Summary Frans 1ste klas

-
892 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Frans 1ste klas

  • 1 Vocabulaire & Phrases-clès

  • L'hôtel (m)
    Het hotel
  • La piscine
    Het zwembad
  • La fille
    Het meisje
  • Le garçon
    De jongen
  • Génial(e)
    Geweldig
  • S'il vous plait
    Alstublieft (iets vragen)
  • Avec
    Met
  • Aussi
    Ook
  • Toujours
    Altijd
  • Dans
    In
  • La famille
    De familie
  • Les parents (m, mv)
    De ouders
  • Il y a
    Er is, er zijn
  • La soeur
    De zus
  • Le frère
    De broer
  • J'aime
    Ik vind leuk / houd van
  • Je préfère
    Ik heb liever
  • C'est
    Dat is, het is
  • Petit(e)
    Klein
  • Grand(e)
    Groot
  • Bonjour, ça va?
    Hallo/ Hoi, hoe gaat het?
  • Ca va bien, et toi?
    Het gaat goed, en met jou?
  • C'est quoi, Scherpenzeel?
    Wat is dat, Scherpenzeel?
  • C'est une ville.
    Dat is een stad.
  • 1.1 A.

  • Les vacances v/mv
    De vakantie
  • Le camping
    De camping
  • Il est
    Hij is
  • Je cherche
    Ik zoek
  • Voilà
    Alsjeblieft (iets geven)
  • Je parle
    Ik spreek, ik praat
  • Un peu
    Een beetje
  • Français
    Frans
  • Je suis
    Ik ben
  • Hollandais(e)
    Nederlands(e)
  • Et
    En
  • Oui
    Ja
  • Non
    Nee
  • Ici
    Hier
  • Alors
    Dus
  • Pardon
    Sorry
  • Merci
    Dankjewel
  • De rien
    Geen dank
  • Bonjour
    Hallo
  • Au revoir
    Tot ziens
  • Comment tu t'appelles?
    Hoe heet jij?
  • Je m'appelle Stella
    Ik heet Stella
  • Tu habites où?
    Waar woon jij?
  • J'habite à Scherpenzeel, aux Pays-Bas
    Ik woon in Scherpenzeel, in Nederland
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Woordvolgorde in het frans, de werkwoorden staan bij elkaar:
Onderwerp + vorm van aller + hele werkwoord + rest van de zin
Ils/elles vont
Zij gaan
Vous allez
Jullie gaan / u gaat
Nous allons
Wij gaan
On va
Wij gaan
Il/elle va
Hij/zij gaat
Tu vas
Jij gaat
Je vais
Ik ga
Je vais à Paris
Ik ga naar Parijs
Aller, être en avoir zijn regelmatig of onregelmatige werkwoorden?
Onregelmatig