden die exact gelijk zijn in termen van proefpersoonskenmerken, kunnen er problemen ontstaan wanneer groepen structureel gaan afwijken. Selectiebias kan voorkomen worden door goede randomisatie. 
    7. Uitval: het betreft proefpersonen die om welke reden dan ook niet van start tot einde aan het onderzoek hun medewerking hebben verleend of konden verlenen. Hoewel uitval soms willekeurig is, kan een grote uitval ook een structurele reden hebben. --------------------->>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>  Bedreiger van validiteit als: **uitval veroorzaakt wordt door systematisch kenmerk van het onderzoek; **  toedienen van treatment;  **  aard van de meetinstrumenten.
    8. Interacties tussen bedreigers: een combinatie van bedreigers die elkaar versterken.
    9. Verspreiding van de ingreep: informatie/uitleg in de ene conditie wordt ook bekend onder deelnemers in de andere conditie.
    10. Compenserende rivaliteit =  het John Henry-effect: als de groepen op de hoogte zijn van de manipulatie die wordt ingezet, dan kan er rivaliteit ontstaan, omdat bijv de groep die verwacht wordt minder te presteren, nu extra hun best gaan doen en zo het onderzoek beïnvloeden.
  • Wat zijn de bedreigers voor de externe validiteit?
    1. Interactie voormeting en externe stimulus: de voormeting is ook een probleem voor de externe validiteit, omdat je 'in het echte leven' ook geen voormeting doet en het is geen realistische weergave vd doelpopulatie. Ook speelt reactiviteit mee = het onderzoek zelf is van invloed op dat wat wordt onderzocht. 
    2. Niet-selectieve steekproeven: selectie van proefpersonen wijkt af van de populatie waar het effect in plaats zou moeten vinden.
    3. Reactieve experimentele locatie: de proefleider beïnvloedt door aanwezigheid bewust of onbewust de uitkomsten van de studie.
    Deelnemers willen het de onderzoekers graag naar de zin maken en door signalen (bewust of onbewust) uit te zenden gaan deelnemers zich gedragen zoals ze denken er van hun wordt verwacht. Het blijkt dat verwachtingen die proefleiders zelf hebben over de resultaten van het experiment soms een aantoonbaar effect hebben op die resultaten, ook wel experimenter bias genoemd.
  • Hoe kun je reactiviteit voorkomen in experimenteel onderzoek?
    Door:
    - de voormeting weg te laten,
    - kiezen voor een retrospectieve voormeting,
    - kiezen om proefpersonen te misleiden: als proefpersonen niet weten dat ze worden onderzocht, of zich niet realiseren dat ze een experimentele stimulus hebben ontvangen, dan kunnen zij zich ook niet bewust zijn van het bestaan van een controlegroep.
  • Waarom is het lastig om de experimenter bias in te delen bij of intern of extern?
    OU zet deze onder extern, omdat de aanwezige proefleider een bijzondere omgeving schept met de eigen aanwezigheid en eigen biases. Dezelfde groep deelnemers gedragen zich bij een andere proefleider, anders. 
    Het heeft verwantschap met de ecologische validiteit en dus extern, maar consensus hierover ontbreekt.
  • Wat is selectieperceptie (valt onder reactieve experimentele locatie)?
    Proefleider hebben bepaalde ideeën en verwachtingen van het onderzoek en het kan zijn dat gedragingen/reacties die daar niet in passen, ook niet worden gesignaleerd.
  • Een  onderzoeker wijst proefpersonen random toe aan experimentele en controlegroep. Voorafgaan en na afloop van de manipulatie observeert de onderzoeker de afhankelijke variabele. Welke validiteitsbedreiger is er niet onder controle en waarom?
    De interactievoormeting en externe stimulus. 

    Deze is alleen onder controle bij het Solomon 4 groepen-design en je kunt hem zelfs toetsen, omdat iedere groep uniek valideitsbedreigers onder controle heeft.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is een simpel effect analyse?
Dit is een manier om een interacties op te delen door te kijken naar het effect van één onafhankelijke variabele op de individuele levels van de andere variabele. Dit kan door middel van syntax.
Wat zijn de opties als er sprake is van schending van homogeniteit van variantie? (3)
1) Welch's F: met de hand en erg ingewikkeld
2) Bootstrap posthoc-tests
3) Betrouwbaarheidsintervallen en p-waarden voor de 'parameter estimaties' die robuust zijn voor heterogeniteit
Conclusie: moeilijker dan bij ANOVA
Wat zijn de stappen bij de analyse van factoriële designs in SPSS? (3)
1) Onafhankelijk factorieel: general linear model -> univariatie. Dependent en fixed factors.
2) Interactie-effecten zijn moeilijk om in de tekst uit te leggen, dus hiervoor worden grafieken gebruikt
3) Kiezen van (standaard) contrasten of post-hoc tests
Wat is de opbouw van een factorieel design?
1) SS_T: totale variatie
2) SS_M en SS_R: verschil voorspelde en daadwerkelijke variatie en de onverklaarde variatie
3) SS_A, SS_B & SS_AxB: variatie verklaard door groepen A en B en de variatie verklaard door het interactie-effect
Wanneer is er potentieel sprake van een interactie-effect?
Wanneer lijnen niet parallel lopen
Wat zijn de verschillende typen factoriële designs?
1) Onafhankelijk: verschillende onafhankelijke variabelen gemeten met behulp van verschillende entiteiten (nominaal)
2) Repeated measures: verschillende onafhankelijke variabelen gemeten met behulp van zelfde entiteiten voor alle condities
3) Mixed design: verschillende onafhankelijke variabelen waarvan sommige met dezelfde en sommige met andere entiteiten worden gemeten
Wat is een verklaring voor het verschil in uitkomst tussen posthoc-testen en geplande contrasten?
Geplande contrasten: een experimente groep met de controle groep
Posthoc: meerdere experimentele groepen met de controle groep
Hierbij is sprake van opportunisme. Bij posthoc komen er dan ook vaak grotere verschillen en dus grotere significantie uit
Wat zijn de stappen bij het bekijken van de data? (3)
1) Checken op variatie: weinig/geen -> geen Levene's
2) Between-subjects: gehele experimentele effect (combined - groepsgemiddelden)
3) Within-subjects: onsystematische variatie (individuele verschillen). SS_R en MS_R.
Wat zijn de stappen voor het analyseren van contrasten? (4)
1) Kijken naar 'equal variances not assumed'
2) Value of contrast: som van groepsgemiddelden vermenigvuldigd met de gewichten
3) t-statistic: contrastwaarde gedeeld door standaarfout
4) Significantie waarden
Wat betekent het interactie effect?
Er is sprake van een interactie effect als het effect op de afhankelijke variabele van een onafhankelijke variabele afhangt van de waarde van een andere onafhankelijke variabele. Een hoofdeffect moet niet worden geïnterpreteerd in aanwezigheid van een significant interactie effect betreffende het hoofdeffect